SCHATTEN UIT HET OUDE MEXICO

Geplaatst op 3 januari 2006 door Jos Martens
Hoe verklaar je dat wij allen, die haar leren kennen, meteen gefascineerd raken door de oude Azteekse wereld van Tenochtitlan die gedoemd was in de handen van Cortés te vallen?
"Hoe verklaar je dat wij allen, die haar leren kennen, meteen gefascineerd raken door de oude Azteekse wereld van Tenochtitlan, de Mexicaanse hoofdstad, die gedoemd was in de handen van Cortés te vallen?

Exotisme? Zeer zeker. Maskers van jade, vederen hoofdtooien, vrouwen als precieuze vogels, steile piramiden en terrassen, gekroond met bloemen; het doordringende ritme van de fluiten en teponaztli: zovele toverdranken die ons in vervoering meenemen, als eertijds de heilige paddestoelen en de peyotl, in een droomuniversum, verdwenen, voorgoed.
Een ietwat vertroebelde aantrekkingskracht op de geciviliseerde westerling, die zich wrokkig voelt in zijn confrontatie met een andere beschaving, met een totaal afwijkende levensvisie? Zeker. Hoe zouden wij anders kunnen dan ons vragen stellen, geplaatst voor een cultuur die tweepolig tegenover elkaar stelt: de delicaatste poëzie en geraffineerde ethiek enerzijds, de duizeling van de dood anderzijds; het bloed in verkwistende overvloed vergoten op de altaren, het macabere symbolisme van de religieuze kunst?

Uit deze confrontatie wordt een diepere reflectie geboren op onszelf, zo verschillend van deze mensen die nochtans onze broeders zijn en in zekere zin ons helpen om klaar te zien in onszelf.
Tenochtitlan. Een wereld zo gracieus en gewelddadig. En de sleutel -of een der sleutels- tot deze wereld is de permanente spanning tussen deze twee polen, gesymboliseerd door Quetzalcoatl, de Gevederde Slang, cultuurheros, uitvinder van kunsten en wijsheid en de donkere Tezcatlipoca, astrale en oorlogszuchtige godheid"
Jaques Soustelle
(Voorwoord bij de roman van Alain Gerber, Le jade et l’obsidienne. (Livre de Poche, 5744), Parijs, R. Laffont, 1981.)
Drie tentoonstellingen lichtten recent in West-Europa voor korte tijd een tipje op van de sluier die nog steeds over de pre-Columbiaanse beschavingen van Meso-Amerika hangt. De vierde stellen we hier even kort voor, omdat Mexico er slechts een zeer bescheiden plaats inneemt, maar wel een nieuw licht werpt op de belangstelling van onze eigen heersers voor de Nieuwe Wereld, bijna vijfhonderd jaar geleden. (Op de volledige catalogus komen we in een afzonderlijke bijdrage terug.)
De tweede, ‘Kunstschatten uit het Oude Mexico’ (De Nieuwe Kerk, Amsterdam, 3 maart tot 30 juni 2002) was ruimer dan de eerste (in Londen en later in Bonn); de derde, ‘Lichaam en Kosmos. Pre-Columbiaanse sculptuur uit Mexico’(6 november 2004 - 23 januari 2005 ING Cultuurcentrum, Brussel) verraste door haar thematische ordening. De tweede belichtte tevens een aantal voor-Azteekse culturen als die der Totonaken, Zapoteken, Mixteken... Die kwamen in Londen slechts heel even aan bod.
Welbeschouwd zijn tentoonstellingen als deze een merkwaardige zaak. Zij vragen jaren voorbereiding en kosten stukken van mensen aan verzekeringspremies, transport, lonen van medewerkers, promotie enz. Ze zijn big business geworden, ook in ons land. Financiële experts berekenen hoeveel honderdduizenden bezoekers men moet lokken om uit de kosten te raken.
Eerst moet een lijst van de onmisbare voorwerpen worden aangelegd, dit wil zeggen: de voorwerpen die de curator en zijn naaste medewerkers graag willen hebben. Dan worden de musea in binnen- en buitenland aangeschreven. Stemmen zij toe in het bruikleen? Of niet? Afhankelijk daarvan dient de concrete uitwerking van de expositie aangepast en soms zelfs het oorspronkelijke opzet grondig gewijzigd. Het gaat hier immers om oude, vaak kwetsbare, onschatbare unieke stukken. Elk museum stelt zijn eigen eisen. Dat vergt een onafzienbare berg administratie, eindeloos heen en weer geschrijf (tegenwoordig gelukkig versneld en vereenvoudigd dankzij e-mail) en de inzet van een hele staf.
De zoektocht naar auteurs, zowel voor de begeleidende essays als voor de objectenbeschrijving in de eigenlijke catalogus -allen experts op hun terrein- start eveneens lange tijd vooraf, van zodra het concept van de tentoonstelling vorm begint aan te nemen. De schrijvers dienen aangepord om de deadline voor hun bijdragen te respecteren (een haast onmogelijke opgave, waardoor elke catalogus pas op de valreep of zelfs daarna klaar ligt voor de kooplustigen); de artikelen moeten op elkaar afgestemd; een eindredacteur haalt de onvermijdelijke overlappingen eruit, zendt de essays terug naar afzender voor correctie enz. enz.
Vervolgens start de publiciteitscampagne in kranten, tijdschriften, op speciaal gecreëerde websites en -niet te vergeten- televisie. De massa’s komen en staan soms urenlang aan te schuiven voor de kassa en daarna drummend voor de toonkasten om even een glimp op te vangen van de voorwerpen. Voor de schitterende Pompeii-tentoonstelling in het Brusselse Jubelpark, hoogtepunt van Europalia Italië 2003, lukte het ons zelfs niet om binnen te geraken!
En dan gaan de kastjes weer dicht, de kisten het vliegtuig op richting thuishaven. En alles is vervlogen, even efemeer als sigarenrook in de avond.

