WIE KAATST KAN DE BAL VERWACHTEN

Geplaatst op 26 mei 2005 door Hans Zijlstra
Zonder de ontwikkeling van het kaatsspel is tennis in de huidige vorm ondenkbaar. In iets gewijzigde vorm wordt dit kaatsspel in Friesland tot op de dag van vandaag beoefent.
De geschiedenis van het tennisspel wordt meestal beperkt tot een periode van ruim honderdtwintig jaar. Vanaf de “uitvinding’ van tennis in Engeland rond 1870 tot het huidige Grand Slam tennis met tennishelden als Federer, Agassi, Justine Henin en de zusjes Williams. Tennis is echter ouder dan doorgaans wordt aangenomen. De spelregels van het moderne tennisspel zijn te herleiden tot een spel dat uit de Middeleeuwen stamt: het kaatsen. Zonder de ontwikkeling van het kaatsspel is tennis in de huidige vorm ondenkbaar. In iets gewijzigde vorm wordt dit kaatsspel in Friesland tot op de dag van vandaag beoefent.
 
De sport zoals wij die nu kennen werd rond 1880 vanuit Engeland in Nederland geïntroduceerd. In het gedenkboek ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond KNLTB wordt dan ook ruim aandacht besteed aan de tennisgeschiedenis vanaf het einde van de negentiende eeuw. Maar de voor-geschiedenis van het tennis wordt niet vergeten. Het eenzijdige beeld van de ontwikkeling van de sport is inmiddels herzien. Historici als de Duitser Gillmeister en de Nederlander Cees de Bondt hebben laten zien dat er een direct verband is tussen het aloude kaatsspel en het moderne lawn tennis. Op de tentoonstelling Gravel & Gras in het Haagse Gemeentemuseum, van 22 maart tot 22 juni 2003, werd deze zienswijze bevestigd. Behalve aan het moderne lawn tennis werd op deze tentoonstelling aandacht besteed aan het kaatsen.
 
De directe voorloper van het moderne tennis werd eeuwen geleden al in diverse West-Europese landen beoefent. Kaatsen was in de vijftiende en zestiende eeuw een populair tijdverdrijf aan de Europese vorstenhoven. Bij het kaatsen werd een met haar of stro gevulde leren bal met de handpalm geworpen en weer teruggekaatst. De Franse term jeu de paume, letterlijk spel met de handpalm, duidt op deze speelwijze.
In Nederland, dat destijds tot het Bourgondische rijk behoorde, liet hertog Filips de Schone rond 1500 op het Binnenhof een kaatsbaan aanleggen. Deze baan was ommuurd, maar minstens zo opvallend als het uiterlijk van de baan was de manier waarop het spel gespeeld werd. De spelers maakten gebruik van een eenvoudig, met snaren bespannen racket. Of Filips echt de eerste was die van een racket gebruik maakte, is moeilijk vast te stellen. Zeker is dat hij een van de eersten was en dat de oorsprong van het latere tennis dus ten dele in ons eigen land ligt. Met de nadruk op ten dele, want hertog Filips was door en door Frans opgevoed.
{mospagebreak}
Frankrijk komt de eer toe de directe voorloper van het tennis te hebben voortgebracht. Al in de 12e eeuw werd door Franse monniken op de binnenplaatsen van kloosters een balspel beoefend dat onder verschillende benamingen bekend stond. In sommige delen van het land werd het aangeduid als jeu de bonde, van het Franse werkwoord bonder (stuiten). In Noord-Frankrijk werd het spel “chasse” genoemd, waar later het woord kaats van is afgeleid. Dat het tennisspel van oorsprong in kloosters werd gespeeld is op zich niet zo verwonderlijk. Volgens de Duitse historicus Heiner Gillmeister, die zich in de culturele achtergronden van het oude en het moderne tennis heeft verdiept, werd lichaamsbeweging als een gezonde afleiding voor de geestelijke arbeid van de monniken beschouwd. Al waren er ook geestelijke leiders die het spel verboden omdat het teveel zou afleiden van het geestelijk leven.

