CONTARINI EN HET CA DARO

Geplaatst op 14 juni 2001
In dit onderzoek staat het meest bekende Venetiaanse palazzo uit de 15e eeuw centraal; het Ca d’Oro. Dit palazzo is nog altijd een bijzonder opvallend gebouw aan het Canal Grande...
Inleiding
In dit onderzoek staat het meest bekende Venetiaanse palazzo uit de 15e eeuw centraal; het Ca d"Oro. Dit palazzo is nog altijd een bijzonder opvallend gebouw aan het Canal Grande, ondanks het feit dat van de oorspronkelijke decoratie weinig overgebleven is. Dankzij een uitgebreide documentatie met betrekking tot het bouwproces is de decoratie van de façade en de rest van het gebouw goeddeels te reconstrueren. Deze geschriften zijn in 1887 verzameld en becommentarieerd door Cecchieti en in 1893 door Paoletti. Naast het oorspronkelijke uiterlijk van het palazzo is uit deze documenten de rol die de opdrachtgever in het geheel gespeeld heeft af te leiden. Hier wil ik dan ook de nadruk op leggen in mijn betoog. Ten eerste wil ik de familie Contarini tot leven brengen door een kleine indicatie te geven van hun positie in Venetië, en voor zover mogelijk van de persoonlijkheid van Marin Contarini zelf. Vervolgens bespreek ik vrijwel in chronologische volgorde de ontwikkelingen tijdens de bouw, na een korte excurs waarin ik een beeld schets van de bouwlieden die aan het palazzo gewerkt hebben. Ik wil eindigen met een conclusie waarin kort de positie van Marin Contarini met betrekking tot zijn werknemers aan bod komt.
 
{mospagebreak}
Formele beschrijving
De plattegrond van het palazzo is een C-vorm, met in de open kant van de C een kleine hof. Het palazzo beslaat drie bouwlagen met een totale hoogte van slechts 17,3 m. Dit is voor een Venetiaans palazzo een vrij bescheiden hoogte. De eerste bouwlaag wordt gevormd door een grote zaal die doorgang biedt van het portaal aan de waterkant naar de straatkant. In deze laag werden zakelijke transacties afgewikkeld. Aan weerszijden van deze zaal zijn mezzanine aangebracht. De onderste helft diende als privé-vertrekken voor bedienden, de bovenste helft als opslagruimte en kantoor. De reden dat kostbare stoffen op de bovenste etage werden opgeslagen is het feit dat overstroming eerder regel dan uitzondering was, en handelswaar nu eenmaal belangrijker was dan het gerief van ondergeschikten.

De tweede en derde bouwlaag lijken veel op elkaar. Beide hebben een grote zaal in het midden die werd gebruikt als banketzaal en als doorgang naar de aan weerszijden gelegen privé-vertrekken. Op de beide bouwlagen is een keuken aanwezig, wat erop wijst dat het palazzo waarschijnlijk door twee families bewoond is geweest. De vloer in de grote zalen is niet overal gelijk van hoogte; dit verschil in niveau is nog niet afdoende verklaard, maar een mogelijke uitleg is het feit dat de gevel en de rest van de constructie als aparte bouwkundige eenheden zijn opgevat, die later helaas niet volledig compatibel bleken te zijn. Het verschil is opgelost door kleine traptreden aan te leggen. Aan de kant van het water lagen de twee alberghi grandi die dienden als ontvangstvertrek voor intieme vrienden. In deze ruimtes waren vuurhaarden geplaatst. Van de oorspronkelijke indeling is nu niet veel meer te zien door desastreuze "restauraties" in de 19e eeuw. Bij die restauraties heeft de architect Meduna ook de oude trap in de tuin die de eerste bouwlaag met de 2e verbond afgebroken en vervangen door een nieuwe. Hij heeft daarbij gekeken naar de trap in het palazzo Contarini. De oorspronkelijke waterput is nog wel aanwezig, maar de landverbindingen wijken waarschijnlijk af van de situatie in de 15e eeuw.

De gevel is asymmetrisch, en verraadt al dat de traditionele driedeling niet geheel aanwezig is. De westzijde heeft een open karakter, terwijl de oostzijde een meer ingetogen en gesloten voorkomen heeft. Het geheel wordt omlijst door een gedraaide, koordachtige band die aan de bovenzijde uitmondt in twee rijk gedecoreerde kapitelen. Deze kapitelen ondersteunen een reeks blinde arcades die op de hoeken weer leeuwen met het wapen van de familie Contarini dragen. Het dak wordt verhuld door een rij speelse elementen die "merlatura" worden genoemd.

