STALIN EN ZIJN OMGEVING, EEN LEVEN VOL TERREUR

Geplaatst op 30 april 2005
Veel boeken over Stalin dateren uit de tijd dat de archieven van de SU nog gesloten waren. Montefiore kreeg toegang tot die archieven en vond daar memoires die nooit gepubliceerd waren.
De meeste boeken over Stalin dateren uit de tijd vóór 1990, toen de archieven van de SU nog gesloten waren. De Britse schrijver Montefiore ( 1 ) kreeg toegang tot archieven die in 1999 geopend werden, vond daar memoires die nooit gepubliceerd werden en kon dankzij de vrijere tijdsgeest in het Rusland van nu een stel mensen vinden die bereid waren om te getuigen: familieleden van Vlasik, Molotov, Alliloeyev en van Malenkov. Verder Nikolaj Babjakov, de enige nog in leven zijnde minister van Stalin. Verder sprak hij met directeurs van archieven en Russische specialisten op het gebied van de geheime dienst en van de terreur.
 
Zijn boek begint met een stamboom van de familie van Stalin, maar die bekijk je het best tijdens het lezen van de namenlijst op pagina 16 – 20, want anders is hij te ingewikkeld. De landkaart met de gebieden die in 1940-1945 geannexeerd werden, is wel duidelijk.
 
Dan tekent Montefiore een beeld van Stalin en zijn hof, d.w.z. zijn 20 belangrijkste medewerkers en hun families. We vernemen hoe zij leefden, met elkaar omgingen, heersten met ongeëvenaarde macht en wreedheid. Het is een kroniek, vanaf Stalins benoeming tot leider (1929) tot aan zijn dood in 1953. Het is ook een biografie van de hovelingen. Komen slechts ter zijde aan bod: zijn jeugd, zijn strijd met Trotski, de economische en buitenlandse politiek.
 
Sommige hovelingen waren al goed bekend in het Westen, met name Beria, Molotov, Chroesjtsjov. Hoewel ze overkwamen als weinig kleurrijk, waren het vaak flamboyante en dynamische persoonlijkheden, zoals blijkt uit hun privé-leven, correspondentie en liefdesbrieven. Ze werkten hard, maar fuifden er ook op los en dronken wodka zoals wij water drinken. Bijna allen verdienen het etiket “massamoordenaar”, want de moordpartijen waren het werk van de collectieve leiding, maar enkel Jezjov en Beria werden vervolgd en dan nog niet eens voor hun werkelijke misdaden.
 
Stalin zelf dan. Als we bijeensprokkelen wat Montefiore uitsmeert over ruim 600 pagina’s, dan komen we tot de volgende eigenschappen: autodidact, superintelligent met grenzeloze eigenwaan, rusteloos lezer van 20.000 boeken over geschiedenis en literatuur, beweerde dat hij soms 500 pagina’s per dag las, iemand die zijn naam en geboortedatum zelf bedacht had, een paranoïde man met vele gezichten, een ondoorgrondelijke sfinx, berekend maar onberekenbaar, geobsedeerd door afpersen, folteren en executeren. Zijn geliefde auteur was Boelgakov, Stalin hield van zijn satires op het sovjetsysteem, ging 15 keer naar zijn toneelstuk “De dagen van de Toerbins” kijken en beschermde hem tegen de censuur. Helaas waren er veel meer schrijvers die hij liet ombrengen omdat ze kritiek hadden op zijn persoon of beleid.
 
Stalin was niet geboren op 21 december 1879, maar op 6 december 1878, in Gori, een stadje in Georgië, op duizenden km van Moskou, dichter bij Bagdad dan bij St.-Petersburg. Het zonnige Georgië hoorde bij het Mongoolse Rijk in de late Middeleeuwen (13e – 15e eeuw), bij het Osmaanse Rijk (1510 – 1810) en was pas tussen 1810 en 1878 door Rusland veroverd. Stalin hield van zijn geboorteland. Zijn echte naam was Josef Vissarionovitsj Dzjoegasjvili. Ook van zijn medewerkers kennen we de schuilnaam beter dan de echte. Zijn vader was een drinkende, gewelddadige, rondtrekkende schoenlapper. Op het seminarie werd hij atheïst en daarom na 5 jaar weggestuurd (1899). Dan werd hij beroepsrevolutionair; hij geraakte aan geld door roofovervallen en diefstal. Hij bezocht partijcongressen in Finland, Praag en Londen. Als banneling maakte hij kennis met Siberië.
 
