GOLDHAGEN EN ANDEREN OVER DE HOLOCAUST

Geplaatst op 3 december 2002
Daniel Goldhagen zorgde voor veel opschudding en klopte allerlei verkoopcijfers. In zijn kielzog volgden enkele anderen, die gelukkig minder commotie veroorzaakten.
In 1995 was het vijftig jaar geleden dat er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog en aan de holocaust. Dat herdenkingsjaar zorgde voor een stroom aan publicaties. Het leek wel alsof nu eindelijk alles gezegd en geschreven was.

Het omgekeerde was bijna waar: de 37-jarige Amerikaans-joodse auteur Daniel Goldhagen zorgde voor veel opschudding en klopte allerlei verkoopcijfers. In zijn kielzog volgden enkele anderen, die gelukkig minder commotie veroorzaakten. We stellen ze even voor; we beginnen met de ophefmakende kassakraker van het voorbije jaar, om uiteindelijk in alle sereniteit te eindigen.

Goldhagen en het debat
Het boek van Goldhagen verscheen eerst in het Engels, daarna in o.m. het Nederlands, tenslotte ook in het Duits en andere talen. Het aantal paginas bedraagt resp. 622, 593, 730. De verklaring is de volgende: in de Nederlandse versie is het lettertype kleiner en is het register helaas zeer onvolledig. Twee voorbeelden: de woorden met de letter A en de letter C zijn gereduceerd van resp. 1 en 1,5 paginas naar telkens drie woordjes. We begrijpen niet waarom dit gebeurd is en we kunnen het alleen maar betreuren. De Duitse editie heeft nog een supplementair woord vooraf ter verantwoording (p. 5-13). In de tekst zelf zijn her en der ook enkele scherpe kantjes afgerond; een grondige vergelijking met de originele versie zou op zichzelf al een leerrijke vorm van historische kritiek zijn. Ze heeft als enige een bibliografie ( 687 - 708 ). In die lange bibliografie mis ik dan toch nog enkele toonaangevende werken: Berstein (Dictionnaire historique des fascismes et du nazisme), Frei (Medizin und Gesundheitspolitik in der NS-Zeit en Der Führerstaat. Nazionalsozialistische Herrschaft 1933 bis 1945), Gilbert (The Routledge atlas of Jewish history, The Dent atlas of the holocaust en The Dent atlas of the Arab-Israeli Conflict), Comay (Whos who in Jewish history), Wistrich (Whos who in Nazi Germany) en Wasserstein (Ideology of death.Why the holocaust happened in Germany en Der lange Weg zum Holocaust. Die Geschichte der Judenfeindschaft in Deutschland und Österreich). Maar voor de rest kunnen we de Duitsers benijden.

Ter zake nu. Wat leert Goldhagen ons? In hoeverre is dat nieuw vergeleken met vroegere studies van andere deskundigen? Harvard-socioloog Goldhagen poneert de volgende stelling: al sinds de vroege 19de eeuw heerste in Duitsland een racistisch antisemitisme, zowel in de politiek als in de maatschappij, dat nergens in Europa zijn gelijke vond. Het uitroeiingsprogramma van de nazis was het logische gevolg hiervan.
Hitler en de zijnen fungeerden enkel als uitvoerders van wat de grote meerderheid goedkeurde. Deze meerderheid leverde niet alleen de beulen, die de opdrachten van de nazis uitvoerden, maar ook enkel honderduizenden overtuigde moordenaars, die thuis modelvaders waren. Zij handelden niet onder dwang, maar met volle overtuiging, gedreven door hun vernietigend antisemitisme, dat de joden beschouwde als vleesgeworden duivels.

In het woord vooraf bij de Duitse editie, zwakt Goldhagen zijn stelling wel wat af: ondanks hun antisemitisme, waren de Duitsers niet van plan de joden uit te roeien. Dit gebeurde pas, toen het nazi-regime hiertoe besloot. En in andere landen met een sterk antisemitisme (Frankrijk, Polen, Oekraïne), ging men ook pas over tot moordpartijen, toen Duitsland die landen veroverde.