De eerste bouwlaag toont een open toegang naar het water, bestaande uit vijf bogen. De middelste is, in tegenstelling tot alle andere bogen in het palazzo, halfrond. Deze boog is ook breder dan de flankerende spitsbogen. Aan de oostzijde van deze brede opening zijn twee unieke vensters geplaatst. Ze zijn vierkant, met een Gotische gedecoreerde boog erboven. Tussen deze vensters, waarin overigens zware metalen staven geplaatst zijn om dieven af te schrikken en buiten te houden, is een klein vierkant venster geplaatst met een eenvoudiger omlijsting.
De tweede bouwlaag heeft aan de uiterste westzijde een enkel venster met een rijke tracering. Het meest saillante aan deze piano nobile is de loggia. Deze heeft maar liefst zes lichten, en is voorzien van bijzonder elegante vierpassen. Aan de oostzijde van deze loggia volgt weer een enkel venster zoals aan de westzijde. De oostelijke helft wordt gevormd door twee spitsboogvensters met een rijke tracering, die een vierkant venster met een uitgewerkte omlijsting flankeren. De derde bouwlaag lijkt qua opbouw op de tweede en was daarmee verbonden door een houten trap. De derde bouwlaag toont echter een veel sierlijker loggia, met een unieke tracering die mogelijk was door het geringe gewicht dat erop steunde. Boven alle vensters zijn ronde schijven aangebracht van porfier. Dit is volledig in aansluiting op de Byzantijnse traditie.

De andere gevels van het palazzo zijn veel soberder dan de waterfaçade. Aan de hofkant is nog een uitgebreid vijflichtvenster te zien dat door de Bons vervaardigd is, en boven de poort die naar de straat leidt is een bijzonder kunstig gehouwen spitsboogdecoratie te zien met een engel die het wapen van de familie Contarini draagt.
{mospagebreak}
De familie Contarini
De familie Contarini behoorde tot de meest aanzienlijke families in het Venetië van de 14e en 15e eeuw. De familie maakte deel uit van de kleine groep casade of case vecchie die de touwtjes in de republiek in handen hadden wat politieke en handelsaangelegenheden betrof. Andere families van deze groep zijn bv. Dandalo, Giustinian, Zeno en Corner. Elke familie had een eigen palazzo waar vaak meerdere leden samenwoonden, dat diende als "uitvalsbasis" en als representatie van het geslacht. Om die reden werd veel aandacht besteed aan de gevel; deze moest een uitstraling van macht en voornaamheid bieden. Deze palazzi werden dan ook niet voor niets Ca genoemd; Case di Stazio.
De familie Contarini hoefde zich niet alleen op haar lange lijn van rijke edelen te beroepen; in de 14e en 15e eeuw brachten de Contarini"s maar liefst 3 doges, 7 procuratoren van San Marco, 2 patriarchen en een groot aantal bisschoppen en senatoren voort. De familie leefde verspreid over de stad, en had zo ook invloed in een groot aantal verschillende parochies, die een belangrijke rol speelden in het dagelijks leven van de Venetianen.
De opdrachtgever van het Ca d"Oro, Marin Contarini, was de zoon van Antonio Contarini. Antonio was een geslaagd zakenman en politicus. Hij had een uitgebreid netwerk van vrienden op invloedrijke posities, en wist zich goed staande te houden in de strijd om baantjes en gunsten. Door Antonio"s connecties wist Marin op 20 jarige leeftijd een zeer gunstig huwelijk te sluiten met Soradamor Zeno, een telg uit een van de andere case vecchie. De familie Zeno had ook een doge, 5 procuratoren van San Marco en meerdere senatoren opgeleverd. Kort na de verloving in 1406 huurde Marin een palazzo bij Santa Sofia van de familie Dandolo. Deze was gelieerd aan de familie Zeno door een huwelijk van Soradamors zuster Catarina. Dit palazzo stond op de plaats van het huidige Ca d"Oro. In 1412 besloot Marin om het huis te kopen, duidelijk met het oog op sloop en vervanging. Hiervoor ging hij te rade bij Antonio. Marin had namelijk zelf niet veel geld, en stond nog altijd sterk onder invloed van zijn vader.