Na Lenin veroverde hij het Kremlin. Dit was een afgesloten paradijs met 4 meter dikke muren voor de gezinnen van de leiders. Zij woonden hier gedurende grote delen van het jaar met hun kinderen, als één grote familie, in ruime appartementen, in alle luxe en in groot contrast met het trieste lot van het volk. Het hof was een plek van decadentie, liefdesaffaires, eetfestijnen en drinkgelagen met liters cognac en wodka. Soms was Stalin zelf dronken, in oktober 1945 hield hij er zelfs een hartaanval aan over, maar vooral dwong hij zijn medewerkers en later ook zijn Oost-Europese vazallen te zuipen tot ze stomdronken waren.
 
De top van de nomenclatura had ook nog ruime herenhuizen en datsja’s (buitenverblijven), met alle comfort en veel personeel. Deze gebouwen lagen net buiten Moskou, in Stosji aan de Zwarte Zee, op de Krim en in Georgië. Ze zaten vol afluisterapparatuur en de potentaten mochten niet bij elkaar op bezoek gaan. Stalin zelf was eerder sober, maar zijn zoon Vasili pronkte met de duurste buitenlandse auto’s. Samen trokken ze op vakantie, per privé-trein naar het zuiden. Als ze de gordijntjes open deden, zagen ze dat boeren in Oekraïne omkwamen van de georganiseerde hongersnood.
 
Stalin maakte elke liefdesrelatie kapot, door ze op te offeren aan zijn politieke en messianistische ambities om een plaats te veroveren in de geschiedenis, zijn onbeschoft en weerzinwekkend wangedrag en door te flirten met andere vrouwen in het bijzijn van zijn eigen vrouw. Hij had namelijk keuze te over: vrouwen van kamerdienaars en bedienden zoemden om hem heen zoals verliefde bijen. In 1932 pleegde zijn eerste vrouw Nadja, de moeder van Svetlana, wanhopig zelfmoord. Van toen af verdubbelde zijn wreedheid. Iedereen had zoveel schrik van Stalin, dat hij tot 1934 slechts 1 à 2 lijfwachten nodig had en soms ook zonder bescherming door Moskou ging, voor de zeldzame keren dat hij zich vertoonde. Pas na de moord op Kirov ging hij zich meer beveiligen.
 
Verder was hij een groot-Russisch imperialist, die de Georgische bloedwraak meenam naar Moskou en zich omringde met veel niet-Russen: Georgiërs zoals Beria, Armeniërs zoals Mikojan en, hoewel hij antisemiet was, vooral joden: Kaganovitsj, Mechlis, Kamenev, Trotski, Zinovjev, Ilja Ehrenburg, zijn doctores Proskrjobysjeva, persoonlijke veiligheidschef Karl Pauker en dagboekschrijfster Maria Svanidze.
De minderheden die tijdens de tsaren soms vervolgd werden, waren nu oververtegenwoordigd in partij en regering. Joden kregen van Stalin de raad om Russische pseudoniemen te gebruiken, zeker bij artikelen in de Pravda. Stalin had “Mein Kampf” gelezen en wou Hitler niet op stang jagen.
 
Zijn hofadel wordt ook geportretteerd. Molotov was klein, ambitieus, getrouwd met een joodse, die directeur was van een bedrijf in schoonheidsproducten en na een bezoek van Golda Meir in 1949 door Stalin afgestraft werd. Molotov tekende het verdrag met nazi-Duitsland in 1939, hij schudde de hand van Hitler, Göring, Roosevelt, Churchill, Truman en vertegenwoordigde de Sovjet-Unie op veel conferenties in het buitenland.
 
Veiligheidschef Nikolaj Jezjov, organisator van de grote terreur in 1937-1938, bracht de nacht door met martelen in de Loebjankagevangenis, sliep dan ’s morgens en ging later op de dag verslag uitbrengen bij Stalin, met bloedspatten op zijn hemdsmouwen.
 
Beria liet hem ombrengen en volgde hem op. Hij was een Georgiër, meer precies een Abchaziër, speelde een tijdje in de nationale Georgische voetbalploeg en maakte de anderen wantrouwig door met Stalin soms Georgisch te spreken. Hij leidde de geheime dienst, was intelligent, gewetenloos, uitgesproken wreed, sadistisch, martelde soms ook zelf. Hij was seksueel aantrekkelijk en belust op avontuurtjes. Dames en meisjes die niet ingingen op de avances van dit op seks belust roofdier, ondergingen een zwaar lot. Hij hield ervan om nachtelijke folteringen zelf bij te wonen. Tegelijk was hij een liefhebbende echtgenoot. Hij en zijn vrouw leefden op veel grotere voet dan Stalin. Hij kon een week werken zonder te slapen. Macht, terreur en seks waren zijn drie sleutelwoorden. Vanaf 1943 had hij syfilis.
Na Stalins dood werd hij geliquideerd door Chroesjtsjov, want iedereen was bang voor Beria.
 
