ZULU OORLOG

Geplaatst op 3 september 2005 door Dirk Tang
Koloniale conflicten ontstaan vaak uit een combinatie van hebzucht, nonchalance, onderschatting en racisme.

Koloniale conflicten ontstaan vaak uit een combinatie van hebzucht, nonchalance, onderschatting van de tegenstander, overschatting van de eigen krachten of door racistische vooroordelen. De Zulu-oorlog die in 1879 in Zuidelijk Afrika uitbrak vormde daar geen uitzondering op.

De Engelsen aan de Kaap
De noordelijke Nederlanden werden in 1795 door het Revolutionaire Franse leger bezet. Met hun steun werd de Bataafse Republiek uitgeroepen. Dat was voor de Britse regering aanleiding om hun mondiale politieke strategie aan te passen. Met instemming van de naar Engeland gevluchte stadhouder Willem de Vijfde, werden Britse militairen gelegerd in de Nederlandse koloniën zoals Suriname, de Antillen, Nederlands-Indië, Ceylon en aan de Kaap de Goede Hoop. Na afloop van de Napoleontische oorlogen kreeg het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden in 1815 de meeste koloniën weer terug. De Kaap bleef echter in Engelse handen. De Nederlandse vlag die er sedert 1652 had gewapperd, werd voorgoed gestreken.
Oorlog aan de Kaap
Na 1820 leidde de komst van Britse en andere Europese immigranten tot een gestage groei van de witte bevolking. Steeds meer gebied was nodig om de nieuwkomers te huisvesten en te voorzien van bestaansmiddelen. Het duurde niet lang voordat deze voortgaande expansie een conflict veroorzaakte met reeds gevestigde groepen bewoners. In een periode van ongeveer tachtig jaar zouden drie belangrijke partijen een rol gaan spelen in de bloedige geschiedenis van Zuidelijk Afrika. Al deze partijen raakten gedurende lange of korte tijd op enig moment met elkaar in gevecht. Een meer uitgebreide beschrijving van de conflicten valt buiten het bestek van dit artikel, slechts de belangrijkste zullen worden aangestipt.
Het Zulu-volk speelde een belangrijke rol in de gebeurtenissen . In de periode 1816 tot 1824 waren zij, onder leiding van koning Shaka, begonnen aan een geweldige en gewelddadige expansie. Door gebruik te maken van hun formidabele militaire macht, wisten ze talloze andere Afrikaanse volken te onderwerpen of te verdrijven. De tweede belangrijke rol werd opgeëist door de van oorsprong Nederlandse “Boeren”. Deze streng religieuze groep vroege immigranten was nog onder het bewind van de Verenigde Oost-Indische Compagnie ontstaan. Ze hadden weinig op met hun nieuwe Britse bestuurders en toen deze in 1835 ook nog de slavernij afschaften, was dat voor veel Boeren het signaal om zich elders te vestigen. Tussen 1836 en 1840 gingen ca. 6.000 Boeren, die zich “Voortrekkers” noemden met ossenwagens op weg naar nieuwe vestigingsplaatsen. Zij noemden het de “Grote Trek”.

De derde partij werd gevormd door het Britse Imperium. De Britse koloniale politiek was gericht op uitbreiding en op consolidatie van macht. Het vertrek van de Boeren uit de Britse invloedsfeer en de opkomst van de het machtige Zulu Rijk pasten niet in de imperiale politieke doelstellingen. De Britten probeerden de situatie naar hun hand te zetten door een confederatie te vormen met alle betrokken partijen, zowel zwarte als witte. Daarbij was het natuurlijk wel de bedoeling dat de te vormen confederatie onder Britse leiding zou staan.
 