Antonio was immers hoofd van de casada, wat een belangrijke machtspositie impliceerde. Bovendien was hij in 1414 procurator geworden, wat een verdere uitbreiding van zijn gezag betekende.
In 1417 stierf Soradamor, waarschijnlijk bij de geboorte van een vierde kind. Het oudste kind, Lunardo, kwam onder de hoede van zijn vader en speelde vanaf 1429 een rol bij de bouw van het palazzo. Hij deed aanvankelijk dienst als klerk en boodschappenjongen, maar kreeg later ook meer verantwoordelijke taken toegedeeld; hij bestelde zelfstandig vaten metselspecie en ladingen hout. Het is zeer onwaarschijnlijk dat hij ook invloed gehad heeft op het ontwerp van het palazzo. Na 1431 is niets meer over de jongen bekend; waarschijnlijk is hij gestorven. De twee dochters die Soradamor Marin had gebaard, Maria en Sammaritana, werden ondergebracht bij de families Zeno en Dandalo.

Over de persoonlijkheid van Marin is weinig bekend; alleen zakelijke brieven zijn bewaard gebleven. Hij handelde zoals de meeste Venetianen in de meest uiteenlopende goederen. Zijn belangrijkste inkomsten kwamen van de verhuur van huizen in de stad zelf en op het vasteland. Daar bezat hij meet dan 20 kleine huisjes. Verder handelde hij in "grana", een verfstof uit insecten die gebruikt werd voor stoffen en die afkomstig was uit Spanje. Ook balsem, gemaakt van geurige kruiden en planten in harsvorm, was een lucratieve investering, evenals de traditionele stoffenhandel. Contarini had connecties op Kreta, in Candia ( Heraklion) om precies te zijn. Er bestond een regelmatige bootdienst tussen Kreta en Venetië. Hij deed echter ook zaken met stoffenhandelaren in Florence, Rome, Padua, Parma, en de Nederlanden. Een tweede traditionele handelstak was die van de slavenverkoop. Het is niet bekend of Contarini daar ook een aandeel in had.
{mospagebreak}
Bouwlieden
Tijdens de bouw van het Ca d"Oro hebben meerdere groepen bouwlieden hun kunnen getoond. Contarini stelde per vakgebied een bouwmeester aan die erg goed betaald werd. Deze bouwmeester was verantwoordelijk voor het werk dat hij zelf deed en voor hetgeen zijn knechten en gezellen verrichten onder zijn supervisie.

De grote groep die aan het palazzo bij Santa Sofia heeft meegewerkt is de werkplaats van vader en zoon Bon uit Lombardije. Zij stamden uit een aanzienlijke steenhouwerfamilie die op vriendschappelijke voet verkeerde met Marin Contarini. Zuan Bon was ongeveer even oud als Contarini en zij hadden dezelfde ingrijpende gebeurtenissen (op politiek en emotioneel vlak) meegemaakt in de afgelopen 20 jaar. Die vriendschap ging zelfs zo ver dat Contarini geld leende aan Bon toen deze een huis wilde kopen. Privacy was overigens sowieso een zeldzaamheid in de republiek in die tijd; meester en ondergeschikten sliepen zelfs vaak op een kamer.

Er is veel steenhouwerwerk in Venetië dat aan de groep van Bon wordt toegeschreven, maar er is slechts weinig schriftelijk bewijs van. Het palazzo Baseggio, Ca Barbari, en Ca del Duca kunnen met zekerheid werk van Bon genoemd worden. Het grootste werk dat Bon verricht heeft na de voltooiing van het Ca d"Oro is de Porta della Carta bij het palazzo Ducale.

De tweede grote werkplaats, die als eerste werd aangesteld bij de aanvang van de bouw is de groep onder leiding van Raverti. Raverti was qua status ongeveer gelijk aan Bon, maar had andere specifieke taken in het bouwproces. De overige arbeiders waren afkomstig uit Venetië zelf, Milaan en Como. Het opvallend grote aantal arbeiders dat van ver kwam is toe te schrijven aan de hoge salarissen die in Venetië aan bouwlieden betaald werden.
Voor de decoratie van de gevel werd een schilder uit Frankrijk aangesteld, Zuan di Franza oftewel Guillaume Charlier.