Mikojan was Armeniër, had net als Stalin voor priester gestudeerd, was een knappe en trotse figuur die Engels en Duits sprak. Hij overleefde tot in de tijd van Brezjnev. Beria was jaloers op zijn mooie kleren en amuseerde zich door rijpe tomaten in zijn nieuwe pakken te stoppen.
 
Ook de andere topfiguren krijgen hun portret. Vanaf de jaren dertig waren ook zij niet meer veilig. In 1931-1934 werden 10 miljoen Oekraïense boeren, met vrouwen en kinderen, omgebracht door uithongering. Alle graan werd opgeëist om hoogovens en tractoren te bouwen en om de boerenstand uit te roeien. 20.000 mensen kwamen om toen ze naar het Siberische Magnitogorsk werden verbannen om daar een industriestad te bouwen.
 
In 1934 werd Kirov vermoord in Leningrad, waar hij partijsecretaris was. De lijkkist werd gedragen door Stalin en co, mogelijk de opdrachtgevers van de moord. Huurmoordenaar Nikolajev werd gefusilleerd.
 
Van dan af tot 1938 en in mindere mate tot 1956 was de terreur verschrikkelijk en was niemand meer veilig. De sfeer in het boek verandert in die van een misdaadroman. In 1936 volgden showprocessen tegen de joden Zinovjev en Kamenev, in 1937 tegen Toechatsjevski, in 1938 tegen Boecharin. Stalin gaf zelf de opdracht om te folteren, dicteerde de woorden van procureur-generaal Vysjinski en de doodsoorzaak: “hartaanval”. Stalin had een sadistisch genot in de brieven waarin men hem om gratie smeekte, de martelingen en executies maakten hem blij.
 
Terwijl Hitler zich voorbereidde op de oorlog en Stalin daarvan op de hoogte was dank zij de beste spionagedienst van toen, ging hij verder met het uitmoorden van talentvolle medewerkers: 5 van de 15 van het Politbureau, 98 van de 139 van het Centraal Comité, 1108 van de 1966 afgevaardigden van het partijcongres, ruim de helft van de legertop. Ongeveer 400.000 bekwame mensen werden geëxecuteerd.
 
Stalin was het brein, de motor achter deze moordmachine, maar alle tenoren legden dezelfde genadeloze hardheid aan de dag bij de vernietiging van miljoenen koelakken en ook Molotov, Kaganovitsj, Vorosjilov, Zjdanov, Mikojan ondertekenden duizenden executies. Het moorden werd op dezelfde manier uitgevoerd als een vijfjarenplan.
 
Anderen zoals Chroesjtsjov rapporteerden met trots hoeveel mensen ze omgebracht hadden en vroegen of Stalin dat aantal voldoende vond. Al die moorden moesten de communistische revolutie ten goede komen. Stalin dacht dat het marxisme / leninisme enkel verwezenlijkt kon worden door de eliminatie van individuen. Hij heeft er dan wel heel veel geëlimineerd en heel goede.
 
Montefiore beweert dan nog dat Stalins wapen tegenover zijn medewerkers niet zijn terreur was, maar zijn charme en het schenken van “pakets”, geheime vergoedingen boven op hun arbeidersloon. Dit contrasteert wel sterk met de eindeloze gevallen van cynische wreedheid t.o.v. zijn slachtoffers. Gulle vrijgevigheid en willekeurige terreur gingen blijkbaar hand in hand.
 
Na het verslag over de terreur, volgt het relaas over de totstandkoming van het verdrag met Duitsland, de verdeling van de invloedssferen in Polen, de verovering van de Baltische staten en een stuk van Finland om Leningrad minder kwetsbaar te maken. De Finnen vochten dapper, ze verloren 48.000 manschappen, de Russen 125.000, maar de overmacht was te groot.
 
Stalin bewonderde Hitler en verwelkomde de Duitse delegatie met hakenkruisen. Het optreden van de Russen in Polen was nog wreder dan dat van de Duitsers. Eén miljoen onschuldigen werden gedeporteerd, duizenden werden gedood. De wereld keek toe. In Katyn schoot één beul, Blochin, 7.000 Poolse officieren dood in 28 dagen, met een Duits pistool, om later de schuld op Duitsland te kunnen schuiven.
 
