KARYATIDEN

Geplaatst op 14 april 2000
Onder karyatiden verstaat men tegenwoordig de vrouwelijke draag- en steunfiguren die niet alleen in de architectuur, maar ook in de kleinkunst voorkomen.
Inleiding
Een bijzonder fenomeen in de klassieke bouwkunst vormen de karyatiden. Onder karyatiden verstaat men tegenwoordig de vrouwelijke draag- en steunfiguren die niet alleen in de architectuur, maar ook in de kleinkunst voorkomen. Daarnaast zijn er ook voorbeelden gevonden van steunfiguren in de mannelijke en de dierlijke vorm. Deze vormen komen echter veel minder vaak voor dan hun vrouwelijke tegenhangers. Aan deze twee laatste vormen zal ik daarom alleen aandacht besteden als dit nodig is voor de verklaring van de herkomst van de karyatiden. Van de Griekse atlanten zijn namelijk maar enkele architectonische sculpturen bekend en het onderzoeken van deze speciale vorm heeft voor dit werk daarom geen zin.
 
De eerste archeologische contacten met de architectonische karyatiden kwamen tot stand in de tweede helft van de 19e eeuw bij opgravingen in Tell Halaf, in het oude Tweestromenland. Er werden basalt-fragmenten gevonden van twee mannenfiguren en een vrouwenfiguur, die op dieren stonden. De vindplaats lag in het noorden van het tempelpaleis en maakte deel uit van de vleugel die Bit Hilani genoemd werd. De vondst riep verscheidene vragen op over het doel van de beelden en de gedachten daarachter. Ook ik heb mij hierover vragen gesteld. Onder andere over de herkomst van de karyatiden en of er godsdienstige beschouwingen een rol speelden bij het vervaardigen van de steunfiguren.
 
Wat was nu de herkomst van deze karyatiden en speelden godsdienstige motieven een achtergrond bij de bouw en het gebruik van de karyatiden?
 
Het tijdsbestek waarbinnen ik het onderzoek laat lopen zal gaan vanaf de tot nu toe bekende oorsprong van de karyatiden tot de Griekse klassieke tijd (einde 338 v.Chr.). In deze tijd werden de originele karyatiden gebouwd en de meeste daarna gebouwde karyatiden zijn vaak kopieën van de oude voorbeelden.
 
{mospagebreak}
1.De oorsprong van de karyatiden
In de zoektocht naar de oorsprong van de karyatiden stuit men op verscheidene problemen: allereerst zijn de geschreven bronnen geheel ontoereikend. De Romeinse en antieke schrijvers wisten ook niet waar de karyatiden vandaan kwamen en bedachten zelf mythen of theorieën over het ontstaan van de vrouwelijke steunfiguren. Vitruvius, de Romeinse bouwheer en soldaat, levende tijdens de regering van Caesar en Augustus, beweerde dat de karyatiden vrouwen waren uit de Griekse stad Karya. Deze stad had in de Perzische oorlogen aan Perzische kant meegevochten, maar werd door de Grieken verslagen. Als vernedering werden beelden van vrouwen uit Karya gemaakt die een eeuwige schande moest tonen. Iedereen zou kunnen zien hoe het verraad van Karya in een eeuwige, vernederende triomftocht bestraft werd. Hoewel de verklaring van Vitruvius nauwelijks serieus te nemen is, is het wel zo dat men in deze tijd door Vitruvius nu over karyatiden spreekt. Andere bronnen beschouwen de karyatiden als cultdanseressen van Artemis en zijn waarschijnlijk dichter bij de waarheid.
Ook de materiële bronnen zelf bieden soms zeer weinig houvast. Vaak is er niet veel meer van de oorspronkelijke beelden overgebleven en moet men aan de hand van reconstructies gaan werken. Gelukkig hebben de Romeinen een aantal kopieën gemaakt voor eigen bouwwerken.
 
