MICHAEL BAKOENIN

Geplaatst op 17 april 2006 door Frank Heinen
Frank Heinen richt zich in dit essay op het gedachtegoed van Michael Bakoenin. Wat was zijn visie op democratie? Welke kritiek uitte Bakoenin en welke (praktische) oplossingen droeg hij aan?
 
Inleiding
De parlementaire democratie heeft zich in de loop van de geschiedenis ontwikkeld tot het dominante politieke systeem. Dit geldt zeker voor Europa en de rest van de westerse wereld (Noord- Amerika, Australië) en ook voor steeds meer Aziatische landen.
 
Voor de tweede helft van de twintigste eeuw was deze ontwikkeling echter zeker niet zo vanzelfsprekend. In de negentiende eeuw waren de eerste stappen richting een vertegenwoordigende democratie in grote delen van Europa weliswaar al gezet, maar was er toch zeker nog sprake van veel weerstand bij bepaalde groepen tegen dit systeem.
 
Bovendien was er met name in Duitsland en Oost- Europa nog weinig merkbaar van een toenemende democratisering van het politieke bestel. Duitsland was nog een keizerrijk dat vooral geregeerd werd door een adellijke bovenlaag en ook Oost- Europa bestond uit staten die geleid werden door een autoritair regime. Het waren vooral landen als Engeland, en in iets mindere mate Frankrijk, waar de democratie al in de negentiende eeuw enigszins een voet aan de grond had gekregen. In deze landen had zich al een parlementaire traditie ontwikkeld die terugging op de middeleeuwse raden die de koning van advies voorzagen.
 
Toch waren er in de negentiende eeuw ook groepen die van mening waren dat er nog lang niet genoeg democratie in Europa was, zoals de anarchisten. De anarchisten waren zeker geen homogene groep met een duidelijk programma of een organisatiestructuur. De inhoud van hun kritiek op bestaande politieke systemen en de oplossingen die ze aandroegen verschilden sterk per land of regio.
 
De anarchisten waren wel allemaal van mening dat een verdere democratisering van de samenleving nodig was, maar verschilden sterk van mening over de manier waarop dit doel gerealiseerd zou moeten worden. De beweging sloeg vooral aan in Frankrijk met Proudhon als belangrijkste denker en in Rusland door denkers als Kropotkin, Bakoenin en Tolstoy. In dit essay zal ik me specifiek gaan richten op Rusland, en dan met name het gedachtegoed van Michael Bakoenin. Wat was zijn visie op democratie? Wat waren zijn belangrijkste punten van kritiek op het Rusland van zijn tijd en op parlementaire democratieën elders in Europa? Welke (praktische) oplossingen droeg hij aan? In het eerste hoofdstuk zal ik vooral een beeld schetsen van de politieke situatie in het Tsaristische Rusland van de negentiende eeuw waarin Bakoenin opgegroeid was. Dit plaatst zijn opvattingen, die in het daaropvolgende hoofdstuk besproken zullen worden, in een context, want het is immers niet onwaarschijnlijk dat het autoritair aangestuurde systeem waarin hij opgroeide zijn latere opvatting over democratie grotendeels gevormd heeft.
 

Ook zal ik in dit eerste hoofdstuk kort ingaan op de vraag of Bakoenin ideeën over democratie opgedaan had aan de hand van buitenlandse voorbeelden of dat zijn opvattingen hierover alleen een reactie waren op de politieke situatie die hij aantrof in Rusland. In het tweede hoofdstuk zal ik vervolgens laten zien wat zijn belangrijkste kritiek op de bestaande politieke systemen van zijn tijd was. Waarom deugde de inrichting van staat en samenleving niet en hoe onderbouwt hij dit? Hoe zag een werkelijk democratische samenleving er dan wel uit? In het laatste hoofdstuk zal ik vooral kijken naar de oplossingen die Bakoenin aandroeg en in hoeverre die in de praktijk realiseerbaar waren, met andere woorden wist hij zijn kritiek daadwerkelijk in bruikbare alternatieven om te zetten? Wat moest er gebeuren om tot werkelijke democratie te komen?

 
Rusland in de late negentiende eeuw

Waar in West-Europese landen als Frankrijk,en met name Engeland, de weg naar democratie in de negentiende eeuw al lang was ingeslagen, daar bleven de Oost- Europese staten, waaronder Rusland, op dit gebied duidelijk achter. Rusland was tegen het einde van de negentiende eeuw nog altijd een staat die geleid werd door een absoluut vorst, de Tsaar. De overheid controleerde alle sectoren van de maatschappij op een autoritaire en vaak zelfs repressieve manier. De Tsaar beschikte over een omvangrijk bureaucratisch apparaat, waardoor een effectieve centralisatie van het bestuur geperfectioneerd kon worden. Er was geen sprake van enige volksinvloed op het bestuur of de aanwezigheid van een gekozen orgaan dat tegengewicht kon bieden aan de positie van de vorst.

Het absolutistische systeem kon in Rusland zo lang overleven doordat het land geen democratische traditie had zoals bijvoorbeeld Engeland die wel had. Er was nooit een rem ontstaan op de macht van de Tsaar in de vorm van vertegenwoordigende organen die de belangen van het volk behartigden. Er had in het verleden wel een soort parlement bestaan, de Doema, maar dit orgaan was door tsaar Peter de Grote ontbonden. De enige klasse buiten de keizerlijke familie die een beetje politiek meetelde, was die van de rijke grootgrondbezitters. Zij waren echter meestal loyaal aan de keizer en hadden niet zo veel interesse in de nationale politiek. De grootgrondbezitters wilden over het algemeen niet veel meer dan rust en orde zodat ze zich konden richten op het maximaliseren van de opbrengsten en winsten die ze uit hun landgoederen haalden. Een sterke, daadkrachtige overheid kon hiervoor zorgen, dus echt een reden om het gezag van de centrale overheid in twijfel te trekken hadden ze niet. Lokale aristocraten en grootgrondbezitters waren verenigd in lokale raden, de zogenaamde mirs, maar dit waren vooral informele organen die zich niet echt met politieke zaken bezighielden en zeker niet de belangen van de armere boeren behartigden.

Michael Bakoenin werd geboren in 1814 als zoon van een rijke grootgrondbezitter in de provincie Tver. Hij groeide op onder het regime van tsaar Nicolaas I (1825- 1855). Het politieke bestel van Rusland in die tijd was grotendeels opgesteld door Peter de Grote (1682- 1725). Een belangrijke pijler voor het systeem vormde de betrokkenheid van de aristocratische elite bij het bestuur van het land. Aristocraten waren tot 1762 verplicht om de staat te dienen als bestuursfunctionaris of als officier in het leger. Na 1762 werd deze verplichting weliswaar afgeschaft, maar in de praktijk was het nauwelijks mogelijk om carrière te maken in andere sectoren dan de overheid en het leger. Een tweede belangrijke pijler van het absolutistische systeem was de lijfeigenheid. De boeren waren door middel van grond verbonden aan een meester die in ruil voor een deel van de opbrengst zorgde voor voedsel en onderdak.
Op die manier ontstond er een feodaal netwerk met de tsaar als opperste leenheer en meester over de rest van de aristocratie en de “gewone bevolking”. Lijfeigenen werden overigens niet alleen in de landbouw ingezet, maar ook bij de winning van belangrijke grondstoffen of voor het vuile werk  in de nieuw opgerichte fabrieken. Ondanks het feit dat er in Rusland een relatief modern bureaucratisch apparaat ontstond, bleef de samenleving grotendeels georganiseerd naar middeleeuws voorbeeld, omdat er geen verschil bestond tussen publiek en privaat. Er was geen formeel onderscheid tussen het ambt en de persoon van een functionaris of heerser.

