KERKELIJKE STAAT

Geplaatst op 20 juli 2005
De Kerkelijke Staat ontstond geleidelijk tussen de 4de en de 6de eeuw en bestond officieel van 754 tot 1870. Het is daarmee de oudste republiek in Europa...
De Kerkelijke Staat ontstond geleidelijk tussen de 4de en de 6de eeuw en bestond officieel van 754 tot 1870. Het is daarmee de oudste republiek in Europa. Toch werd die geschiedenis tot nu toe door niemand als geheel beschreven. Geschiedenissen en biografieën van de pausen zijn er wel. Wim Akveld, in 1997 al auteur van “De Romeinse Curie, de geschiedenis van het bestuur van de wereldkerk”, is specialist ter zake.
De beginperiode wordt summier behandeld, de elf eeuwen vanaf 754 des te grondiger.
In alle tijden blijkt hoe Italiaanse, Duitse, Franse, Spaanse, Portugese  en zelfs Turkse machthebbers een bedreiging vormden voor de Pauselijke Staat  of zich ermee moeiden.
En ook dat de meeste pausen meer staatshoofd dan geestelijk leider waren.

In de 12de-13de eeuw protesteerden Bernardus van Clairvaux en Dante, in de 16° eeuw de reformatoren tegen de wantoestanden ( verrijking, corruptie, oorlogvoering en andere vormen van wangedrag).

Akveld zelf spaart zijn kritiek ook niet op renaissancepausen zoals Alexander VI Borgia of Leo X de Medici, die met een hofhouding van 683 man enorme kapitalen verslonden, meer dan 2.000 ambten te koop stelden, kunstenaars en historici sponsorden en het celibaat niet respecteerden. De Contrareformatie bracht hier verbetering in.
De uitstraling van Rome was altijd groter dan het aantal inwoners doet vermoeden: 25.000  rond 1400, 35.000 rond 1450 en hun voornaamste bestaansmiddel was veefokkerij! In de 16de eeuw waren er 50.000, veel minder dan in Venetië ( 162.000), Londen ( 185.000), Brugge ( 200.000 ) of Parijs ( 300.000).

Andere activiteiten waren handel, textiel, bankwezen en gastenhuizen voor soms 100.000 pelgrims e.a. reizigers per jaar. Toch kreeg de stad tussen 1530 en 1769 slechts twee keizers op bezoek: Karel V en Jozef II.
Rond 1600 bereikte de Kerkelijke Staat de omvang die hij twee eeuwen zou behouden.
De paus was meer dan andere Italiaanse vorsten betrokken bij internationale congressen.
De Franse revolutionairen en Napoleon brachten hem een eerste zware slag toe, door de heerlijke rechten, privileges en  tienden af te schaffen en vele kerkelijke goederen te seculariseren. De paus moest Avignon en veel kunstwerken afstaan.

Het toerisme bloeide wel in de 18de eeuw dankzij pelgrims en welgestelden die een Grand Tour ondernamen. De souvenirnijverheid ontstond: men verkocht afbeeldingen van kunstwerken, monumenten en kerken.
In de 19° eeuw kende de Kerkelijke Staat nog een laatste heropbloei met het Congres van Wenen. Daarna viel ze geleidelijk ten prooi aan het liberalisme en centripetale nationalisme van de Italianen. In 1870 bereikten zij hun doel met de verovering van Rome. Het pauselijke leger en het legertje van zoeaven, bestaande uit 3.000 Fransen, 1600 Belgen, 3.000 Nederlanders, 500 Canadezen, 300 Duitsers, 200 Ieren, slechts 30  uit het katholieke Oostenrijk, een paar Spanjaarden, moesten het onderspit delven.
De nederlaag was voor paus Pius IX onverteerbaar: verbitterd excommuniceerde hij de aanvallers in een encycliek. In 1871 verwierp hij ook de Garantiewet, waarin de Italiaanse regering hem onafhankelijkheid, onschendbaarheid, een jaargeld van 750.000 lire, het Vaticaan en enkele paleizen beloofde.

Tevens verbood de kortzichtige paus alle katholieken in Italië om deel te nemen aan de regering of aan het politieke leven, zodat het bestuur uitgeleverd werd aan een minderheid van ongelovigen.

Akveld besluit met de volgende wijze woorden: alle kerkhistorici zijn het er nu over eens dat Italië, door de bezetting van de Kerkelijke staat, de Kerk bevrijd heeft van een last, waarvan zij zichzelf nooit had kunnen bevrijden.
Akveld schreef een glashelder betoog, zeer accuraat, weinig anekdotisch. Hij kent de geschiedenis met alle data en feitjes, met alle wijken, plekjes en monumenten in Rome die hierbij een rol speelden. Ook de geschiedenis van de joden in Rome komt herhaaldelijk aan bod.

Hij beweert heel bescheiden dat zijn boek bedoeld is voor geïnteresseerde leken en niet voor kerkhistorici, maar van die leken wordt dan verwacht dat ze aardig wat Latijnse en Italiaanse begrippen verstaan en op de hoogte zijn van 11 à 14 eeuwen Europese politieke, economische, sociale en culturele geschiedenis.
Enkele opmerkingen: de auteur verkiest de vertrouwde benaming “Staat” boven “Staten” , hoewel de delen enkel een personele unie vormden o.l.v. de paus en de voorwaarden en regelingen verschilden per staat; literatum ( p. 9 ) i.p.v. literatuur is het enige drukfoutje in heel het boek; de enige Nederlandse paus, Adrianus VI, stichter van de K.U.L., staat er niet in; ik mis ook een kaartje met de genoemde plaatsnamen en een register met de vele persoonsnamen.

De bijlagen zijn zeer interessant: 7 pagina’s over de bouw van de Sint Pieter, die helaas ten koste ging van de oude basiliek van Constantijn; de nefaste gevolgen van de opheffing (1773) van de jezuïetenorde; ook eerder in de tekst wordt hier veel aandacht aan besteed en spuit Akveld pittige kritiek op paus Clemens XIV, zijn entourage en de landen Portugal, Spanje en Frankrijk; verder: de kerk in Frankrijk net vóór de Revolutie; de Vaticaanse Staat / Vaticaanstad van 1929 tot nu. We hopen dat Akveld nog de moed of een opvolger vindt om ook de geschiedenis van deze unieke ministaat te schrijven.
Referentie
Dr. W.F. Akveld, De geschiedenis van de Kerkelijke Staat. (Zwolle 2005) Uitgeverij Bergboek. 350 p. ; noten, lit. ISBN 90 77668 32 2 ; € 18,50.
Bericht geplaatst in: boekrecensie