Hoe ging dat spel in een klooster in zijn werk? De binnenplaats van een klooster, de zogenaamde kloosterhof, werd doorgaans omgeven door een kloostergang – met aan een van de zijden pilaren en rondbogen - die deels van een schuin aflopend dak was voorzien. De bal werd via dit schuine dak in het spel gebracht. De spelers speelden de bal met de blote hand naar elkaar toe. Degene die de bal door een van de openingen van de kloostergang speelde, kreeg een punt. Overigens was de voorloper van het moderne tennis niet het enige balspel dat in de kloosters werd gespeeld: er werd ook gevoetbald. De openingen tussen de pilaren fungeerden daarbij als doel. Waarschijnlijk was dat ook bij de vroegste tennisvariant het geval. Van een net was in die tijd nog geen sprake. En van rackets ook niet. De serverende partij had als enige de beschikking over een handschoen, waarmee de bal via het dak werd opgeslagen.

Dit jeu de paume werd door de adel overgenomen. In de Middeleeuwen was er intensief contact tussen de adel en de geestelijkheid. In veel adellijke families was de oudste zoon voorbestemd om de vader op te volgen en ging een tweede zoon het klooster in. Het kaatsspel vond dus op natuurlijke wijze de weg naar de buitenwereld. Het kaatsspel dat door de edelen werd beoefend onderscheidde zich van het spel van de gewone man doordat het op de binnenplaats van kastelen werd gespeeld. In sommige gevallen werden speciale kaatsbanen aangelegd. Ter onderscheiding van het gewone kaatsspel – jeu de longue paume - sprak men in dit geval later van het jeu de courte paume, omdat het spel op een binnenplaats, een cour, plaatsvond.

Later werd het kaatsspel ook door de gewone man buiten de kloosters gespeeld. Buiten de stad werd dan een schuin houten dakje opgesteld om de bal in het spel te brengen. In de stad zelf waren voldoende daken om de bal overheen te laten rollen. De kans op ongelukken was in de stad echter een stuk groter. Bij gebrek aan een kloostergang met openingen werd “gescoord” door de plek waar de bal op de grond kwam te markeren. Deze plek werd “chasse” of “kaats” genoemd, wat in het moderne Friese kaatsspel nog steeds het geval is. Door de kaats van de tegenpartij te overtreffen kon de partij die aan slag was een punt behalen.

Het kaatsspel verspreidde zich in rap tempo vanuit Frankrijk richting Vlaanderen en Engeland. Vanuit Vlaanderen werd het kaetsen, zoals het daar werd genoemd, in de Noordelijke Nederlanden geïntroduceerd. Dat het spel ook hier populair was blijkt wel uit de talrijke verbodsbepalingen die in de vijftiende en de zestiende eeuw werden uitgevaardigd. In de gerechtelijke archieven zijn keuren en remissiebrieven, verzoekschriften aan de vorst, te achterhalen waarin gerefereerd werd aan het kaatsspel. Tennishistoricus Cees de Bondt geeft er in zijn boek over het kaatsen diverse voorbeelden van.

Vooral in de steden konden kaatsers voor overlast zorgen. In Amsterdam en Utrecht werden diverse pogingen ondernomen om het kaatsen, in het jargon van die tijd ook “teneysen” of “teneyten” genoemd, aan banden te leggen. Uit de talloze voorbeelden blijkt echter dat dat een onbegonnen zaak was. Kennelijk was het spel al zo ingeburgerd dat men het ondanks de officiële tegenwerking bleef spelen. De uitdrukking “het gaat van een leien dakje” is volgens De Bondt terug te voeren op het kaatsspel uit deze periode.

Uit een vijftiende eeuws boekwerkje kunnen we opmaken hoe het kaatsspel in die tijd gespeeld werd. Het is niet zeker wie de schrijver is geweest van Dat kaetspel ghemoraliseert, dat rond 1430 in Brugge is verschenen. Over de auteur, een zekere Jan van den Berghe, zijn geen bijzonderheden bekend. In zijn boek gebruikt de auteur het kaatsspel als voorbeeld om iets te zeggen over de rechtspraak in zijn tijd. Deze allegorische vorm was een vanaf de Middeleeuwen veelvuldig toegepast stijlmiddel. Het kaatspel is dus niet het eigenlijke onderwerp van het boek en de beschrijving ervan beslaat slechts een beperkt aantal bladzijden. Toch komen we aardig wat te weten over de regels van het kaatsen.

