DUITSLAND IN DE TWINTIGSTE EEUW

Geplaatst op 30 december 2002
1999 is een belangrijk jaar voor China, de NAVO, de BRD en de ex-DDR. Ze hebben allemaal iets te vieren, maar de feeststemming is niet overal even groot.
1999 is een belangrijk jaar voor China, de NAVO, de BRD en de ex-DDR. Ze hebben allemaal iets te vieren, maar de feeststemming is niet overal even groot. NAVO en BRD bestaan sinds april/mei vijftig jaar, China is zover in oktober en de DDR maakt bijna tien jaar deel uit van de eerste twee.

Het verleden, m.n. het nazisme, de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog speelden een belangrijke rol in en lagen aan de oorsprong van beide Duitse staten. En met dat verleden hebben ze ook lang geworsteld. Maar dat belet niet dat het succes van de BRD al vijftig jaar duurt, langer dus dan het tweede keizerrijk (1871–1918) en langer dan het “duizendjarige" Derde Rijk (1933–1945). En bij de NAVO was de interventie in Kosovo een factor die een domper zette op de feestvreugde.

Ook het recente verleden is in Duitsland nog niet verwerkt: de hereniging, het moeizame aanpassingsproces van de Ossi"s aan “West is best". Nu is er de machtswissel Kohl–Schröder, de toenemende rol van Duitsland in de Europese Unie en in de wereldpolitiek.
De viering gaat ook gepaard met de grootscheepse verhuis van president, regering, parlement, administratie uit het provinciestadje Bonn en van de ambassades uit het nabije residentiële Bad Godesberg naar de wereldstad Berlijn, de vroegere en nu de nieuwe hoofdstad. Prijskaartje: 400 miljard BF. De werken aan de luchthaven Schönefeld, goed voor 120 miljard BF en al een fraudeverdenking ten laste van bouwgroep Hochtief uit Essen, zijn het grootste Europese infrastructuurproject sinds de Kanaaltunnel.

Wereldstad Berlijn, een gids voor vrienden
Dit gaf al aanleiding tot een nieuwe stadsgids voor Berlijn, waarin de nieuwe bouwwerven en gebouwen door In "t Hof en Slotboom beschreven worden en de vroegere bestemmingen van bestaande gebouwen toegelicht worden (Wereldstad Berlijn, een gids voor vrienden). Deze selectieve reisgids is bedoeld voor wie interesse heeft voor het Berlijnse verleden in het algemeen, voor bouwkunst, voor de sporen van de Muur en van andere DDR-monumenten, voor overblijfselen van het joodse verleden, voor culturele activiteiten die er nu plaatsvinden en vooral voor de erg kordate wijze waarop de DDR- erfenis omgetoverd wordt in BRD. De kritische auteurs kennen de stad en haar geschiedenis, soms gaan ze terug tot in de Pruisische 17° eeuw en ze tonen ook unieke foto"s van de afbraak van de Muur en van gebouwen die destijds door de Treuhand te koop werden aangeboden.

Op 23 augustus 1999, toevallig op de zestigste verjaardag van het duivelspact tussen Hitler en Stalin, neemt kanselier Schröder met genoegen zijn intrek in Berlijn, want hij houdt niet van het kleine Bonn. Op 30 augustus wordt Berlijn de officiële zetel van de nieuwe Bondsregering en op 8 september houdt het parlement er zijn eerste geregelde zitting, na de openingssessie van 19 april.

N.a.v. dit halve- eeuwfeest en van de grootste verhuis in de Duitse geschiedenis, verschenen er nogal wat historische en politiek-maatschappelijke boeken. We stellen onze selectie hier beknopt voor. De meeste zijn Duits- of Engelstalig. De Nederlandse en Vlaamse publicaties of vertalingen verschenen grotendeels al in 1996–1998 of werden hier al besproken. We roepen ze nog even op in de herinnering.

Moderne geschiedenis van Duitsland, 1800 – 1990
Frits Boterman schreef een boeiende en kritische synthese van twee eeuwen opgang, overmoed, vallen en opstaan. Alleen zijn kaarten en foto"s laten te wensen over: ze zijn mat, sober, vaag. Zijn chronologie loont de moeite: 33 pagina"s! Er zijn ook weinig boeken waar je de uitslagen van de Duitse verkiezingen in procenten en zetelaantallen aantreft van 1871 tot 1994! Het register bevat zowel personen als zaken, maar is niet compleet: de blokkade en de luchtbrug staan er b.v. niet in.

