1848

Geplaatst op 16 maart 2000
Toen in januari 1848 in Palermo een revolutie uitbrak zullen er weinig mensen zijn geweest die vermoedden wat voor een uitwerking deze revolutie zou hebben.

Inleiding
Toen in januari 1848 in Palermo een revolutie uitbrak zullen er weinig mensen zijn geweest die vermoedden wat voor een uitwerking deze revolutie zou hebben. Binnen enkele maanden waren er in bijna alle Europese landen revoluties uitgebroken. Regeringen werden omvergeworpen met een opvallend gemak. In Parijs werd de republiek uitgeroepen en zelfs de Paus moest vluchten. In het Habsburgse Rijk ontstond zelfs een burgeroorlog. Even opvallend aan deze revoluties was de snelheid waarmee ze weer verdwenen waren: na hooguit twee jaar waren alle revolutionaire regeringen verdreven.

De revoluties van 1848 hebben destijds heel wat stof doen opwaaien, maar zelfs nu bestaat er onder historici nog verschil in de visies die er over de revoluties gelden. Zo onderscheidt J. Sperber drie klassieke versies en hangt in zijn boek The European Revolutions, 1848-1851 zelf een moderne vierde versie aan.

De eerste visie is die van de 'Romantische Revolutie'. Er wordt een positief beeld geschetst over de revolutie. De nadruk ligt op de barricadegevechten die zijn ontstaan uit een jeugdig enthousiasme en romantische poëzie. Ook de individuele daden van bijvoorbeeld Garibaldi krijgen veel aandacht. In de tweede visie worden de revoluties afgeschilderd als een complete mislukking. De hoofdpersonen zijn incompetente figuren die er hard vandoor gingen toen het serieus werd. Deze visie staat lijnrecht tegenover de eerste visie. In de derde visie wordt er een contrast gemaakt tussen de gelukte revoluties van 1789 en 1917, en de mislukte revoluties van 1848-1851. Voor dit contrast worden verschillende theorieën gebruikt zoals de Marxistische theorie of sociale theorieën.

De vierde visie heeft een meer structurele benadering dan de voorgaande drie visies. Men kijkt nu ook naar de revolutie op het platteland en men gaat er vanuit dat lokale omstandigheden wel belangrijk zijn. Ook de rol van boeren en arbeiders wordt veel meer belicht. Wel worden er kleine delen uit de voorgaande visies gehaald.

In dit onderzoek zal de revolutie in Italië centraal staan. De revolutie in Italië begon in januari 1848. Aangezien Italië nog geen eenheid was waren er ook veel nationalistische gevoelens bij betrokken. Sommigen wilden onder leiding van de Paus een nationale staat vestigen. Een probleem voor de nationalisten was dat het grootste deel van Noord-Italië (Lombardije en Venetië) provincies waren van het Habsburgse rijk. Dit rijk beheerste tevens het hele Italiaanse schiereiland als zijn invloedssfeer.

Tijdens de revolutie was in Noord-Italië de rol van Carlo Alberto belangrijk. Hij verklaarde de oorlog aan de Habsburgers en toen ze bijna verslagen waren vroeg hij om een wapenstilstand. Hij aarzelde en toen de oorlog weer verder ging was het te laat, want de Habsburgers hadden zich kunnen herstellen en versloegen Carlo Alberto bij Custozza. Voor de Italiaanse eenheid was dit zeer belangrijk, want het noorden kwam nu weer onder Oostenrijks gezag.

In dit onderzoek wil ik de volgende probleemstelling uitwerken: Waarom besloot Carlo Alberto de oorlog aan Oostenrijk te verklaren en stopte hij toen hij vrijwel gewonnen had? Deze probleemstelling zal ik dan uitsplitsen in de volgende deelvragen: Was Carlo Alberto overeenkomstig met visie 2 inderdaad incompetent, zodat zijn zenuwen hem uiteindelijk toch de baas werden? Was een mogelijke Franse interventie in Noord-Italië voor Carlo Alberto een reden om de oorlog te verklaren? Dwong de eigen bevolking (radicalen of vrees voor de radi- calen) Carlo Alberto tot de oorlogsverklaring? Wilde Carlo Alberto via een oorlog tegen Oostenrijk het grondgebied van zijn land vergroten? Waren Carlo Alberto's eigen ideeën voor hem de aanleiding om de oorlog te beginnen? En zette Carlo Alberto de oorlog stop uit angst voor een buitenlands ingrijpen of beoordeelde hij de situatie fout?