Contarini hield voortdurend contact met de mensen die aan zijn palazzo werkten. Hij had bijna dagelijks overleg met Bon en Raverti, en moest elke zondag de bouwlieden hun loon uitbetalen. Door het ontbreken van een volledig tevoren gemaakt plan was dat dagelijkse overleg nodig. Zo kon Contarini meteen ingrijpen als iets hem niet zinde, en werd de kans op fraude zo goed als nul. Hij gaf ook apart geld voor de aanschaf van bouwmaterialen, als hij het al niet zelf deed.
{mospagebreak}
Het bouwproces
De eerste ideeën met betrekking tot de bouw had Marin al in 1417 op papier staan, maar over de periode tussen 1417 en 1421 is niets bekend. In 1421 duikt de naam van Raverti op. Hij werd officieel aangesteld en kreeg een voorschot om steen te gaan kopen. Hij was verantwoordelijk voor de steenhouweractiviteiten. Tegelijk met hem was de metselaar d"Amadio aan het werk. Over zijn prestaties is weinig bekend. Hij werd aangenomen op jaarcontractbasis, wat aangeeft dat Marin Contarini zelf de touwtjes in handen wilde houden; hij gaf de metselmeester geen carte blanche voor de gehele bouwperiode. Uit de teksten komt naar voren dat d"Amadio veel bakstenen van het oude palazzo dat gesloopt was hergebruikte. Dit is erg opvallend, daar baksteen geen bijzonder kostbaar materiaal was in de republiek. Hergebruik van oude kapitelen en natuursteen was wel de gewoonte, en uit de documenten met betrekking tot de bouw van het Ca d"Oro blijkt dat dat ook hier het geval is geweest.
In 1423 werd het eerste contract met Bon opgesteld. Ook hier zijn geen concrete aanwijzingen te vinden over de taakverdeling. Contarini wilde duidelijk zelf (mee)beslissen over allerlei zaken.

In maart 1425 werkten Raverti en zijn helpers aan de fiorino op het portaal aan de landkant. Het is natuurlijk erg vreemd om met zo"n detail te beginnen, en dat oog voor detail is typerend voor de instelling van Marin Contarini. Hij was een amateur-architect, en bemoeide zich dan hiermee, dan daarmee. Dat kwam de logica van de bouw niet ten goede. De stenen bloem vormde de bekroning van de spitsboog van natuursteen. Dit type bloem werd veel toegepast in sacraalbouw, zoals bijvoorbeeld de kathedraal van Como die juist gereed gekomen was. Waarschijnlijk hebben de steenhouwers van het Ca d"Oro deze kathedraal gezien en deze decoratievorm als voorbeeld genomen. Het is de eerste keer dat een dergelijk floraal motief in een seculier gebouw werd toegepast. Aan deze fiorino is erg lang gewerkt; met name de vele onderbrekingen door feestdagen en een aardbeving hebben dat in de hand gewerkt. Het grootste deel van de spitsboog die de opening naar de straat omlijst is gemaakt door G. Rosso, de oudste en meest begaafde assistent van Raverti. De bloem op de top is door Romanello vervaardigd, de meestersteenhouwer die tot op het laatst aan het palazzo heeft meegewerkt.

Een ander belangrijk ornamenteel stuk steenhouwerwerk is de trap in de tuin die de eerste met de tweede bouwlaag verbond. Deze trap liep in een bocht langs de kant van de calle en de zuidkant. De trap rust op de typische Venetiaanse spitsbogen, die toenemen in hoogte naarmate de treden stijgen. De hoofdconstructie bestond uit baksteen en was voorzien van natuurstenen ornamenten zoals de kapitelen in de spitsbogen, de balustrade en de kopjes op de balustrade. De kapitelen waren voorzien van een rijk en levendig bladmotief, en ook de zijkanten van de traptreden waren gedecoreerd met een klein floraal reliëf. De bebaarde mannenkopjes op de balustrade waren waarschijnlijk werk van Raverti"s eigen hand. Het type kopje komt erg veel voor in Venetië, en is dus geen element dat is toe te schrijven aan Raverti"s Milanese fantasie. De trap eindigde op een plateau voor een deur met een imposante omlijsting in natuursteen. De oorspronkelijke trap heeft Meduna zoals reeds gezegd in 1847 afgebroken, en vervangen door een soortgelijk exemplaar met als voorbeeld de trap in palazzo Contarini.