De Duitse phoenix: de geschiedenis van Duitsland in de twintigste eeuw.
Dezelfde Frits Boterman en collega Willem Melching maakten nog een aparte studie van Duitsland in de twintigste eeuw: eerst diepgravende beschouwingen over het Derde Rijk, met name over de gecompliceerde besluitvorming, die blijkbaar niet zo keurig vooraf al vastlag en waarbij planning, improvisatie en radicalisering naast elkaar bestonden. Daarna volgde de snelle wederopbouw, mede dank zij het Amerikaanse Marshallplan, want de Fransen en de Sovjets opteerden voor revanche, uitbuiting en klein houden van de vroegere vijand en van hun zone. Behalve een economisch wonder, was er ook een politiek: ondanks de zachte aanpak van de denazificatie, werd Duitsland onder de Pax Americana een modeldemocratie, met staatslieden die overal gerespecteerd werden: denk maar aan Adenauer, Brandt, Schmidt, Kohl. Deze laatste krijgt (ook van beide Nederlanders) veel lof, omdat hij tijdens de eenwording een moeilijk te beheersen proces, waar velen bang van waren, in goede banen wist te leiden. Duitsland hield zijn successen ook niet voor zich: het werd de locomotief van de Europese eenmaking en de grote sponsor van vele Oost-Europese staten.

Het Duitse dilemma. De rol van het nieuwe Duitsland in de 21ste eeuw
Andrei Markovits en Simon Reich doceren aan Amerikaanse universiteiten. In hun vertaald werk vragen ze zich af of Duitsland nu met de verhuis van het bescheiden Bonn naar het trotse Berlijn ook voor een dilemma staat: klein blijven, d.w.z. de reële economische macht niet uitoefenen, zoals het tot nu toe deed, óf méér macht gaan opeisen in Europa en op wereldvlak (64 – 97, 240 – 244). In januari 1992 was Duitsland er wel erg snel bij geweest om de onafhankelijkheid van Slovenië en Kroatië te erkennen: het wachtte toen niet op de E.U. Maar voor de rest bleef het de koers van de E.U. volgen. En de constructie van de 230 meter hoge glazen Reichstag-koepel werd toch toevertrouwd aan een Brits architect (Norman Foster) en de in juli 1999 aangeboden post van NAVO-secretaris-generaal werd beleefd afgewezen, wellicht om kritiek te voorkomen. Economisch staat het veel sterker dan eender welk Europees land en het aandeel in de financiële reserves van de wereld steeg van 9% in 1975 naar 19% in 1989.

Markovits en Reich peilden ook in vele Europese landen naar de meningen over Duitsland. België krijgt hierbij een veegje uit de pan: volgens de auteurs berust ons landje erin dat het in de schaduw van Duitsland leeft en dat het onbeduidend is (120–121). Nederland daarentegen stelt zich arrogant op: de meesten, zeker de jeugd en de linkerzijde, willen maar niet beseffen hoezeer hun economie afhankelijk is van de “N.V. Duitsland"; ze blijven de Duitsers wantrouwen, afwijzen en minachten (121-125). Een groot aantal tabellen (p. 195–215) bewijzen de grote economische macht van Duitsland: enkel qua toerisme is Frankrijk belangrijker.

Ver paradijs. Een tocht door het nieuwe Duitsland
Jacques Schmitz is journalist voor de VARA en Het Parool; hij woont sinds 1993 met zijn Oost-Duitse vrouw in Oost-Berlijn. Daardoor heeft hij begrip voor de gekwetste gevoelens van de Ossi"s. Hij portretteert vooral de ex-DDR, zoals ze nu is sinds de eenmaking. Hij maakt een mistroostige balans op van de Neue Länder na de Wende en ziet vooral de negatieve kanten: gedwongen teruggave van huizen aan vroegere West-Duitse en soms joodse eigenaars, xenofobie, antisemitisme, Russische maffia, drama"s in families en in vriendenkringen na de opening van de Stasi-archieven, waar ook Schmitz een dossier bleek te hebben. De Ossi"s delen nog lang niet in de feestvreugde : worstelend met de dubbele last van nazisme en stalinisme, verlegen als ze zijn om veertig verloren jaren en nu levend met een gevoel van nog geen volwaardige Duitsers. De sociale kloof is nog lang niet gedicht, de bevolking neemt sneller af dan waar ook in de E.U., de werkloosheid schommelt rond de 20%, bepaalde wijken van Oost-Berlijn lopen leeg, vanuit de luchthaven Schönefeld (zie Wereldstad Berlijn, een gids voor vrienden) kun je wel rechtstreeks naar ex-DDR-vriend Noord-Korea vliegen, maar nog niet naar New York.