In de eerste plaats werd met drie tegen drie gespeeld. Het aantal spelers klinkt ons nu wellicht vreemd in de oren, maar in die tijd was het heel gewoon. Voor het spel begon werd bepaald hoeveel geld er werd ingezet: “ende hoe vele men winnen of verliesen sal metten spele”. Wat dat betreft is er dus niet veel veranderd, al staat het huidige proftennis wat betreft omvang van de verdiensten natuurlijk mijlenver af van een vijftiende eeuws kaatsspelletje. Net als op Wimbledon werden de omstandigheden waaronder het spel gespeeld werd van groot belang geacht. Van den Berghe schrijft dat de spelers voor een partij “zouckene eene goede behouvelike stede omme te speelne daer een goet hooghe dack sij”. Een hoog “leien dakje” was van essentieel belang. Verder werd de spelers aangeraden om uit de zon te blijven en een geschikt speelveld te zoeken: “rume plaetse ende heffene ende uter zonne daer men goelicx vinden mach omme te scuwene de hitte”. In de stad was die ruimte natuurlijk ver te zoeken.
Ten slotte worden in Het kaetspel ghemoraliseert al ballenjongens genoemd, “diennaers .. die den bal halen al hij verre gheslegen ende onghereet zij”, evenals “diennaers” die de kaatsen moeten aftekenen en de puntenteling moeten bijhouden: “omme te teekenen wel ende ghetrouwelike de kaetsen”. Van deze vijftiende eeuwse “diennaers” naar de ballenjongens op Wimbledon lijkt ineens niet meer zo’n grote stap.
{mospagebreak}
In de zestiende en de zeventiende eeuw werden zowel door vorsten als rijke burgers speciale kaatsbanen aangelegd. Er bestonden destijds geen vaste regels waaraan deze banen moesten voldoen. Zowel de maten van de banen als de inrichting konden verschillen. Grofweg waren er twee soorten te onderscheiden: de zogenaamde jeu carré, een baan met aan drie zijden galerijen en aan een kant een muur, en de zogenaamde jeu à dedans, een kaatsbaan met aan alle zijden een van de kloostergang afgeleide galerij. Een van de gemeenschappelijke kenmerken was de zogenaamde “grille” (rooster): een rechthoekige opening in de achtermuur die door de serverende partij gebruikt kon worden om een direct punt te scoren. De van oorsprong Franse term “grille” verwijst naar een getralied venster in Middeleeuwse kloosters dat voor leken de enige mogelijkheid was om met de geestelijken in het voor leken verboden gedeelte van het klooster te communiceren. Volgens Gillmeister is het voortbestaan van de “grille” in de kaatsbanen een bewijs voor de plaats van herkomst van het kaatsspel: het Middeleeuwse klooster.

Latere kaatsbanen waren in veel gevallen overdekt. Zo verrees onder andere de eerder genoemde kaatsbaan bij het Binnenhof, maar ook elders nam de sport een grote vlucht. Om een indruk te geven: De Bondt telde voor de periode tussen 1550 en 1750 in de gewesten Utrecht en Holland in totaal 100 kaatsbanen. Dat was misschien niet zo veel in vergelijking tot de stad Parijs, waar rond 1600 al 300 banen waren, maar het was toch een fors aantal. Illustere landgenoten als Willem van Oranje en zijn zonen Maurits en Frederik Hendrik waren enthousiaste beoefenaars van de sport. Willem van Oranje liet een kaatsbaan aanleggen bij zijn buitenhuis in Breda.