Terug naar de oorspronkelijke, niet-afgezwakte stellingen. Om deze te onderbouwen, neemt aanklager Goldhagen ons niet mee naar de gaskamers, waar abstracte technologie en gezag de dienst uitmaakten. Hij wil de lezer overtuigen met drie argumenten, alle drie vormen van persoonlijke betrokkenheid bij de misdaden.

De eerste vorm zijn de politiebataljons, met name bataljon 101. Hun "werkterrein" was vooral Oost-Europa, o.m. de Sovjet-Unie en Polen. De leden waren geen SS-ers, vaak hadden ze zelfs geen lidkaart van de partij (p. 189). Ze waren afkomstig uit alle lagen van de bevolking en uit alle streken van het Duitse Rijk. Vaak kwamen ze erbij, omdat ze ongeschikt waren voor militaire dienst. In totaal was deze ordepolitie in 1943, op zijn hoogtepunt, met 310.000, onder wie 132.000 of 42% reservisten (189). Vol overtuiging spoorden ze Poolse en Russische joden op, om ze dan eigenhandig en één voor één dood te slaan of dood te schieten. Goldhagen beschrijft deze bloedige moordpartijen met veel gevoel voor dramatiek.

Het tweede bewijs haalt hij uit de talloze werkkampen. Daar hadden Duitsers en joden langdurig contact met elkaar, maar toenadering bleef uit. Voor de Duitse bewakers primeerde hier zeker niet het economisch rendement. Je kunt ze dus niet vergelijken met bepaalde kampen in China of met vele van Stalin in Siberië, waar miljoenen bannelingen fabrieken en steden moesten bouwen; cf. Edwin Bacon, "The Gulag at war. Stalins forced labour system". De primaire bedoeling van de nazi-werkkampen was de fysieke uitroeiing van joden en andere slachtoffers. De joden kregen de wreedste behandeling, omdat ze het laagst stonden op de "rassenladder".

Het derde bewijs komt uit de macabere dodenmarsen. Toen het Rode Leger en de andere Geallieerden in het laatste oorlogsjaar in aantocht waren, dwongen de kampbewakers de uitgeputte gevangenen toch nog te vluchten. Himmler wou toen nog vlug enige goodwill opwekken bij de geallieerden en vroeg geen joodse gevangenen meer te doden. Maar de ijver om alsnog joden de dood in te jagen door ze naar zinloze bestemmingen te drijven , was groter dan de gehoorzaamheid aan het bevel.

Wanneer Goldhagen de optelsom maakt van alle methodes, komt hij tot de conclusie dat 40 % van de joodse slachtoffers buiten de gaskamers omgebracht zijn. Deze waren volgens de auteur enkel bedoeld om het moorden efficiënter en psychologisch gemakkelijker te maken. Hij illustreert met fotos en brieven van daders dat ze soms nog trots waren op hun "prestaties".

Terloops (419-433) vertelt hij er nog bij dat zowel de protestantse als de katholieke kerk, zowel verenigingen van juristen als van medici, zich onverschillig en passief toonden tegenover de vervolging en de uitroeiing van de joden. Hoewel enige nuancering hier niet slecht zou zijn, kunnen we tot dusver in grote lijnen akkoord gaan met Goldhagens betoog.

Wat zijn nu de verdiensten en wat de zwakke kanten? Een eerste verdienste is allicht dat zijn vlotte pen en de massale aaandacht van de media een enorm aantal mensen aan het lezen en aan het nadenken hebben gezet. Het uitspitten van de themas werkkampen en dodenmarsen deed hij bijzonder grondig. Zijn grote aantrekkingskracht ontleent het boek wellicht aan het feit dat de auteur het drama dat hij beschrijft, als het ware "vermenselijkt": de lezer wordt hier niet geconfronteerd met onpersoonlijke statistieken, ook niet met abstracte overheidsinstanties, maar met concrete daders, met een menselijk gezicht, die op weerzinwekkende wijze hun weerloze, menselijke slachtoffers vernietigen en dat tot op het laatste moment vòòr de overgave.