De reportage van Schmitz weegt een stuk lichter dan de andere studies, maar is zeker niet minder onthullend. Zijn pocketje is prijzig, want de omvang van zijn verzameling impressies is erg beperkt, het is min of meer een reproductie van zijn radiopraatjes en krantencolumns en er staat geen enkele foto of andere illustratie in. Er zijn nogal wat gelijkenissen met de nog hardere aanklachten van Daniela Dahn (Vertreibung ins Paradies. Unzeitgemässe Texte zur Zeit.): deze Oost-Duitse schrijfster (1949) werkte tot 1981 bij de staatstelevisie en maakte tot dan toe ook deel uit van het systeem; dan werd ze ontslagen en werd ze schrijfster, medeoprichter van de burgerbeweging “Demokratische Aufbruch", actief in de volksopstand van 1989.

Ze klaagt bitter over het gebrek van respect van de West-Duitsers, die hen geen paradijs bezorgden, die geen begrip opbrachten voor de mentaliteit van mensen die gewoon waren aan werk voor iedereen, gemeenschappelijke eigendom, gelijke sociale kansen, allerlei zekerheden maar die ook beseften dat ze hun systeem compleet mislukt was en dat het veertig verloren jaren waren.

Ze rekenden nu op meer democratie en meer vrijheid, niet op werkloosheid, individualisme, onteigening van hun woningen, uitverkoop van hun staatsbedrijven, gelijkschakeling van DDR-mensen met Stasi-verklikkers en dopinggebruikers. Door haar provocerende stijl en marxistische denktrant, die te weinig nuances vertoont, merkt de lezer alleszins dat de tragische muur door hoofd en hart pas bij de jongere generatie zal verdwijnen. De echte Muur, die volgens recent onderzoek samen met de andere grensversperringen 943 doden veroorzaakte i.p.v. 267, stelt het minder goed: er blijven nog maar 2,5 km over van de 144; die 2,5 wil men dringend gaan beschermen tegen verdere afbraak en plundering.

Kleine Deutsche Geschichte en Germany. A new history
De (andere) buitenlandse publicaties dan, waarvan nog maar een minderheid vertaald is. Hagen Schulze is professor in Europese geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Hij slaagt er vrij goed in de essentie van de Duitse geschiedenis vanaf de Romeinse tijd tot 1990 samen te vatten in één compact boekje. Het leest en oogt aangenaam: daarvoor zorgen de 122 zeer gevarieerde afbeeldingen uit het Duits Historisch Museum: schilderijen, karikaturen, affiches, kaarten, grafieken, tabellen . Vooral voor de periode 1919 – 1945 heeft Schulze een schitterende keuze gemaakt.

Opvallend is ook de nederigheid van de auteur: de Duitse geschiedenis heeft haar oorsprong niet in de Germaanse oerwouden, maar in Rome. Binnen de Romeinse imperium kreeg het latere Duitsland zijn eerste rechtspraak, steden, eenheidstaal, alfabet, geschrift, kunst. En via de Romanisering kwam het in contact met de Griekse, Hellenistische en christelijke beschaving . Zowel de apostel Paulus als Arminius of Hermann, leider van de Cherusken, waren trots op hun Romeins burgerschap (p. 9 in Kleine Deutsche Geschichte, p. 1-2 in Germany. A new history.). Dat belette Arminius niet om in opstand te komen tegen de Romeinse belastingen en overheersing : hij liet drie Romeinse legioenen of bijna 18.000 man uitmoorden, ten noorden van het Teutoburgerwoud, nabij Bramsche en Kalkriese, ruim 50 km van Bielefeld waar zijn standbeeld staat. Schulze heeft dus minder bewondering voor de Germanen dan de nationalisten tijdens het Derde Rijk.