{mospagebreak}
1. Noord-Italië en de revolutie van 1848

Italië algemeen
Italië was rond 1848 verdeeld in een aantal onafhankelijke staten en had een bevolking van ongeveer 24 miljoen mensen. Er waren enkele grote staten zoals Savoie-Piemont, de Pauselijke staat, het Koninkrijk van de Twee Siciliën, het hertogdom Parma en Toscane. Het noorden van Italië, Lombardije en Venetië, maakte deel uit van Oostenrijk-Hongarije ofwel van het Habsburgse Rijk. Dit rijk had vrijwel heel Italië in zijn invloedssfeer. Het enige land dat enigszins onder de macht van de Habsburgers uit kon komen was Piemont. Piemont was in tegenstelling tot de zuidelijke Italiaanse landen niet zo erg achtergebleven bij de rest van Europa (Vooral het koninkrijk van de twee Siciliën was zeer onderontwikkeld. Het percentage geletterdheid bijvoorbeeld lag hier op 5-10%, tegen 40-60% in het noorden van Italië). Piemont was ook het enige duidelijke anti-Habsburgse land in Italië en kon zich dat ook veroorloven, want Piemont bezat een van de krachtigste legers van heel Italië. Net als de rest van Italië had Piemont geen parlementaire instellingen. Het land werd absoluut geregeerd door koning Carlo Alberto en bezat geen grondwet. Politieke oppositie was er alleen ondergronds (politieke clubs waren verboden) en had geen daadkracht. De inspanningen van de oppositie kwamen vaak alleen neer op theorieën over de noodzaak van maatschappijhervormingen.

Nationalisme
Italië was verdeeld en dat gaf bij veel politieke groepen het idee dat Italië weer een eenheid zou moeten worden. In 1831/32 was de revolutionaire beweging voor eenheid al mislukt. Dit leidde er alleen toe dat Oostenrijk Italië nog steviger in zijn greep kreeg. In 1843 verscheen een boek van de priester Gioberti, Del primato morale e civile degli italiani (over het morele en politieke primaat van de Italianen) waarin hij een federaal Italië onder voorzitterschap van de paus beschrijft. Een andere auteur die schreef over de eenheid , Balbo, wilde ook een federatie, maar om de liberale toekomst veilig te stellen wilde hij niet dat de paus, maar de vorsten het initiatief zou nemen. Carlo Alberto diende aan het hoofd van zijn leger de Oostenrijkers uit Italië te verdrijven. Deze en andere ideeën tonen aan dat voor 1848 de Italiaanse eenheid al leefde. Het nationalisme kreeg in deze jaren een belangrijke impuls van de anti-Oostenrijkse gevoelens die onder de Italiaanse bevolking leefden. Een andere opleving kwam voort uit het feit dat in 1846 een nieuwe paus gekozen was. Van deze paus, Pius IX verwachtte men veel, omdat hij als liberaal te boek stond. Inderdaad begon hij een serie hervormingen in de Pauselijke staat: voor het eerst het aanstellen van niet-gewijden in het bestuur, verzachten van de censuur, zodat er meer discussie over politieke vragen mogelijk was. Ook was er sprake van een tolverbond met Modena en Toscane. Dit alles maakte hem zeer populair in Italië

Revoluties in Europa
Op 12 januari 1848 brak in Palermo in zuid-Italië de revolutie uit en al snel sloeg de revolutie over naar de andere landen. De revolutie in Parijs, politieke 'hoofdstad' van Europa, die op 22 februari begon zorgde voor een kettingreactie. Overal in Europa braken revoluties uit en regimes werden omvergeworpen. Koning Carlo Alberto wachtte niet tot de gewelddadige revolutionairen zijn gezag omverwierpen, maar gaf toe aan hun liberale eisen. Er kwam een constitutie voor het koninkrijk, verkiezingen voor een parlement en een nieuw bestuur met meer liberale ministers.

In maart 1848 brak in Wenen de revolutie uit. Metternich de Oostenrijkse kanselier vluchtte. Dit had grote gevolgen voor de provincies Lombardije en Venetië. Op 18 maart begon er een demonstratie tegen de Oostenrijkers die uitmondde in een opstand. Na vijf dagen van barricadegevechten moest Radetzky, aanvoerder van de Oostenrijkse troepen in Noord-Italië, Milaan ontvluchten. Ook in Venetië moesten de Oostenrijkers het veld ruimen. De Oostenrijkers trokken zich terug binnen de Quadrilaterale. Dit was een verdedigingsvierhoek die de steden Verona, Peschiera, Mantua en Legnago omvatte. Na deze overwinning op de Oostenrijkers ging er door heel Italië een golf van nationalisme.