De tentoonstelling Gravel & Gras leverde verrassend beeldmateriaal op over de oertijd van het tennis in Nederland. Op een gravure van de bekende kunstenaar Chrispijn van de Passe uit Nieuwe Jeugt Spieghel staat een kaatsbaan in Leiden rond 1620 afgebeeld. Te zien zijn vier heren in kostuum, compleet met kanten kraag, pofbroek en degen, die elkaar met behulp van met snaren bespannen rackets een bal toespelen. Tussen de spelers hangt een draad met afhangende stukjes touw bij wijze van afscheiding. Op de grond zit een vijfde heer, die de indruk wekt zijn racket aan een nader onderzoek te onderwerpen. In de rechterbenedenhoek zijn een hoed met veer en een overjas neergelegd, die kennelijk aan een van de heren toebehoren. Ter rechter zijde ten slotte bevindt zich een galerij met toeschouwers die het spel van dichtbij volgen. Het geheel lijkt gezien de gebruikte attributen – rakkets, ballen en een “net” - verrassend veel op een moderne tennispartij, met dien verstande dat de heren volgens de destijds geldende mode gekleed gaan. Witte kleding is duidelijk voorbehouden aan de spelers van het latere lawn tennis.
 
Dat het oude kaatsspel en het moderne tennis nauw met elkaar verbonden zijn, blijkt wel uit de gebruikte terminologie. Gillmeister heeft daarover een aantal opmerkelijke ontdekkingen gedaan. Enkele in het huidige tennis gebruikte termen verwijzen nog naar de Franse voorgeschiedenis. De term deuce komt oorspronkelijk van het Franse deux à jouer: nog twee punten te spelen. In de Middeleeuwen gold al de regel dat bij een gelijke stand nog twee punten nodig waren om een spel te behalen. Opvallend is natuurlijk dat de Engelsen van deux à jouer het woord deuce maakten, terwijl de Fransen in het moderne tennis een nieuwe term aannamen: égalité. Vooral de Roland Garros-kijkers moet dat bekend in de oren klinken.

Het Engelse court, als in centrecourt, komt van het Franse cour, vroeger geschreven als court, dat binnenhof betekent. Het Franse court was een directe verwijzing naar de omsloten plaats waarop het kaatsspel gespeeld werd.

Het woord tennis zelf komt voort uit het oud-Frans: de uitroep tenetz!, te vertalen als pak vast of pak ‘m beet, werd in het Engels rond 1400 overgenomen en verbasterd tot tennis! In Frankrijk daarentegen hield men vast aan de benaming jeu de paume. Het begrip tennis kende men in Frankrijk niet tot het spel door de Engelsen opieuw werd “uitgevonden”. Zo kon het dus gebeuren dat een van oorsprong Franse benaming eind 19e eeuw in de vorm van lawn tennis opnieuw in Frankrijk werd ingevoerd.
{mospagebreak}
Ook de spelregels verraden de historische achtergrond van het moderne tennis. Het is niet helemaal duidelijk hoe de puntentelling tot stand is gekomen, maar Gillmeister heeft er een aantrekkelijke theorie over. Uitgangspunt daarbij is het feit dat bij balspelen in de late Middeleeuwen doorgaans geld werd ingezet. Ook bij het tennis was dat het geval, zoals reeds bleek uit het boek van Jan van den Berghe. In Frankrijk waren op dat moment meerdere muntsoorten in omloop en een daarvan was de zogenaamde gros denier tournois. De waarde van deze munt was klein genoeg om hem te gebruiken als inzet bij een balspel. Goudstukken kreeg de gewone man immers meestal niet in handen. De waarde van de gros deniers tournois was precies 15 deniers en vandaar de oorspronkelijke puntentelling 15-30-45-60. De Engelsen vereenvoudigden de telling door 45 te vervangen door 40.

Het Engelse love, in bijvoorbeeld 40-love, heeft naar alle waarschijnlijkheid een Nederlandse achtergrond. Werd er niet om geld gespeeld, maar uitsluitend om de eer, dan spraken Nederlanders van “omme lof”. Het woord “lof” werd door de Engelsen overgenomen en verbasterd tot “love”. Ook voor het woord “set” is een Nederlandse oorsprong te vinden. Als er wel om geld werd gespeeld, was er sprake van een “inzet”. Er werd geld ingezet op de winnaar. De Engelsen verstonden “inzet” als “in set”, en nadat ze het lidwoord hadden weggelaten bleef “set” over.