Onder Nicolaas I werden de bureaucratie en het leger verder geprofessionaliseerd en uitgebreid, waardoor de greep van de centrale overheid op de samenleving nog groter werd. Er kwam een duidelijke taakverdeling voor overheidsfunctionarissen en een geografische spreiding die ervoor zorgde dat de centrale overheid effectief belastingen kon innen en de lokale aristocratie in toom kon houden. Dit alles leidde echter niet tot een modernisering of democratisering van het bestuur, omdat Nicolaas een absolutistisch ingestelde tsaar was die nauwelijks politieke tegenstand duldde. Hij gebruikte het zeer omvangrijke bureaucratische apparaat dat hij tot zijn beschikking had vooral om zijn eigen positie te versterken.
De functionarissen waren bijvoorbeeld gebonden aan een aantal gedragsregels die wettelijk vastgelegd werden in 1832. Elke overheids- of legerfunctionaris was zowel publiek als privé volledig ondergeschikt aan iemand die een hogere rang bekleedde. Verder werd er voor de wet een duidelijk onderscheid gemaakt tussen misdaden die begaan werden tegen de tsaar en die tegen overheidsfunctionarissen. Voor misdaden tegen de tsaar en zijn familie stond een beduidend zwaardere straf, variërend van marteling tot openbare executie.

Nicolaas richtte verder een nieuw orgaan op dat volledig onder zijn toezicht stond en zich bezig moest gaan houden met het controleren van overheidsfunctionarissen en legerofficieren. De tsaar kon op advies van dit nieuwe orgaan, dat bestond uit door hem zelf geselecteerde personen, besluiten om ambtenaren te ontslaan als ze hun taak niet naar behoren uitgevoerd hadden. Er waren echter geen duidelijk vastgestelde criteria waar een dergelijk besluit op gebaseerd moest zijn en ontslag of soms zelf vervolging van overheidsfunctionarissen had vaak meer te maken met persoonlijke wroeging dan met puur zakelijke overwegingen. Verder stelde Nicolaas een geheime politie, de zogenaamde “derde sectie”, in die eventuele politieke tegenstand de kop in moest drukken.
De derde sectie was berucht om haar onconventionele ondervragingsmethoden. Veel politieke tegenstanders werden door foltering tot bekentenissen gedwongen en vervolgens geëxecuteerd. De geheime politie werd soms ook in combinatie met het leger gebruikt om regionale opstanden neer te slaan. Naast de geheime politie bestond er ook een staatsbureau dat verantwoordelijk was voor censuur. Opruiende pamfletten, boeken of tijdschriften die de positie van de tsaar in twijfel trokken waren verboden en uitgevers en schrijvers van dergelijke documenten werden opgespoord en vervolgd.
Democratisering kreeg op deze manier geen kans, omdat schrijvers die pleitten voor meer democratie niet de mogelijkheid hadden om hun denkbeelden openlijk te uiten en bespreekbaar te maken. Nicolaas nam wel maatregelen om de lijfeigenheid enigszins terug te dringen. Alleen de armste boeren mochten nog lijfeigene zijn, de middelgrote boeren kregen formeel een vrije positie. In de praktijk bleven ze echter afhankelijk van de rijke grootgrondbezitters en veranderde er weinig aan hun situatie.

Het bewind van Nicolaas I leidde tot grote ontevredenheid onder grote delen van de Russische intellectuele elite. Vooral degenen die weinig zagen in een carrière bij het leger of de overheid voelden zich aanzienlijk beperkt in hun mogelijkheden tot maatschappelijke en persoonlijke ontplooiing. Hoog opgeleiden zoals doctoren, leraren, advocaten en studenten hadden nauwelijks de mogelijkheid om hoog op de maatschappelijke ladder te komen, omdat ze niet beschikten over bezit. Ze hadden geen grote stukken grond, landgoederen of lijfeigenen, en aangezien politieke macht in het Tsaristische Rusland nog vooral aan grondbezit gekoppeld was, ook nauwelijks politieke invloed.
De Russische intelligentsia vonden dat ze op basis van hun opleiding en capaciteiten echter wel recht op politieke invloed hadden en waren daarom voorstanders van een grondige democratisering van de samenleving en het politieke systeem. Ze wilden de komst van een parlement dat hun belangen en ook de belangen van de rest van het volk zou behartigen en een rem zou vormen op de onbegrensde macht van de tsaar. Verder wilden de meeste Russische intellectuelen het recht om politieke partijen op te richten. Dit was de beste manier om een politieke organisatie van de grond te krijgen die nodig was om veranderingen door te kunnen voeren.
Naast de oprichting van een parlement waren er nog een aantal doelen die de revolutionaire intellectuelen wilden realiseren. Ze wilden een positieverbetering voor de boeren door de macht van de grootgrondbezitters in te perken en bepaalde boeren een stem te geven in het parlement. Verder zou de tsaar voor de wet gelijk moeten zijn aan de rest van de burgers en zou er vrijheid van meningsuiting moeten komen. Censuur stond de ontwikkeling van een modern en democratisch bestel immers in de weg.

Nadat Nicolaas in 1855 opgevolgd werd door Alexander II, leek het er op dat Rusland zich langzaam begon te ontwikkelen tot een meer moderne en democratische staat. Alexander was minder een despoot dan Nicolaas en voerde ook een aantal hervormingen door. Hij hief de censuur op tijdschriften en kranten grotendeels op, waardoor politieke discussies openlijk gevoerd konden worden. Alleen teksten die als een gevaar voor de nationale veiligheid gebrandmerkt werden, konden verboden worden door de overheid. Ook mochten Russische intellectuelen voor het eerst naar het buitenland reizen of in het buitenland hun opleiding volgen.
Dit was voorheen ondenkbaar, omdat contact met de westerse wereld gevaarlijke ideeën kon kweken onder de intelligentsia en daarom een gevaar voor de positie van de tsaar was. Verder maakte Alexander veel minder gebruik van de geheime politie dan zijn vader. De eenheid bleef wel bestaan, maar het martelen en executeren van politieke vijanden zonder aantoonbaar bewijs was niet meer mogelijk. Lijfeigenschap voor boeren werd in 1861 voor de wet verboden en afgeschaft. Alle boeren kregen de status van vrij man en mensen mochten officieel niet meer als bezit worden beschouwd.
Ondanks de juridisch vrije positie van alle boeren bleven er grote verschillen in rijkdom en bezit bestaan tussen grootgrondbezitters en kleine boeren. Alexander probeerde verder het juridische systeem te reorganiseren naar Westers voorbeeld. Er werd een hiërarchisch geordend systeem van hogere en lagere rechtbanken in het leven geroepen, klassenverschillen speelden in tegenstelling tot voorheen geen rol meer bij de berechting van personen, rechtszaken werden openbaar en ieder persoon kreeg het recht om zich te laten vertegenwoordigen door een zelfgekozen advocaat.
Regionaal kwam er een grote mate van zelfbeschikking en werd een stap gezet in de richting van meer democratie. Er werd een systeem opgericht dat gebaseerd was op provinciale- en districtraden, de zogenaamde Zemstvos. Deze raden werden gekozen door de inwoners van de provincie en waren verantwoordelijk voor zaken als publieke werken, onderwijs, medische zorg, voedselvoorziening en het onderhoud van wegen in de eigen provincie of regio. Ondanks al deze hervormingen was Alexander II niet bereid om een nationaal parlement op te richten. Dit zou volgens hem namelijk een bedreiging voor de eenheid van Rusland zijn, omdat deelbelangen dan de overhand boven het nationale belang kregen.
Bovendien zou een parlement een snelle en adequate politieke besluitvorming in de weg staan. Ook politieke partijen zouden alleen voor verdeeldheid en een onoverzichtelijke politieke situatie zorgen en waren daarom eveneens niet wenselijk.
 