Op 18 december 1940 besloot Hitler tot de operatie Barbarossa. 11 dagen later wist Stalin dit al, maar hij besefte dat zijn door hem onthoofd leger pas in 1943 klaar zou zijn. In april 1941 sloten Japan en de SU een niet-aanvalsverdrag. Japan besefte dat het na een nederlaag tegen de Russen, beter Britse en andere kolonies kon veroveren.
 
Op 22 juni 1941, dezelfde dag als Napoleon in 1812, viel Hitler aan. Stalin sliep in zijn datsja in Koentsevo, even buiten Moskou, maar niemand durfde hem te wekken. In juli 1941 werd zijn zoon Jakov krijgsgevangen genomen. Reactie van Stalin: hij had zelfmoord moeten plegen. De vrouw van Jakov werd gestraft met 2 jaar gevangenis.
 
Rond die tijd deed Stalin een eerste vredesvoorstel: Hitler kreeg Oekraïne, Wit-Rusland, Moldavië en de Baltische Staten. Maar de Bulgaarse ambassadeur gaf deze boodschap niet door aan Berlijn. Het tweede voorstel van 19 februari 1942 is al langer bekend; het kwam wel bij Hitler, maar deze was onverzadigbaar. Volgens Luc De Vos, (“De 2e Wereldoorlog”, p. 170) was de Kaukasus er ook bij en bood Stalin zelfs aan om samen met Hitler op te trekken tegen de geallieerden.
 
Op 1 oktober 1941 dreigde Moskou te vallen, maar een banket in het Kremlin ging gewoon door, terwijl men in Leningrad stierf van de honger. En ook de terreur ging onverminderd door: in 1941-1942 werden nog 1 miljoen mensen veroordeeld en 157.000 geëxecuteerd, o.a. een zus van Trotski, die in de gevangenis zat. Wolgaduitsers, Tsjetsjenen, Ingoezen en Krimtataren werden in groot aantal door Beria gedeporteerd naar Siberië en de bevolking onderging verschrikkelijke wreedheden. In oktober 1941 dacht men eraan om te evacueren uit Moskou naar Samara aan de Wolga, maar op 7 november ging de parade gewoon door, hoewel de Duitsers op 80 km van Moskou zaten.
In mei 1942 reisde Molotov naar Londen en Washington, om een tweede front en de erkenning van de grenzen te eisen. Hij kreeg een vage belofte van een tweede front en een waardevoller leen- en pachtverdrag. In Teheran werd dat tweede front opnieuw gevraagd.
 
Na de 2e Wereldoorlog hernam Stalin zijn terreur. De triomferende generaal Zjoekov en admiraal Koeznetzov werden vernederd, gedegradeerd, onteigend, verbannen. In 1950 werd Koeznetsov zelfs gedood. Ook Molotov en Mikojan werden tijdelijk gedegradeerd. In 1946 stierven dan ook nog 282.000 mensen door hongersnood, in 1947 waren dat er 520.000. Toch ging Stalin niet in op het Marshallplan.
Als eerste erkende hij Israël, maar toen dit land de zijde van Amerika koos, begon hij de Russische joden genadeloos te vervolgen. Deze zaten in het nucleaire project, waren arts, politicus, managers van de autofabriek ZiS.
Zijn medewerker Solomon Michoëls werd vermoord en de moordenaar kreeg de Leninorde. Toen Golda Meir in 1949 Moskou bezocht en met Polina Molotova praatte, moest Molotov van haar scheiden. De permanente antisemitische terreur duurde van 1949 tot 1953 en sloeg over naar Praag (Slansky e.a.). Genadeloze folterpartijen gingen de executies vooraf.
In 1950 had Stalin zijn enige ontmoeting met (de veel langere) Mao. Meteen was er ruzie over gebieden die China terug wou krijgen. Ze vochten wel samen met Noord-Korea tegen het zuiden, maar voor de rest was Mao iemand op wie Stalin weinig vat had, maar nog geen Tito, die door hem ter dood veroordeeld werd. Mao kreeg ook een slecht punt, omdat hij “Das Kapital” niet gelezen had.
 