Toevallig konden wij door omstandigheden noch de tentoonstelling in Amsterdam bezoeken, noch die in Londen of later in Bonn. Wat rest, wat blijft zijn de catalogi, die vrienden voor ons meebrachten. (Bij geen van beide exposities schijnt een cd-rom of DVD geproduceerd te zijn, waarnaar wij uitdrukkelijk gevraagd hadden en die het gewicht zou beperkt hebben tot enkele tientallen grammen.)
Catalogi worden zelden gerecenseerd in literaire tijdschriften of op websites. Ten onrechte. Het zijn al lang niet meer ‘praatjes bij plaatjes’. De laatste decennia hebben zij zich ontwikkeld tot standaardwerken waarin specialisten een meestal leesbare, want voor een ruim publiek bestemde, prachtig geïllustreerde synthese brengen van vele jaren wetenschappelijke detailstudie. Vooral de Londense catalogus is een kanjer, 520 bladzijden, 2,6 kg zwaar, groter en zwaarder dan mijn laptopcomputer!
Die kanjer zal nog jaren een standaardwerk blijven, niet omdat de tentoonstelling zoveel ruimer was dan de grote Brusselse Aztekenexpositie uit 1987 -346 nummers tegen 359 in Londen- maar omwille van de bijdragen. Alle coryfeeën van de Mexicanistiek zijn vertegenwoordigd, tot en met Miguel León Portilla, de nestor van het gilde, met een bijdrage over Aztec codices, literature and philosophy (p. 64), zijn levenslang specialisme. (Hoewel, bij het herlezen van een aantal essays uit de Brusselse catalogus treft hoeveel uitstekende artikels daarin stonden - en hoe erbarmelijk ze vaak vertaald werden!)
Opvallend is trouwens hoeveel dezelfde mensen artikels hebben geschreven voor de drie catalogi die we hier in extenso presenteren. Opvallend ook hoezeer het kosmologische wereldbeeld als referentiekader en uitgangspunt fungeert, vergeleken met vroegere studies. (Dit twintig jaar nadat we in het tijdschrift America Antiqua een hele reeks artikels publiceerden over ‘Urbanisatie en wereldbeeld in precolumbiaans Meso-Amerika’ (1) en bijna dertig jaar na de grote Dumbarton Oaks conferentie over ‘Mesoamerican Sites and World-Views’ (1976) die toendertijd ons uitgangspunt vormde.) Lees bijvoorbeeld de eerder korte, maar goede bijdrage Cosmovision, religion and the calendar of the Aztecs door Alfredo López Austin (p.30). Wij gaan niet alle essays overlopen: als je ze allemaal leest en combineert met de beschrijvingen in de eigenlijke catalogus, krijg je een synthese, of liever: een magistraal overzicht, van de huidige stand van het onderzoek, schitterend geïllustreerd met grote afbeeldingen over een hele of zelfs een dubbele pagina. Vermelden we hier alleen nog Leonardo López Luján met The Aztecs’ search for the past (p. 22) waarin hij stelt dat de Azteekse heersers geschiedenis exploiteerden en zo nodig vervalsten voor propagandadoeleinden. Het herbruiken van antieke relicten, de imitatie van oude beeldhouwwerken en de constructie van archaïsche gebouwen in Tenochtitlan passen in hun politiek van legitimatie. Dit blijkt ook uit de vondst van bijvoorbeeld Olmeekse maskers als offergaven in bergplaatsen bij de Templo Mayor, waarvoor we dan weer verder kunnen lezen in het gelijknamige artikel van Eduardo Matos Moctezuma, de archeoloog die de opgravingen van de Templo Mayor leidde (p. 48).
{mospagebreak}Kunstschatten uit het Oude Mexico. Een goddelijke reis, Amsterdam, 2002.
In Wereldbeschouwing en samenleving in Meso-Amerika (p. 33 e.v.) beklemtoont de Nederlandse Nahuatl-specialist Rudolf van Zantwijk (2): “De volkeren van het Meso-Amerikaanse cultuurgebied vertonen onderling belangrijke cultuurverschillen. Wat hun wereldbeschouwing betreft, het denken over tijd en ruimte, de opvattingen over het hiernamaals zijn er zoveel belangrijke overeenkomsten, dat alleen daarom sprake is van één groot gemeenschappelijk cultureel erfgoed.”