De zwakke kanten dan. De schrijver heeft nergens hinder van bescheidenheid. Zonder enige reserve, doen hij en zijn Amerikaanse uitgever alsof er voorheen door geen enkele historicus gewezen is op de schuld van zéér véle Duitse grootvaders. Het wetenschappelijk onderzoek van de voorbije decennia wordt hier zonder scrupules van tafel geveegd. We verklaren ons nader. Christopher Browning en Raul Hilberg toonden in 1992 al aan dat doodgewone mensen de moorden uitvoerden. Dezelfde Browning beschreef al in 1992 hetzelfde fameuze bataljon 101 en hun uitroeiingsactiviteiten in Polen. Goldhagen vernoemt Browning in zijn noten (p. 518 - 519 ), maar niet in de tekst (207 - 257 ), waartoe de meeste lezers zich beperken.

Dan is er nog de Amerikaanse historicus John Weiss (Ideology of death. Why the holocaust happened in Germany en Der lange Weg zum Holocaust. Die Geschichte der Judenfeindschaft in Deutschland und Österreich). Hij onderzocht ongeveer dezelfde vragen en kwam tot gelijkaardige conclusies; o.a. dat het diepgewortelde antisemitisme het pad naar de holocaust geëffend heeft en dat de nazis verder konden bouwen op een lange traditie.
Maar hij ontkent dat het antisemitisme zo erg was dat het al vòòr 1933 de uitroeiing tot doel had. Hij gaat ook dieper in op het kerkelijke antisemitisme, maar stelt ook hier dat het uiteraard geen moordplannen had. Blijkbaar had hij minder de bedoeling de lezers te schokken, te provoceren en te verontrusten. Als historicus had hij meer oog voor nuanceringen. Zijn boek kreeg dan ook niet de aandacht die het verdiende.

Trouwens, ook de Duitsers zelf verstoppen en verstopten hun verleden niet. In 1995 toonde een expositie in Hamburg de misdaden van hun soldaten in de Sovjet-Unie: fotos , brieven, dagboekfragmenten illustreerden ten volle dat niet enkel SS-ers, maar ook gewone soldaten zich schuldig maakten aan gewelddaden.

Het team van Guido Knopp redigeerde in 1996 een TV-serie voor ZDF / Duitsland II , genaamd "Hitler, een Balans". In januari-februari 97 zenden ze een reeks uit over "Hitlers Helpers", m.a.w. zijn topmedewerkers Hess, Himmler, Goebbels, Goering, Speer en Dönitz. In 1998 voltooien ze hun drieluik met "Hitlers Duitsers". Daarin komt uitgebreid de vraag aan bod, in hoeverre de Duitsers op de hoogte waren van en meewerkten aan de holocaust.

Op de vraag of hij hiermee wil reageren op Goldhagen, antwoordde Knopp: "We mogen de gevoeligste periode van onze geschiedenis niet overlaten aan Britse of Amerikaanse tv-makers. Het is onze eigen geschiedenis en we hebben de plicht om die zelf te belichten" ( Richard de Wijs , Deutsche Welle , Keulen , 13 jan. 1997).

En Duitsland heeft al veel langer een traditie van oprechte confrontatie met zijn verleden: er is al veel geschreven en gedebatteerd over dat verleden en alle serieuze buitenlandse boeken over de holocaust zijn in het Duits vertaald.

Het is ook moeilijk te bewijzen en te verdedigen dat het Duitse antisemitisme noodzakelijk moest uitmonden in de uitroeiing van de joden. Zon determinisme klinkt weinig historisch. Want bij de jodenboycot van april 1933 en de Kristallnacht van 1938 ging de bevolking niet over tot moordpartijen.

