GLADIATOREN

Geplaatst op 19 augustus 2003
Eén van de spectaculairste en tevens wreedste vormen van volksvermaak in het anders zo beschaafde Romeinse Rijk waren de gladiatorenspelen.
Eén van de spectaculairste en tevens wreedste vormen van volksvermaak in het anders zo beschaafde Romeinse Rijk waren de gladiatorenspelen. Slaven uit alle veroverde rijksdelen traden op in de arena en symboliseerden dus onbewust de eenheid van het imperium. Mensen uit alle bevolkingsgroepen woonden ze bij, de keizers gebruikten ze om hun verbondenheid met alle rijksdelen te tonen en te laten zien dat hun macht over mensen en dieren bijna absoluut was. Maar het adagium "Panem et ( ludos ) circenses" ontaardde in "Sanguinem et circenses".

De spelen waren zeer in trek : Meijer vond ruim 200 amfitheaters terug , allemaal in het West-Romeinse Rijk, inclusief Noord- Afrika. De belangrijkste liggen in Frankrijk, Spanje,Italië (koploper met bijna 100), Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Hongarije, Slovenië, Kroatië, Libië, Tunesië. Het Oosten was ook in dit opzicht beschaafder: in Griekenland, Turkije etc. lagen veel minder en veel kleinere amfitheaters, maar de vele inscripties over gladiatoren kunnen er op wijzen dat er spelen waren, mogelijk in de grote theaters zoals Ephese, die dan een combifunctie hadden: toneel en spelen (122). Bij spelen bleven dan de onderste rijen leeg.
In Ephese fungeerde Galenus als "sportdokter" van de gladiatoren.

Gemiddeld waren ze 100 m lang en 80 breed. Het Colosseum klopte alle andere met zijn 188 bij 156 m ; de aanleg duurde tien jaar (70–80 n.C.) en het blijft nog altijd één van de kroonjuwelen van Rome. Ook voordien vonden in Rome al spelen plaats: minstens sinds 264 v.C.

Over de oorsprong van de spelen (p. 25–29) bestaan meerdere versies : tot in de 20° eeuw dacht men aan de Etrusken; daarna vermoedde men dat het aanvankelijk lijkspelen waren in Lucanië en Campanië; mogelijk hebben de Griekse kolonisten hun lijkspelen met dodenoffers in Zuid-Italië geïntroduceerd. Ze geloofden dat het bloed van gevangenen aan de overledenen kracht gaf tijdens hun tocht naar de onderwereld en hun ziel reinigde. In Campanië zouden de dodenoffers dan vervangen zijn door dodelijke gevechten. De term "munus" betekende: taak, verplichting tegenover de dode. Tot 42 v.C. was er een onderscheid tussen ludi, georganiseerd door de overheid en de particuliere munera. Nadien was alles op staatskosten.

Meijer schreef zijn boek vanuit de gedachte dat die wrede spelen dichter bij ons staan dan we graag toegeven. Hij geeft daarbij het voorbeeld van Alypius, een brave leerling van de heilige Augustinus. Die had zich voorgenomen nooit naar zulke verfoeilijke dingen te gaan kijken, liet zich dan één keer meeslepen door medestudenten, hield zijn ogen fanatiek dicht, maar werd dan toch enthousiast door het geschreeuw van het gepeupel en geraakte in vuur en vlam, net zoals de anderen. Meijer wil degenen die de zuigkracht van films zoals Spartacus en Gladiator hebben geproefd, informeren over de ware gladiatoren en de ware spelen.

Aan de hand van Grieks-Romeinse schrijvers, mozaïeken, wandschilderingen, beeldjes, grafstenen, reconstrueert hij de ontstaansgeschiedenis, achtergronden, strijdmethodes, trainingsscholen, transporten van dieren uit Voor- Azië en Noord- Afrika, het dagprogramma, de verdwijning na 393 n.C., het Colosseum na de Oudheid.

Hij geeft een biografie van Spartacus (p.40–42+ 212–214): Thraciër (Bulgarije), deserteur uit het Romeinse leger, intelligent, beschaafd!

Ook andere gladiatoren krijgen een beschrijving. De meesten leverden vijf à 25 gevechten, vier tot vijf per jaar, tussen hun 21 en 28 . Flavius Sigerus leefde wsch. het langst: tot zijn 60°. Een even onbekende Asteropaeus vestigde een ander record: 107 overwinningen.