Ondanks enkele hervormingen van de tsaar die leken te wijzen op een toenemende democratisering van het politieke bestel, werden de twee belangrijkste wensen van de Russische democraten, een nationaal parlement en het recht om politieke partijen op te richten, niet verhoord. Dit leidde ertoe dat de kritiek op de centrale overheid toenam en de positie van de tsaar steeds meer in twijfel getrokken werd.
De staat werd door de revolutionaire denkers steeds meer gezien als een machine die haar wil opdrong aan het volk en de individuele rechten van de burgers met voeten trad. Overheidsmaatregelen werden, voor en zonder inspraak van het volk, door de centrale overheid gemaakt. Het politieke bestel zou daarentegen organisch moeten zijn; er moesten verschillende politieke organen zijn die elkaar in evenwicht hielden, duidelijke taken hadden en alle delen van de bevolking representeerden. De politiek moest gemaakt worden door het volk en niet door de tsaar en overheidsbureaucraten van bovenaf. De golf van protest onder de Russische intellectuele elite zorgde er voor dat Alexander in 1881 instemde met plannen voor een gekozen nationale commissie die als adviesorgaan zou moeten gaan fungeren. Hier kwam echter niets van terecht, omdat de tsaar kort daarop vermoord werd door radicale revolutionairen die zijn plannen niet ver genoeg vonden gaan. Alexander III, die zijn vader opvolgde, reageerde op de moord met een beleid dat gekenmerkt werd door strenge repressie van revolutionairen.

We hebben gezien dat de opkomst van een intellectuele elite in Rusland, die pleitte voor een democratisering van de samenleving, grotendeels te danken was aan het autoritaire en repressieve karakter van de staat. De opkomst van democratische idealen in Rusland had echter ook te maken met de toenemende “verwesterlijking” van een groot deel van de intellectuele elite. Er was sprake van een toenemend contact met het Westen doordat het mogelijk werd om vrij te reizen. Hierdoor zagen Russische intellectuelen het contrast tussen de politieke systemen van West- en die van Oost- Europa.
Ze zagen dat in landen als Engeland en Frankrijk een groot deel van het volk wel invloed had op de politieke besluitvorming en dat er in die landen wel een gekozen nationaal parlement was. Bovendien waren ook de hoogste gezagsdragers er gebonden aan bepaalde uniforme wetten, in tegenstelling tot Rusland, waar de regerende elite boven de wet stond. Dit contrast was een belangrijke reden waarom er vooral in de negentiende eeuw een democratische beweging op gang kwam en niet eerder. Vorige generaties hadden immers nooit de mogelijkheid gehad om het buitenland te bezoeken en hadden daarom ook geen voorbeelden aan de hand waarvan het eigen politieke systeem bekritiseerd kon worden.
Ook de toenemende geletterdheid in Rusland was een bijkomende oorzaak voor de opkomst van een intellectuele elite die het bestaande politieke systeem in twijfel trok. Universiteiten in Rusland, maar vooral in het buitenland, groeiden in de negentiende eeuw en werden bovendien makkelijker toegankelijk. Dit leidde ertoe dat veel welgestelde Russen in het buitenland gingen studeren, met name in Duitsland, en op die manier kennis maakten met de werken van verlichte of socialistische auteurs zoals Rousseau en Hegel.
De Russische denkers werden vooral geïnspireerd door de romantiek, omdat deze stroming sterk de nadruk legde op de uniciteit en vrijheid van ieder individu en sterk revolteerde tegen het idee van de maatschappij als een mechanische eenheid. De romantiek vormde de basis voor het ontstaan van een groot deel van het anarchistische gedachtegoed dat in de negentiende eeuw wijd verbreid raakte. Het ideaal van de romantici was de eenvoudige en onbedorven mens die nog vrij was en niet verstikt werd door de wurggreep van de moderne staat.
Dit ideaal zorgde voor een hernieuwde interesse in het “oorspronkelijke” Rusland toen er nog nauwelijks sprake was van de aanwezigheid van een sterk centraal gezag. Het Russische verleden werd verheerlijkt om de misstanden die in de eigen tijd bestonden duidelijk aan het licht te brengen. Vooral de gedichten van Pushkin, die vooral gingen over het vroegmoderne, rurale Rusland, waren erg populair.
 
Tegen deze romantische achtergrond was het ook niet verwonderlijk dat de Russische anarchisten de zelfstandige boer als de verpersoonlijking van de ideale samenleving zagen. De maatschappij moest weer georganiseerd worden naar het voorbeeld van de vroegmoderne collectieve boerengemeenschappen. De verschillende boeren en dorpen zouden vrijwillige samenwerkingsverbanden moeten vormen, zonder dat er een hoger gezag was dat zorgde voor een beperking van de vrijheid. Het is opvallend dat de Russische anarchisten vooral de boeren als de drijvende kracht achter een mogelijke revolutie zagen, terwijl de socialisten en anarchisten in West- Europa vooral de arbeiders als de belangrijkste groep in een nieuw te vormen samenleving zagen. Dit had te maken met het feit dat Rusland nog vooral een (semi)- feodale samenleving was met de landbouw als dominante economische activiteit en een geringe mate van industrialisatie en urbanisatie. In West- Europa was er echter wel al sprake van industrialisatie en het ontstaan van grote steden, waardoor er veel proletariërs en relatief weinig boeren waren. Het was daarom ook niet verwonderlijk dat het romantisch anarchisme vooral in Rusland populair was, terwijl Westerse socialistische denkers eerder het materialistisch socialisme van Marx, Engels en Hegel aanhingen. De revolutie van het proletariaat zoals die door Marx voorzien werd, paste immers niet in het beeld van een grotendeels agrarische samenleving zoals het Rusland van de negentiende eeuw.

Michael Bakoenin past als individu duidelijk in het algemene beeld van de Russische intellectueel die zich afzet tegen de politieke situatie in zijn land. Zijn vader was een aristocraat en grootgrondbezitter die het buitenland bezocht had en daardoor al kennis had gemaakt met buitenlandse verlichte literatuur. De jonge Bakoenin groeide op met dit soort teksten wat er ongetwijfeld toe bijgedragen heeft dat hij al snel vrij kritisch ten opzichte van de politieke situatie in Rusland zou staan. Hij had weinig trek in een loopbaan bij het leger of de overheid en trok daarom, na een aantal jaren aan de militaire academie in St. Petersburg door te hebben gebracht, naar Berlijn om te studeren. Daar maakte hij kennis met Duitse romantische literatuur zoals werken van onder andere Herder en Fichte. In Duitsland trof Bakoenin een politiek bestel aan dat weliswaar democratischer was dan het Russische, maar toch als vrij autoritair getypeerd kon worden. Er was wel een parlement, maar dit bestond vooral uit leden van de rijke bovenlaag en werd maar door een beperkt deel van de bevolking gekozen, omdat er geen algemeen kiesrecht maar een vorm van censuskiesrecht was.
Bovendien had het parlement in de praktijk weinig invloed en lag de werkelijke macht vooral bij de Junkers, de adellijke grootgrondbezitters die ook de belangrijkste posities in het leger en bij de overheid in handen hadden. Duitsland was in de negentiende eeuw dus ook nog zeker geen staat waar democratische grondbeginselen al in praktijk gebracht waren. In de andere landen die Bakoenin bezocht, Frankrijk en Italië, was er sprake van meer democratie dan in Rusland en Duitsland, maar zeker nog niet van de democratie die hij zelf voor ogen had. In beide landen was er een nationaal parlement dat door een relatief groot deel van de mannelijke bevolking gekozen werd en een behoorlijke invloed had op de politieke besluitvorming. De parlementen in Italië en met name Frankrijk bestonden echter vooral uit welgestelde leden van de gegoede burgerij of de aristocratie. Het gewone volk was niet verkiesbaar en had in de praktijk dus weinig invloed op de politieke besluitvorming. Politieke invloed was in de negentiende eeuw in het grootste deel van Europa slechts weggelegd voor een beperkte elite, waardoor van echte democratie nog nauwelijks sprake was. Het gebrek aan democratie dat Bakoenin aantrof in combinatie met het gedachtegoed van de romantici dat hem aansprak, heeft waarschijnlijk geleid tot zijn democratieopvatting die in het volgende hoofdstuk besproken zal worden.
 