{mospagebreak}
2. De oorlog tegen Oostenrijk
In hoofdstuk één is beschreven hoe de revoluties vooral in Lombardije en Venetië grote gevolgen hadden. Deze gebieden waren nu vrij van Oostenrijk, maar als er geen hulp van de andere Italiaanse staten zou komen dan zou het snel gedaan zijn met de onafhankelijkheid. De enige militaire kracht van belang in Italië was die van Carlo Alberto. Er heersten daarom gespannen verwachtingen bij de opstandelingen in Lombardije en Venetië en bij de eigen bevolking over de reactie van Carlo Alberto. Deze aarzelde om hulp te geven en moest gaan afwegen. De punten die voor oorlog stemden, telden zwaar. Carlo Alberto moest rekening houden met de eigen bevolking, die gedurende de vijf dagen van barricadegevechten in Milaan steeds enthousiaster werd en riep om steun aan de opstandelingen. Hij moest rekenen met de sterk anti-Oostenrijkse sentimenten die heersten in zijn land en ook zijn eigen expansionistische ideeën (hij wilde graag een noord-Italiaans koninkrijk onder leiding van Piemont stichten) speelden mee. Als hij niet ingreep in Lombardije, dan kon daar wel eens de republiek uitgeroepen worden en waren zijn kansen verkeken op een noord-Italiaans koninkrijk. Belangrijk voor de komende oorlog was, dat Carlo Alberto geen ideeën had over een Italiaanse eenheid. Als de eenheid er namelijk zou komen dan was het gedaan met zijn macht die dan onder een centraal gezag zou komen te vallen. Dit was bij alle Italiaanse vorsten het geval en een eventuele oorlog voor een Italiaanse eenheid zou dus over het geheel weinig enthousiasme bij de vorsten oproepen. Zijn eigen zoon, hertog van Savoie, drong, evenals andere belangrijke personen (onder andere Cavour) binnen zijn regering, aan op een oorlog tegen Oostenrijk. Er was dus een grote druk op Carlo Alberto om de oorlog aan Oostenrijk te verklaren. Als laatste ging er nog een gerucht dat de radicale elementen, vooral in Venetië, het nieuwe republikeinse regime in Frankrijk te hulp wilden roepen tegen de Oostenrijkers.

Er waren weinig argumenten tegen de oorlog, maar ze wogen wel zwaar. Het Engelse advies om de vrede te bewaren was een tegenvaller, omdat Carlo Alberto gehoopt had op Engelse hulp. Bovendien betekende een oorlogsverklaring aan Oostenrijk een grove schending van de verdragen van 1814/15. Ook wist Carlo Alberto nog niet of de andere Italiaanse vorsten hem wel zouden steunen. Een zeer practisch probleem was dat het leger gemobiliseerd was aan de Franse grens als reactie op de revolutie in Frankrijk.

Na al deze druk had Carlo Alberto geen keus meer. Op 23 maart verklaarde hij Oostenrijk de oorlog en zond een deel van zijn leger naar Lombardije. Daarbij verklarend: "Italia farà da sé," Italië zal het alleen doen. Kennelijk was de angst voor buitenlandse interventie toch groot bij Piemont.

Ondanks deze krachtige uitspraak hoopte Carlo Alberto op buitenlandse steun van vooral Frankrijk en Engeland. Als er buitenlandse steun zou komen, dan zou er misschien helemaal niet met Oostenrijk gevochten hoeven te worden, omdat Oostenrijk zou inzien dat vechten tegen deze overmacht geen zin zou hebben. De Engelse steun bleef vooral bij woorden. De Fransen hadden echter meer sympathie voor de Italiaanse eenheid. De Italiaanse eenheid en een einde aan de Oostenrijkse overheersing in Italië waren al lang buitenlandse politieke doelen van de Franse republikeinen. Het voordeel was, dat als Oostenrijk uit Italië verdreven zou zijn een sterke macht weg was bij de zuidoostgrens van Frankrijk. Daarna zou Frankrijk kunnen proberen het franstalige gedeelte van Savoie terug te krijgen dat hen na 1815 was ontnomen. Er kleefden echter bezwaren aan een Franse interventie. De nieuwe republikeinse leiders in Frankrijk waren zich er heel goed van bewust dat Franse hulp snel kon leiden tot een grote Europese oorlog. Daarom bleef ook de Franse steun beperkt tot diplomatieke protesten.