Dat woorden uit het Franse taalgebied werden overgenomen door Nederlanders en vervolgens door de Engelsen, is wel te verklaren. In de veertiende en de vijftiende eeuw speelden Vlaamse steden als Brugge en Antwerpen een belangrijke rol in het handelsverkeer in West-Europa. We zagen al dat het oude tennisspel in Noord-Frankrijk “chasse” werd genoemd, van het werkwoord “chasser”, dat jagen betekent. De Vlamingen maakten daarvan “kaets” en vervormden de Franse werkwoorden “chasser” en “rachasser” tot kaetsen en “rekaetsen”. In de Noordelijke Nederlanden, ons eigen land dus, sprak men vervolgens van “kaatsen”. Al werden ook nog enige tijd uitdrukkingen als het hierboven aangehaalde “teneysen” en “teneyten” gebruikt.
Toch komen de meeste termen in het moderne tennis voort uit het 19e eeuwse Engelse lawn-tennis. In Frankrijk was het kaatsspel eind 18e eeuw reeds een zachte dood gestorven. De populariteit van het spel verminderde deels omdat de kerkelijke autoriteiten het spel als een nutteloze en onzedelijke activiteit beschouwden. Tijdens de Franse revolutie, in 1789, werd weliswaar nog de befaamde “eed in de kaatsbaan” afgelegd, maar deze baan was niet meer als zodanig in gebruik In Engeland zou het kaatsen echter in gewijzigde vorm een revival beleven die tot op de dag van vandaag voortduurt.
 
Vanaf wanneer gaan we het spel nu tennis noemen en tot wanneer spreken we over kaatsen? Het ligt voor de hand om pas over tennis te spreken vanaf de periode waarin het spel de vorm heeft gekregen die wij gewend zijn, dat wil zeggen vanaf ca. 1877. Er is dan inmiddels sprake van een rechthoekig speelveld, een net en twee of vier spelers met rackets; een puntentelling volgens het systeem 15-30-40-game en wedstrijden om twee of drie gewonnen sets. De regels van het lawn tennis, die in 1877, het jaar van het eerste tennistoernooi op Wimbledon, worden vastgelegd, zijn tot op de dag van vandaag vrijwel ongewijzigd. Maar de overeenkomsten met het spel dat in de vijftiende en zestiende eeuw op speciaal gebouwde kaatsbanen werd gespeeld zijn talrijk. Het spel dat vanaf de 12 eeuw in kloosters en later in de buitenlucht werd gespeeld, wijkt wel duidelijk af van het beter georganiseerde kaatsspel dat door de adel en rijke burgers werd beoefend. In afwijking van het kaatsen van de gewone man, het jeu de longe paume, ook wel “boerenkaatsen” genoemd, kunnen we dus vanaf ca. 1500 spreken van tennis, mits het spel op een speciale baan werd gespeeld en er rackets bij gebruikt werden.
 
Op 23 februari 1874 kreeg Majoor W.C. Wingfield octrooi op een variant van het kaatsen, dat in Engeland vanouds tennis werd genoemd. Het spel dat hem voor ogen stond werd gespeeld op een lawn (grasveld) in de vorm van een vlinderstrik. Wingfield bedacht een kist met een complete uitrusting, waaronder behalve de rackets en de voorgeschreven witte kleding tevens een net en netpalen. Om het net op te kunnen zetten en de lijnen uit te leggen was een willekeurig stuk kortgeknipt gazon voldoende. In de praktijk kwam het er op neer dat de Engelse landeigenaren het tennisspel op hun eigen landgoederen gingen beoefenen. Doordat al ruim een eeuw croquet werd gespeeld op de landgoederen waren goed onderhouden grasvelden in voldoende mate aanwezig. In de officiële naam van Wimbledon, Wimbledon Lawn Tennis and Croquet Club, worden de twee sporten, tennis en croquet, nog steeds in een adem genoemd. De uitvinding van de grasmaaier en de produktie van rubber tennisballen waren van essentieel belang voor de verdere ontwikkeling van het tennisspel in de jaren die volgden.