Het voorspel tot de Zulu-oorlog
In 1877 werd Sir Henry Bartle Frere geïnstalleerd als de nieuwe Britse Hoge Commissaris voor Zuid-Afrika. Hij had de expliciete opdracht uit Londen meegekregen om nu eindelijk eens haast te maken met de vorming van de confederatie. Hij moest echter zien te vermijden dat het streven zou uitlopen op een conflict. Het Britse leger had zijn handen al vol aan de dreigende oorlog op de Balkan en die in Afghanistan. Een nieuwe koloniale oorlog werd door het kabinet in Londen ’als uiterst ongewenst’ omschreven.
Frere zag het Zulu-koninkrijk en in het bijzonder koning Cetshwayo, als de belangrijkste belemmering bij de uitvoering van zijn plannen. Samen met Lord Chelmsford, de commandant van de Britse troepen aan de Kaap was hij van mening dat de Zulu-factor militair moest worden uitgeschakeld. Het probleem daarbij was echter dat zij van Londen geen toestemming kregen om een offensieve operatie te beginnen. Ze zochten daarom naar een aanleiding om te kunnen ‘reageren’ op een agressieve Zulu actie. Die werd gevonden in berichten dat groepjes Zulu’s onrechtmatig de grens met het Britse gebied waren overgestoken en daarbij hadden geplunderd. Op zich waren de gebeurtenissen van geringe betekenis, maar Frere en Chelmsford wisten ze uit te vergroten in hun berichtgeving aan Londen. In de rapporten meldden ze tevens hoe ‘bloeddorstig’ en ‘wreed’ Cetshwayo zich in het gebied liet gelden.

Op 11 december werden de vertegenwoordigers van Cetshwayo door de Britten uitgenodigd om te overleggen over de grensconflicten. De Zulu’s kregen te horen dat ze de schade moesten vergoeden die zij bij hun grensoverschrijdingen hadden veroorzaakt. Het venijn zat echter in de tweede voorwaarde die werd gesteld. De Zulu’s moesten binnen een periode van dertig dagen hun militaire macht ontmantelen. Als ze dat niet deden zou een Britse militaire reactie volgen. Het was voor alle betrokken partijen duidelijk dat dit een onmogelijke eis was. De ontmanteling van hun leger zou simpelweg het einde van het Zulu koninkrijk betekenen.

De invasie begint

Toen op 11 januari 1789 niets uit de Zulu hoofdstad Ulundi was vernomen werd een invasie onvermijdelijk. Chelmsford had zijn legermacht bij de grens van Zulu-land verzameld en in vier colonnes verdeeld. De Noordelijke colonne stond onder bevel van kolonel Evelyn Wood. De oostelijke colonne stond onder bevel van kolonel Charles Pearson. De centrale colonne kreeg kolonel Richard Glyn als leider. De reserve colonne kreeg mede tot taak om een oogje in het zeil te houden op de Boeren. Die zouden wellicht van de gelegenheid gebruik kunnen maken om de Britten aan te vallen. Chelmsford reed met de staf van zijn hoofdkwartier mee in de colonne van Glyn. De totale legermacht ging nog dezelfde dag via verschillende marsroutes op weg naar Ulundi.Op 20 januari was de centrale colonne slechts achttien kilometer opgerukt. Voortdurende aanvallen van kleine Zulu-eenheden en een haast onbegaanbaar terrein hadden de opmars vertraagd. Aan de voet van de indrukwekkende Isandlawana-heuvel werd een kamp ingericht. Daar werd de eerste van een reeks blunders door de Britten begaan. Geheel in strijd met eerder uitgevaardigde orders brachten ze het kamp niet in staat van verdediging. Er werden geen loopgraven gegraven of borstweringen gebouwd. Ook werden de ossenwagens niet gebruikt om een defensieve ring te vormen. Chelmsford vond de grond te hard om in te graven en bovendien verwachtte hij geen aanval van betekenis. De tweede blunder bestond eruit dat Chelmsford op 22 januari met een deel van de strijdmacht verder trok om de Zulu hoofdmacht aan te vallen. Het directe gevolg was dat zijn aanvankelijke strijdmacht van ca 5000 soldaten werd opgesplitst. Ongeveer 1700 soldaten (witte Britse en zwarte Afrikaanse hulptroepen) bleven in het kamp achter. De derde blunder was dat hij tijdens zijn opmars onvoldoende het terrein liet verkennen. Hij merkte daardoor de Zulu macht van ca 20.000 strijders niet op, die zich in de nabijheid van Isandlawana had verzameld.

 
De strijd bij Isandlawana
Kolonel Pulleine, die als commandant van het kamp was achtergebleven, zond wel verkenners uit. Die ontdekten al snel de Zulu impi’s in de buurt van het kamp. Pulleine zond dadelijk een koerier naar Chelmsford met de mededeling dat de Zulu’s bezig waren een aanval op het kamp voor te bereiden. Chelmsford las het berichtje en gaf het zonder een woord te zeggen terug aan een adjudant. Hij was niet van plan zijn aanvalsplan te wijzigen.

