DE AMERIKAANSE MISSIE IN IRAK: EEN TWEEDE VIETNAM?

Geplaatst op 5 maart 2006 door Frank Heinen
In hoeverre vertoont de Tweede Golfoorlog in Irak gemeenschappelijke kenmerken met het Amerikanse debacle in Vietnam?
Amerikaanse troepen trekken in Bagdad het standbeeld van Saddam omverTijdens de eerste fase van de Amerikaanse invasie van Irak leek de actie militair op een groot succes uit te draaien. De troepen van Saddam Hoessein werden snel verslagen en de Amerikanen rukten binnen no- time op naar de hoofdstad Bagdad. De overwinning was compleet en de opbouw van een nieuw en democratisch Irak kon beginnen. De jubelstemming werd nog uitbundiger toen een paar maanden later Saddam opgevist werd uit zijn schuilkelder. De gevangenneming van Saddam symboliseerde het definitieve einde van diens tirannieke regime en onderstreepte dat Irak met hulp van de Verenigde Staten definitief het democratische pad had gekozen.

Achteraf blijkt echter dat er te vroeg gejuicht is en dat de geest van Saddam en zijn gelijkgezinden nog wel degelijk voortleeft. De huidige Irakese regering wordt door het soennitische deel van de bevolking beschouwd als een marionettenregering die danst naar de pijpen van de Verenigde Staten. Met gewapende overvallen en zelfmoordaanslagen proberen ze de regering ten val te brengen en de buitenlandse troepenmachten het land uit te krijgen. Duizenden Irakese burgers en Amerikaanse soldaten zijn inmiddels al gesneuveld en het lijkt er vooralsnog niet op dat de negatieve spiraal van geweld op korte termijn doorbroken gaat worden.

Veel mensen stellen zich inmiddels de vraag of de Tweede Golfoorlog niet dreigt uit te lopen op een tweede Vietnam en betwijfelen of het überhaupt wel realistisch is om te verwachten dat Irak op korte termijn een moderne staat met een zuiver democratische regeringsvorm kan worden.

De oorlog in Vietnam staat te boek als een van de zwartste bladzijden uit de Amerikaanse militaire geschiedenis. Nadat de Fransen hun kolonie Indochina (het moderne Vietnam) in 1954 definitief opgegeven hadden, probeerden de Amerikanen invloed te houden op de toekomstige politieke koers die het land zou gaan varen.

Men vreesde vooral dat Ho Chi Minh en zijn volgelingen de macht zouden overnemen en een communistisch regime met sterke anti- westerse gevoelens zouden installeren. Aanvankelijk bleef de inmenging van de Verenigde Staten vooral beperkt tot het verlenen van steun aan niet- communistische tegenregeringen in Zuid- Vietnam. Tot 1955 steunden de Amerikanen de regering onder leiding van keizer Bao Dai, maar omdat die niet serieus genomen werd door de meeste Vietnamezen werd Dai in 1955 vervangen door Ngo Dinh Diem.

Men verwachtte dat Diem op meer steun van het volk kon rekenen en op die manier in staat zou zijn om een betere basis te creëren voor een Zuid- Vietnamese tegenregering die een rem zou vormen op de communistische expansie vanuit het Noorden.

De financiële en militaire steun die de Amerikaanse regering aan Zuid- Vietnam verleende, zou met de jaren echter gestaag toenemen. John F. Kennedy wees een plan van de minister van defensie Robert McNamara om 220,000 troepen naar Vietnam te sturen aanvankelijk nog van de hand, maar tijdens de ambtstermijn van president Lyndon B. Johnson (1963-1968) nam de Amerikaanse steun echt serieuze vormen aan en escaleerde het conflict in Vietnam.