Het lawn tennis sloeg goed aan bij de heersende elite, zowel in Engeland als op het vasteland. Na de Frans-Duitse oorlog van 1870 brak een tijdperk van relatieve rust aan in West-Europa dat zou duren tot de eerste wereldoorlog. De elite in landen als Engeland, Frankrijk en het nieuwe Duitse keizerrijk, was kosmopolitisch ingesteld. Met name de Engelsen reisden wat af, onder andere naar Biarritz en de badplaatsen aan de Côte d’Azur. Hun koffers met tennisuitrusting namen ze mee. Zo kon het nieuwe tennisspel zich in relatief korte tijd in de West-Europese landen verspreiden. Daarnaast werd het spel door de Engelsen geïntroduceerd in landen die tot het Britse Imperium behoorden – India en Australië -, waardoor het spel wereldwijd bekendheid kreeg.
De wortels van het lawntennis in Nederland liggen waarschijnlijk in Den Haag. Het spel kan via de contacten met Engelse diplomaten in Nederland geïntroduceerd zijn. Zoals Theo Bollerman in zijn boek over de Haagse tennisverenigingen aangeeft, is Rotterdam echter ook kandidaat voor de titel oudste tennisstad van Nederland. De oudste club in Nederland is vermoedelijk de Haarlemse Lawntennis Club, die uit 1885 stamt. Definitief uitsluitsel over welke stad die eer toekomst is tot op heden niet gegeven. Zeker is wel dat het lawntennis in Den Haag vanaf het begin aansloeg. In Den Haag werd ook de eerste overdekte tennishal gebouwd. De tennishal Marlot werd geopend in 1927.

Rond 1880 werd op het terrein van De Bataaf, een tot uitspanning omgevormde boerderij, reeds getennist en enige tijd later werd het bekende Leimonias opgericht. De eerste clubs waren uitsluitend toegankelijk voor de welgestelden. Zonder geld was het onmogelijk om een tennisbaan aan te leggen en te onderhouden. Overigens speelde men in de beginjaren voornamelijk op beton. Gravel werd pas later als bovenlaag toegepast. Echte tenniskleding bestond toen ook nog niet, al was witte kleding wel de trend. De dames bewogen zich in lange rokken over de baan en hielden hun hoed op. De sport was overigens vanaf het begin voor beide sexen toegankelijk, wat de beoefening ervan wel zo aantrekkelijk maakte.

Aan het eind van de negentiende eeuw was de populariteit van de sport inmiddels zo gestegen dat er behoefte aan een overkoepelende organisatie ontstond. In 1899 werd in het Poolsche koffiehuys in Amsterdam de Koninklijke Nederlandsche Lawn Tennis Bond, kortweg KNLTB, opgericht.
{mospagebreak}
De geschiedenis van het racket is een verhaal op zich.
Het woord zelf is, hoe kan het ook anders, afkomstig uit de Nederlanden. Vermoedelijk hebben de Engelsen van het werkwoord (ra)kaetsen hun eigen “racket” afgeleid. Dat er in de zestiende eeuw in de Nederlanden al rackets werden gebruikt is wel zeker. Deze rackets werden bespannen met zogenaamde “caetsdarm”. Ook voor dit woord zochten de Engelsen uiteraard een equivalent in hun eigen taal. In dit geval leidde dat echter tot een hardnekkig misverstand. “Caetsdarm’ werd namelijk in het Engels “catgut”: kattendarm. Zo ontstond het idee dat rackets met kattendarm werden bespannen, wat nooit het geval is geweest. De darm in kwestie is altijd afkomstig geweest van schapen. Maar leg dat maar eens uit aan een zestiende eeuwse Engelsman.

Inmiddels behoort ook de schapendarm tot het verleden. Wie wil er nog spelen met een bespanning die geen regenwater verdraagt? De Dunlop maxply, waar hele generaties tennissers mee zijn opgevoed, zie je bij tennissers hoogstens nog als reliek aan de muur hangen. Het houten racket is al jaren geleden verdrongen door kunststof. Voordat de huidige generatie midsize rackets de overhand kregen, werd nog wel met afwijkende maten en materialen geëxperimenteerd. Een van de eerste kunststof rackets, de Prince, leek aanvankelijk uitsluitend voordelen te hebben. Door het grote blad was het ineens een stuk eenvoudiger om de bal te raken, de terugslag op de arm was gering en door het lichtgewicht aluminium was het racket gemakkelijk hanteerbaar. Bovendien was het prototype door Amerikaanse natuurkundigen in het blad Scientific American aangeprezen. Een nadeel bleek echter dat de controle over de bal aanzienlijk verminderde. Uiteindelijk legde de “pannekoek” het dan ook af tegen conventionelere vormen.

