RIJSTPAP, TULPEN EN JIHAD

Geplaatst op 16 september 2004
Lucas Catherine is een gedreven man. Vanaf zijn 22ste maakte hij de ene na de andere studiereis naar landen met Arabische cultuur.
Lucas Catherine (Luc Vereertbrugghen 1947) is een gedreven man. Vanaf zijn 22ste maakte hij de ene na de andere studiereis naar landen met Arabische cultuur. In de jaren "80 woonde hij met zijn vrouw in Soedan, Marokko en Tanzania voor telkens meer dan een jaar. Voor de rest woont hij met zijn gezin in Schaarbeek, tussen de Marokkaanse en Turkse gemeenschap.
Hij schreef meer dan een dozijn boeken, waarin hij telkens de verdediging van Palestijnen en Arabieren op zich neemt, maar wel kritiek uit op de conservatieve, moslimfundamentalistische uitwassen zoals in Iran sinds 1979.

In dit boek vertelt hij over de relaties tussen de Nederlanden enerzijds en Arabieren en Turken anderzijds sinds de 8e eeuw. De eerste contacten zijn dus veel ouder dan de akkoorden van 1964, die Turkse en Marokkaanse gastarbeiders naar hier lieten komen.

Karel de Grote wilde een groot rijk uitbouwen, maar stootte in het zuiden ( Roncesvalles ) op Arabieren en Basken. Zijn voorganger Karel Martel had in 732 de Arabische invallers kunnen tegenhouden bij Poitiers. Karel sloot dan maar vrede en stuurde tweemaal een gezantschap naar Bagdad: 797 – 802 en 802 – 807. Het duurde telkens vijf jaar voordat de gezanten terug waren, met geschenken, o.a. een witte olifant.

Over de 7 à 8 Kruistochten (1096 – 1270) heeft Catherine geen goed woord. Begrijpelijk.
Het positieve aspect ervan is dat het westen zoveel overnam van Arabieren en Turken en dat de deelnemers uit onze gewesten die dingen ook mee naar hier brachten. Bij de nieuwigheden hoorden o.m. windmolens, postduiven, epileren, schaken, heraldische symbolen (p. 38 – 58).
De naam schaken komt b.v. van sjah, Perzisch voor koning. Schaakmat betekent dan: de koning is dood. Ook onze bouwkunst en keuken werden beïnvloed, o.a. met steen i.p.v. hout, spitsbogen en met peperkoek, een Chinese vondst, waarvan men later speculaas maakte.
Nog belangrijker was de intellectuele bijdrage aan onze cultuur: filosofie (Averroës), mystiek, cijfers, cartografie, geneeskunde, hospitalen, heelkunde (p. 60 – 61). Catherine sleept er ook de universiteit van Bologna bij (p. 48), maar die bestond al in 1088 i.p.v. 1190, dus vóór de Kruistochten.

Na de Kruistochten leerden we ook nog veel Arabische of Turkse stoffen en levensmiddelen kennen, eventueel via Italiaanse handelaars in Brugge: katoen (qatun), leer, rijst (ruz), suiker
(sukkar), snorren, tulpen, koffie, tafeltapijtjes. Die Italianen introduceerden hier ook de Arabische cijfers (p. 63), de cheque (sukha) en de wisselbrief. Papier, een Chinese vondst, kenden we al via de bedevaarten naar Compostela (p. 49 – 51, 65).
Brugge was in de Nederlanden de stad waar de Arabische en Italiaanse invloeden het meest voelbaar waren. Catherine beweert dat Jan Van Eyck, Dirk Bouts, Rogier Van der Weyden e.a. spiegels en lenzen gebruikten, die van Arabische origine waren; ze kenden volgens hem de “Opticae thesaurus", het handboek van Ibn Haitham (+ 1039), dat in de abdij van Ten Duinen aanwezig was.

Over pasta en ravioli heeft hij ook een heel verhaal (p. 70 – 72). Marco Polo zou ze niet uit China meegebracht hebben, maar de Italianen namen de lekkernijen over van de Arabieren, die ze op hun beurt kenden van Turks - Mongoolse volkeren.

De volgende contactpersoon is Karel V (1500 – 1555). Hij vocht tegen de Turken in Noord-Afrika, hij liet een afgezette sultan van Tunis naar Brussel komen, om hem nadien terug op de troon te zetten (1535). De Vlaamse en Nederlandse soldaten die met Karel V optrokken naar Andalusië en Noord- Afrika, brachten rijstpap en rijsttaart mee terug, twee gerechten met wortels in Bagdad (p. 91). Ze verschenen al vlug op de schilderijen van boerenbruiloften van Bruegel. Een tijdgenoot van Karel V was Nicolas Cleynaerts uit Diest (1493 – 1542). Deze geleerde ging op zijn eentje naar Spanje, Portugal en Marokko, o.a. om Arabisch te leren. Helaas keerde hij nooit terug. Desondanks besluit Catherine dat de studie van het Arabisch in onze gewesten toen is begonnen. Na hem werden nog andere Vlamingen door Karel V of keizer Ferdinand als vredesgezant naar de Turkse sultan gezonden: Cornelis De Schepper en Pieter Coecke (schoonvader van Bruegel) in 1533–1534, Ogier van Boesbeke (bij Komen) rond 1560. Boesbeke bezorgde ons de tulp, lila of sering, kastanje, jasmijn en een mooie beschrijving van de Turkse cultuur en gewoonten in het Latijn: “Legationis Turcicae epistolae quattuor" .