Het Zulu-leger was toen het door de verkenners van Pulleine werd ontdekt nog niet geheel gereed om aan te vallen, maar de aanvoerder begreep dat snel handelen nu noodzakelijk was. Om 11.00 uur vielen de Zulu-impi’s het kamp aan de voet van de berg aan. Ze gebruikten hun vaak beproefde ‘izimpondo zankomo’, de hoorn van de buffel tactiek. Dat was een aanval waarbij zij in een halvemaanformatie optrokken en waarbij de uiterste vleugels een omsingelende beweging maakten en daarna de vijand tegen de centrale hoofdmacht opstuwden.
 


De achterhoede van de colonne van Chelmsford bemerkte de consternatie in het kamp. Kolonel Harness gaf op eigen gezag een eenheid artilleristen en infanteristen opdracht om naar het kamp terug te keren. Ze waren nog maar nauwelijks onderweg gegaan of een stafofficier kwam hen namens Chelmsford opdracht geven om daarmee te stoppen. Volgens Chelmsford waren de berichten over een aanval op het kamp: ‘vals alarm’.
Om ongeveer 15.00 uur was de Britse tegenstand gebroken. In en rond het kamp lagen de bloedige resten van ongeveer 1350 verdedigers en een groot aantal aanvallers. Niet meer dan 400, al of niet gewonde, verdedigers hadden zich – veelal te paard - weten te redden. Het was de ergste nederlaag die de Britten ooit in een koloniaal conflict hadden geleden en de strijd was nog niet voorbij.

Intermezzo
De rechtervleugel van de Zulu aanval was zo succesvol geweest dat een groot deel van de krijgers geen kans had gekregen aan de strijd deel te nemen. Deze, aanvankelijk als reserve opgestelde, impi’s kregen nu de opdracht om de vluchtenden uit het kamp te achtervolgen en te doden. De meeste vluchtelingen trokken naar de Buffalorivier waar ze de versterkte missiepost bij Rorke’s Drift hoopten te bereiken.
Op de missiepost was een handjevol soldaten van de Royal Engineers onder leiding van luitenant John Chard aanwezig om te zorgen voor de ponten die werden gebruikt om troepen en voorraden over de rivier te zetten. Verder waren er officieren en soldaten van de intendance gelegerd. Eén van de gebouwen was ingericht als hospitaal. De post werd verdedigd door B-compagnie van het 2e bataljon van het 24ste infanterieregiment onder leiding van luitenant Gonville Bromhead.

Lt. Chard was die ochtend met een aantal van zijn mannen naar het kamp bij Isandlawana geroepen. Daar aangekomen kreeg hij bevel terug te keren en de post in staat van verdediging te brengen. In de haast om te vertrekken liet hij zijn mannen achter. Hij heeft ze niet meer levend teruggezien.

Eenmaal terug werd onder zijn leiding (hij was de oudste in rang) dadelijk begonnen om de missiepost te versterken. De soldaten maakten daarbij gebruik van zakken meel en voorraadkisten om barricaden op te werpen. Kort na het middaguur hoorden ze de eerste schoten uit de richting van Isandlawana. Rond de klok van drie waren er inmiddels zoveel uitgeputte en bange soldaten de post binnen gestrompeld dat het iedereen duidelijk werd wat er in het kamp was gebeurd. Om ongeveer 16.00 uur kregen de ongeveer 150 verdedigers van een wegvluchtende officier van een groep zwarte hulptroepen te horen dat de Zulu’s er aan kwamen: “ zo zwart als de hel en zo talrijk als gras”. De hulptroepen stopten niet om hun waarneming verder toe te lichten maar reden ze snel ze konden door naar Helpmekaar, een verder weg gelegen post. Ze waren bang en het kwam niet bij ze op de mannen van Rorke’s Drift te helpen.

De strijd om Rorke’s Drift
Om 16.30 begonnen ongeveer 4000 Zulu’s van drie impi’s hun aanval op de post. In hevige gevechten werden de verdedigers langzaam teruggedreven naar de centrale verdedigingslinie. De zieken en gewonden in het hospitaal vergaten hun klachten en verdedigden ieder meter buiten en binnen het hospitaalgebouw. Toen de Zulu’s tot in het gebouw doordrongen moesten ze het na verloop van enige uren verlaten. De overlevenden voegden zich bij de andere verdedigers.