De opleiding gebeurde in sportscholen, waar men oefende met collegas, die men nadien misschien doodde. Een minderheid was getrouwd en had kinderen. De seksuele aantrekkingskracht van deze spierenbundels bij de vrouwen was groot, maar een huwelijk met een vrije vrouw was uitzonderlijk en kon enkel als de gladiator ook vrijgelaten was. Gladiatrices bestonden ook, maar bleven zeldzaam.

De indeling in categorieën gebeurde op basis van hun wapen: er was o.m. de thraex, met een klein, dolkachtig krom zwaardje, de murmillo had een langer steekzwaard (gladius), de retiarius een net plus drietand (p. 97). Bij de amfitheaters was en is het Colosseum het bekendste. De naam herinnert aan de Colossus Neronis, het grote bronzen beeld van Nero. Het werd gebouwd na zijn dood, door slaven, burgers en wellicht ruim tienduizend joodse krijgsgevangenen. Het Tunesische El Djem, dat mooier is dan de foto hier (120–121), krijgt een eervolle vermelding.

Het dierenleed (jacht, transport, afslachting) zou met onze huidige maatstaven de meeste afkeuring en afkeer krijgen. Olifanten, leeuwen, luipaarden, nijlpaarden, krokodillen, beren, giraffen, wilde stieren, apen, soms een lynx of neushoorn vielen ten prooi aan de wrede sensatiezucht van de Romeinen. Vanaf de derde eeuw zorgde de economische crisis voor een overgang van roofdieren naar graseters: herten, wilde paarden, schapen, elanden, stieren, struisvogels, ezels, beren, gemzen. Een andere oorzaak was dat men in Noord – Afrika grote natuurgebieden omvormde tot graanvelden, olijf- en wijngaarden.

In "Een dagje Colosseum" reconstrueert Meijer het verloop , vanaf de aankondiging op muurplakkaten, de dure tickets voor rijken, de gratis plaatsen voor armen, het verloop van s morgens (dieren tegen dieren, jacht) via s middags (executies van misdadigers)tot late namiddag (gladiatoren). De zeegevechten kwamen enkel voor bij speciale aangelegenheden. De meeste amfitheaters waren er niet voor geschikt. Na de spelen moesten lijken en kadavers opgeruimd worden. Gladiatoren konden een begrafenis krijgen, misdadigers en christenen werden gedumpt op afgelegen plekken, in ravijnen, in de Tiber of als voedsel voor de roofdieren gebruikt. Het vlees van de dieren ging naar arme mensen. Hoe de verdeling verliep, is niet duidelijk.

In de vierde eeuw nam de interesse voor de spelen af, deels wegens geldgebrek , deels onder invloed van het christendom. Theodosius verhief in 393 het christendom tot staatsgodsdienst, hij was tegen heidense festivals, maar er is geen bewijs van een verbod. Wellicht stierven ze een langzame dood. In het begin van de 6° eeuw werden gevechten van mens tegen dier verboden; in Constantinopel hield keizer Justinianus nog een jachtpartij in 536, maar daarna verdween ook dit onderdeel van de gladiatorenspelen. Ze hadden dan ongeveer hacht eeuwen bestaan.

Het Colosseum zelf kwam ook in verval: aardbevingen, plunderaars, zwervers, herders speelden daarin een rol. De heropleving kwam vanaf de 18° eeuw : het werd een pelgrimsoord om de christelijke martelaren te herdenken en een plek waar schrijvers en schilders uit heel West-Europa een reis naar maakten. In 1874, net na de Italiaanse Eenmaking, werd het Colosseum afgenomen van de kerk en toevertrouwd aan de archeologen.

Voor Mussolini was het een bewijs van de macht van de keizers. Hij steunde de heropbouw, legde er de Via del Impero aan ( later omgedoopt tot Via dei Fori Imperiali ) en ontving er Hitler in 1938 . Deze wou het namaken in Neurenberg, maar het bleef bij grootse plannen op papier.

Meijer eindigt met beschouwingen bij de films Spartacus en Gladiator en de vraag hoe hij zich zou gedragen hebben tegenover die weerzinwekkende wreedheid. Hij geeft een verklarende woordenlijst van de Latijnse termen, een tijdstabel, een selectie van steden met amfitheater, noten en register.

Het boek is bruikbaar voor leraren klassieke talen en geschiedenis en ook voor een zeer ruim publiek van leken. De fotos zijn allemaal in zwart-wit, wat jammer is voor de mozaïeken, die pas door hun kleuren tot hun recht komen. Meijer vertelt heel vlot en laat zich daarin niet afremmen door zijn academische achtergrond.

Referentie :
Fik Meijer,Gladiatoren. Volksvermaak in het Colosseum. (Amsterdam/Antwerpen 2003)
Bericht geplaatst in: boekrecensie