Dan gaat hij meer gedetailleerd in op het heelal en de wereld, het beginsel van de tweevuldigheid, enz.

Vooral de Maya, de Tolteken en de Azteken hebben ons, ondanks de omvangrijke koloniale vervolging van inheemse cultuuruitingen en de daadwerkelijke massale vernietiging van boeken en geschriften, muurreliëfs en inscripties, een omvangrijk literair erfgoed nagelaten. Veel daaronder verschaft informatie over het wereldbeeld, de filosofie en het gedachtegoed in het algemeen of de samenstelling van etnisch uiteenlopende groepen, die we tegenwoordig gemakshalve als een ‘volk’ beschouwen.
Eén aspect van de Meso-Amerikaanse cultuur heeft de Europeanen vanaf het begin met rillende sensatiezucht dan wel afkeer vervuld: de mensenoffers (p. 222). Alle religies kennen vormen van offeren. Lees er de bijbel maar op na. Maar zelden nam het offer een zulkdanige plaats in als hier. Al sinds de Mexicaanse oudheid ontwikkelden deze culturen een traditie van offeren, in de vorm van giften aan de voorouders en godheden. Het ging daarbij voornamelijk om objecten die waren gemaakt van aardewerk, stof, hout, been, metaal of andere materialen. Doorgaans werden deze in manden of gaten in de grond of in piramiden of paleizen geplaatst en later met aarde of stenen bedekt.
Eigen aan alle pre-Columbiaanse culturen is het bloed- en mensenoffer. Uit de mythologieën blijkt dat de goden zichzelf offerden ten einde het universum in stand te houden. De mensen, geschapen door de goden, hadden met hetzelfde doel de plicht om het kostbaarste te offeren dat een mens bezit: zijn eigen bloed of het leven zelf. Het offeren van bloed was bovendien nodig om de aarde op magische wijze vruchtbaar te maken. Bij zelfverwonding stroomde bloed, dat werd opgevangen en geofferd. Bij de verwonding volgde men in sommige culturen, zoals in West-Mexico, patronen. De littekens die daarbij na verloop ontstonden, veroorzaakten een versiering op het lichaam die de status van de drager verhoogde. Mensen werden geofferd nadat hun verdovende middelen waren toegebracht. Het hart werd kloppend en wel uit het nog levende lichaam gerukt en aan de goden geofferd. Volgens de mythen vloog een adelaar met het hart of de ziel van de geofferde naar het hiernamaals. (cat.nrs. 180-193)
{mospagebreak}Inhoud
Felipe Solis, De visuele taal en identiteit van de pre-Columbiaanse Kunst, p. 15.
Ted Leyenaar, Mexico en Meso-Amerika. Een introductie tot het cultuurgebied - zeer kort overzicht. p. 25.
Rudolf van Zantwijk, Wereldbeschouwing en samenleving in Meso-Amerika, p. 33.
Miguel Léon Portilla, Kunst als begrip in Meso-Amerika, p. 47.
Beatriz de la Fuente, De vele facetten van een mensgerichte kunst, p. 55.
Ted Leyenaar, Mexico vandaag: de doorgaande lijn, p. 73.
Catalogus: 250 nrs. , p. 83.
