HET GRAF VAN ALI

Geplaatst op 5 oktober 2005 door Rolf Falter
Natuurlijk is die oorlog in Irak in maart 2003 om olie begonnen. Het volstaat een geschiedenis van de laatste 100 jaar om te leren dat alle oorlogen daar van na 1900 om olie zijn gevoerd.
Natuurlijk is die oorlog in Irak in maart 2003 om olie begonnen. Het volstaat een geschiedenis van de laatste honderd jaar van dat gebied er op na te slaan, om te leren dat alle oorlogen daar van na 1900 om olie zijn gevoerd. Altijd stonden Engelse en Amerikaanse concerns tegenover continentaal-Europese, tot 1945 vooral Duitse, nadien Franse en Russische.
 
De meest plausibele verklaring voor de oorlog van 2003 die ik tot op heden hoorde is dat Saddam Hoessein via het VN-programma Oil for Food bezig was de bronnen in zijn land aan Fransen en Russen uit te besteden.

Twee en een half jaar later gaat het daar in Irak om veel meer dan olie alleen. George W. Bush leert, zoals ooit Lodewijk de Veertiende, Filips II of zelfs Julius Caesar, dat een oorlog winnen met een superieur leger kinderspel is, vergeleken bij het consolideren van de verovering. Oorlogen rijten immers altijd littekens open, sommige zeer oud en bijna vergeten.
 
Op vele marktpleinen van Bagdad troepen elke dag na zonsopgang, zoals in onze steden tot diep in de negentiende eeuw, honderden dagloners, velen nog jongens uit te grote gezinnen, bijeen. Hun hoop is dat een handelaar, een aannemer of een fabrikant hen zou inhuren voor een dag of een week schraal loon.
 
Zo ook op het al-Orubaplein in het noorden van Bagdad op 15 september. Alleen bleek de schijnbare aannemer wiens bestelwagen druk omringd werd, de zoveelste zelfmoordterrorist. Er bleven ruim honderd lijken achter, en nog veel meer verminkten.
De sukkelaars die na zonsopgang naar werk scharrelen zijn bijna altijd sjiïeten. De zelfmoordenaar was een soenniet, zoals de bekendste aller Iraakse terroristen, Aboe Moesab al-Zarqawi, die later die 15de september dag de heilige oorlog verklaarde aan alle sjiïeten, vanwege hun vermeende collaboratie met de Amerikaanse bezetter. Zo zijn George W. Bush en zijn bondgenoten in historische tegenstellingen verstrikt geraakt die vijf maal zo oud zijn als de Verenigde Staten zelf.
 
De geschiedenis van het Tweestromenland van Tigris en Eufraat bestuderen zou een heilzaam recept kunnen zijn voor al wie in het westen veralgemenend over DE moslims spreekt. In het zuiden van Irak, in de stad Najaf, ligt in een schitterende moskee imam Ali begraven, op de plek waar hij in het jaar 661 vermoord werd nadat hij tevergeefs als neef van de profeet Mohammed diens opvolging had opgeëist.
 
Ali’s zoon Hoessein zette de strijd nog een kwarteeuw voort, maar werd verslagen en gedood in Kerbala, vandaag ook in Irak. Nog steeds beroepen tien procent van alle moslims in de wereld zich op Ali en Hoessein. Men noemt ze sjiiëten, en Najaf en Kerbala zijn hun heiligste steden.

De sjiïeten in Irak zijn Arabieren. De meest talrijke sjiïeten zijn echter de Perzen, die vandaag in Iran, grenzend aan Irak, hun staat vinden. Zoals de meeste Arabieren zijn de sjiïeten van het Tweestromenland vanaf de 12de eeuw onder de voet gelopen door de Centraalaziatische Seldjoeken, die we tegenwoordig Turken noemen.
 
Van het Ottomaanse Rijk van de Turken waren niet de Europese christenen, wel de Perzen de gevaarlijkste vijand. En dus liet de sultan in Istanboel zijn provincie Mesopotamië (het Tweestromenland) door soennitische Arabieren regeren, omdat hij vreesde dat de sjiïeten, die daar nochtans in de meerderheid waren, met de Perzische vijand en buur zouden collaboreren.
 
De Britten hebben die discriminatie ongemoeid gelaten, toen zij kort na 1918 het land Irak creëerden, nadat ze de Arabieren hadden opgezweept tegen hun Turkse meesters. In de met passer en meetlaat op de kaart uitgetekende natie huisden in het noorden ook Koerden, eveneens soennieten, maar geen Arabieren.
 
Saddam Hoessein, een soennitische Arabier, die van 1980 tot 1988 oorlog voerde met Iran, discrimineerde Koerden en sjiïeten in zijn land, als het moest zelfs met bombardementen van gifgas, zoals in Halabja (5000 doden) op 17 maart 1988.
De onderdrukking van sjiïeten door soennieten bestaat ook elders in de moslim-wereld onder meer in Libanon, Saoedi-Arabië en Pakistan. Zeggen dat het om racisme gaat, is politiek niet correct, maar wel juist.
 
Oorlogen worden officieel nooit om het eigen profijt gevoerd. Riep Caesar de beschaving in, en Filips II het ware geloof – Lodewijk de Veertiende hield het in zijn opmars naar Amsterdam trivialer bij grandeur ten overstaan zijn maitresses – dan had George Bush het over massavernietigingswapens en, toen die er niet bleken te zijn, over democratie.
 
Zo krijgt de invasie alsnog een nobel neveneffect: de emancipatie van de sjiïeten. Misschien zullen die er Washington ooit dankbaar voor zijn, al lijkt de kans even groot dat ze zich in de armen van de Perzische fundamentalisten gooien, straks misschien met wat kernwapens in het arsenaal.

De vele duizenden verbitterde soennitische Arabieren in Irak, die hun baantjes en hun invloed zijn verloren, reageren heftig. Liever dan de machtsdeling te aanvaarden verkiezen ze de burgeroorlog te ontketenen met wapens die blijkbaar gretig geleverd worden door alle buurlanden die niet van democratie en zeker niet van sjiïeten houden.
 
Als straks blijkt dat de Amerikanen ook de Koerden geëmancipeerd hebben, is het pandemonium aan de rand van ’s werelds grootste olievoorraden compleet. In Turkije wachten de generaals tot Europa hun land ook openlijk afwijst om korte metten te maken met de Koerdische aanspraken.

Ik moet daar allemaal aan denken tijdens de lectuur, met flink wat vertraging, van Bob Woodwards Plan of Attack, waarin de gevierde journalist ontleedt hoe de invasie van Irak in het Witte Huis en belendende percelen werd voorbereid.
 
De tegenstelling tussen sjiïeten en soennieten komt er niet één keer in voor. Jammer dat wijlen Barbara Tuchmann dit schitterend nieuw hoofdstuk voor haar March of Folly niet meer heeft mogen meemaken.
Bericht geplaatst in: artikel