Catherine weidt ook uit over de emigratie van vele belangrijke Zuidelijke Nederlanders naar het noorden na 1585 en de handel die ze vanuit Amsterdam via de VOC verder zetten met de Turken in Noord- Afrika en Azië. Eén van de resultaten was de overname in de 17e eeuw van koffiehuizen en van het woord “mokka" voor kwaliteitskoffie; het is afgeleid van de havenstad Mocha in Jemen.

Pas tijdens Leopold II haalde België zijn achterstand op Nederland weer enigszins in. In Oost- Kongo ontstonden contacten met de Arabieren van Zanzibar. Het eerste wapenschild van Kongo Vrijstaat was in het Arabisch.

Tijdens de 1e Wereld Oorlog gingen er in België stemmen op om Palestina te koloniseren. Zo wilde Albert I in de voetsporen treden van Godfried van Bouillon en van Leopold II en de Belgische investeringen in het uitstervende Ottomaanse rijk beschermen. Catherine beweert (p. 170) dat de Belgische ambities tot 1917 reëel waren. Hij vergeet dan dat Britten en Fransen met hun Sykes–Picot–verdrag van 1916 de koek al lang onder elkaar verdeeld hadden, met Palestina voor de Britten.

Bij de Tweede Wereldoorlog doet hij alsof het Franse leger, dat in 1940 kwam helpen bij Gembloux, voor het gros uit Marokkanen en Algerijnen bestond (p. 171 – 175); zij zouden de Duitse opmars tijdelijk gestopt hebben. Ze leverden ook puike prestaties in Noord- Afrika en bij de bevrijding van Frankrijk en van Duitsland in 1944 – 1945. 8.000 Marokkanen sneuvelden in Europa.

In 1964 ten slotte sloot België een conventie met Turkije en Marokko, om gastarbeiders naar hier te halen. Momenteel leven er 180.000 Marokkanen in België, van wie 74.000 de Belgische nationaliteit hebben. Over hun huidige inbreng in onze economie, politiek en maatschappij zegt hij helaas niets.

In zijn epiloog stelt Catherine dat Noord-Afrikanen en Turken meer bijgedragen hebben aan de Europese cultuur dan de tien nieuwe lidstaten van de E.U. Hij somt die erfenis nog eens op (p. 181) en waarschuwt voor een herkerstening van Europa: “progressief Europa heeft minder te vrezen van een Marokkaans of Turks lidmaatschap dan van de toetreding van Polen, Oekraïne en hun kleine buren" (p. 182). Deze waarschuwingen lijken mij overbodig, want in de nieuwe grondwet van de E.U. mag het woord christendom zelfs niet opgenomen worden.

Enkele opmerkingen: Catherine schrijft zeer onderhoudend, maar niet altijd gestructureerd; hij wandelt een beetje van de ene anekdote naar de andere en vermeldt ook niet dat de Arabieren momenteel anders scoren dan in het verleden. Hij gaat ook voorbij aan de gedwongen bekeringen van christenen en joden in gebieden die veroverd werden door
Arabisch- islamitische legers in naam van de koran: “bestrijdt hen die niet geloven in God, totdat zij de islam aannemen". Hij zwijgt ook over de vele kerken en synagogen die omgebouwd werden tot moskeeën of afgebrand werden.

Hij verzwijgt ook het huidige terrorisme en de vele vormen van intolerantie bij huwelijken met niet-moslims, tegenover homo"s, t.o. christelijke volksgenoten in Soedan of Kosovo, de beperkte godsdienstvrijheid in islamitische landen, de jihad die in de titel voorkomt.

Terloops vertelt hij wel veel over de geschiedenis van Brugge, Gent en Antwerpen en over de vele leuke woorden en zaken die wij overnamen van Turken en Arabieren.
Het maakt niet duidelijk wat zij evt. van ons overnamen en of hun bijdrage even groot is als de erfenis van Grieken, Romeinen, joden en christendom.

Nog enkele details: de uitleg bij de exotische foto op de kaftpagina vind je niet vooraan, maar pas op pagina 111 – 113; op pgina 12 staat een kaart van het rijk van Karel de Grote, maar zonder Poitiers en Roncesvalles. Catherine beweert dat Karel de eerste was om een groot georganiseerd rijk uit te bouwen; hij vergeet dan minstens het Romeinse. Taxi (p. 86) komt niet van Thurn und Taxis, maar van het Griekse taxis = belasting en het Latijn taxare = belasten.
De foto"s zijn mat en grijs i.p.v. helder.
Een woordenlijst en een register ontbreken: jammer, want dit leuk cultuur-historisch overzicht puilt uit van begrippen en eigennamen.

Referentie:
Lucas Catherine, Rijstpap, tulpen en jihad. (Uitgeverij EPO, Berchem- Antwerpen, 2004) 192 p.; foto"s, lit. ISBN 90 6445 327 6; € 16,50 .
Bericht geplaatst in: boekrecensie