Democratie volgens Bakoenin
Nadat Bakoenin kennis gemaakt had met de politieke situatie in een aantal Europese landen, kwam hij tot de conclusie dat er nergens sprake was van ware democratie. In elk land waren er bepaalde barrières die de ontwikkeling van echte vrijheid en democratie in de weg stonden. Het eerste punt van kritiek dat hij had op alle bestaande politieke systemen van zijn tijd was de invloed van de staat. De staat vormde volgens Bakoenin per definitie een belemmering voor de vrijheid van het individu. Dit gold vooral voor absolutistisch geregeerde landen zoals Rusland, maar ook voor parlementaire democratieën. De staat was namelijk nooit iets waar de mens vrijwillig voor koos, maar altijd een institutie die hem van bovenaf werd opgedrongen. Om deze visie van Bakoenin te begrijpen, moeten we eerst kijken naar wat hij onder vrijheid en gelijkheid verstond, twee belangrijke voorwaarden voor democratie. Voor Bakoenin was de maatschappij de natuurlijke omgeving waarin de vrije mens leefde. Hij ging er dus wel van uit dat de mens een wezen was dat interactie en samenwerking met anderen zocht en dus niet louter egoïstisch en individualistisch ingesteld was. Deze gedachte ,die de nadruk legt op collectiviteit en onderlinge samenwerking, zien we ook terug bij de meeste andere Russische anarchisten, zoals bijvoorbeeld Peter Kropotkin.

Volgens Bakoenin was de maatschappij een samenlevingsvorm die op natuurlijke wijze ontstaan was. Hiermee sprak hij denkers als Rousseau tegen die er van uit gingen dat de maatschappij gebaseerd was op een soort verdrag dat in een primitievere tijd gesloten was door een bepaalde groep mensen om zichzelf te beschermen tegen gevaren van buitenaf en om de eigen samenleving te ordenen. Een dergelijke theorie veronderstelt dat ieder individu een deel van zijn of haar vrijheid vrijwillig op zou geven in dienst van het algemeen belang. De maatschappij zou dus een door de mens geschapen samenlevingsvorm zijn die pas bestond als een groep mensen onderling een sociaal contract afsloten. Volgens de theorie van Rousseau zou de maatschappij dan ook gereguleerd worden door juridische wetten die door de mensen zelf werden afgekondigd.
 
Dit was voor Bakoenin onacceptabel, want omdat de maatschappij een natuurlijke samenlevingsvorm zou zijn, waren mensen alleen gebonden aan natuurwetten: “Er zijn wel wetten die haar buiten haar weten besturen, maar het zijn natuurwetten die inherent zijn aan het maatschappelijk lichaam als de natuurkundige wetten aan de materiële lichamen”. De vrije mens was volgens hem dus niet gebonden aan juridische of politieke wetten, maar louter aan natuurkundige wetten of aan traditionele zeden en gewoonten die algemeen gangbaar waren. Vrijheid was voor hem ook een ondeelbaar iets: “De vrijheid is ondeelbaar: men kan er geen deel van wegnemen zonder het geheel te doden. Dat kleine deel dat u er van wegneemt is juist het wezen van mijn vrijheid, het is het geheel”.

Gelijkheid was een begrip dat voor Bakoenin direct verbonden was met vrijheid: zonder het een kon het ander niet bestaan. De natuurlijke maatschappij die hij schetst, garandeerde zowel individuele vrijheid als gelijkheid, omdat de mens er niet gebonden was aan juridische wetten. Die zorgden er namelijk voor dat er een formele ongelijkheid bestond tussen degenen met invloed en bezit en de groepen in de samenleving zonder macht en bezit. Volgens Bakoenin was armoede de belangrijkste belemmering voor de ontwikkeling van vrijheid en gelijkheid. Iemand die alleen maar bezig was met zichzelf in leven te houden en daarom niet meer dan een loonslaaf was, kon zich nooit ontwikkelen en daarom nooit echt vrij zijn.
Alleen degenen met bezit en invloed hadden echt de mogelijkheid om vrij te zijn. Daarom vond Bakoenin ook dat het individu niet gebonden moest zijn aan juridische en politieke wetten, omdat die door de machtigen en rijken opgesteld waren om hun eigen positie te beschermen door de ongelijke verdeling van welvaart en macht binnen de samenleving in stand te houden. Ook het kapitalisme was een middel voor de rijke bovenlaag om de lagere klassen onder controle te houden. Omdat deze groep de productiemiddelen controleerde, was de rest van de bevolking veroordeeld tot “loonslavernij”. Het kapitalistische systeem hield economische ongelijkheid dus in stand en was daarom een obstakel voor de ontwikkeling van een werkelijk democratische samenleving volgens Bakoenin. Om werkelijke vrijheid voor elk individu te bewerkstelligen, moest er eerst sprake zijn van volledige economische gelijkheid en zou het kapitalisme dus afgeschaft moeten worden.