{mospagebreak}Grootschalige bombardementen en een uitbreiding van de Amerikaanse troepenmacht naar ruim 500,000 manschappen waren de belangrijkste speerpunten van het beleid van Johnson. Tot succes zouden deze maatregelen echter niet leiden en ook Johnson’s opvolger Richard Nixon slaagde er ondanks een intensivering van de bombardementen niet in om het tij ten gunste van de Amerikanen te keren. Uiteindelijk zagen de Amerikanen in dat de militaire operatie in Vietnam een heilloze onderneming was en besloot de regering alle troepen uit Vietnam terug te halen.

Voor het mislukken van de Amerikaanse operatie is een aantal oorzaken aan te wijzen. Allereerst leverde de manier waarop de oorlog gevochten werd grote voordelen op voor de Vietcong. De oorlog in Vietnam was namelijk een guerrillaoorlog en omdat het landschap het voeren van een conventionele oorlog niet toeliet, konden de Amerikanen de technologische superioriteit waarover ze op militair gebied beschikten niet uitbuiten. Terreinkennis was eerder een doorslaggevende factor en op dat gebied was de Vietcong natuurlijk duidelijk in het voordeel.

Een tweede belemmerende factor voor de Amerikanen was de instabiele politieke situatie waarin Vietnam verkeerde. Formeel was er in Zuid- Vietnam wel een nationale regering, maar in de praktijk was het politieke landschap sterk versnipperd. Op het platteland zwaaiden lokale warlords en goedgeorganiseerde sekten die beschikten over eigen gewapende milities de scepter. Ze waren niet trouw aan een vaste partij, wat bleek uit het feit dat ze in het verleden zowel de Fransen als de Noord- Vietnamese communisten hadden gesteund, en daarom dus ook geen betrouwbare partner.

Bovendien stuitte het veel Vietnamezen tegen de borst dat de nationale regering geleid werd door de katholiek Diem, terwijl het land overwegend Boeddhistisch was. Na de dood van Diem in 1963 hebben de Amerikanen nog verschillende pogingen gedaan om een stabiele regering te formeren die in staat zou zijn om greep te krijgen op de verschillende etnische en religieuze groeperingen in Zuid- Vietnam. De meeste regeerders hadden echter te weinig bestuurlijke ervaring en waren niet of nauwelijks vertrouwd met de democratische grondbeginselen die de Amerikaanse regering in Vietnam terug wilde zien.

Een derde oorzaak voor de uiteindelijke mislukking van de campagne in Vietnam was de tweeslachtige houding van de Amerikaanse regering die de totstandkoming van een duidelijke, eenduidige strategie in de weg stond. De militaire leiders vonden dat alleen een agressieve campagne tot succes kon leiden, terwijl de functionarissen in Washington lange tijd bleven twijfelen tussen een volledige escalatie van de oorlog en een politiek van gematigd ingrijpen.
Dit hield in de praktijk in dat de troepenmacht in Vietnam werd uitgebreid, maar dat er tegelijkertijd bepaalde restricties vanuit Washington opgelegd werden. Bepaalde doelen, zoals de haven van Haiphong en de wegen in de grensgebieden met Laos en Cambodja, mochten niet gebombardeerd worden, vooral omdat men bang was om op die manier de communistische supermachten China en de Sovjetunie direct bij het conflict te betrekken.

Een vierde oorzaak, die overigens niet direct invloed had op de uitkomst van de oorlog, maar op de lange termijn wel in het nadeel van de Amerikaanse regering werkte, was de afkalvende steun van het congres en de daarmee gepaard gaande aversie van de bevolking tegen de oorlog.

In hoeverre vertoont de tweede golfoorlog in Irak dan nu gemeenschappelijke kenmerken met het debacle in Vietnam?
{mospagebreak}Puur militair gezien verschilt het verloop van de oorlog in Irak natuurlijk sterk van het scenario in Vietnam. De troepen van Saddam werden relatief snel verslagen, de hoofdstad werd snel ingenomen en de grote boze dictator zelf zit inmiddels al geruime tijd achter slot en grendel. Er zijn echter ook veel overeenkomsten.