Naast de trap wordt de tuin opgeluisterd door de gebeeldhouwde waterput. Deze is gemaakt uit één stuk Veronese rode brocatello-steen. Het water in de put is niet afkomstig van een natuurlijke bron, dat is immers in Venetië onmogelijk. Onder de put is een cisterne aangelegd, waarin het regenwater werd opgevangen. Dit water was afkomstig uit de dakgoten en andere afvoerkanalen die met pijpleidingen het water naar de cisterne voerden. De eerste voorbeelden van dergelijke putten zijn vierkant en voorzien van erg houterige reliëfs met personen onder arcades. Het werk van Bon dat op de binnenplaats van het Ca d"Oro te bewonderen is, is veel naturalistischer dan deze vroege putten. Op de zijkanten zijn Fortitudo, Caritas en Justitia te zien, omringd door een levendig gebladerte. De put is in een vroeg stadium van de bouw van het palazzo (1427) ter plekke gemaakt. De locatie van vervaardiging is logisch, omdat het erg veel risico"s met zich mee zou brengen om een twee ton wegend gebeeldhouwd blok steen te verschepen. De kans op beschadiging is op die manier te groot. Het tijdstip waarop de put gemaakt is, is minder logisch; hij moet bijzonder in de weg gestaan hebben bij het bouwen van de rest van het palazzo. Een mogelijke verklaring voor deze beslissing is wederom de amateuristische instelling van Contarini die zijn invallen direct verwezenlijkt wilde zien in zijn palazzo. Weer een andere blijk van zijn gebrek aan ervaring is het feit dat de grote constructie voor een groot deel voltooid was terwijl de bouw van de gevel nog in de beginfase stond. Dit had weliswaar het voordeel dat bouwmaterialen gemakkelijk naar binnen gedragen konden worden, maar zorgde ook voor een sterke incongruentie tussen ruimteverdeling en de gevel.

Van de hoofdfaçade aan de waterkant zijn eerst de afzonderlijke onderdelen vervaardigd alvorens het geheel in elkaar gezet is. De losse delen werden niet op de bouwplaats gemaakt, maar in de "botteghe" van de bouwmeesters in de periode 1435- 1429.
In de gevel komen de afzonderlijke staaltjes vakmanschap van geheel verschillende professionele werklieden aan het licht, verzameld door de bouwwoede van Marin Contarini.

In de eerste bouwlaag zijn aan de gesloten oostkant van de gevel unieke vensters te zien, die bij de formele beschrijving al uitgebreid aan bod zijn gekomen. Deze bouwlaag is erg eenvoudig in vergelijking met de andere. De middelste van de 5 bogen die de riva met het water verbinden vertoont een opvallende gelijkenis met die van het Ca da Mosto, een parallel die in de literatuur voortdurend getrokken wordt. De vier kapitelen die de zuilen bekronen zijn afkomstig van het oude palazzo dat op de plaats van het huidige stond. Zij werden in 1426 door Bon aangepast om goed aan te sluiten op de ribben van de bogen die in hetzelfde jaar gemaakt zijn.

De losse vensters in de 2e en 3e bouwlaag zijn opvallend genoeg niet identiek. Een venster in de 2e bouwlaag is duidelijk minder uitgewerkt dan de rest, en dit venster is ook beduidend smaller. Goy neemt aan dat dit venster het eerst gemaakt is, en dat het Contarini niet beviel, althans niet genoeg om de andere vensters identiek te maken. Deze vensters zijn gemaakt naar een ontwerp van Bon dat hij schetste in 1428.