De staat was volgens Bakoenin, in tegenstelling tot de maatschappij, geen onmiddellijk product van de natuur, maar een gecreëerde institutie. De staat was een historische variant op de maatschappij die voortgekomen was uit een periode waarin oorlog en verovering centraal stonden. Bakoenin zag de staat als een machine die met behulp van een goed georganiseerde overheidsbureaucratie en een monopolie op geweld van bovenaf zijn wil oplegde aan de burgers. In tegenstelling tot de maatschappij die zich op een natuurlijke manier ontwikkelt, dringt de staat zich op een formele en autoritaire manier aan het individu op en wordt deze gedwongen om een deel van zijn vrijheid op te offeren. Mensen accepteerden de staat als institutie alleen maar uit angst voor de staatspolitie en het leger en omdat ze vaak opgegroeid waren met de foute veronderstelling dat het een natuurlijk ontstane institutie zou zijn. Alle staten waren in principe ondemocratisch, omdat ze de opoffering van individuele vrijheden voor een vaag algemeen belang representeerden. Dit algemene belang hield volgens Bakoenin meestal niet veel meer in dan de belangen van de heersende elite. Hij maakt weinig verschil tussen autoritaire regimes en parlementaire democratieën in zijn kritiek.
Beide systemen representeren de regering van een minderheid over een meerderheid, gebaseerd op de foute veronderstelling dat de minderheid altijd gelijk heeft: “Alle politieke instellingen, zelf de meest democratische, die gebaseerd zijn op de ruimste toepassing van het algemeen kiesrecht, stellen in het begin – zoals zij vaak oorspronkelijk doen – de meest waardige, liberale mannen aan, die het meest aan het algemeen belang zijn toegewijd en het best in staat zijn dit te dienen; toch zijn zij de uiteindelijke voortbrengers van een tweevoudige demoralisatie, een tweevoudig kwaad, juist omdat zij tot noodzakelijk gevolg hebben dat de natuurlijke en als zodanig volmaakt gewettigde invloed der mensen in een recht wordt omgezet”. Ook een parlementaire democratie brengt op een bepaald moment dus een leidende elite voort die de rest van de bevolking door middel van wetgeving haar wil op kan leggen. Het feit dat die elite in een representatief systeem wel door een meerderheid gekozen is, zegt Bakoenin niet zo veel, omdat het volk volgens hem vrijheid en inspraak uit handen geeft op het moment dat het haar vertegenwoordigers aanwijst. Bovendien zijn de uiteindelijke machthebbers slechts door een deel van de bevolking gekozen en regeren ze zonder instemming van de minderheid. De ware volkswil, die de basis zou vormen bij verkiezingen, bestond niet volgens Bakoenin als er geen sprake was van een eenstemmige beslissing.
Een staat met een parlementair systeem kon in zijn ogen zelfs nog despotischer zijn dan een monarchie: “Een republikeinse, op algemeen kiesrecht gebaseerde staat zal zeer despotisch kunnen zijn, meer zelfs dan een monarchale staat, daar hij onder het voorwendsel de wil van iedereen te vertegenwoordigen het volle gewicht van zijn collectieve macht zwaar laat drukken op de wil en de bewegingsvrijheid van ieder van zijn leden die zijn eigen wil wenst te volgen”. Een systeem waarin de burger zijn individuele vrijheid opoffert aan een collectieve wil was dus niet veel democratischer dan een autoritair regime of een dictatuur. Van echte democratie was in het Europa van de negentiende eeuw dan ook geen sprake, slechts van absolutisme en schijndemocratie.

Als Bakoenin geen enkel politiek systeem van zijn tijd echt democratisch vond, is het natuurlijk de vraag hoe een werkelijk democratische samenleving er volgens hem dan wel uit zou moeten zien. De staat zou in ieder geval moeten verdwijnen, omdat het per definitie een ondemocratische institutie was. In dit opzicht verschilde de visie van Bakoenin van die van de Marxisten, omdat die uitgingen van een sterke staat die in de toekomst overgenomen en gecontroleerd zou moeten worden door het proletariaat. De staat zou vervolgens vervangen moeten worden door een systeem dat gebaseerd was op de boerencommunes zoals die in Rusland bestaan hadden voor de opkomst van een sterk centraal gezag. Burgers moesten zich op vrijwillige basis organiseren in collectieve raden. Die zouden zorg moeten dragen voor de besluitvorming op lokaal niveau over zaken die de hele gemeenschap aangingen zoals voedsel- en goederendistributie, onderhoud van wegen en medische zorg. Besluitvorming zou wel gebaseerd moeten zijn op eenstemmigheid, omdat het nemen van besluiten op basis van meerderheid van stemmen ondemocratisch was en er weer voor zorgde dat individuen zich moesten schikken naar de algemene wil. Bakoenin blijft echter onduidelijk over wat er zou moeten gebeuren als bijvoorbeeld slechts een of twee personen zich weigeren aan te sluiten bij een besluit waar verder de hele gemeenschap het mee eens is.
 
Dit idee dat elk besluit op eenstemmigheid gebaseerd moet zijn, lijkt in de praktijk ook onhaalbaar. De organisatiestructuur die Bakoenin op lokaal niveau schetst, zou ook op regionaal en nationaal niveau doorgetrokken moeten worden. Rusland, en ook de rest van Europa, zou volgens een soort federaal systeem georganiseerd moeten worden. Er zouden lokale, regionale en nationale raden en communes moeten komen die in principe allemaal onafhankelijk van elkaar opereerden en geen verantwoording ten opzichte van elkaar schuldig waren. Regionale raden konden dus autonoom besluiten nemen zonder rekening te hoeven houden met een overkoepelend centraal gezag. Een besluit op nationaal niveau zou pas bindend worden als het eerst op regionaal en lokaal niveau op basis van eenstemmigheid goedgekeurd was. Het systeem dat Bakoenin voor ogen had, leek dus wel enigszins op het Amerikaanse, waarin de staten ook een relatief autonome positie innemen. Internationaal zou de maatschappij op een vergelijkbare wijze moeten worden ingericht. De natie moest wel blijven bestaan, maar in plaats van de natiestaat kwam er een federatief verbond, vrijwillig gesloten door alle burgers. Elk land zou ook een onafhankelijke positie innemen, zonder rekening te hoeven houden met andere landen. Samenwerkingsverbanden tussen landen zouden alleen op vrijwillige basis tot stand moeten komen. Op deze manier konden zwakke en kleine landen beschermd worden tegen de expansionistische politiek van grote landen, aldus Bakoenin. Grenzen en handelsbarrières zouden opgeheven moeten worden om vrije uitwisseling van goederen en diensten tussen burgers in verschillende landen mogelijk te maken. Alleen op deze manier zou iedere natie, ieder volk, iedere regio of provincie en iedere gemeente de mogelijkheid hebben om over zijn eigen lot te beschikken. Burgers waren niet langer verplicht om te leven in een onnatuurlijk tot stand gekomen institutie als de staat, maar konden zelf bepalen in welk samenwerkingsverband ze wilden leven, zonder rekening te hoeven houden met zogenaamde politieke en historische rechten, want die vormden toch slechts een rem op de individuele vrijheid.

Opvallend aan de democratieopvatting van Bakoenin is dat hij uitgaat van een systeem dat werkt volgens het bottom up principe in plaats van het top down principe waarop eigenlijke alle politieke systemen van zijn tijd gebaseerd waren. Zowel autoritaire regimes als parlementaire democratieën gaan namelijk uit van een leidende elite die verantwoordelijk is voor het bestuur van de natie. Deze groep specialisten wordt geacht meer verstand van politieke en beleidsmatige zaken te hebben dan de gemiddelde burger en heeft daarom de bevoegdheid om wetten en regels op te stellen die bindend zijn voor de rest van het volk. Besluiten worden dus van bovenaf aan de burgers opgelegd. Het systeem dat Bakoenin voor ogen heeft werkt echter precies andersom, namelijk van onderuit naar boven toe. Politieke zaken worden eerst besproken op lokaal niveau, vervolgens op regionaal en provinciaal niveau en pas in laatste instantie op nationaal niveau. Besluiten worden dus van onderaf door de burgers zelf genomen en niet door een politieke elite die op basis van afkomst of kiesrecht het alleenrecht heeft op het uitvaardigen van besluiten en wetten. Op dit punt verschilde Bakoenin’s opvatting van die van Marx en zijn aanhangers. De Marxisten gingen namelijk wel uit van een politieke elite die als taak had het proletariaat te emanciperen en de revolutie in goede banen te leiden. De kopstukken van deze elite zouden in de nieuw te vormen staat ook grotendeels verantwoordelijk zijn voor de politieke besluitvorming. Door hun afwijkende opvattingen kwamen Bakoenin en Marx dan ook al vrij snel met elkaar in conflict en ontstond er een tweedeling in het socialistische kamp. Bakoenin verweet Marx, achteraf bezien terecht, dat het door hem bedachte politieke systeem alleen maar zou leiden tot een nieuwe vorm van despotisme in de vorm van een partijdictatuur: “De marxisten betogen dat alleen een dictatuur, de hunne natuurlijk, de vrijheid van het volk kan scheppen, wij antwoorden: geen enkele dictatuur kan een ander doel hebben dan zichzelf te bestendigen, en dat zij slechts in staat is om het volk, dat haar moet verduren, slavernij voort te brengen en te kweken; vrijheid kan slechts tot stand worden gebracht door vrijheid, dat wil zeggen door een opstand van het hele volk en door de vrije organisatie der arbeidersmassa’s van onderaf”. Van ware democratie kon volgens Bakoenin alleen sprake zijn als de besluitvorming direct in handen was van het volk en niet in die van een politieke of intellectuele elite. Dit idee dat ware democratie van onderaf moest komen, was typerend voor het gedachtegoed van de anarchisten en week sterk af van de andere gangbare opvattingen over democratie uit de negentiende eeuw.
 
