ENGELBRECHT OF HENDRIK

Geplaatst op 1 januari 2005 door Bernard Vermet
Verreweg het belangrijkste praalgraf in de Grote Kerk te Breda is voor Engelbrecht II. In de kelder onder het praalgraf ligt echter niet Engelbrecht, maar Hendrik zelf begraven...
Vanaf 1 oktober 2004 is in de Grote Kerk te Breda de tentoonstelling ‘Pronk en Praal, uitingen van Dynastiek zelfbewustzijn; de Oranje Nassau’s in de Grote Kerk van Breda’ te zien. De tentoonstelling vormt één van de activiteiten rond de viering van 600 Jaar Nassau’s in Breda en concentreert zich rond de graven in de kerk. Verreweg het belangrijkste daarvan is het praalgraf voor Engelbrecht II (1451-1504) dat in opdracht van diens neef en opvolger, Hendrik III (1483-1538), tussen 1531 en 1538 werd vervaardigd. In de kelder onder het praalgraf ligt echter niet Engelbrecht, maar Hendrik zelf begraven. Dat dit niet de enige mogelijke verwarring tussen beiden is, moge blijken uit het volgende.

In 1527 beschreef Antonio de Beatis, secretaris van Kardinaal Louis de Aragon, een schilderij dat hij had gezien in het paleis van de Nassau’s in Brussel. Professor J.K Steppe herkende in de beschrijving de ‘Tuin de Lusten’ van Jheronimus Bosch (ca. 1450-1515). Hij publiceerde zijn vondst in 1962 en nogmaals, met vele aanvullingen, in 1967 (J.K. Steppe, ‘Problemen betreffende het werk van Hieronymus Bosch’, Jaarboek van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 24, 1962, pp. 166-167 en J.K. Steppe, ‘Jheronimus Bosch. Bijdrage tot de historische en ikonografische studie van zijn werk’, Jheronimus Bosch. Bijdragen bij gelelgenheid van de herdenkingstentoonstelling te ’s-Hertogenbosch, ’s-Hertogenbosch 1967, pp. 7-12, 28-30.). Sindsdien wordt er gespeculeerd over de mogelijke opdrachtgever van dit uitzonderlijke drieluik.

Wanneer we de door Fraenger en diens vele navolgers geïntroduceerde ketterse naaktlopers, alchemistische broederschappen en andere wazige esoterische typen buiten beschouwing laten, dan gelden Engelbrecht II en Hendrik III sinds de publicaties van Steppe als de belangrijkste kandidaten. Tot nu toe heeft men daarbij vrijwel zonder uitzondering de voorkeur gegeven aan Hendrik, voornamelijk omdat de meeste kunsthistorici, vanaf De Tolnay in 1937, het schilderij dateren tussen 1505 en 1510 (Ch. De Tolnay, Hieronymus Bosch, Basel 1937.). In 2001 heb ik echter, eerst nog schoorvoetend, maar inmiddels uit volle overtuiging, het werk als (relatief) jeugdwerk omschreven (B.M. Vermet, ‘Jheronimus Bosch: schilder, atelier of stijl?’, Jheronimus Bosch, Rotterdam/Gent/Amsterdam 2001, pp. 84-99 en B.M. Vermet, ‘’Jeronimus Bosch: Thoughts about style and Chronology’, bijdrage aan het symposium bij de tentoonstelling ‘Low Sky, wide horizon: Art of the Low Countries in Estonia’, 18 september 2004.). Daarvoor zijn vele stilistische argumenten te geven. Op deze plaats echter wil ik er daar wat meer historische aan toevoegen.

In zijn in 2002 gepubliceerde boek over de “Tuin der Lusten” somt Hans Belting nog eens de meest gangbare argumenten op om het werk met Hendrik in verband te brengen (Hans Belting, Garden of Delights, München/Berlijn/Londen/New York, 2002.). Hij beschrijft het drieluik als het mogelijke resultaat van de artistieke rivaliteit tussen Philips de Schone en Hendrik III. Beiden verbleven in 1504 te ’s-Hertogenbosch. Philips bestelde, waarschijnlijk bij die gelegenheid, maar in ieder geval in 1504 een ‘Laatste Oordeel’ bij Bosch, waarna Hendrik mogelijk zijn broodheer zou hebben willen overtreffen met zijn bestelling van de ‘Tuin der Lusten’ (Belting, op.cit. (n.19), pp. 74 en 86.).