Piemont had een zeer goed moment gekozen om aan te vallen: de revoluties hadden Europa stevig in hun greep, zodat de regeringen het te druk met zichzelf hadden en geen oog voor Italië hadden. Buitenlands ingrijpen ten behoeve van Oostenrijk was zeker niet aan de orde. Oostenrijk zelf was door de revolutie in Wenen politiek platgelegd (Metternich was gevlucht) en de Hongaarse opstand zorgde ervoor dat het land militair afgeleid was. Uit Italië was steun toegezegd door koning Ferdinand van het koninkrijk der twee Siciliën. De paus aarzelde, maar had onder zware druk van zijn eigen bevolking en de grote hoop die heerste onder de bevolking van de andere staten ook troepen gestuurd. Die troepen waren niet bedoeld om te vechten, maar om morele steun te geven. De paus zat in een moeilijk parket, omdat Oostenrijk ook een katholiek land was. Ook vertrouwde de paus de bedoelingen van Carlo Alberto niet, evenals veel andere Italianen. Zij waren ook op de hoogte van Carlo Alberto's ideeën over zijn noord-Italiaanse staat.

{mospagebreak}
3. De wapenstilstand, waarom?
Aan het begin van de oorlog hadden de Italianen de beste kansen. Toch waren er al voor het daadwerkelijk uitbreken van de oorlog fouten gemaakt. Carlo Alberto probeerde de nationale oorlog te beperken door er een dynastieke oorog van te maken. Het hoofdkwartier van Carlo Alberto was geheel onvoorbereid en had zelfs geen stafkaarten van Lombardije, er was een gebrek aan goed opgeleide officieren voor de reservetroepen, de aanvoerlijnen waren niet goed geregeld, de generaals van Carlo Alberto maakten onderling ruzie en er heerste bij de soldaten uit Piemont een vijandige houding tegenover de vrijwilligers. Tijdens de veldtocht zelf waren er voortdurend verwarringen in communicatie met de hoofdkwartieren in Turijn en Milaan. Deze situatie zorgde voor een aarzelende en halfslachtige veldtocht.

Langzaam trok Carlo Alberto Lombardije in. Het leger ontmoette weinig weerstand, maar verzuimde om de verbindingslijnen van Radetzky af te snijden en de Brennerpas te bezetten, zodat er geen versterkingen uit Oostenrijk konden komen. Het leger probeerde zelfs niet om contact te maken met de pauselijke troepen of de vrijwilligers uit Venetië. De oorlog bleef defensief van opzet in plaats van de vijand definitief te verslaan.

Een eerste tegenslag kwam eind maart. De paus kondigde aan dat hij als leider van de katholieke kerk niet aan de strijd tegen het katholieke Oostenrijk kon deelnemen. De troepen die de paus gezonden had werden teruggetrokken. Hiermee was de hoop dat de paus zou helpen bij de Italiaanse eenheid voorbij. Voor Carlo Alberto was dit een ernstige tegenslag, want het ontbreken van de pauselijke troepen vormde een flink gemis in de oorlog.

Het eerste serieuze treffen vond plaats op 30 april bij Pastrengo. Deze slag werd een overwinning voor Piemont. Carlo Alberto had nu door kunnen zetten, maar er volgden nu drie weken van militaire inactiviteit en de troepen van Carlo Alberto hielden zich bezig met het behouden van de controle over Lombardije en Venetië. Er werden plebiscieten gehouden of Lombardije en Venetië wel of niet zouden samengaan met Piemont. Deze politieke campagnes hadden succes: In mei waren Parma en Modena samengegaan met Piemont, in juni gevolgd door Lombardije en in juli tenslotte Venetië. Daarmee was het noord-Italiaanse koninkrijk een feit geworden.

De contra-revolutie in het Koninkrijk der Twee Siciliën was voor Carlo Alberto een ernstige tegenslag. Het constitutionele bestuur werd op 15 mei afgezet. Toen koning Ferdinand de zaak weer onder controle had trok hij zijn troepen, die al naar het noorden gegaan waren terug. Het leger van Piemont moest de oorlog nu alleen voortzetten, want nu was ook duidelijk geworden dat Frankrijk geen steun zou geven. Alleen was Piemont niet in staat om definitief van de Oostenrijkers te winnen.

Door het wachten van Carlo Alberto had Radetzky zich voor kunnen bereiden en met de versterkingen uit Oostenrijk kon Radetzky in de aanval gaan. Hij versloeg de Toscaanse divisie en hij ontmoette op 29/30 mei Carlo Alberto in de slag bij Goito. In deze slag viel ook Peschiera, een van de vier steden van de Quadrilaterale. Dit was een van de belangrijkste successen tijdens de oorlog, maar hij maakte er geen gebruik van. De beslissende slag in de oorlog begon op 22 juli. De Oostenrijkers vielen met extra versterkingen uit Tirol aan en in de slag bij Custozza werd Piemont verslagen.