Middelen om het doel te bereiken
Nu we gezien hebben hoe een waarlijk democratische samenleving er volgens Bakoenin uit zou moeten zien, is het natuurlijk de vraag hoe hij die wilde realiseren. Wat was er nodig om de ideale samenleving te realiseren? welke middelen moesten gebruikt worden? De realiteit was dat de negentiende eeuw juist gekenmerkt werd door de ontwikkeling van sterke, gecentraliseerde natiestaten die onderling in een heftige competitie verwikkeld waren om te bepalen wie de dominante grootmacht zou worden. Vooral Duitsland, Rusland en Frankrijk hadden elk de ambitie om de machtigste staat van Europa te worden. De situatie leek dus niet ideaal om de utopische visie van Bakoenin te realiseren. Volgens hem was een ingrijpende revolutie, die de bestaande politieke situatie volledig op zijn kop zou zetten, dan ook absoluut noodzakelijk: “De Associatie der Internationale broederschap wil de universele revolutie, op sociaal en filosofisch terrein, economisch en politiek. Zij wil eerst in geheel Europa en vervolgens in de rest van de wereld geen steen op de andere laten van het huidige bestel, dat gebaseerd is op het eigendom, de uitbuiting, de overheersing, en het beginsel van de autoriteit- hetzij religieus of metafysisch en burgerlijk- doctrinair, hetzij zelfs Jacobijns- revolutionair”. De revolutie moest er voor zorgen dat alle politieke instituties die de vrijheid van de burgers beperkten zouden verdwijnen. In tegenstelling tot de marxisten geloofde Bakoenin niet in een revolutie die gedirigeerd werd door een politieke elite van bovenaf, maar in een spontane opstand van de boeren en arbeiders in heel Europa: “ Dat nieuwe leven- de volksrevolutie- zal zich zonder twijfel onverwijld organiseren, maar het zal zijn revolutionaire organisatie van onderop creëren en van de periferie naar het centrum, overeenkomstig het beginsel van de vrijheid – en niet van bovenaf of van het centrum naar de periferie zoals iedere autoriteit; want het is ons om het even of deze autoriteit kerk heet, monarchie, constitutionele staat, burgerlijke republiek of zelfs revolutionaire dictatuur”. De revolutie zou volgens Bakoenin vanzelf tot stand komen als een spontane volkswil aangewakkerd zou worden die voorheen onderdrukt was door de staat: “Wij verstaan onder de revolutie de ontketening van wat men tegenwoordig de kwade hartstochten noemt en de vernietiging van wat in dezelfde taal openbare orde heet”. Alleen de vernietiging en opheffing van alle staatsinstellingen kon de weg vrij maken voor de ontwikkeling van een vrije en democratische samenleving.

Een aantal maatregelen, die afgekondigd zouden worden na de machtsovername door de revolutionairen, moesten leiden tot het definitieve bankroet van de staat. Stopzetting van betaling van alle directe en indirecte belastingen zou de staat beroven van zijn voornaamste bron van inkomsten. Ontbinding van het leger, de magistratuur en de bureaucratie zou zorgen voor de opheffing van het staatsmonopolie op geweld. Bovendien kon op die manier een reactionair tegenoffensief van de burgerij en de aristocratie voorkomen worden. Verder zou ook de officiële justitie afgeschaft moeten worden en alle wetten die in het kader van juridisch recht bestonden. Alle straf- en civielrechtelijke papieren zouden verbrand moeten worden, samen met alle eigendomsbewijzen die symbool stonden voor een ongelijke samenleving. De eigendommen van kerk en staat zouden in beslag genomen moeten worden door de communes die er voor moesten zorgen dat alles op een rechtvaardige manier verdeeld zou worden onder de bevolking. De meest vermogende lieden zouden een deel van hun particulier bezit af moeten dragen aan de commune. Dit idee van collectief bezit zien we ook terug in het gedachtegoed van de meeste andere belangrijke anarchistische denkers, maar het idee van een snelle en heftige revolutie die alle institutionele pijlers waarop de staat berust in een keer naar beneden haalt, is typisch iets van Bakoenin. Denkers als Kropotkin of Proudhon gingen toch meer uit van evolutie dan revolutie. De anarchistische samenleving, gebaseerd op federatieve verbonden en communes, zou er uiteindelijk wel komen, maar niet door een revolutie. Er zou eerder sprake zijn van een gestage ontwikkeling langs constitutionele weg. De staat zou niet vernietigd worden, maar de anarchisten zouden op een gegeven moment door een meerderheid in het parlement overal hun idealen kunnen realiseren. De collectieve samenleving zou evolueren in plaats van plotseling ontstaan. Bovendien verwierpen Kropotkin en Proudhon geweld, terwijl Bakoenin het gebruik ervan in principe niet afkeurde als een middel om het doel, de politieke revolutie, te bewerkstelligen. Hij was bijvoorbeeld voor het vermoorden van overheidsfunctionarissen of het plegen van aanslagen op overheidsinstanties als dit noodzakelijk zou zijn om de revolutie te bewerkstelligen. In sommige gevallen zal de greep van de staat op de bevolking namelijk zo stevig zijn dat dergelijk drastische maatregelen nodig zijn om werkelijke democratie af te kunnen dwingen. 
 