Noten, p. 280.
Literatuur, p. 286.
Auteurs en samenstellers, p. 286.
Lichaam en kosmos
Bij een tentoonstelling schrijft de recensent gemakkelijk dat er unieke stukken te bewonderen vallen. Voor Lichaam en Kosmos is dat onbetwistbaar het geval. Vele van de getoonde werken waren nog nooit eerder in Europa te zien. Een dergelijk project zal dan ook niet snel geëvenaard of herhaald worden. De tentoonstelling omvatte een tweehonderdtal items, afkomstig uit meer dan veertig musea en archeologische sites verspreid over heel Mexico. Ze zijn ontstaan tussen 1200 v. C. en de komst van de Europeanen in 1521. Door deze kunstwerken te verenigen wordt de onmiskenbare eenheid van de Meso-Amerikaanse cultuur benadrukt. Een groot aantal basiskarakteristieken van die cultuur bleven inderdaad nagenoeg ongewijzigd gedurende de hele pre-Columbiaanse periode, die niet minder dan 3000 jaar beslaat. De kenmerken kunnen worden aangetroffen bij alle volkeren - de Olmeken, de Maya’s en de Mexicanen – hoe verschillend hun talen en artistieke expressies ook zijn.
‘Lichaam en Kosmos’ neemt de kosmologische visie van de verschillende volkeren als uitgangspunt. De geëxposeerde stukken reflecteren de symbolische betekenis van hun complexe visie op de wereld en het universum. De tentoonstelling omvat verschillende secties: de mens als centrum van het universum, vruchtbaarheidsrituelen, kosmische rituelen en begrafenisrituelen. Dit opzet maakt duidelijk dat de pre-Columbiaanse kunst uit Mexico niet alleen een eigen plastische logica bezit, maar tegelijkertijd getuigt van een eigen kosmogonie.
Het opzet van de tentoonstelling oversteeg het traditioneel archeologische en dat weerspiegelt zich natuurlijk ook in de tentoonstellingspublicatie, met andermaal adembenemend mooie foto’s . Chronologische en etnografische aspecten ondersteunden een artistiek project waarin de pre-Columbiaanse kunstwerken beschouwd worden als creaties die, door tegenstellingen en gelijkenissen, refereren aan een zowel imaginair als reëel universum. Deze visie sluit geheel aan bij de gedachtewereld van die tijd die de kunst begiftigde met een tegelijkertijd angstaanjagend maar uitzonderlijk plastisch gevoel en een uitgesproken realiteitszin. Naast hun religieuze waarde en praktische functie bezitten deze werken, ontstaan in een context die vaak erg verschilt van onze cultuurwereld, uitgesproken artistieke en esthetische kwaliteiten die universeel toegankelijk zijn.
{mospagebreak}Essays
Felipe Solís Olguín, Mens en seksualiteit in de Midden-Amerikaanse verbeelding, p. 20.
Beatriz de la Fuente, Het menselijk lichaam: genot en transformatie, p. 30.
Felipe Ehrenberg, Binomium en dualiteit in dertien delen: het lichaam als een voortdurende lofzang, p. 44.