Na deze slag moest Carlo Alberto terugtrekken naar Milaan. Het vluchtende leger wist dat het niet in staat zou zijn om Milaan te verdedigen en vroeg om een wapenstilstand. Op negen augustus werd er een wapenstilstand getekend voor zes weken. Piemont had definitief het initiatief en de oorlog verloren. dit artikel

{mospagebreak}
Conclusie
Toen in Wenen de revolutie uitbrak was dit voor de Italiaanse revolutionairen in Lombardije en Venetië de kans om tegen Oostenrijk in opstand te komen. Zonder hulp van andere Italiaanse staten zou de revolutie in Noord-Italië geen stand kunnen houden. Carlo Alberto, koning van Sardinië, had een leger dat Lombardije en Venetië zou kunnen beschermen tegen Oostenrijk. Er ontstond grote druk op Carlo Alberto om een oorlog te verklaren aan Oostenrijk om zo de Italiaanse eenwording tot stand te brengen. Carlo Alberto aarzelde, alhoewel de tijd voor een oorlog gunstig leek, want heel Europa was in de ban van een revolutie en Oostenrijk was intern een chaos. Deze aarzelingen kwamen voort uit het feit dat Carlo Alberto helemaal geen voorstander was van een Italiaanse eenheid. Dit zou ten koste gaan van zijn persoonlijke macht. Wat hij wel wilde was een Noord-Italiaans koninkrijk onder Piemont. Andere vorsten wisten dit ook en waren daarom gereserveerd tegenover Carlo Alberto om hem hulp te geven in een eventuele oorlog tegen Oostenrijk.

De afwijzing van Engeland om Italië te helpen en de wetenschap dat oorlog een schending van de verdragen van 1815 inhield, waren goede redenen om de vrede te bewaren.

De uiteindelijke deelname van Carlo Alberto aan de oorlog was een combinatie van factoren. De oorlog was voor hem inderdaad een poging om zijn koninkrijk uit te breiden. Het samengaan met Lombardije en Venetië vormt daar een voorbeeld van. De grote druk van de bevolking en de vrees voor radicalisering onder het volk bij behoud van vrede, vormde waren aanleiding om de oorlog te verklaren. Ook de mogelijke deelname van Frankrijk aan de oorlog was een drijfveer voor de oorlog (Italia farà da sé). De gedachte was dat als Frankrijk eenmaal een grote macht in Italië zou hebben, de Fransen deze positie zouden willen behouden.

Voor het schrijven van deze scriptie leek het erop dat Carlo Alberto om een wapenstilstand vroeg terwijl hij de oorlog gewonnen had. De oorlog had hij in principe kunnen winnen, maar dit was in het beginstadium van de oorlog toen Radetzky nog militair zwak was. Dit deed Carlo Alberto niet en Radetzky kon zich versterken en terugslaan. Door Piemont was teveel tijd verloren. Toen Carlo Alberto om de wapenstilstand vroeg zag hij in dat de oorlog verloren was: er was geen militaire steun meer van de paus en koning Ferdinand, Oostenrijk was te sterk voor Piemont alleen en de militaire situatie was te zeer verslechterd nu Oostenrijk Milaan in dreigde te nemen. Zoals de zaak er nu voorstond was de wapenstilstand een hele logische beslissing die rationeel was afgewogen.

Van incompetentie zoals visie twee in de inleiding beweerde is er bij Carlo Alberto dus geen sprake. Er zijn zeker fouten gemaakt op sommige achteraf beslissende momenten, maar met bepaalde dingen had hij geen rekening kunnen houden zoals het terugtrekken van de troepen van de paus en Ferdinand. Andere situaties, zoals het lange wachten om Radetzky te verslaan zijn wel te vermijden fouten geweest. Sommige historici, onder andere Van Osta zijn scherper en verwijten Carlo Alberto dat hij de oorlog in 1848 verknoeid had en daarmee de Italiaanse eenheid. Zij leggen het mislukken van de oorlog dan alleen bij Carlo Alberto. Naar mijn mening deze benadering te scherp. Zelfs de Italianen die in 1848 leefden, legden de schuld nog meer bij de paus dan bij Carlo Alberto, omdat Pius IX Piemont in de steek had gelaten.

In ieder geval zou het nog twaalf jaar duren voor de zoon van Carlo Alberto over een noord-Italiaans koninkrijk kon heersen en ditmaal was Italië een staatkundige eenheid.

Bericht geplaatst in: artikel