Schulze eindigt ook bescheiden (p. 263–266 in Kleine Deutsche Geschichte, 336–340 in Germany. A new history.): het huidige Duitsland verschilt in vier opzichten van zijn voorgangers: a) men is nu voor het eerst tevreden met de bestaande grenzen en met de bestaande staatsvorm; b) de Duitsers beschikken u voor het eerst ten volle over eenheid, vrijheid en democratische instellingen; c) het eengemaakte Duitsland wordt niet meer beschouwd als een bedreiging voor de vrede, maar als een volwaardig onderdeel van verscheidene economische, militaire en politieke verdragsorganisaties en als een motor van de Europese eenmaking; d) in het verleden behoorde Duitsland zowel bij het Latijnse West-Europa, met zijn Renaissance en Verlichting, als tot het Germaans-Slavische Oost-Europa. De naoorlogse grenzen, de integratie in de Westerse allianties en het Wirtschaftswunder hebben van Duitsland een wezenlijk deel van de Westerse democratieën gemaakt.

De Engelse vertaling verschilt lichtjes van het Duitse origineel: de kaart van de Dertigjarige Oorlog vooraan en die van het huidige Duitsland achteraan ontbreken; het register (348–356) bevat minder persoonsnamen, maar dan heeft het wel plaatsnamen en begrippen, die in het Duitse origineel volledig ontbreken; het aantal pagina"s is veel groter (IX + 356 tegenover 276 of 89 meer): daardoor is de bladspiegel overzichtelijker, ook de afbeeldingen zijn veel helderder, maar de prijs voor de Engelse versie ligt ook 7,10 € of 286 BF hoger. Beide hebben een stevige kaft en een handig formaat. De literatuurlijst van het origineel is (op één titel na) compleet Duitstalig, die van de vertaling is uitsluitend Engelstalig en bestaat vreemd genoeg ook nog uit totaal andere titels.

Modern Germany. An Encyclopedia of history, people and culture, 1871 – 1990
Een kortere periode, maar dan extreem grondig aangepakt, vinden we in het monumentale, tweedelige naslagwerk van 3,5 kg, dat tot stand kwam o.l.v. Dieter Buse en Jürgen Dörr, twee Duitsers die in Canada doceren. Conform de degelijke en pragmatische aanpak van lexica- specialisten Garland en Routledge, behandelen de samenstellers elk belangrijk aspect van de Duitse geschiedenis, cultuur en maatschappij in de periode tussen de eerste ( 1870) en de tweede Duitse Eenmaking ( 1990). Soms gaat men verder dan 1990: bij Honecker b.v. tot zijn dood in 1994, bij Kohl tot 1996. De huidige kanselier Gerhard Schröder heeft pech: hij staat er niet in; blijkbaar was hij in 1996 nog niet belangrijk genoeg. President Johannes Rau heeft meer geluk. De DDR krijgt een volwaardige plaats. Het lexicon gaat zowel over personen als begrippen en bij élk item is er een aparte literatuuropgave. De keuze van de begrippen is veelzijdig: elk denkbaar politiek, economisch, maatschappelijk, cultureel, artistiek onderwerp komt aan bod. Het chronologisch overzicht van 1871 tot 1990 bedraagt 14 pagina"s, de lijst van de gespecialiseerde medewerkers is 10 pagina"s lang. Het is geen leesboek zoals dat van Schulze, maar je vindt er heel snel wel veel meer concrete informatie in. Het aantal foto"s (219) is ook vrij groot. Voor het hedendaagse culturele aspect verwijzen we ook naar Sanford (22).

Een figuur waar de historiografen ook bij deze herdenking moeilijk aan voorbij konden gaan, is Hitler, de man die als geen ander een stempel gedrukt heeft op onze eeuw. Uit de verschillende boeken die in 1998 – 1999 weer aan hem besteed werden, selecteren we er een handvol.

Adolf Hitlers Mein Kampf. Geschiedenis – Fragmenten – Commentaren
Vooreerst de succesvolle studie van Werner Maser, waarvan de eerste druk al in 1966 verscheen. Herdrukken en herwerkingen volgden in 1974,1976,1981,1983,1995 en de Nederlandse vertaling in 1998. Het boek “Mein Kampf" lag aan de basis van veel ellende. Er werden reusachtige oplagen van verkocht, maar het werd weinig gelezen, zodat men ook weinig rekening hield met wat Hitler allemaal beloofde te gaan doen. Zelfs zijn topmedewerkers Goering en Goebbels gaven toe dat ze het niet gelezen hadden.

