FERDINAND DOMELA NIEUWENHUIS

Geplaatst op 1 januari 2004 door Marten Douma
Ferdinand Domela Nieuwenhuis was Nederlands eerste socialistische Kamerlid, van 1888 tot 1891. Hij was tot 1871 Luthers predikant, maar vertoonde ook toen al sociaal-politieke activiteiten.
Levensschets
Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) was Nederlands eerste socialistische Kamerlid, van 1888 tot 1891. Hij was tot 1871 Luthers predikant, maar vertoonde ook toen al sociaal-politieke activiteiten. Zo schreef hij bijvoorbeeld Sociale Brieven in de Werkmansbode, het blad van het Algemeen Nederlands Werkliedenverbond, de liberale en eerste Nederlandse arbeidersorganisatie.
 
In 1871 richtte hij Recht voor Allen op, het eerste socialistische blad in Nederland, dat snel bekend werd door zijn revolutionaire toon. Het weekblad werd hét propagandamiddel van de Sociaal Democratische Bond (SDB), door Domela Nieuwenhuis in 1881 gevormd uit allerlei lokale socialistisch-gezinde verenigingen.
 
In Friesland werd hij "ús verlosser" genoemd, waarschijnlijk door zijn charismatische, Jezus-achtige optreden. Daarbij hielp zijn predikantsvorming hem ongetwijfeld, in kennis (Bijbelse vertellingen) en vaardigheden (preken), hoewel hij zijn christelijke geloof al lang verloren had.
 
Zijn populariteit onder arbeiders had zijn keerzijde in de afkeer die hij opriep in andere kringen, die verheugd riepen "Domela moet zakkies plakken", toen hij in 1886 tot een jaar gevangenisstraf werd veroordeeld wegens majesteitsschennis. Dat gebeurde vanwege een artikel De Koning komt! in Recht voor Allen, dat hij overigens niet zelf geschreven had. Hij weigerde als redacteur echter de echte schrijver aan te geven. Pas in 1907 heeft Domela die onthuld in zijn gedenkschriften.
 
Toen hij in 1881 in de Tweede Kamer werd gekozen, voor het Friese distict Schoterland, ontmoette hij ook veel vijandschap: door de meeste Kamerleden werd hij volledig genegeerd. Toch heeft Domela Nieuwenhuis veel praktische en constructieve energie gestoken in zijn Kamerwerk. Zijn bekendste wetsontwerp is dat tegen de "gedwongen winkelnering". Dit was de praktijk waarbij veenarbeiders hun loon in de winkel van hun baas uitbetaald kregen in natura, tegen de prijzen die de baas vastgesteld had.
 
Ondanks zijn populariteit, Recht voor Allen kon in die jaren zelfs als dagblad verschijnen, wilde hij zich in 1891 niet herkiesbaar stellen. Met hem was de SDB steeds kritischer komen te staan tegenover de mogelijkheden van het parlementaire werk voor de arbeiders. De SDAP, in 1894 opgericht door o.a. Pieter Jelles Troelstra, beschuldigde hij van "streven naar staatsocialisme". Hij vergeleek die weg met die van het christendom, dat volgens hem ook zijn geestelijke kracht kwijtraakte toen het van "vrije gemeentes" veranderde in staatsgodsdienst. Ook op Lenins communisme reageerde hij al snel kritisch, na een kort enthousisame na de Russische revolutie van 1917.
 
Zelf schetste hij zijn levensweg als die Van Christen tot Anarchist, met de titel van zijn gedenkschriften uit 1910. Terwijl zijn praktische invloed sterk afgenomen was, ten gunste van die van de SDAP, bleek in 1919 de waardering die hij genoot onder arbeiders uit de indrukwekkende uitvaartsstoet.
 
{mospagebreak}
Mijn proces en veroordeling
Domela over zijn veroordeling in zijn gedenkschrift Van Christen tot Anarchist
 
Gelijk men weet, was het van oudsher af de gewoonte dat het koningspaar na Pasen altijd zijn jaarlijks bezoek aan de hoofdstad brengt en het volk zei daarvan altijd dat de koning zijn centen kwam halen. Nu had koning Willem III wel zo wat al het mogelijke gedaan om zijn populariteit bij het volk te verliezen. In binnen- en buitenland had hij zich een alles, behalve eervolle naam verworven.
 
Kort vóór dit bezoek in 1886 verscheen in Recht voor Allen een zeer onschuldig artikel: 'De Koning komt!', waarin een beetje spottend gesproken wordt over hetgeen de grote bladen zullen schrijven en liegen over de liefde van het huis van Oranje voor het Nederlandse volk en de geestdrift van genoemd volk voor zijn vorst. En dan wordt woordelijk gezegd: 'Maar waarom zoude men ook zoveel sympathie voor deze laatste Oranjevorst gevoelen? Door zijne handelingen? Maar wat ook de grote bladen zoeken en snuffelen, berichten van enig belang omtrent ZM. vindt men niet.
 