Het was inmiddels donker geworden maar dat betekende niet dat de strijd werd gestaakt. De aanvallen werden bij het licht van de brandende gebouwen voortgezet. Steeds meer verdedigende posities moesten worden opgegeven en het leek er op dat ook voor de soldaten bij Rorke’s Drift de dood nabij was.

Vanaf middernacht nam de hevigheid van de aanvallen echter af en verflauwde het lawaai van de aanvallers. Rond 04.00 werd het stil en toen het licht werd zagen de uitgeputte verdedigers dat de Zulu’s waren verdwenen. Het terrein rondom de post leek het meest op een abattoir. Overal lagen, vaak op elkaar gestapelde, lijken van Zulu’s. Daar tussen lag hier en daar een Brit. Naar schatting 1.000 Zulu’s hadden het leven bij de aanval verloren en er lagen nog ca 400 gewonden in en buiten de post. Die werden in de loop van de uren na de slag, voor zover ze niet in staat waren te vluchten, alsnog gedood. Chard verloor tijdens de slag het verbazingwekkende geringe aantal van 15 doden. Van de 10 gewonden stierven er nog een aantal in de dagen daarna. Het was een dubbeltje op zijn kant geweest. Toen Chard een inventarisatie van de beschikbare munitie liet maken bleek dat tijdens de aanval ruim 19.000 van de 20.000 beschikbare patronen waren verschoten.

Rond 07.00 uur werd er opnieuw alarm geslagen toen op een nabijgelegen heuvel een grote groep Zulu’s verscheen. Alles leek alsnog verloren. De Zulu’s vielen echter niet aan en vertrokken toen de eerste ruiters van de voorhoede van Chelmsford bij de post verschenen.

Dankzij onverschrokkenheid, individuele moed en discipline was een betrekkelijk kleine groep Britse militairen in staat geweest zich een overmacht van het lijf te houden. Voor deze prestatie werden later elf Victoria Crosses aan de verdedigers toegekend.

De strijd gaat door
De colonne van kolonel Pearson (ca 1.300 man) was op 12 januari de Tugelarivier overgestoken en Zulu-land binnengetrokken. Het terrein was zwaar en de lange colonne had de grootste moeite om enige vooruitgang te boeken. Tien dagen later kwam hij in de buurt van Eshowe waar hij op een Zulumacht van ongeveer 6.000 strijders stootte. Dankzij de inzet van een Gatling Gun die werd bediend door een marinedetachement wist men de aanval af te slaan. De colonne installeerde zich in de verlaten missiepost bij Eshowe en wachtte de gebeurtenissen af. Verder trekken leek Pearson gezien de te verwachten tegenstand niet gewenst. De Britten werden omringd door onbekende aantallen Zulu’s en de vooruitzichten werden bepaald somber toen ze een waarschuwing van Chelmsford ontvingen waarin deze mededeelde dat: “zij zich moesten voorbereiden op een aanval van het gehele Zulu-leger”.