De revolutie moest behalve politiek ook sociaal van aard zijn, aldus Bakoenin. Naast het politieke bestel moest ook de economische inrichting van de samenleving drastisch gewijzigd worden. Allereerst moest het kapitalistische systeem verdwijnen om een werkelijk vrije en gelijke samenleving mogelijk te maken. Kapitaal en productiemiddelen zouden collectief eigendom moeten worden: “inbeslagname van al het productieve kapitaal en de werktuigen ten dienste van de arbeidersassociaties, die ze gezamenlijk productief zullen maken”. Particulier eigendom van kapitaal en productiemiddelen waren de belangrijkste oorzaken voor het fenomeen loonslavernij dat de individuele vrijheid van de arbeiders in de weg stond. Alleen de collectivisering van de economie kon een samenleving garanderen waarin iedereen in beginsel gelijk zou zijn. Naast het kapitalisme zou ook het bezits- en erfrecht afgeschaft moeten worden. Het erfrecht zorgde er voor dat bepaalde individuen economische voorrechten hadden, louter op basis van hun afkomst. Op die manier werd ongelijkheid structureel in stand gehouden, want er bleef altijd een klasse bestaan die op basis van afkomst heerste over anderen. Het is niet verwonderlijk dat Bakoenin hiermee kwam, want het Rusland van zijn tijd was een semi- feodale samenleving waarin de grootgrondbezitters, die hun bezit grotendeels via overerving verkregen hadden, een belangrijke positie innamen. In Duitsland, waar Bakoenin veel tijd doorgebracht had, waren er de Junkers die hun invloedrijke positie ook grotendeels te danken hadden aan de overerving van bezit en kapitaal. Het erfrecht maakte van sommigen al heersers vanaf hun geboorte en veroordeelde anderen automatisch tot slavernij. Alleen afschaffing van het erfrecht kon daarom de positie van de arbeiders en de boeren verbeteren: “Zij wil voor alles de politieke, economische en sociale gelijkstelling van de klassen en de individuen van beide geslachten, te beginnen bij de afschaffing van het erfrecht opdat in de toekomst ieders vruchtgebruik gelijk zij aan de productie en overeenkomstig het op het laatste arbeiderscongres genomen besluit, de grond, de werktuigen en al het andere kapitaal collectief eigendom worden van de gehele maatschappij en alleen gebruikt kunnen worden door de arbeiders, dat wil zeggen door de industriële en landbouwassociaties”.
Naast het erf- en particulier bezitsrecht moest ook het loonsysteem afgeschaft worden. Dit systeem vormde immers eveneens een belemmering  voor de ontwikkeling van een vrije samenleving gebaseerd op economische gelijkheid. Het loonsysteem maakte arbeiders namelijk volledig afhankelijk van de grote ondernemers die de controle hadden over het kapitaal en de productiemiddelen, en afhankelijkheid van anderen om in je eigen levensonderhoud te kunnen voorzien betekende voor Bakoenin per definitie onvrijheid. In de nieuw te realiseren samenleving zou loonarbeid dan ook verdwijnen en plaats moeten maken voor collectieve arbeid. Iedereen produceerde voor de gemeenschap en kreeg in ruil daarvoor wat hij nodig had om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Distributie van voedsel en goederen zou gebaseerd moeten zijn op evenredigheid, waardoor sociale en economische gelijkheid gegarandeerd werd. Bakoenin was overigens niet voor de afschaffing van specialisatie. Hij erkende dat ieder mens specifieke kwaliteiten had en daarom meer geschikt was voor een bepaalde functie dan anderen. Dit zou echter geen probleem zijn, want als iedereen voor de gemeenschap produceerde kreeg ieder mens toch de zaken die hij nodig had. De boer kreeg in ruil voor het voedsel dat hij produceerde voor de gemeenschappelijke markt bijvoorbeeld industriële goederen of bouwmaterialen. Specialisatie was in principe zelfs wenselijk, omdat zo de garantie bestond dat alle noodzakelijke producten in elke gemeenschap voorhanden waren. Zaken die niet aanwezig waren, konden verkregen worden door het bedrijven van ruilhandel met andere communes.
 Theoretisch had Bakoenin dus duidelijke ideeën over hoe de revolutie die zou moeten leiden tot een nieuwe samenleving er uit moest zijn. De vernietiging van de staat zou leiden tot politieke vrijheid en gelijkheid en de afschaffing van het kapitalisme en de loonarbeid tot economische gelijkheid. Maar in hoeverre wist hij zijn revolutionaire ideeën in werkelijke daden om te zetten? Was hij actief betrokken bij de oprichting van revolutionaire bewegingen of de totstandkoming van opstanden en stakingen? Hij heeft wel een aantal pogingen ondernomen om op verschillende plaatsen in Europa revolutionaire sentimenten aan te wakkeren en bepaalde bewegingen op te richten of te ondersteunen. Aanvankelijk richtte hij zijn aandacht vooral op de Slavische vrijheidsbeweging. Deze organisatie had als voornaamste doel de bevrijding van het Slavische volk, en dan met name de boeren, van het juk dat hen opgelegd werd door de centrale overheid. Daarnaast wilde de Slavische beweging er voor zorgen dat de Oost- Europese landen in de toekomst een dominante rol op het internationale toneel zouden spelen.. Vooral Duitsland werd gezien als een bedreiging, omdat dit land beschikte over een omvangrijk bureaucratisch apparaat en een sterk leger en bovendien aanspraak maakte op gebieden in Oost- Europa. Bakoenin zag Duitsland ook als een groot gevaar voor de democratie in Europa door de combinatie van een sterk centraal gezag en een buitenlandse politiek die gericht was op expansie. Het Russische staatsbestel was volgens hem ook gebaseerd op het Duitse, en daarom in strijd met de vrije geest die kenmerkend was voor de Slavische volkeren. Het Russische volk had haar vrijheid opgegeven in de hoop daar veiligheid en welvaart voor terug te krijgen. Nu dit een illusie bleek te zijn, zou de tijd rijp zijn voor een revolutie die het einde van de tsaristische staat in moest luiden en de traditionele collectieve boerensamenleving uit het verleden weer in ere zou herstellen. De hoop was vooral gevestigd op een groep Poolse rebellen die Polen en de rest van Oost- Europa wilde bevrijden uit de greep van het Tsaristische Rusland.

Na zich jaren aan de bevrijding van het Slavische volk gewijd te hebben, besefte Bakoenin dat er toch niet zo veel revolutionair potentieel in Rusland en de rest van Oost- Europa aanwezig was dan hij aanvankelijk gedacht had. Tsaar Alexander II voerde wel hervormingen door, maar van een echte democratisering van de samenleving was zeker nog geen sprake. Bovendien had Bakoenin een aantal jaren in de gevangenis doorgebracht, omdat hij in de jaren veertig opgepakt was wegens verstoring van de openbare orde en verspreiding van staatsondermijnende literatuur. Deze ervaring in combinatie met wat hij tijdens zijn reizen naar het buitenland gezien had, zorgde ervoor dat hij zijn aandacht meer ging richten op andere landen, met name Frankrijk en Italië. Daar zag hij meer mogelijkheden om de revolutie die hij voor ogen had ook daadwerkelijk te realiseren dan in Rusland. Dit kwam deels omdat in Frankrijk en Italië het proces van democratisering al veel verder gevorderd was dan in Oost- Europa en Duitsland, maar ook omdat de arbeiders en de boeren zich er al georganiseerd hadden in vakbonden of andere collectieve organisaties. Toen Bakoenin bijvoorbeeld in Lyon was, trof hij daar een omvangrijke en goed georganiseerde arbeidersklasse aan die wel eens aan de basis kon staan van een lokale revolutie die een einde zou kunnen maken aan de dominante positie van de plaatselijke bourgeoisie. Ook in Parijs zag hij genoeg potentieel voor een revolutie: “Het is een geweldig historisch feit dat deze ontkenning van de staat zich juist in Frankrijk heeft voorgedaan, tot nu toe het land van de politieke centralisatie bij uitstek, en dat het juist Parijs geweest is, de historische schepper van die grote Franse beschaving, dat het initiatief ertoe genomen heeft”. Bakoenin doelt in dit citaat op de Commune van Parijs, die weliswaar geen lang leven beschoren was, maar inhoudelijk wel grotendeels dezelfde ideeën als de zijne representeerde. Ondanks de goede vooruitzichten bleef de gedroomde revolutie in Frankrijk beperkt tot een paar grote stakingen, kleinschalige opstanden en demonstraties in de grote steden.
Ook in Italië zag Bakoenin aanvankelijk mogelijkheden om zijn idealen te realiseren, met name door de aanwezigheid van een relatief grote groep anarchisten onder leiding van Mazzini en Garibaldi. Hij probeerde samen met deze twee anarchistische denkers een aantal revolutionaire bewegingen op te richten zoals bijvoorbeeld de ‘broederschappen’ in Florence en Napels, maar echt van de grond kwamen die organisaties nooit. Het ledental bleef beperkt en een duidelijk programma of een organisatiestructuur was er niet.