Hitler begon het te schrijven toen hij, na de mislukte staatsgreep van 8-9 november 1923, al op 11 november in de gevangenis belandde, in Landsberg aan de Lech, helemaal in het zuiden van Beieren, ten zuiden van Augsburg en München. Eigenlijk dicteerde hij het en moest Hess alles opschrijven. Hitler vond spreken efficiënter dan schrijven, maar vergat dat als Hess het noteerde, dit ook gebeurde zonder de kracht van zijn overweldigende stem.

Op 20 december 1924 mocht Hitler zijn comfortabele gevangenis voortijdig verlaten, na “een jaar universitaire opleiding op staatskosten", zoals hij het verblijf daar noemde. Het manuscript voor “Mein Kampf" was toen bijna voltooid. Op 18 juli 1925 werd het eerste deel gepubliceerd, met als titel “Een afrekening" en overwegend autobiografisch. Deel II, “De nationaal-socialistische beweging", met instructies voor zijn partij en zijn land, bereikte de boekhandel in december 1926.

De lectuur van “Mein Kampf" zelf is niet de meest verheffende, maar zoals gezegd werd het bezit ervan een must in de nazi-tijd, toen het boek de bestseller was. Het autobiografische deel valt nog mee, maar het verhaal over de “bekering" tot het anti-marxisme en nog meer tot het antisemitisme is minder fraai. Hitlers overtuiging dat joden synoniem waren met “parasieten, bacillen, bloedzuigers", die uitgeroeid moesten worden, wijst nog niet op een vast omlijnd plan en zijn besluit om politicus te worden evenmin. Maar ze leiden tot het noodlottige wereldbeeld van Hitler : het verraad van Versailles ongedaan maken, Lebensraum veroveren in het Oosten, marxisme en jodendom vernietigen, cultuur gelijk schakelen met ariër zijn, de massa"s beschouwen als lichtgelovig, niet geïnteresseerd in genuanceerde waarheden, niet in staat te onderscheiden wie gelijk en wie ongelijk heeft, mits je eindeloos bepaalde stellingen of leugens blijft herhalen.

Maser beschrijft de ontstaansgeschiedenis van “Mein Kampf", de vele drukken en herdrukken, de perceptie in binnen- en buitenland, de stijl, structuur, de oeverloze woordenstroom, de geestelijke bronnen van autodidact Hitler. Hij wijst ook op de gevaren en de destructieve plannen die erin zaten en die Hitler nadien, in zijn toenemende sluwheid en demagogie, nooit meer zo openlijk en zwart op wit zou verkondigen. Bij de citaten voegt hij telkens zijn kritische commentaar. En voortdurend corrigeert hij Hitler, wanneer deze zijn jeugd of prestaties onjuist voorstelt. In de bijlagen zitten enkele brieven aan en van Hitler en een chronologisch overzicht van internationale conferenties, besluiten en gevolgen voor de Weimarrepubliek in de periode van eind 1923 tot eind 1926. Hier horen o.a. bij : het Dawesplan, de conferentie van Locarno, de heropname van Duitsland in de Volkenbond ; dit laatste gebeurde op 8 september 1926, met algemeenheid van stemmen! Het boek eindigt met een indrukwekkend notenapparaat van 71 pagina"s, de originele bibliografie van Maser (16 p.), het niet vertaalde en integraal overgenomen personen- en zakenregister van de Duitse uitgave van Mein Kampf (17 p.) en een personenregister bij Masers boek zelf. Wie ooit “Mein Kampf" volledig wil lezen, heeft er alle belang bij dit standaardwerk van Maser ernaast te leggen voor nuanceringen en correcties.

Een paar detailopmerkingen: een aantal titels uit de bibliografie bestaan ook in Nederlandse vertaling, maar de uitgever heeft zich bewust gehouden aan de originele versie en ze helaas niet erbij vermeld; de fotopagina"s (16 tussen 96 en 97 en nog eens 16 tussen 256 en 257) zijn helaas niet genummerd en er wordt dan ook niet naar verwezen in de tekst en in het register; de uitgever mag uit een volgende druk de spel- en drukfouten elimineren (b.v. p. 15: geïntergreerd; p. 306: Hitler vermeld; p. 354: had verklaart) en het zou ook mooi zijn als de bladen minder vlug zouden loskomen. Maser verdient een uitgave met dezelfde kwaliteiten als zijn werk.