Goldhagen licht de holocaust ook uit de Duitse geschiedenis: hij kleedt alleen die periode uit en heeft geen oog voor de emancipatie van de joden in Pruisen (18° eeuw), het grote aantal joden die Bismarck adviseerden en bewonderden (o.a. Herzl, die zelf de joden op een eervolle wijze uit Europa wou loodsen), joden zoals Walter Rathenau, die een rol speelden in de Eerste Wereldoorlog en in de Weimarrepubliek, de vele joden die floreerden in het Duitse culturele leven en evenmin voor de beroerde economische en politieke omstandigheden waarin het nationaal-socialisme aan de macht kon komen.

Wellicht doet het niet ter zake, maar de gedrevenheid van de auteur kan misschien ook ten dele verklaard worden door zijn bewondering voor zijn vader en leermeester, Erich Goldhagen, die als jood maar net ontsnapte aan de holocaust in de Oekraïne.

Nog drie details:

a) de leden van de politiebataljons waren voor een deel mensen die niet geschikt waren voor ander werk. Men kan zich voorzichtig afvragen of ze dan echt representatief zijn en of die "ongeschiktheid" hun optreden enigszins beïnvloed heeft.
Een ànder deel meldde zich aan om joden te bewaken, zelfs tijdens de zinloze dodenmarsen. Martin Gilbert, niet meteen een verdediger van hun optreden en zeker geen tegenstrever van Goldhagen, laat 732 jonge joodse overlevenden getuigenissen afleggen en hun individuele ervaringen vertellen; daarbij geeft een verklaring voor de ijver van die Duitsers om dit werk te krijgen: ze deden alles om toch maar niet als soldaat naar het dodelijke Oostfront gestuurd te worden.

b) Goldhagen vertelt zelf dat de uitgeputte joden tijdens de dodenmarsen voedsel en drank aangeboden kregen van Duitsers langs de weg en dat die Duitsers daarmee zelfs een straf riskeerden. Onbewust geeft hij dus toe dat er naast de sadistische ook nog "andere" Duitsers bestonden.

c) In plaats van over "zes miljoen" slachtoffers ( o.m. p. 8 ), spreekt men al lang over ca. 5,2. Maar dit vermindert de ernst van de misdaden niet.

Goldhagen werd ook uitgenodigd om in Duitsland te komen spreken. Hij werd er hoffelijk ontvangen.

Julius Schoeps (Ein Volk von Mördern. Die Dokumentation zur Goldhagen-Kontroverse um die Rolle der Deutschen im Holocaust), professor in Potsdam, zelf jood en en een autoriteit op het gebied van joodse studies, verzamelde de reacties op het boek van Goldhagen. 32 toonaangevende figuren uit Duitsland, de Verenigde Staten en Israël komen aan het woord . Onder hen bevinden zich de hierboven genoemde Christopher Browning en Norbert Frei ; verder ook Elie Wiesel en andere bekende joden.

Browning (118-124) legt uit in welk opzicht hij het eens is met Goldhagen en waarin ze van standpunt verschillen. Ze zijn het eens over het grote aantal gewone Duitsers dat aan de massamoorden deelnam en over de grote mate van vrijwilligheid. Ze zijn het oneens over de verklaring van de motieven voor de deelneming en voor die vrijwilligheid. Behalve kritiek op zijn methode, krijgt Goldhagen ook veel lof, o.m. om zijn durf om een delicaat onderwerp zo ongenadig aan te snijden. De kritiek op zijn methode richt zich m.n. op de vraag die Browning ook suggereert: in hoeverre is het mogelijk de motieven van een volk te achterhalen? Het is al zo moeilijk om de drijfveren van één persoon te doorgronden.
En als je àlle daders éénzelfde motief aanwrijft, nl. een allesoverheersend uitroeiingsantisemitisme, zou je kunnen stellen dat dit hun gedrag zo sterk conditioneerde, dat geen enkele Duitser nog de volle verantwoordelijkheid voor zijn individuele daden droeg. Bovendien zijn er gevallen bekend van invloedrijke nazis zoals Werner Best: hij beging ook wandaden, maar hij ontsloeg zijn joodse tolk niet en hij zorgde ervoor dat de 8.500 Deense joden grotendeels de oorlog overleefden. De auteur van zijn biografie , Ulrich Herbert (Best. Biografische Studien über Radikalismus, Weltanschauung und Vernunft, 1903 - 1989), is ook medewerker aan het boek van Schoeps (p. 214 - 224). Hij poneert dat vòòr 1933 altijd een minderheid van de Duitse bevolking antisemiet was (218 - 219 ) en dat de joden in Duitsland bleven omdat ze hun hoop stelden op de meerderheid die dat antisemitisme afwees. Hij geeft wel toe dat bij universiteitsstudenten het antisemitisme hoog scoorde: men wou quota voor de joden, men wou ze uit Duitsland, maar er was geen sprake van uitmoorden. Het moorddadige karakter had dus geen traditie van een eeuw (224), maar ontstond pas in de herfst van 1941 (220) tijdens de tocht in Rusland.