Nu de centrale controle vernietigd was en de oostelijke colonne feitelijk omsingeld was, kwam de zo optimistisch gestarte opmars tot stilstand. Kolonel Wood kreeg opdracht om op te trekken en de druk op Pearson te verlichten. Dat deed hij door op 28 maart een concentratie van Zulu’s bij Hlobane aan te vallen. Tijdens zijn opmars werd hij echter op zijn beurt aangevallen door een Zulu-leger van ongeveer 20.000 man. Wood wist net voor hij omsingeld zou worden in een chaotische beweging uit te breken. Dat ging echter gepaard met grote verliezen aan zijn kant. De Britten konden daarna niet meer doen dan zich ingraven bij Kambula en de aanval van de Zulu’s af te wachten. Die kwam de volgende dag om 14.00 uur. Keer op keer vielen de impi’s, waarvan sommige strijders al dagen niet hadden gegeten, de versterkte Britse posities aan. Brits artillerievuur en geconcentreerde geweersalvo’s dunden hun rangen systematisch uit. Vier uur later gaven de Zulu’s het op. Met achterlating van ruim 2.000 doden, trokken zij zich terug. Kolonel Pearson zag zich echter genoodzaakt om te blijven zitten waar hij zat.
Chelmsford gaf persoonlijk leiding aan de militaire colonne die werd samengesteld om kolonel Pearson uit zijn benarde positie te bevrijden. Op 1 april was hij in de buurt van Eshowa geraakt. De Zulu’s waren zijn colonne gevolgd en begrepen dat ze moesten proberen te verhinderen dat Chelmsford en Pearson zich konden verenigen. Bij Gingindlovu liet Chelmsford zijn gehele colonne boven op een lage heuvel in een carré opstellen. Met 10.000 man vielen de impi’s aan. De hoorns van de stier omsingelden het carré en de Zulu hoofdmacht viel frontaal aan. De combinatie van Gatling Gun en geweersalvo’s brachten echter opnieuw de Zulu’s tot staan. Toen de Zulu’s terugtrokken lieten ze meer dan 1.000 doden achter. Chelmsford en Pearson trokken zich gezamenlijk terug in Natal. Het leek alsof de uitkomst van de gevechten in een ‘gelijkspel’ was geëindigd.
 
De tweede invasie
In mei 1879 keerde het versterkte Britse leger, ditmaal in twee colonnes, terug in Zulu-land. Koning Chetswayo begreep dat de tactiek van zijn legers het uiteindelijk tegen de Britten zou gaan afleggen en probeerde met Chelmsford te onderhandelen. Dat leverde echter niet de door beide partijen gewenste resultaten op en de opmars van de Britten ging dan ook gestaag door.

Chelmsford had geleerd van zijn eerdere nederlagen. De colonnes marcheerden nu in gesloten gelederen door het terrein. De kwetsbare voorraadwagens en artillerie werden omringd door infanterie, terwijl de begeleidende cavalerie voortdurend voor de colonne uit op verkenning ging. Op ieder gewenst moment konden de soldaten zich in een carré opstellen om een aanval af te slaan. Toen de colonnes bij de Zulu-hoofdstad Ulundi aankwamen werd een verstrekt kamp opgebouwd. Het duurde niet lang voordat het Zulu-leger het kamp aanviel. Dertig minuten later lag het grootste en beste deel van het Zulu-leger dood of gewond in het hoge gras. De dagen van het Zulu-rijk waren over. Chetswayo was naar een schuilplaats gevlucht maar werd nog in augustus opgepakt en verbannen. De Britten hadden hun gram gehaald.
 

De werkelijkheid verbeeld
Het is interessant om te kijken hoe ‘het publiek’ destijds kennis kon nemen van de gebeurtenissen in Afrika. Kranten en geïllustreerde tijdschriften besteedden, zodra het nieuws het thuisfront had bereikt, ruim aandacht aan de eerste bloedige nederlaag van het Britse leger sedert lange tijd. Daarbij valt op dat het accent in de verslaggeving niet zo zeer werd gelegd op de feiten en omstandigheden die hadden geleid tot het bloedbad. De rol van de legerleiding werd grotendeels ongenoemd gelaten. De vraag hoe Lord Chelmsford zo had kunnen blunderen kwam niet of nauwelijks aan de orde. Uitgebreid aandacht was er voor de overmacht van de wilde, vijandelijke Zulu’s en het buitengewoon moedige gedrag van de Engelse officieren en soldaten. De aandacht ging daarbij vooral uit naar het groepje soldaten bij Rorke’s Drift, dat zich zo moedig een overmacht aan Zulu’s van het lijf wist te houden.