Een belangrijk aspect van het nazisme en een stevig wapen voor de propagandamachine was de economie en m.n. de oplossing van de werkloosheid, want die was in de jaren dertig overal erg groot.

Hitler"s economy. Nazi Work Creation Programs, 1933 – 1936
Daarover handelt Dan Silverman. Hij begint met een knappe reclamefoto uit 1936 met een advertentie voor de VW-kever: “Als je 5 DM per week spaart, word je eigenaar van deze auto". Er werd niet bij verteld hoe lang de brave mensen moesten sparen: een klein aantal militairen werd eigenaar, velen reden er nooit mee of pas vanaf 1948. Het plan om jaarlijks één miljoen Kevers te produceren, werd een pijnlijke flop: tussen 1933 en 1945 rolden er minder dan 10.000 wagentjes uit de fabriek (Das neue Lexikon der populären Irrtümer. 555 weitere Vorurteile, Missverständnisse und Denkfehlen, von Advent bis Zyniker.).

Ad rem. Silverman trok naar de Duitse archieven om uit te zoeken hoe Hitler erin slaagde veel meer mensen uit de werkloosheid te halen dan de regeringen in de brave buurlanden. In januari 1933 zat 34% van de beroepsbevolking zonder werk of ruim zes miljoen Duitsers. Tijdens het eerste jaar van Hitlers regeerperiode reduceerde hij dat cijfer al met 30% en binnen 18 maanden met 60%.

In 1936, vóór het herbewapeningprogramma begon, was dat percentage gedaald beneden 10 % en bij momenten was het slechts 2,40%! Anders geformuleerd: 15 jaar na de vernederingen van Versailles bezorgde Hitler zijn volk opnieuw werk, brood en nationale waardigheid. Een eerste Wirtschaftswunder dus in de Duitse geschiedenis. Hitlers campagne tegen de werkloosheid was dus een groter succes dan eender welke veldslag in zijn latere Blitzkrieg. Het vormde de sterkste legitimering van het nazisme.

In het verleden werden deze resultaten dikwijls afgedaan als of herleid tot een combinatie van : de economische ommekeer die al begon vóór Hitler aan de macht kwam, manipulatie van de statistieken, propaganda die moest doen uitschijnen dat iedereen werk had, herbewapening en dwangarbeid. Men citeerde dan getuigenissen van tegenstanders en emigranten of men zocht naar alles wat maar enigszins in verband kon staan met herbewapening of oorlogseconomie. Hitler had trouwens zelf verklaard op 8 februari 1933: “De volgende vijf jaar moeten besteed worden aan de herbewapening van het Duitse volk"(p.1). Maar men hield weinig of geen rekening met het antwoord van Minister van Arbeid Franz Seldte: “Naast de militaire vereisten, zijn er ook andere waardevolle economische projecten die niet verwaarloosd mogen worden""(p. 2). Gevolg: aan de specifieke herstelprogramma"s zoals die van Franz von Papen en Kurt von Schleicher, twee ministers vóór Hitler, en die van Günter Gereke en Fritz Reinhardt tijdens Hitler werden slechts een handvol werken gewijd en verder enkele studies van lokale, afzonderlijke gevallen.

Silverman onderzocht zowel de nationale als de regionale en plaatselijke archieven. Hij constateert dat zowel vanuit de overheid in Berlijn als vanuit de toenmalige deelstaten ( Oost- Pruisen, Silezië, Brandenburg, Pommeren, Altmark, Nedersaksen, Westfalen, Rijnland, Hessen, Midden- Duitsland, Saksen, Beieren, Zuid-West-Duitsland) een enorm dynamisme uitstraalde, dat ervoor zorgde dat hier meer successen geoogst werden dan b.v. in Groot-Brittannië en de USA. De uitgaven voor het leger vormden niet de verklaring, want ze bleven vrij laag in de jaren 1933–1935: 1,9% van het BNP in 1933, 4% in 1934.