De naoorlogse Duitsers krijgen ook lof: al sinds 1949 (p. 52) worden antisemitische uitlatingen streng gestraft; de joden krijgen in Duitsland meer carrièrekansen dan waar ook.

Het boek van Schoeps oogt saai: het is één doorlopende tekst, zonder kaarten, fotos , tabellen of schemas. Het grote publiek zal er niet voor warm lopen, de echte geïnteresseerden zullen het des te meer appreciëren.

We sluiten het thema Goldhagen voorlopig af met een krantenbericht (DS, 26.11.96): geleerden uit Europa en de Verenigde Staten, komen deze week bijeen in Parijs om de holocaust opnieuw onder de loep te nemen, nu vele archieven na 50 jaar vrijkomen. Vooral in het voormalige Oostblok liggen nog tonnen documenten te wachten op onderzoek. Dit moet ernstig gebeuren, zonder "Amerikanisatie, sensatiezucht en emotionele benadering", drie eigenschappen die de Franse historicus André Kaspi m.n. aan Goldhagen verwijt.

In het kielzog van Goldhagen, signaleren we nog enkele andere interessante boeken over de positie van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust.

Het Madagascarplan
Het Madagascarplan is een zeer gedetailleerde studie van V.U.B.-historicus Hans Jansen (Het Madagascarplan. De voorgenomen deportatie van Europese joden naar Madagascar). Het denkbeeld dat joden niet in Europa thuishoorden, was al eeuwen oud. Al in de Middeleeuwen en tijdens de Reformatie leefde de idee om hen te verwijderen. Theodor Herzl, in Parijs werkzaam tijdens de Dreyfus-affaire, concludeerde dat het antisemitisme in Europa onuitroeibaar was en pleitte in "Der Judenstaat" (1896) voor een territorium. Hij onderhandelde met de Duitse keizer, de Ottomaanse sultan, de tsaar, de paus en de Engelsen. Elke plek was voor hem goed, het zou het Engelse Uganda worden, maar zijn achterban eiste Zion.

Vanaf 1937 duikt de Franse kolonie Madagascar op als oord van bestemming. De Polen (p. 129 ) onderhandelden als eersten met Frankrijk, nadat zij in 1926 en de Japanners in 1927 al een poging gedaan hadden om hun overschot aan boeren naar daar te laten vertrekken. In 1937 was de Franse regering bereid het eiland ter beschikking te stellen (103) .

Van 1938 tot einde 1941 hield de nazi-top er zich mee bezig: Eichmann, Frank, Goebbels, Goering, Heydrich, Himmler, Hitler, Von Ribbentrop, Rosenberg, Schacht: allen hebben erover vergaderd; Schacht had zelfs de kostprijs berekend.