Denker. Olmeeks (ca. 1000 v.C)
Margareta van Oostenrijk en de Nieuwe Wereld
Wist je dat Margareta van Oostenrijk in haar Mechelse paleis een der oudste en grootste collecties pre-Columbiaanse voorwerpen uit Mexico bezat? Margareta was landvoogdes van de Nederlanden tot bij haar dood in 1530. Zij was tevens de dochter van Maria van Bourgondië (+1482) en de tante van Karel V, die aan haar hof is opgegroeid. Op 20 augustus 1523 schenkt de jonge keizer een deel van de ‘Schat van Moctezuma’, die Hernan Cortés hem in 1519 had opgezonden om hem gunstig te stemmen, aan zijn ‘bonne Tante et plus que mère’, de allereerste verzameling exotica uit het pas veroverde Mexico… Op de tentoonstelling werden die voorwerpen, die we kunnen terugvinden in de inventaris van haar bezittingen, zo goed mogelijk opgespoord.

Deze en andere ongekende of weggezonken wetenswaardigheden lees je in het essay van Joris Capenberghs Margareta van Oostenrijk, het Hof van Savoyen en de Nieuwe Wereld (p. 296-309). Joris Capenberghs is curator van de prestigieuze en unieke expositie in het nieuwe Lamot-centrum in Mechelen.
Op p. 299 duikt de Waldseemüller-kaart op, waaraan we in het lerarentijdschrift ‘Hermes’ vorig jaar een hele artikelreeks wijdden die je ook terugvindt op de Joos de Rijcke site.
Jammer dat de twee folio’s uit de Codex Mendoza (p. 296 en 300), niet correct zijn afgedrukt, maar in spiegelbeeld (3).
Hopelijk kunnen we later op de hele catalogus terugkomen. Het loont o.i. de moeite.
MATOS MOCTEZUMA, E., SOLIS OLGUIN, F. e.a.
Aztecs. Tentoonstellingspublicatie, Londen, The Royal Academy of Arts, 2002, 520 blz.
LEYENAAR, T., VAN ZANTWIJK, R., SOLIS, F. e.a.
Kunstschatten uit het Oude Mexico. Een goddelijke reis. Tentoonstellingspublicatie, Amsterdam, Nieuwe Kerk, 2002, 288 blz.
DEVISSCHER, H. (eindred.), Lichaam en Kosmos. Precolumbiaanse sculptuur uit Mexico. Tentoonstellingspublicatie, Gent, Snoeck, 2004, 229 blz.
EICHBERGER, D. (redactie), Dames met Klasse. Margareta van York en Margareta van Oostenrijk. Tentoonstellingspublicatie, Davidsfonds, Leuven, 2005, 367 blz.

Noten
1.America Antiqua, in de jaargangen 1983 en 1984.
Mesoamerican Sites and World-Views. A Conference at Dumbarton Oaks. October 16th and 17th, 1976. Ed. E.P. BENSON. Washington DC, Dumbarton Oaks Research Library and Collections, 1981. 245 blz.

Cosmovision -het Nederlands kent alleen het naar ons gevoel ontoereikende wereldbeeld als term- was toentertijd een nauwelijks geëxploreerde invalshoek in de amerikanistiek. In de vijfde aflevering van de reeks brachten we tevens de eerste bijdrage in het Nederlands over de toen pas beëindigde opgravingen van de Templo Mayor.
2. Zie o.m.: VAN ZANTWIJK, R., De oorlog tegen de goden. Azteekse kronieken over de Spaanse verovering, Amsterdam, Meulenhoff, 1992, zie op deze site ook de website.
VAN ZANTWIJK, R., 'Met mij is de zon opgegaan'. De levensloop van Tlacayelel (1398 - 1478), de stichter van het Azteekse rijk, Prometheus, Amsterdam, 1992,

VAN ZANTWIJK, R., De zon en de arend. Duizend jaar Azteekse vertelkunst, Amsterdam, Prometheus, 1996.

3. Over de Codex Mendoza, zie de website over Azteekse kronieken over de Spaanse verovering
Links
{mosbookmarks:bm=805}
{mosbookmarks:bm=790}
Bericht geplaatst in: boekrecensie