 Naast zijn pogingen om in verschillende landen nationale revolutionaire bewegingen op te richten, probeerde Bakoenin ook nog een internationale beweging in het leven te roepen die er voor moest zorgen dat de democratische revolutie zich ook daadwerkelijk over heel Europa zou verspreiden. Dit zou een geheime organisatie moeten zijn met cellen verspreid over heel Europa die grotendeels onafhankelijk van elkaar opereerden. Alleen een organisatie waarvan het bestaan niet bekend was, zou namelijk niet gevoelig zijn voor repressieve maatregelen van de overheid. Er moest een programma opgesteld worden met centrale punten en doelstellingen die voor revolutionairen in diverse Europese landen als richtlijnen voor hun activiteiten zouden dienen. De organisatie zou een soort schaduwgroepering moeten zijn die officieel niet bestond en waarin er geen sprake was van een hiërarchisch bepaalde functieverdeling. De beweging moest een organisch geheel vormen en een collectieve dictatuur van de volksmassa’s vestigen. Deze internationale schaduwbeweging ging aanvankelijk door het leven als het Internationale broederschap en ging later verder onder de naam Internationale Alliantie der Sociaal- Democratie. Opvallend is dat Bakoenin in de loop der jaren steeds meer ging geloven in wat we vandaag de dag zouden omschrijven als terroristische acties om het doel, de revolutie, te bereiken. Hij werd steeds meer een voorstander van aanslagen op bepaalde politici die de ontwikkeling van een ware democratie in de weg zouden staan. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat hij in zijn latere jaren veel contact had met Sergei Nechaev, een anarchist die bekend stond om zijn voorliefde voor geweld. Ook de Alliantie der Sociaal- Democratie zou echter niet uitgroeien tot een grote internationale beweging die het revolutionaire gedachtegoed van Bakoenin in de praktijk kon brengen.

 
Conclusie
De opvatting die Bakoenin had over wat democratie was en hoe een waarlijk democratische samenleving er uit zou moeten zien, is zeker revolutionair te noemen, helemaal als die gekoppeld wordt aan de politieke situatie in het Europa van zijn tijd. Hij zag dat er allereerst in Rusland, maar ook in het buitenland,nog weinig sprake was van volksinvloed op de politieke besluitvorming. Overal was er een heersende elite die met behulp van een omvangrijk gecentraliseerd staatsapparaat en een kapitalistisch, op loonarbeid gebaseerd, economisch systeem het volk onder de duim hield. Alleen de afschaffing van de staat als institutie en het kapitalisme kon het volk, waarmee vooral de arbeiders en de boeren bedoeld werden, bevrijden en de macht van de heersende elite breken. Daarom moest er een internationale revolutie komen die de pijlers waarop de staat als politieke institutie steunde onderuit zou halen. De gangbare politieke stelsels in de negentiende eeuw, de monarchie en de parlementaire democratie, zouden na de revolutie plaats moeten maken voor een federatieve organisatie die gebaseerd was op de vorming van communes.
 
Op lokaal niveau zouden de burgers zich vrijwillig organiseren in communes en pas daarna zouden er overkoepelende regionale en nationale raden gevormd worden die onafhankelijk opereerden van de lokale besluitvormingsorganen. Kenmerkend was dat de door Bakoenin geschetste samenleving van onderen naar boven georganiseerd was en niet andersom: besluiten geldend voor het hele land zouden pas tot stand kunnen komen als ze door alle lokale communes geaccepteerd waren. Op deze manier nam iedere burger actief deel aan het besluitvormingsproces en was er dus sprake van ware democratie. Er zou geen sprake zijn van een heersende elite die het alleenrecht had om wetten af te kondigen en besluiten te nemen die de individuele vrijheid van de burgers aantastte. Ook economisch waren er echter drastische maatregelen nodig om een vrije, gelijke en dus democratische samenleving te realiseren. Het kapitaal en de productiemiddelen moesten collectief bezit worden en het bezits- en erfrecht zouden afgeschaft moeten worden. Op die manier zou voorkomen worden dat er weer een elite kwam die op basis van de ongelijke verdeling van de welvaart de mogelijk had om dwang uit te oefenen over de minder geprivilegieerde groepen in de samenleving. Iedereen zou voor de gemeenschap produceren in Bakoenin’s ideale maatschappij en iedereen kreeg vervolgens wat hij nodig had om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.
 
Op papier had Bakoenin dus duidelijke ideeën over hoe de ideale democratische samenleving er uit zou moeten zien en hoe die gerealiseerd kon worden. In de praktijk is er achteraf echter weinig van terechtgekomen en zijn de door hem verfoeide politieke systemen blijven voortbestaan. Absolutistische regimes bleven in Europa tot de late twintigste eeuw bestaan en de parlementaire democratie groeide zelfs uit tot het dominante politieke model in Europa. Het is achteraf bezien niet verwonderlijk dat Bakoenin’s ideale maatschappij er nooit is gekomen. De totale vernietiging van alle staten door een allesomvattende revolutie die hij voor ogen had, lijkt mij bijvoorbeeld geen realistische doelstelling, zeker niet in de negentiende eeuw die gekenmerkt werd door een sterke centralisatie en een enorme uitbreiding van de overheidsbureaucratie in de belangrijkste Europese landen. Daarnaast is de zeer directe vorm van democratie die hij aanhangt moeilijk te realiseren in een moderne samenleving. Het is in de praktijk namelijk vrijwel onmogelijk om miljoenen mensen direct deel te laten nemen in het besluitvormingsproces en dan ook nog eens tot een eenstemmige beslissing te komen. Ook de economische hervormingen die Bakoenin voor ogen had, waren vrij onrealistisch, omdat de bereidheid om terug te keren naar een meer primitieve samenleving waarin geen inkomensverschillen meer zouden bestaan bij veel mensen, met name degenen met bezit en aanzien, niet aanwezig was. Daarbij had hij ook nog eens het probleem dat zijn denkbeelden vooral aansloegen bij een beperkt publiek. Slechts een kleine groep revolutionaire intellectuelen hield zich echt bezig met de werken van Bakoenin. De arbeiders en de boeren die de revolutie zouden moeten dragen, waren niet geschoold genoeg om zijn werk te kunnen lezen of hadden meer alledaagse problemen, zoals simpelweg rondkomen,aan hun hoofd. De utopische visie van Bakoenin had voor hen weinig te maken met de realiteit van alledag. Dit zorgde ervoor dat hij weliswaar een echte democraat en revolutionair was, maar dan vooral op papier.

 
Aanbevolen literatuur
Martin van Creveld, The rise and decline of the state (Cambridge 1999)
R.R. Palmer, Joel Colton, A history of the modern world (New York 1995)
Darrow Schecter, Radical theories: paths between Marxism and Social democracy (Manchester 1994)
Aileen Kelly, Mikhail Bakunin: A study in the psychology and the politics of Utopianism (Oxford 1987)
Max Nettlau, Geschichte der anarchie: Der anarchismus von Proudhon zu Kropotkin (Berlijn 1984)
Michael Taylor, Community, anarchy and liberty (Cambridge 1982)
Paul Thomas, Karl Marx and the anarchists (Londen 1980)
Anton Condstandse, M. Bakoenin, Russisch rebel: een biografie (Amsterdam 1980)
Michael Bakoenin, Over anarchisme, staat en dictatuur vert. A. Lehning (Amsterdam 1976)
Roland Pennock , Anarchism (New York 1978)
George Woodcock, Anarchism: a history of libertarian ideas and movements ( Middlesex 1975)
Bericht geplaatst in: artikel