De loggia op de 2e bouwlaag is het werk van Raverti. Hij werkte eraan in de periode 1425-1426. Hij ging zelf naar Istrië om steen te gaan kopen en vervaardigde een van de kapitelen met eigen hand als voorbeeld voor Romanello, aan wie de rest als opdracht gegeven werd. De loggia heeft zes lichten, die voorzien zijn van traceerwerk in vierpasvorm. Aan de uiteinden zijn halve vierpassen geplaatst; een oplossing die men eerder bij het palazzo ducale niet aandurfde vanwege het gewicht dat het traceerwerk moest dragen. In het palazzo ducale is ook gekozen voor een zwaardere lijst aan de bovenzijde, die het geheel een ernstiger voorkomen geeft dan in het Ca d"Oro het geval is. De relatie tussen de loggia op de 2e bouwlaag en de vijf bogen eronder is complex. Omdat het aantal openingen niet correspondeert, moest de bouwmeester een oplossing bedenken die het gewicht voldoende verdeelde en de gevel ook een gedistingeerd uiterlijk gaf. Hij heeft daarom de loggia zes openingen gegeven, die op een ritmische manier een contrast vormen met de vijf eronder. Achter de vijf bogen is een scherm met vier lichten gemaakt, naar een ontwerp van Contarini zelf. Het is een van de weinige aanwijzingen die in de documentatie voorkomt waar gerept wordt van tekeningen van zijn hand. De zuilen doen wat iel aan, en missen de zelfverzekerdheid van Bon.
In de zijgevel is een natuurstenen plaat geplaatst met een venster erin dat bestaat uit vier lichten. Het doet denken aan het palazzo Morosini, en uit de overgeleverde documenten blijkt dat Contarini die gelijkenis ook daadwerkelijk beoogde. Ook de balkons moest Raverti maken zoals die in het palazzo Morosini.
De tweede loggia heeft net als de loggia in de tweede bouwlaag zes lichten, een gelijk aantal zuilen en een rechthoekige natuurstenen plaat als omlijsting. De tracering is echter volledig anders van karakter. Dit verschil was mogelijk door de lichtere constructie van de bovenste etage; er rust nauwelijks gewicht op de tracering, waar door kantachtige elegantie niet onmiddellijk instortingsgevaar impliceert. Deze tracering is ondanks het succes in dit palazzo weinig nagevolgd; palazzo Foscari is nagenoeg het enige voorbeeld.

In 1429 werd een nieuwe bouwmeester aangesteld, genaamd Cristofolo. Hij werd (zelfs in verhouding met de andere bouwmeesters in dienst van Contarini) zeer goed betaald, en werkte dan ook snel en vakkundig. Voor hij echter aan het optrekken van de gevel kon beginnen, moest allereerst de bodem verstevigd worden met heipalen. De eerste lading van deze zogeheten "tolpi" werd in 1426 besteld, en er werden uiteindelijk 2526 palen geleverd, waarvan ook een deel bestemd was om in de dakconstructie verwerkt te worden.

Het ijzerwerk waarvoor weer een andere specialist was aangesteld was nodig voor de venstertralies in de eerste bouwlaag, en in de versteviging van de constructie bij kwetsbare punten als overwelvingen en de punten waarop de gevel met de rest van het huis verbonden is. De vloerbalken spelen een essentiële rol in die verbinding, en men probeerde dan ook de bouw van de gevel en het leggen van de balkenlagen zo veel mogelijk parallel te laten lopen. De meester die zich bezighield met alle vormen van houtconstructies was de Venetiaan Zuan Rosso. Hij was ook verantwoordelijk voor een evenwichtige spreiding van het gewicht van de gehele constructie, zodat niet het zwaartepunt op de muren kwam te liggen. Het gewicht moest over de breedte van de balkenlagen zo veel mogelijk gelijk zijn, wilde het palazzo niet inzakken. De vloer zelf bestond dus uit deze balkenlagen, die werden behandeld door een terazier. Hij maakte een mengsel van stukjes natuursteen, baksteen, gruis, metselspecie en lijnzaadolie waarmee hij de balken impregneerde. Deze betonachtige massa werd vervolgens geschuurd en glad gepolijst. De kleur van het gruis bepaalde de kleur van de vloer, en Marin gaf maar liefst twee keer de opdracht het liggende terrazzo er uit te halen en het opnieuw te leggen, waarschijnlijk omdat de kleur hem niet aanstond. Nog een andere specialist die zich bezighield met de afwerking van het palazzo was de intaiador; de houtsnijder die de plafondbalken van gesneden reliëfs voorzag.

Het laatste werk dat door de werkplaats van Bon aan het Ca d"Oro verricht is, is de kroonlijst en de daarmee samenhangende decoratie van de dakrand. Het ontwerp is van Contarini"s hand. De traditionele Venetiaanse wijze om een dakrand af te werken was een serie stenen kordelen met een kroonlijst erop te plaatsen aan de top van de façade. De kroonlijst diende als feestelijke afsluiting van de gevel, en als goot voor regenwater. De blinde arcade waarin het Ca d"Oro voor gekozen is, is een thema dat afkomstig is uit de Romaanse sacraalbouw. De SS. Giovanni e Paolo is bijvoorbeeld voorzien van een dergelijke blinde arcade. Voor een woonhuis was deze arcade allerminst gebruikelijk. De feestelijke "merlatura" die boven deze arcade geplaatst is komt wel vaak bij palazzi voor; het palazzo ducale en de Fondaco dei Turchi zijn sprekende voorbeelden.