De Britse regering was sinds juli-sept. 41, via gedecodeerde rapporten, perfect op de hoogte van de jodenmoord in Wit-Rusland en Oekraïne; zie DS Magazine, 10.01.97; ondanks de Balfour-belofte van 1917, dacht ook zij aan Madagascar: het stond meermaals op de politieke agenda in 1941, 1942, 1943 en zelfs nog in 1946 (p. 359 + 379). Het Vaticaan zou het plan indirect goedgekeurd hebben in 1943 (359 + 374). En op het einde van de oorlog ontstond er zelfs een joods Madagascar-plan (375 - 378).

Het is dan ook vreemd dat er over de Tweede Wereldoorlog al meer dan 100.000 boeken verschenen zijn en dat dit letterlijk de eerste monografie over dat plan is. De voornaamste verklaring is wellicht dat alle opstellers van zulke plannen er nadien zeer verlegen mee zaten en ze ijverig opgeborgen hebben. Dit boek ontleent zijn belang niet enkele aan het feit dat het het eerste en het enige is, maar nog meer aan het feit dat Jansen aantoont dat het plan minstens tot in 1941 volle ernst was: het fungeerde dus niet als dekmantel voor de uitgevoerde Endlösung, zoals tot nu toe aangenomen werd.

Na de verovering van Frankrijk (juni 1940), wilde Hitler Engeland voor zijn plan winnen.
Pas toen de Engelsen niet bereid waren tot onderhandelen, toen ze bovendien in 1941 Madagascar bezetten en de verovering van Oost-Europa nog eens miljoenen joden "opleverde", gaf Hitler zijn plan op. Ook de Britten namen hun plannen au sérieux, maar het is niet duidelijk waarom het nooit tot een begin van uitvoering kwam.

De studie van Jansen is niet altijd even ordelijk gestructureerd, maar hieraan wordt verholpen door een indrukwekkend chronologisch overzicht van vijftig paginas en van 166 jaar (1780 - 1946 ; p. 429 - 479). Verder is ze zeer gedetailleerd en voorzien van veel literatuur.

Wat verder ook nog onduidelijk blijft en ook moeilijk te achterhalen is, zijn de intenties van de plannenmakers: beschouwden zij het zuiderse eiland als een positief alternatief, als een veilige haven of als iets negatiefs, als een verre plek waar men een ongewenste bevolkingsgroep definitief kon dumpen?

Tussen p. 96 en 97 staan reproducties van antijoodse spotprenten uit de periode 1898-1943. De tekenaars komen uit Frankrijk, Oostenrijk, Polen, Zweden, Joegoslavië, Nederland Duitsland. Samen met de diverse Madagascarplannen tonen ze aan dat het antisemitisme geen uitsluitend Duits fenomeen was en in die zin vormen zowel de prenten als de plannen een lichte tegenhanger voor de zware aanklachten van Goldhagen.

Psychologie van de menselijke wreedheid
Dat wreedheid ook niet beperkt is tot bepaalde volkeren of individuen, toont ons de monografie van Jan de Laender(Het hart van de duisternis. Psychologie van de menselijke wreedheid). Hij poneert a)dat élk van ons tot wreedheden kàn overgaan en b)dat we zelfs een gevoel van onschuld kunnen behouden, als we de verantwoordelijkheid voor die wandaden kunnen doorschuiven naar personen die hiërarchisch boven ons staan. De Laender onderzoekt het gedrag van Hitler, de judeocide, depsychologie van de gehoorzamers, het fameuze reservebataljon 101, de psychologie van de slachtoffers. Churchill en zijn bommenwerpers krijgen eveneens een portie pittige kritiek. Daarna trekt hij naar de kerngeleerden in Los Alamos en naar Vietnam-veteranen. De beschrijvingen van de uitroeiingskampen, de gaskamers en de crematoria, gebeurt zo indingend dat gevoelige lezers er onwel van kunnen worden. Anderen daarentegen zullen het boek in één adem verslinden.

Op de vraag waarom de gevangen Oekraïeners, Polen, Litouwers en joden zelf vaak het "werk" opknapten onder toezicht van een klein aantal SS-ers en waarom ze als overweldigende meerderheid niet in opstand kwamen tegen die minderheid, antwoordt de auteur dat ze zichzelf nauwelijks nog mens voelden, zich waardeloos vonden, soms zelfs een afkeer gekregen hadden van zichzelf.