Ook in Irak slagen de Amerikanen er niet in om een regering te formeren die kan rekenen op de brede steun van alle religieuze en maatschappelijke groeperingen in het land. De huidige regering kan rekenen op de steun van een groot deel van de sjiieten, maar wordt niet geaccepteerd door het soennitische deel van de bevolking.

Zij zien de Irakese bestuurders die momenteel het land leiden toch vooral als een stel marionetten die dansen naar de pijpen van de ’Amerikaanse bezetter’. Lokale warlords, vaak aanhangers van Saddam die tijdens diens regime een belangrijke politieke of militaire functie bekleedden, leiden het verzet en proberen met onconventionele methodes (zelfmoordaanslagen, liquidaties) het gezag van de Irakese regering en het Amerikaanse leger te ondermijnen. Voorlopig zijn er in Irak natuurlijk nog lang niet zo veel Amerikaanse soldaten gesneuveld dan destijds in Vietnam, maar het dodental loopt gestaag op en langzaam maar zeker kan de oorlog op steeds minder steun van de Amerikaanse bevolking rekenen.
De belangrijkste fout die de Amerikanen zowel in Vietnam als ook in Irak hebben gemaakt, komt voort uit de typisch Amerikaanse gedachte dat democratie een exportproduct is. Deze overtuiging wordt door de meeste Amerikaanse politici gedeeld en heeft eigenlijk altijd al grotendeels de koers die door het land gevaren wordt op het gebied van de buitenlandse politiek bepaald.

De Amerikaanse overtuiging dat democratie maakbaar en importeerbaar is, valt direct terug te voeren op de ontstaansgeschiedenis van het land. De eerste kolonisten slaagden er namelijk in om vanuit het niets een moderne natiestaat te creëren die de grondbeginselen van de moderne democratie omarmde. Dat de rechten van de oorspronkelijke bewoners van Noord- Amerika met voeten getreden werden, blijft meestal met de mantel van het zwijgen bedekt.
Maar het idee van democratie als importproduct gaat in de praktijk meestal niet op. Democratisering is een geleidelijk proces en de totstandkoming van een moderne democratische natiestaat neemt vele jaren, soms zelfs eeuwen in beslag.

In Europa heeft het ook tot de tweede helft van de twintigste eeuw geduurd voordat de ergste uitwassen van het absolutisme nagenoeg uitgeroeid waren en de parlementaire democratie algemeen geaccepteerd werd als de ideale staatsvorm.Om een democratie tot volle wasdom te laten komen is het nodig dat vrijwel alle groepen binnen de samenleving, ook als ze tegengestelde belangen hebben, de dialoog met elkaar aangaan en een politiek systeem in het leven roepen dat gebaseerd is op representatie en de volkswil van de burgers enigszins respecteert.

En dat is nu juist het probleem in Irak en was ook het probleem in Vietnam. Het land heeft geen democratische traditie en is daardoor nooit in staat geweest om met de grondbeginselen van een parlementair systeem te experimenteren zoals dat in Europa en de VS in het verleden wel gebeurd is. Het is niet voor niets zo dat Engeland (het land dat het eerste gebruik maakte van vertegenwoordigde organen) de oudste democratie ter wereld is.

In de middeleeuwen en de nieuwe tijd, toen de meeste andere Europese landen nog geregeerd werden door absolutistische vorsten, waren er in Engeland al raden die door de koningen geraadpleegd werden bij het nemen van belangrijke politieke besluiten. Als democratische grondbeginselen in Irak een kans krijgen om zich te ontwikkelen en de rivaliserende groeperingen in het land de dialoog met elkaar aangaan, is een democratische staat op de lange termijn wellicht haalbaar. Het zal alleen een geleidelijk proces zijn dat met veel vallen en opstaan gepaard gaat en veel tijd in beslag zal nemen.

Democratie is iets dat van binnenuit moet groeien en geen kant en klaar product dat met tanks en wapengekletter ingevoerd kan worden.

Bericht geplaatst in: artikel