Wel wordt ons medegedeeld dat ZM. jonge vogeltjes heeft gekocht, ook dat hij grote wandelingen doet, een blakende gezondheid geniet en toch ieder jaar tot herstel van die blakende (?) gezondheid een lange kuur in een buitenlandse badplaats doet, dat hij de nieuwe paardenstallen in Baarn heeft geïnspecteerd en een gouden medaille aan de toneelspeelster Frenkel-Bouwmeester heeft gegeven; waarom zij juist die verdiende met achterstelling van zoveel andere verdienstelijke toneelspelers weet ik niet, ik heb haar nooit zien spelen, wel weet ik dat zij veel met heren speelt, somtijds met twee tegelijk, zij denkt zeker: jij doet maar of je laat het maar doen ... maar nimmer lezen wij: de koning gelast, dat eindelijk de herziening der grondwet flink zal worden aangepakt of Z.M. wenst aan het treurig verschil tussen herders en leraren der Hervormde Kerk te Amsterdam een einde gemaakt te zien; neen, niets van dat alles, slechts zinneloze en zouteloze berichten omtrent handelingen van Z.M., die noch eerbied, noch toewijding kunnen uitlokken voor iemand, die zo weinig van zijn baantje maakt.'
 
[...]
 
Nu was het gekke van het geval dat het artikel niet van mij was, maar van iemand, die zich ondertekend had W.J.(ansen) te Amsterdam. Dadelijk na de dagvaarding ging ik aan het onderzoeken en toen bleek het mij dat het opgegeven adres onjuist was en waar de naam Jansen zo algemeen voorkomt, daar is het onmogelijk een onderzoek in te stellen. In de correspondentie van het blad (no. 21) stond dan ook: 'W.J. te A. Uw stuk zal geplaatst worden, maar in het zaterdagnummer voor de komst van het personaadje. Verzoeken uw adres.' Echter daaraan is nooit gevolg gegeven.

Nu had ik mij wel aan de vervolging kunnen onttrekken door de rechter te zeggen dat ik de schrijver niet was, maar dan zou de uitgever Liebers ervoor zijn opgedraaid en dat vond ik onedel, want die had er toch helemaal geen schuld aan.
 
[...]
 
Op de vroege morgen na de uitspraak van mijn vonnis vervoegde zich bij mij een heer, die ik niet kende, maar die mij enigszins bedremmeld zei: Ik ben Bolnes en ik ben de schrijver van het stuk, waarom gij zo streng zijt gevonnist. Wat kan ik doen om de zaak in het reine te brengen? Ik antwoordde hem: Niets, het is nu te laat. Gij begrijpt toch als ik daar nu mee aankom, niemand het zal geloven, maar ieder het houden zal voor een doorgestoken kaart om mij te onttrekken aan de straf. In elk geval spraken wij af hier nog geen ruchtbaarheid aan te geven, want ik zou er dan toch eerst met mijn advocaat over spreken, hoe wij hiermee aan moesten. Maar hoe het lopen mocht, zei ik, gij moet zelf actief optreden en het verklaren, ik geef u nooit in der eeuwigheid aan.
 
[...]
 
Op 16 september kwam mijn zaak voor het Hof voor. Plotseling trad de zaak een nieuwe, een andere fase in, want als nieuwe getuige trad de heer Boelens op, die verklaarde de schrijver te zijn van het geïncrimeerde artikel. Men had de gezichten van die heren rechters eens moeten zien! Zij dachten mij zo zeker te hebben en nu zou ik hun nog ontkomen! Neen, dat kon niet, dat mocht tegen geen prijs.

Hierover ondervraagd, lichtte ik toe dat ik verklaard had de schrijver te zijn, omdat anders bij onbekendheid van de werkelijke schrijver ten gevolge onzer irrationele wetgeving een onschuldige, namelijk de drukker, zou zijn gestraft.
 
De advocaat bewees nu dat ik de schrijver niet was en vroeg dan ook schorsing der zitting aan. Fatsoenshalve gingen de heren in Raadkamer, maar men kon wel zien dat dit slechts voor de vorm geschiedde. Na enige tijd keerden zij terug en de schorsing werd niet toegestaan. Thans was dus weer het woord aan mijn advocaat, nadat het openbaar ministerie bevestiging van mijn vonnis had voorgesteld.
 
Het einde van het lied was dat het vonnis bevestigd werd en ik dus mijn jaar hield. De heer Boelens werd niet vervolgd wegens het afleggen van een meineed, wat toch de noodzakelijke consequentie had moeten zijn na mijn veroordeling. Zelfs trachtte deze een vervolging uit te lokken, maar men liet hem stilletjes praten.

Uit: Van Christen tot Anarchist; uitgave 1970, A.W.Bruna & Zoon
Bericht geplaatst in: artikel