De gedraaide zuilen op de hoek van het palazzo worden bekroond door kapitelen met plantmotieven, die nog van het oude palazzo zijn overgenomen. Bon werkte ze in opdracht van Contarini bij totdat ze pasten bij de gehele aankleding van de gevel.

De laatste bouwmeester die Contarini aanstelde voor de voltooiing van zijn palazzo was Martini. Hij kreeg zijn contract in 1431. Zijn taak bestond uit de afwerking van de gevel met marmer, het pleisterwerk aan de binnenzijde van het palazzo en de hoge drempels aan de waterzijde van het palazzo. Contarini hechtte daar veel waarde aan vanwege de recente overstromingen die de stad geteisterd hadden en die in veel magazijnen aanzienlijke schade toegebracht hadden.

Het decoratieprogramma voor de gevel werd in 1431 door Contarini gedetailleerd opgetekend. Hij wilde bladgoud op de merlatura, de gebeeldhouwde strengen onder de blinde arcade, op de leeuwen, de cirkelvormige decoratieve elementen en de fioroni die de vensteromlijstingen bekroonden. Verder moest natuurlijk het familiewapen rijkelijk van goud voorzien worden, evenals het vlak waarop het wapen geplaatst was. Het allerfijnste ultramarijn was bestemd voor het wapenschild dat de leeuwen in hun klauwen dragen, de strepen op het wapen van de Contarini en de grote kapitelen aan de zijkanten van de gevel. De overige elementen die nog ongekleurd waren, moesten geaccentueerd worden; de rode Veronese steen moest worden opgehaald met rode lak en olie, de witte Istrische steen moest met loodwit ingewreven worden en de achtergronden ervan benadrukt met zwarte olieverf. Dat laatste gold ook voor de bas-reliëfs. De invulling van de vlakken aan de porta aan de straatzijde moest op soortgelijke wijze gebeuren, waarbij wederom de nadruk lag op het goud en blauwe familiewapen. Verdere decoratie, niet in kleur maar wel in beeldhouwwerk, werd verricht door Rosso, en wel aan de vensteromlijstingen aan de tuinzijde en de schouwen in het interieur.

De echte afwerking van het palazzo werd overgelaten aan de glazenmakers. Glas was goedkoop in Venetië gezien de bloeiende glasproductie in Murano, en alle vensters, inclusief de openingen in de logge, werden voor zien van ronde glasschijven in een loden rand.

{mospagebreak}
Conclusie
Aan het schitterende palazzo dat nog altijd te bewonderen is aan het Canal Grande is lange tijd gewerkt. De opdrachtgever Marin Contarini heeft zich veel moeite getroost om op de plaats van het oude palazzo dat via de familie van zijn vrouw in zijn bezit gekomen was een nieuw paleis te bouwen. Dit moest zijn voorganger in schoonheid verre overtreffen, en men kan wel stellen dat hij in die opzet geslaagd is. Om dit resultaat te bereiken heeft Marin Contarini vele verschillenden bouwmeesters in dienst genomen uit de meest verschillende gebieden. Hij hield de vorderingen van de bouw persoonlijk en nauwlettend in de gaten en verzekerde dat zijn ideeën ook daadwerkelijk terug te vinden waren in het palazzo. Hij pleegde niet alleen overleg met de bouwmeesters Bon en Raverti, maar betaalde ook de arbeiders zelf hun loon uit. De bouwmaterialen liet hij zelf door bevriende kooplieden aanleveren, waardoor hij ook daar de grootst mogelijke zekerheid had dat alles in orde zou zijn. Uit zijn wijze van leiding geven blijkt een verregaande betrokkenheid bij de bouw en een amateuristische enthousiasme. Dat deze onprofessionele bemoeienis soms ook minder geslaagde situaties opleverde blijkt uit het niveauverschil in de vloeren op de piani nobili, de klachten over omslachtigheid in de bouwdocumenten en de incongruentie tussen gevelgeleding en de ruimteverdeling in het interieur. Ondanks deze minpunten kan het palazzo met recht Ca d" Oro genoemd worden.
Bericht geplaatst in: artikel