De zoektocht naar de herkomst van de karyatiden levert op het eerste gezicht twee sporen op. Het eerste spoor is afkomstig uit Egypte en leidt naar vrouwelijke steunfiguren die spiegels ondersteunen. Spiegels bestonden in het oude Egypte al rond 2600 v. Chr. In de periode van het Nieuwe Koninkrijk (1570-1085 v. Chr.) verschenen de eerste handspiegels en deze hadden als handvatten naakte meisjes. De houding en actie is erg gelijkend op de vroegste Griekse handspiegels en hebben eventueel gediend als model voor de Griekse spiegels. Latere Egyptische spiegels hadden ook wel goden en antropomorfe figuren als handvat. Het is echter zo, dat de handvatten van de Egyptische spiegels primair dienden als handvat, terwijl bij de Griekse spiegels de meisjes ook een tectonische rol vervulden. Aangezien de parallellen tussen de Griekse en Egyptische karyatidenspiegels aanzienlijk zijn kan men veronderstellen dat de Egyptische spiegels de inspiratiebron waren voor de Griekse spiegels. Later zal ik nog op de Griekse spiegels terugkomen.
 
De Egyptische spiegels hadden niet de tectonische functie die het tweede spoor wel heeft, namelijk uit het Nabije Oosten. Zoals in de inleiding gezegd is, kwamen de eerste archeologische contacten met de steunfiguren bij de opgravingen bij Tell Halaf tot stand. Aangezien de bloeiperiode van Tell Halaf rond de 9e eeuw v. Chr. lag, kan men aannemen dat de antropomorfe beelden ook uit deze tijd stammen. Rond deze tijd lag ook de eerste bloeiperiode van de antropomorfe steunfiguren. De figuren staan op dieren en daarom worden de beelden over het algemeen geïdentificeerd met goden. Dit heeft een lange, tot in het derde millennium v. Chr. teruggaande, geschiedenis in de oriëntalistische kunst. Het is mogelijk dat de antropomorfe steunfiguren hun oorsprong hebben in Egypte. Gedeeltelijk figuurlijke steunen zijn de uit het tweede millennium v. Chr. stammende Hathorzuilen. Een tectonische functie hadden de zuilen echter nog niet. Alleen in de kleinkunst, en dan vooral bij spiegels, hadden figuren een dragende functie. Vanuit de kleinkunst is er kennelijk geen impuls naar de architectuur uitgegaan.
 
Een reeds bestaande theorie die ik nog onder de aandacht wil brengen en die ik wel voor aannemelijk houdt, is dat de steunfiguren geëvolueerd zijn uit de relifkunst. Ik stel me daarbij voor dat men steeds diepere reliëfs maakte, totdat er een dragend rondsculptuur ontstond. Het is dan ook aannemelijk waarom pas rond de 9e eeuw v. Chr. de bloeiperiode van de antropomorfe steunfiguren begon, hoewel er al eerder in de kleinkunst dragende figuren bestonden. Op de beelden komt een grote druk te staan waarmee men pas na enige ervaring om kon gaan. Dit was voor de 9e eeuw v. Chr. technisch nog niet mogelijk. Waar Egypte nooit verder is gekomen dan gedeeltelijke steunfiguren, is men in het Nabije Oosten misschien wel verder gegaan. Dan is er misschien ook een verbinding te leggen met de kleinkunst, die dan wel een impuls gaf aan de architectuur. Schmidt gaat op deze theorie verder helaas niet in.
 
Schmidt acht het mogelijk dat de zuilen een langzaam proces van antropomorfisering hebben doorgemaakt en dat daarbij goden als voorbeeld gebruikt zijn. Volgens Schmidt zijn de Hathorzuilen echter niet van belang voor de ontwikkeling van de karyatiden.
 