Bovendien plaatst Belting de Tuin binnen het klimaat van de ontdekkingsreizen en de daaruit voortvloeiende belangstelling voor exotica. Hij haalt de door Dürer in 1521 te Brussel bewonderde trofeeën uit de Nieuwe Wereld aan, maar voegt daar wel eerlijkheidshalve aan toe dat ‘Bosch zelf nog geen informatie had over dat gedeelte van de wereld om op terug te vallen bij het schilderen van de ‘Tuin der Lusten’(Ibid., p. 27.). Wat dat betreft is er dus geen dwingende reden voor een datering na 1492, terwijl ook ‘het klimaat van de ontdekkingsreizen en de daaruit voortvloeiende belangstelling voor exotica’ niet specifiek van pas van na dat jaar dateren.

Veeleer kan men daarbij denken aan de tijd van de Portugese prins Hendrik de Zeevaarder (1394-1460), de grote man achter de talrijke expedities die vanaf 1418 steeds verder zuid waards de Afrikaanse kunst verkenden. Typerend genoeg is een van de weinige met enige zekerheid te identificeren visuele bronnen die Bosch gebruikte een prent van Martin Schongauer van rond 1475 met daarop een van de Kanarische eilanden afkomstige drakenboom. (De andere twee zijn trouwens een giraf uit een verslag van een reis naar Egypte door Cyriacus da Ancona in 1442 en een griffioen - niet bestaand, maar daarom niet minder exotisch - uit een andere prent van Martin Schongauer, ook van voor 1480).

Verder gaat Belting in op het hoge milieu waarbinnen de Tuin moet zijn ontstaan en op het karakter van de mogelijke opdrachtgever: ‘Such an unconventional work could only have been negotiated in close cooperation with a congenial patron of considerable confidence’(Ibid., p. 71.).
Deze omschrijving past zowel Engelbrecht II als Hendrik III, maar Belting geeft de voorkeur aan de laatste: Engelbrecht was weliswaar nauw bevriend met Philips, maar dat gold, volgens Belting, in nog sterker mate voor Hendrik, die bovendien Philips’ leeftijdgenoot was en hem al voor 1504 op reizen begeleidde. Daarnaast beschrijft Belting Hendrik als een groot kunstmecenas, met een voorkeur voor renaissancistisch naakt, en als een man met een hang naar plezier en vermaak, die voor zijn Brusselse paleis een enorm bed voor 50 personen voor zijn dronken gasten ‘bestelde’ [sic]. ‘What he lacked in piety, he certainly made up for in artistic interest and this must be taken into account in interpreting Bosch’ painting’(Ibid., p. 73.).

Wat Belting echter opmerkt over Hendrik, geldt evenzeer, en op cruciale onderdelen zelfs sterker voor Engelbrecht. Ook Engelbrecht was een kunstmecenas. Rond 1480 begon hij de luisterrijke verbouwing van het Brusselse Nassaupaleis en vele van de aldaar aanwezige en door De Beatis en anderen beschreven kunstwerken moeten er al door hem zijn binnengebracht. Daaronder waarschijnlijk ook het topstuk van de collectie, het ‘Altaar van de Zeven Sacramenten’ van de reeds in 1482(!) overleden Hugo van der Goes.
Vast staat verder dat Engelbrecht een groot liefhebber was van de miniatuurkunst (Zie: Dr. S.A. Vosters, ‘De bibliotheek van Engelbrecht II van Nassau’, Oranjeboom XLVI (1993), pp. 25-63 en: A.S. Korteweg, Boeken van Oranje-Nassau. De bibliotheek van de graven van Nassau en prinsen van Oranje in de vijftiende en zestiende eeuw, tent. cat. Den Haag 1998). Het rond 1478-1480 in zijn opdracht door Nicolas Spierinc (kopiist) en de Meester van Maria van Bourgondië (verluchter) vervaardigde Getijdenboek van Engelbrecht II geldt als een absoluut hoogtepunt van de Vlaamse kalligrafeer- en miniatuurschilderkunst (Oxford, Bodleian Library, Douce 219-220.). Aan het begin van de jaren 1490 schonk Engelbrecht het getijdenboek aan Philips de Schone, voor of na welke gelegenheid het werk nieuwe, spectaculaire strooiranden kreeg.
In diezelfde jaren 1490 liet Engelbrecht te Brugge een vrijwel even beroemde Roman de la Rose vervaardigen, met niet minder dan 90 grote miniaturen van de zogenaamde ‘Meester van de Getijdenboeken van rond 1500’ , die volgens Anne Korteweg op grond van dit unieke werk de ‘Meester van Engelbrecht van Nassau’ genoemd zou moeten worden (Londen, British Library, Harley 4425.). De ‘Roman de la Rose’ geldt als het hoogtepunt van de hoofse literatuur en de symboliek ervan is nauw verwant aan die van de ‘Tuin der Lusten’/. In de woorden van Paul Vandenbroeck: “Het handelt over het onderscheid tussen het echte, hemelse paradijs en het onechte liefdesparadijs waarin lust de plaats van het hoogste mysterie inneemt”( Paul Vandenbrouck, Jheronimus Bosch; de verlossing van de Wereld, Gent-Amsterdam 2003, p. 84.). Dat juist Engelbrecht zo’n uitzonderlijk rijk en fraai exemplaar liet vervaardigen stemt bemoedigend voor wie in hem de opdrachtgever van de ‘Tuin der Lusten’ wil zien.