Zo werd voor het grote publiek het beeld geschapen dat Engelse militairen voornamelijk bestonden uit personen die individueel of als collectief in staat bleken om iedere vijand ‘van Jetje’ te geven. Ondanks de moeilijkste omstandigheden deden ze dat met fris geschoren gezichten, in onberispelijke uniformen en met handhaving van een verbazingwekkende discipline. Geen wonder dat het aantal Victoria Crosses dat al of niet postuum werd verleend een absoluut record bereikte. Nooit meer werden er zoveel van deze onderscheidingen tegelijk uitgedeeld.
De bekende heldhaftige ‘last stand’ van de ‘thin red line’ die rug aan rug vochten bij Isandlwana werd circa zes jaar later geschilderd door Charles Edwin Fripp. Die was nooit in Isandlwana geweest en had zich voor wat de gebeurtenissen betreft laten ‘voorlichten’ door personen die de slachting hadden overleefd. Daarvan mag je aannemen dat die uitsluitend de slag hadden kunnen overleven door op tijd weg te vluchten. Hun getuigenis van de feitelijke gang van zaken gedurende de laatste minuten was dan ook niet erg betrouwbaar. Dat kon echter niet verhinderen dat Fripp met een enorm doek kwam dat mede heeft geleid tot het beeld dat vele geïnteresseerden, ook nu nog, van de gebeurtenissen hebben. Met op de achtergrond de dreigende berg die de slag zijn naam zou geven, staat een moedig groepje ‘redcoats’ in een zee van Zulu’s. De centrale figuur op het schilderij is een sergeant die een verband om zijn hoofd heeft met een bescheiden doorbloeding. Voor het overige is zijn uniform onberispelijk en dat geldt ook voor de militairen om hem heen. Naast de sergeant is een soldaat afgebeeld met een baard. Een keurige getrimde baard, dat wel. Hij is de enige baardman in het groepje dat in het aangezicht van de dood staat. Alle anderen zijn glad geschoren.

Uit recent onderzoek is gebleken (onder meer door Ian Knight in de National Geographic documentaire: “Zulu Dawn”) dat de laatste verdedigende soldaten naar alle waarschijnlijkheid niet zo dicht opeen hebben gestaan. Het onderzoek dat is gebaseerd op de vondst van sluitingen van munitiekistjes, concludeert dat de soldaten verder van het kamp af stonden dan aanvankelijk werd aangenomen. Ook de vondst van kogels op het terrein bevestigt het nieuwe inzicht dat de verdedigingslinies te verspreid waren opgesteld om elkaar te kunnen steunen. Uit verschillende grafvondsten blijkt dat nogal wat soldaten hebben geprobeerd te vluchten. Hoe het werkelijke beeld is geweest, met andere woorden hoe de laatste minuten zijn verlopen van de ongelukkigen van Isandlawana is te gruwelijk voor woorden. Het beeld dat Fripp probeerde te schilderen heeft echter weinig met de werkelijkheid van doen.

Het beeld van fris geschoren en modelgeklede militairen is de standaard bij de vele afbeeldingen en modelfiguren die sedert de Zulu-oorlog gemaakt zijn. Dat is jammer, want in werkelijkheid leken de betrokken militairen in niets op hun latere afbeeldingen. Een journalist noteerde destijds dat: “de uniformen van de soldaten die geruime tijd aan de strijd hadden deelgenomen, gescheurd en verschoten waren. Er was geen mogelijkheid om de kleding via depots te vervangen en het gevolg was dat de uniformen waren gerepareerd met allerlei stoffen van verschillende kleur. Hun helmen leken wel kapotgeslagen mandjes waarvan het vlechtwerk door de stof naar buiten stak”. In de memoires van een deelnemende soldaat schrijft deze dat: “ik heb gedurende een periode van zes maanden, mijn uniform niet kunnen uitrekken. De enige verlichting die ons werd toegestaan was dat wij ‘s avonds de veters van onze laarzen los mochten maken.” Een officier schreef aan zijn familie dat: “de mannen dragen van alles zoals hoeden met brede randen, zwarte hoeden, bontmutsen of geen hoofddeksel. Hun jassen en broeken hebben allerlei kleuren, ribcord, blauwe serge, rode serge en verder ieder stuk kleding waar ze een hand op kunnen leggen en dat alles gerepareerd met de stof van jutezakken, meelzakken, huiden of wat dan ook”. Op sommige momenten was het gebrek aan deugdelijke, warme uniformkleding zo groot, dat de soldaten, gaten maakten in jutezakken zodat die als een soort overjassen konden worden gedragen.
In het veld werd scheren al snel een luxe. Er was niet altijd voldoende water beschikbaar en lichaamsverzorging kreeg een lagere prioriteit. De meeste soldaten en officieren droegen dan ook baarden. Dat was niet alleen makkelijk maar het hielp ook om de vliegen die met miljoenen de militaire colonnes volgden, minder blote huid te bieden.

 
Bericht geplaatst in: artikel