In de Oriëntale architectuur zijn geen bekende vervolgen op de figuren van Tell Halaf, maar deze zijn er wel in de kleinkunst. Verwant aan de karyatiden van Tell Halaf is er een troon met bronzen elementen afkomstig uit het gebied Toprakkale in het oosten van Turkije. De troon werd versierd door minstens zeven verschillende soorten van steunfiguren die veel samenhang vertonen met de Assyrische kunst. De karyatiden kunnen ingedeeld worden in menselijke, duivelse en goddelijke figuren en hadden naast een decoratieve functie ook een ondersteunende functie.
 
Een andere vergelijkbare groep figuren die overeenkomt met die van Tell Halaf, zijn de uit de eerste helft van het eerste millennium v. Chr. stammende ivoren ondersteuningen van Nimroed. De figuren hebben een syrische achtergrond en zijn zeer verscheiden in gebruik en vorm. Enkele figuren zouden door de Egyptische kunst beïnvloed kunnen zijn. Sommige figuren zijn naakte vrouwen en daarom heeft men het vermoeden dat het vegetatiegodinnen of priesteressen zijn. De steunfiguren uit de Oriënt hebben een grote verscheidenheid en een duidelijk systeem valt er in het gebruik of de achtergronden van de steunfiguren niet te ontdekken. Het is niet zo dat de karyatiden alleen voor godsdienstige voorwerpen gebruikt worden of alleen voor een meubelstuk van een koning. Wel is het zo dat de keus van antropomorfe steunfiguren bij een troon beslist niet zomaar is gedaan om de troon wat op te sieren. Een relatie tussen vorst en steunfiguren van de troon is wel aanwezig.

{mospagebreak}
2.Vroeggriekse steunfiguren
In het tweede millennium v. Chr. was de antropomorfe steunfiguur in Griekenland nog onbekend. Alhoewel er contacten tussen Griekenland en Egypte en het Nabije Oosten waren, werd deze vorm niet overgenomen. Pas in de late 8ste eeuw komen er in Griekenland menselijk gevormde gebruiksvoorwerpen. Een van de eerste voorwerpen was een bij Dipylon gevonden ivoren beeldje van een ongeklede vrouw en stamt uit de 8ste eeuw. De relatie met de in Nimroed gevonden ivoren steunfiguren is hier goed te zien. Het beeldje stelt misschien de vruchtbaarheidsgodin Demeter voor, maar dit is echter niet zeker.
 
De eerste bloeiperiode van de Griekse steunfiguren begint in de 7e eeuw v. Chr. en loopt door tot in de 6e eeuw v. Chr. In deze tijd verschijnen steeds meer voorbeelden in de kleinkunst en tenslotte ook in de architectuur. Belangrijk waren in deze tijd een speciale vorm van karyatiden, de perirrhanteria (Gr. wijwaterbekkens). Deze vorm werd vooral gemaakt in een korte periode, van 650-590/80 v. Chr. en zijn in grote delen van Griekenland gevonden en zelfs op enige eilanden. De karyatiden staan vaak op liggende leeuwen en doen daarom denken aan godinnen. De perirrhanteria hebben als voorbeeld waarschijnlijk geen oriëntalistische voorganger, omdat er tot nu toe nog geen gevonden zijn. De betekenis van de perirrhanteria is verschillend. Toch komen bij de op leeuwen staande vrouwen inscripties voor die allemaal wijzen op een natuurgodin. Daar komt nog bij dat de perirrhanteria waarschijnlijk ook allen afkomstig zijn uit heiligdommen en er geen enkele gevonden is in een graf. Dat de perirrhanteria voor een grafcultus bedoeld waren is dus uitgesloten. De uit Griekse heiligdommen afkomstige perirrhanteria waren allemaal aan verschillende godheden gewijd en er was dus geen directe betrekking tussen heiligdom en bepaalde karyatiden.
 
Naast de vrouwen op leeuwen aan de basis van het wijwaterbekken waren er ook vrouwen die gewoon aan de basis stonden. Deze perirrhanteria gelden als de jongste in hun soort. Men heeft dan ook de vraag gesteld of hier een veranderde godsdienstige opvatting aan ten grondslag lag. Als men bedenkt dat de vrouwen op leeuwen godinnen waren dan kan inderdaad de conclusie getrokken worden dat de vrouwen naar een neutrale sfeer zijn overgebracht.
 