Het aantal mensen dat werk vond bij de aanleg van autosnelwegen o.l.v. Fritz Todt was aanzienlijk, maar toch maximaal 121.668 ( p. 261) en gemiddeld slechts 80.000 ( p. 244 en 261). Het resultaat in 1945 was 2.100 km, inclusief de stroken die al vóór 1933 aangelegd waren, zoals Köln–Bonn in 1932. Verder was er ook nog de productie van voertuigen, goed voor 34.392 arbeidsplaatsen in 1932 en 100.937 in 1935(p. 239). Het Amerikaans-Duitse Opel presteerde toen trouwens veel beter dan VW. Uiteraard diende de “Motorisierung" van Duitsland ook de strategische en militaire belangen. Er werd dus werk gecreëerd in alle sectoren van de economie en van de maatschappij: niet enkel in wegen en auto"s, maar ook in woningbouw, landontginningen, gezondheidszorg, baantjes bij de overheid, baantjes bij de partij.

Hitler"s Banker
Een ander probleem waar Silverman uitvoerig op in gaat, is de financiering. Hitler was zo slim hiervoor Hjalmar Schacht ( 1877 – 1970) terug aan het hoofd van de Reichsbank te plaatsen. John Weitz, eerder al biograaf van diplomaat von Ribbentrop, beschreef de uitzonderlijke carrière van de knappe financier en de zich overal thuis voelende kosmopoliet. Tussen 1920 en 1953 bezocht hij eindeloos veel landen en kwam hij in contact met vele groten der aarde.

Zijn jeugd bracht hij gedeeltelijk door in Amerika, zijn studies economie, Germaanse talen, journalistiek, Frans en filosofie deed hij op vijf plaatsen (p. 14): Kiel, Berlijn, München, Leipzig, Parijs (1895–1899). Van oktober 1914 tot 1916 was hij in Brussel financieel raadgever van de militaire gouverneur Colmar von der Gotz. In 1923 moest hij Duitsland verlossen uit zijn hyperinflatie. In 1929 verkreeg hij van de Amerikanen, Fransen (Poincaré), Britten (Churchill) e.a. een soepeler afbetalingsregime voor de oorlogsschuld.

Als vertegenwoordiger van het Weimarbewind, lag hij aanvankelijk slecht in de markt bij de nazi"s. Ze noemden hem “een manipulator" (wat hij soms ook wel was) of “de Moravische jood Chaim Schachtel". Sinds 1908 was hij ook vrijmetselaar en hij bleef dat, zeer tegen de zin van Hitler, die de vrijmetselarij al even gevaarlijk vond als het jodendom. Hij weigerde ook partijlid te worden.

Maar Hitler kon deze “intelligente Ariër" niet missen: hij was de enige Duitser die in het buitenland prestige genoot, bevriend was met Roosevelt en overal aan geld kon geraken. In 1939 kwam de breuk: Schacht onderhandelde met de Britten over de emigratie van 150.000 Duitse joden, promotie van de Duitse export en verzette zich tegen de wapenindustrie. Hij beweerde ook dat de Duitse economie een langdurige oorlog niet aankon. Hitler verving hem door Hermann Abs(1901–1994). Hij degradeerde hem tot minister zonder portefeuille. In april 1944 werd hij verdacht van betrokkenheid bij de samenzwering tegen Hitler en opgesloten Ravensbrück en Dachau. Hij werd bevrijd door de Amerikanen(april 1945), vrijgesproken in Nürnberg (april 1946), dan veroordeeld door het Duitse denazificatietribunaal van Stuttgart (1947) tot 8 jaar werkkamp, maar op 2 sept. 1948 vrijgelaten. Dan begon hij aan een tweede briljante carrière: financieel adviseur van de regeringen in Brazilië, Ethiopië, Indonesië, Iran, Egypte, Syrië, Libië; hij richtte een eigen bank op, schreef in 1949 zijn “Abrechnung mit Hitler" en in 1953 zijn autobiografie “76 Jahre meines Lebens". Eén keer had hij zichzelf dus onderschat, want hij leefde nog tot 1970 : hij werd 93, nog iets ouder dan zijn opvolger Abs.

De joodse schrijver Weitz tekende een kritisch portret van deze sluwe, soms opportunistische, maar meestal beginselvaste persoonlijkheid, één van de bekwaamste financiële genieën van deze eeuw. Bij de IQ-testen die Gilbert in Nürnberg afnam, scoorde hij trouwens het hoogst met 143(p. 310). Jammer dat Weitz er geen stamboom bij gezet heeft, want er komen wel veertien personen in voor met de naam Schacht en een chronologische tabel van de levensloop van Schacht zou voor wat meer inzicht gezorgd hebben. Wistrich (Who"s who in Nazi Germany.)is daarvoor overzichtelijker.