Het overlijden van Stalin wordt door Montefiore zeer gedetailleerd (p. 593 – 602) en spannend verteld, maar zonder nieuwe feiten. De auteur meent dat Beria, Chroesjtsjov, Boelganin, Malenkov, Mikojan, Molotov en Kaganovitsj dit versneld hebben doordat ze 12 uur lang niet durfden in te grijpen toen Stalin een hartaanval kreeg.
Die angst was begrijpelijk, want kort voordien had Stalin zijn nieuwe lijfarts Vinogradov laten folteren, omdat hij hem rust had voorgeschreven. De bijgeroepen artsen mochten geen joden zijn. Zij trilden van de zenuwen en stelden een hersenbloeding vast.
 
Montefiore eindigt met een voorzichtige balans van de meedogenloze terreur: 20 miljoen mensen vermoord, 28 miljoen gedeporteerd naar de kampen van de Goelag.
 
Enkele opmerkingen: dit boek van 1,2 kg is enorm spannend, maar tegelijk vermoeiend door de monotone bladspiegel, het grote aantal intriges, de eindeloze details, de onbenullige fictieve dialoogjes, de vele namen en bijnamen (Braam, IJzerreet, ijzeren Lazar), het ontbreken van jaartallen bij de meeste data. De volgorde is deels chronologisch, deels chaotisch.
 
Montefiore kan schitterend observeren en tekent prachtige portretten van Stalin, zijn trawanten, hun vrouwen en kinderen, hun onderlinge relaties.
Hij leidt de lezer binnen in het Kremlin en in de datsja’s van de hoge heren. Maar hij had het minder anekdotisch moeten doen en zich meer moeten beperken tot relevante zaken.
 
De pagina’s met de foto’s zijn helaas niet genummerd; een woordenlijst met de verklaring van de Russische woorden zou handig zijn. De lijst met personen (p. 16 – 20) is onmisbaar om het verhaal te kunnen volgen; men had hem beter alfabetisch gemaakt i.p.v. opgesplitst in groepen.
 
De auteur gebruikt systematisch de minder bekende naam Tsaritsyn, zonder te vermelden dat het in 1925 omgedoopt werd tot Stalingrad en in 1961 tot Wolgograd. Bij Stachanov zegt hij niets over de fraude waardoor hij zoveel kon presteren.
 
De bibliografie is indrukwekkend; ze is thematisch i.p.v. alfabetisch en daardoor minder overzichtelijk; ik mis enkel de standaardwerken van Sebastian Haffner en Donald Rayfield en het in 2001 teruggevonden dagboek van Nina Loegovskaja ( 2 ) over de jaren 1932 – 1937.
 
Nina ( 1919 – 1993), haar moeder en haar twee zussen kwamen op de zwarte lijst, omdat hun vader de bevelen van de CP niet uitvoerde en naar Siberië werd verbannen.

Ze schrijft aangrijpend over de armoede, de angst voor de klop op de deur en haar afkeer van Stalin, “de ploert en vuile Georgiër die Rusland kapot maakt”. Ze is zo woest op Stalin, dat ze beweert hem eigenhandig te zullen doden. Ze was nog om een andere reden staatsgevaarlijk: ze was niet in staat te genieten van de voordelen van de Sovjet-Unie en in te zien dat het leven daar op bevel van Stalin beter was geworden. Ze vertelt ook over de vier soorten winkels in Moskou: twee met alle denkbare luxegoederen voor de nomenclatura, één voor buitenlandse toeristen, één voor de rode proletariërs. In deze laatste stonden enkel files op de dagen dat de voedselbonnen uitgedeeld werden.
 
De verboden passages werden door de geheime dienst onderstreept. Die strepen zijn bewaard in de vertaling; zo krijgen we niet alleen inzicht in het erbarmelijke alledagelijkse leven, maar ook in de motieven waarom de NKVD het gezin veroordeelde en naar Kolyma liet brengen, het ergste onder de Siberische strafkampen.
 
Het dagboek zat toevallig nog in de archieven van de KGB en even toevallig heeft de schrijfster nog geleefd tot 1993.
 
Al wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van Rusland en van de 20ste eeuw, moet deze boeken eens lezen.
 
Referentie:
 
1. Simon Sebag Montefiore, Stalin. Aan het hof van de rode tsaar. Uitgeverij Standaard, Antwerpen, 2004. 720 p. + 32 p. foto’s; bibliografie, register. ISBN 90 712 0605 X; € 40.
 
 
2. Nina Loegovskaja, Ik wil leven. Het geheime dagboek van een Russisch meisje tijdens het Stalin-bewind. Vertaald uit het Russisch. Uitgeverij Archipel, Amsterdam; WPG, Antwerpen, 2004. 400 p.; foto’s; ISBN90 6305 147 6; € 19,50.
Bericht geplaatst in: boekrecensie