Ik kom nu weer terug op de spiegels, die zoals eerder gezegd, hun wortels hebben in de Egyptische kunst. In de eerste helft van de 6e eeuw kwamen er in Griekenland handspiegels op, zoals ze in Egypte vanaf de 16e eeuw v. Chr. gebruikelijk waren. Deze zijn via handelsbetrekkingen met Egypte in Griekenland terecht gekomen. De vroegste exemplaren zijn van de Peloponnesos afkomstig en in het bijzonder uit Sparta. Belangrijker voor de herkomst van de architectonische karyatiden zijn de, ook in de 6e eeuw opgekomen, staande spiegels. Deze spiegels worden gezien als de voorlopers van de architectonische karyatiden. Ook deze spiegels zijn voor een groot deel afkomstig van de Peloponnesos. De karyatiden heeft men veelal op grond van gebruiksvoorwerpen in de handen van het beeld een religieuze achtergrond toe kunnen schrijven. Het is echter niet te zeggen of het tempeldienaressen zijn, dan wel muzikanten voor een ritueel zijn of deelnemers aan een cultus. Evenals bij de perirrhanteria bestaat ook binnen deze kunstvorm een grote variatie aan steunfiguren die het niet mogelijk maakt om een duidelijke religieuze stroming te vinden.

{mospagebreak}
3.Klassieke steunfiguren
De eerste architectonische steunfiguren werden rondom het heiligdom van Apollo gebouwd in Delphi omstreeks 550 v. Chr. en waren ook gewijd aan Apollo. De karyatiden waren aan Apollo geschonken als wijgeschenk en als versiering en op grond hiervan kan men zeker stellen dat de karyatiden een religieuze betekenis hadden. De karyatiden maakten deel uit van de twee schathuizen gebouwd door de Knidiërs, maar ook de Siphiërs hadden een schathuis met karyatiden gebouwd. De reconstructie geeft voor de karyatiden nogal wat problemen, aangezien er soms enkele fragmenten bewaard zijn gebleven die ook niet altijd bij elkaar passen. Het veelvuldige gebruik van karyatiden binnen een relatief korte tijd heeft men als modeverschijning aangeduid.
 
De schathuizen hebben voor zover bekend geen monumentale voorgangers gehad en Schmidt sluit hierbij de kleinkunst uit, omdat tegelijk rond 550 v. Chr. ook de staande spiegels opkomen. Bovendien lag het centrum van de kleinkunst op de Peloponnesos en de architectonische steunfiguur kwam uit de oostelijke regionen. Als voorloper van de karyatiden van Delhi denkt men toch vooral aan de meubels, waar de figuren al een duidelijke tectonische functie hadden. Een aantal kenmerken van de karyatiden in Delphi duidt erop dat er veel oostelijke invloeden aanwezig waren.
 
Pas een eeuw na de karyatiden van Delphi maakte men weer architectonische steunfiguren, maar ditmaal in het erechteion op de Acropolis in Athene. In de inscripties van het erechteion spreekt men niet van karyatiden, maar van korai (Gr. meisjes, e.v. kore). Korai is een verzamelnaam voor alle afbeeldingen van meisjes en de karyatiden vallen hier dus ook onder. Volgens Morris is het zo, dat de korai en de mannelijke kouros dienden als markering van graftomben of als schenking aan de goden. Dit klopt zeker voor de schathuizen van Delphi, maar ook voor het erechteion gaat dit op, want nadat de Perzen in 480 v. Chr. Athene verwoest hadden, moest er een nieuwe tempel komen voor het cultusbeeld van de stadsgodin Pallas Athene. In 421 v. Chr werd er met de bouw van het erechteion begonnen en rond 406/5 v. Chr. was het gebouw af. Aan de zuidzijde van het gebouw had men zes karyatiden neergezet die het dak van het gebouw ondersteunen. Door de vrijere houding van de korai, onder invloed van de klassieke beeldhouwkunst, werd het erechteion met recht de top van de karyatidenkunst. Zeer knap is het probleem van het dunste en dus meest zwakke punt opgelost. De nek zou het gewicht van het dak niet kunnen dragen, maar via uitbreiding van het nekhaar en het gebruik van dikke vlechten heeft men dit probleem opgelost.
 