Voor wat betreft het gedrag van Hendrik III haalt Belting, net als anderen voor hem, weer eens het fameuze bed voor 50 personen aan als blijk van Hendriks frivole levenswandel. Daarnaast citeert Belting een brief van Hendrik, waarin deze wenste dat zijn (derde) bruid wat knapper en hijzelf wat jonger was. Het bed kan echter evengoed al door Engelbrecht verworven zijn, terwijl de brief wel erg braaf afsteekt tegenover datgene wat er over Engelbrecht is opgetekend:
Op niet minder dan drie achtereenvolgende kapittels van het Gulden Vlies werd Engelbrecht II berispt vanwege zijn onzedelijk gedrag . In mei 1478, bij het 13de kapittel te Brugge, werd zijn gedrag laakbaar genoemd vanwege de losbandigheid van zeden (‘fort dissolu dans ses mœurs’) (Baron De Reiffenberg, Histoire de l’ordre de la Toison d’Or, Brussel 1830, p. 93.). In 1481, op het 14de kapittel te ’s-Hertogenboch(!!), werd Engelbrecht opnieuw berispt voor zijn ongeregelde zeden (‘déréglement des mœurs’)( Ibid., p. 108.). In 1491 tenslotte, op het 15de kapittel te Mechelen, ging men zelfs zo ver hem te dreigen met een (symbolische) boete van 50 gulden, indien hij andermaal zou volharden in dezelfde fouten en niet zou ophouden zich zo mateloos over te geven aan de vrouwen (‘cesser de s’adonner aux femmes’)( Ibid., p. 195.). Weliswaar relativeerde de latere chroniqueur van de orde, de Prince de Ligne, de zaak door er op te wijzen dat dezelfde verwijten aan het gros van de aanwezige edelen zou kunnen worden gemaakt, maar het feit blijft dat ze juist en (vrijwel) alleen aan Engelbrecht werden gemaakt (Ibid., p. 195, n. 1.). Zelfs voor dit vrijgevochten en promiscue milieu moeten zijn gedrag en levensstijl uitzonderlijk zijn geweest. En is dat nu niet juist het soort gedrag dat Belting en anderen zoeken bij Hendrik III als potentiële opdrachtgever van de ‘Tuin der Lusten’?

Kijken we tenslotte naar Bosch zelf: In 1504, bij het bezoek van Philips en Hendrik aan ‘s-Hertogenbosch, was hij een man op gevorderde leeftijd, een vermaard schilder, die zelfverzekerd zijn werken met zijn eigen naam signeerde, en een vooraanstaand burger – een Gezworen Broeder zelfs - met een groot maatschappelijk aanzien. In 1481 daarentegen, bij het bezoek van Engelbrecht aan ‘s-Hertogenbosch, en in de jaren daarop, was hij nog relatief jong, nauwelijks bekend en nog vrij van vele van zijn latere sociale verplichtingen. Zou ook zo’n vergelijking niet eerder pleiten voor een vroege datering van de (ongesigneerde!) ‘Tuin der Lusten’?( Zie/hoor J. Brel, Les Bourgeois.)

Wil men het ontstaan van de ‘Tuin der Lusten’ graag koppelen aan een specifieke gebeurtenis, dan komt niet het bezoek van Hendrik III aan ’s-Hertogenoch in 1504, maar dat van Engelbrecht II in 1481 daarvoor het meest in aanmerking (Overigens zullen beiden wel vaker de stad hebben bezocht en kunnen zij op menig ander moment of andere plaat met Bosch en/of diens werk in contact zijn gekomen.).


Bovenstaand betoog heeft uiteraard alleen waarde als ontkrachting van argumenten tegen een vroege datering in een betoog dat zelf de argumenten voor zo’n datering aandraagt. Het is dan ook eigenlijk het door tijdgebrek geschrapte middengedeelte van een veel langer recent referaat (Zie noot 3.). Desondanks leek het mij in deze vorm wellicht toch nog aardig genoeg om hier te plaatsen.
Bericht geplaatst in: artikel