Ook de slagtechniek onderging wijzigingen. Werd de bal vanouds vlak over het net geslagen, met de komst van lichtere materialen werden de mogelijkheden om de bal “iets extra’s” mee te geven aanzienlijk vergroot. Het tempo van het spel ging flink omhoog. Björn Borg was een van de eersten die de ballen met veel topspin over het net sloeg. Illustratief voor de snelle ontwikkelingen van de laatste decennia is dat spelers die een rustpauze inlassen, omdat ze geblesseerd zijn of opgebrand in het circuit van internationale toernooien, slechts met zeer veel moeite hun plaats in de hiërarchie van topspelers terug weten te vinden. De concurrentie van andere “hardhitters” is moordend.
 
Hoe het nu verder gaat? Wellicht zal in de toekomst uit het tennisspel weer een andere sport voortkomen, zodat we een nieuw verhaal over de geschiedenis van de sport kunnen schrijven. Voorlopig kunnen we echter nog wel even vooruit. De dynamiek van het moderne tennis zal er voorlopig wel voor zorgen dat de liefhebber bij de diverse Grandslams aan de buis gekluisterd zit, of beter nog, op de tribune plaatsneemt. Als je dan geluk hebt ben je getuige van een van de vele historische partijen die de tennisgeschiedenis inmiddels rijk is.
{mospagebreak}
Literatuur
Over de geschiedenis van het tennisspel is redelijk wat recente literatuur verschenen. Naar aanleiding van de tentoonstelling Gravel & Gras heeft Theo Bollerman een boek geschreven over de Haagse tennisparken. In dit boek wordt aandacht besteed aan de basis van het vaderlandse tennisverleden – bij De Bataaf – en wordt de geschiedenis van clubs als Leimonias en De Metselaars uit de doeken gedaan. Verder geeft het boek enige informatie over de beoefening van de sport door leden van het koninklijk huis en over het kaatsen. Uitgebreide informatie over de geschiedenis van het kaatsen is te vinden in de studie van Cees de Bondt met de fraaie titel: ‘Heeft iemand lust met bal, of met reket te spelen?’. Dat boek bevat veel gegevens over het kaatsspel, vanaf de 13e eeuw, en geeft details over beroemde kaatsers als Willem van Oranje en Frederik Hendrik, over kaatsbanen in Nederland, Frankrijk en Engeland en over de achtergronden van het spel. Het meest veelomvattende onderzoek naar het tennisspel staat op naam van de Duitser Reiner Gillmeister, dat in het Engels vertaald is als Tennis: a cultural history. In dit boek wordt veel aandacht besteed aan het kaatsen, maar wordt ook uitgebreid ingegaan op de terminologie die deels vandaag de dag nog gebruikt wordt. Daarnaast zijn er aparte hoofdstukken over de opvattingen over tennis in het verleden – onder andere van Erasmus -, over tennis in Duitsland en over de opkomst van het lawntennis.
 
Gravel & Gras: witte tenniskleding verplicht. Heden en verleden van de Tennisparken, de Clubs en de - Th. Bollerman (2003)
 
Heeft yemant lust met bal, of met reket te spelen?. Tennis in Nederland 1500-1800 - C.de Bondt (1993)
 
Tennis: a cultural history - H. Gillmeister (1998)
 
KNLTB: 100 jaar love en service, jubileumboek van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond - I. Guinau-Freeriks (1999)
 
Dat kaetspel ghemoraliseert (proefschrift) - J.A.R. Frederikse (1915)
 
Kaatsen in Friesland. Het spel met de kleine bal door de eeuwen heen - J.J. Kalma (1972)
 
Van Frankrijk naar Friesland. Kort historisch overzicht van 'ons' kaatsen - Pieter Breuker (2000)
 
Noot
De tentoonstelling Gravel & Gras, 500 jaar tennis in Nederland, vond plaats in het Haags Historisch Museum van 22 maart tot en met 22 juni 2003.
 
Links
{mosbookmarks:bm=727}
 
Bericht geplaatst in: artikel