Enige tijd na de bouw van het erechteion werd er in Limrya ook een gebouw gemaakt met karyatiden. Het was echter minder mooi dan het erechteion, maar ook de bedoeling van de karyatiden was anders dan van het erechteion: de karyatiden van Limrya maakten deel uit van een dodencultus. Daarmee stonden de beelden in verband met grafbouw.
 
De vraag blijft bestaan waarom in het Griekse moederland en in Klein-Azië steeds vrouwen worden gebruikt als architectonische steunfiguur. Dit is des te opvallender, omdat in Groot-Griekenland in de 5e eeuw v. Chr. de Atlanten opkwamen, die in Griekenland zelf bijna niet gevonden zijn. Een antwoord is hier nog niet voor gevonden, maar Schmidt legt daarin het bewijs dat de ontwikkeling van de karyatiden niet door voorbeelden uit Etrurië beïnvloed kan zijn, omdat juist hier bijna geen vrouwelijke steunfiguren voorkwamen.
 
De karyatiden van Limrya waren de laatste van de klassieke oudheid. In de Hellenistisch-Romeinse tijd zijn er weinig nieuwe architectonische steunfiguren gemaakt. Vaak waren het exacte kopiëen of variaties op een bestaand beeld.

{mospagebreak}
Conclusie
Het gebruik van menselijke gestalten als een dragend of ondersteunend deel heeft zijn oorsprong in het Nabije Oosten. Het oude Egypte kende ook al vroeg een vorm van menselijke figuren in de kunst, maar men gebruikte de figuren zuiver als versiering. In het Nabije Oosten daarentegen gebruikte men de figuren als een dragend element. De steunfiguren van Bit Halani luidden dan ook een periode in waarin men steeds vaker antropomorfe figuren ging gebruiken. In de architectuur maakte men weinig gebruik van de karyatiden, maar door naar andere gebruiksvormen te kijken, zoals meubels of voorwerpen uit de kleinkunst, is het toch mogelijk om de herkomst en daarna de ontwikkeling van de karyatiden te zien. Deze ontwikkeling wordt echter zeer vaak bemoeilijkt doordat er problemen zijn met de datering of omdat er slechts fragmenten gevonden zijn van beelden. In de ontwikkeling van de karyatiden speelden de ivoren steunfiguren van Nimroed een belangrijke rol. Schmidt toonde al aan dat de ontwikkeling van de Griekse karyatiden niet is geïnspireerd door voorbeelden uit de architectuur. Er bestaan geen monumentale voorbeelden, maar ook de atlanten
Op de deelvraag of er godsdienstige motieven een rol speelden bij de bouw en het gebruik van de karyatiden is geen eenduidig antwoord te geven. Sommige speciale vormen waren geheel gericht op godsdienst zoals de perirrhanteria, maar andere vormen hebben weer niets met godsdienst te maken, zoals de karyatiden van Limrya die deel uitmaakten van een dodencultus. Over het algemeen kan men wel stellen dat de karyatiden voor het merendeel gebruikt zijn binnen een godsdienstige gedachtenkring. Als voorbeeld denk ik dan vooral aan de karyatiden van Delphi en het erechteion die als de grootsten onder hun soort gelden. Er is onder de karyatiden die in verband staan met een cultus echter ook weer een grote verscheidenheid te vinden die het niet mogelijk maakt om een ook binnen de culten een duidelijke richting aan te geven.
Bericht geplaatst in: artikel