Toch een paar bedenkingen: het is moeilijk uit de beschreven wreedheden de conclusie te trekken dat àlle mensen in de gegeven omstandigheden tot wreedheden zouden overgaan. Misschien is het toch verstandiger de holocaust te beschouwen als een eenmalig verschrikkelijk drama i.p.v. als een gebeuren dat voor herhaling vatbaar is. In zijn bibliografie citeert De Laender enkel de oorspronkelijke editie, ook als er een Nederlandse vertaling bestaat, wat vaak het geval is (Browning, Gilbert, Hilberg etc.).

We sluiten de wreedheden van de shoah voorlopig af door te wijzen op twee publicaties over de personen die zich nog altijd geroepen voelen om de jodenmoord te ontkennen.

Ontkenning van de Holocaust
Stijn Vanermen (De ontkenning van de jodenuitroeiing. Het negationisme en de invloed ervan op extreem-rechts in België) geeft eerst een heldere samenvatting van de negationistische stellingen: 1)De uitroeiing en de gaskamers hebben nooit bestaan; 2)De Endlösung betekent de verplaatsing van joden naar het oosten, waar ze tewerkgesteld werden; 3)De joodse slachtoffers kwamen enkel om door epidemieën, ondervoeding en bombardementen van de geallieerden; 4)Die bombardementen waren even erg of erger dan de Duitse gruweldaden; 5)Er bestaat geen bewijsmateriaal voor opzettelijke uitroeiing van joden; 6)Bij de processen van Neurenberg werd er gefolterd; de rechters waren joden of communisten of stonden onder hun invloed; 7)De uitroeiing is een joods verzinsel, met als doel de joden te verrijken en een joodse staat te krijgen ten koste van de Palestijnen .

Vanermen werkt deze stellingen verder uit en voegt er nog een achtste aan toe (Het dagboek van Anne Frank is een literaire leugen). Deel II is dan de opsomming van clubjes en tijdschriftjes in Vlaanderen en in Wallonië die zich bezondigen aan negationisme. Lees- en kijkcijfers ontbreken; men kan zich afvragen hoe (weinig) representatief ze zijn. Het Vlaams Blok wordt met de vinger gewezen, maar de schrijver geeft toe dat de partij het negationisme afwijst. Het eerste deel is alleszins boeiender dan dit tweede.

Dan is er nog de bundel van Georgi Verbeeck (De verdwenen gaskamers. De ontkenning van de holocaust), waaraan o.m. holocaust-specialist Gie van den Berghe meewerkte. De auteurs maken zich grote zorgen over de ontkenners van de holocaust in België, Nederland, Frankrijk en Duitsland. Ze reiken de lezer genoeg intellectuele bagage aan om de argumenten van de aanvallers te weerleggen. Men kan zich bij dit alles de vraag stellen of die geschriften (van b.v. Siegfried Verbeke) niet meer papier verslinden dan lezers overtuigen. Ik heb alleszins nog nooit gehoord of gelezen dat een leraar geschiedenis in Vlaanderen of Nederland ze als lesmateriaal doceert.

De besproken titels

Daniel Jonah Goldhagen, "Hitlers willing executioners. Ordinary Germans and the holocaust." (New York en Londen 1996).

Hans Jansen, "Het Madagascarplan. De voorgenomen deportatie van Europese joden naar Madagascar." (Den Haag en Antwerpen 1996).

Jan de Laender, "Het hart van de duisternis. Psychologie van de menselijke wreedheid." (leuven 1996).

Stijn Vanermen, "De ontkenning van de jodenuitroeiing. Het negationisme en de invloed ervan op extreem-rechts in België." (Brussel 1996).

Georgi Verbeeck, "De verdwenen gaskamers. De ontkenning van de holocaust" (Antwerpen 1997).
Bericht geplaatst in: boekrecensie