Nog één detail: toen de aanklager in Nürnberg vroeg hoe hij oordeelde over de inval in Polen, Luxemburg, Nederland, Denemarken, Noorwegen, Joegoslavië en Rusland, wees de assertieve Schacht hem erop dat hij België vergeten was (317-318). Hij kende ons landje van in 1914–1916 en in Ravensbrück deelde hij zijn cel met generaal Alexander von Falkenhausen, de voormalige bevelhebber van bezet België. De biografie is ook beschikbaar in een te sobere pocketuitgave(Hitler"s Banker), met minuscule, matte fotootjes en een onaantrekkelijke bladspiegel.

Terug naar Silverman. Hij legt genoeg reserves aan de dag t.o. de statistieken van de nazi"s, hij verklaart met welke technieken hij ze onderzocht, hoe de nazi"s de werkgelegenheidsprogramma"s invulden en financierden, welke moeite ze hadden met sommige regionale en lokale overheden om ze mee te slepen in hun werklust, wat voor klusjes ze allemaal bedachten, met welke stimuli of incentives ze de werknemers en de werkgevers ervoor motiveerden of ertoe dwongen, hoe de werkschuwen in Dachau heropgevoed werden( 243), in welke soms onmenselijke omstandigheden er gewerkt werd, hoe weinig de arbeiders ervoor beloond werden, hoe klein het verschil was tussen het weekloon en de werkloosheidsuitkering. Wat de vrouwen betreft, had de regering een duidelijke voorkeur voor huishoudelijk en agrarisch werk (p. 202–206), maar dit plan mislukte en in 1939 waren er 3,4 miljoen vrouwen meer aan de slag in de industrie dan in 1933.

In het laatste hoofdstuk vergelijkt Silverman de prestaties van de nazi"s met die van de Britten en van de Amerikaanse New Deal. Deze laatsten bleven bij een liberalere aanpak en een traditionele, conservatieve, zelfs schuchtere fiscale en monetaire politiek. De werkloosheid in de USA (231–234) bedroeg 25% in 1933, 17% in 1936, 14% in 1937, 19% in 1938, 17,2% of 9,5 miljoen in 1939. Duitsland slaagde erin meer mensen over te halen of te dwingen om te werken en meer bedrijfsleiders en bankiers te motiveren om hieraan hun volle medewerking te verlenen.

Het boek eindigt in 1936: de gedwongen tewerkstelling van Pflichtarbeiter uit de bezette gebieden komt hier dus niet aan de orde. Silverman verwacht van de lezer inzicht in economie en financiën; een verklarende woordenlijst had er wel bij mogen zijn. De statistieken (249–263) en de afkortingen (265–266) zijn welgekomen. Het notenapparaat is ontmoedigend lang (266–359), de noten zelf zijn soms moeilijk leesbaar in de tekst en helaas niet doorlopend genummerd. In het register staan niet enkel eigennamen, maar gelukkig ook begrippen zoals Autobahnen, Opel, Pflichtarbeit. Een kaart van Duitsland met de talrijke plaatsnamen ontbreekt, zoals in de meeste van deze boeken. Het boek is geen hommage aan Hitler, maar een herziening van eenzijdige opvattingen en vooroordelen.

Uit de recente biografische Hitler- studies verkozen we die van Lukacs (The Hitler of history.) boven die van Rosenbaum (Explaining Hitler. The search for the origins of his evil.) en Kershaw (I 1889–1936: Hubris. En II 1936–1945: Nemesis.).

Explaining Hitler. The search for the origins of his evil
Rosenbaum schrijft het vlotst, hij interviewt andere Hitler-onderzoekers zoals Trevor-Roper en Bullock, verder een theoloog (Fackenheim), een filosoof (George Steiner) en nazi-jager Simon Wiesenthal, die Hitlers jodenhaat wijt aan syfilis, opgedaan bij een joodse prostituee. Rosenbaum slaat bepaalde periodes uit Hitlers leven over, focust zich teveel op Hitler als verpersoonlijking van het kwaad en geeft uiteindelijk meer antwoorden op anekdotische dan op fundamentele vragen. Hij werkt veel te veel met pseudo-historische dialoogjes en verhaaltjes en hij zou de omvang van zijn boek tot de helft kunnen reduceren.

Hitler I 1889–1936: Hubris. En II 1936–1945: Nemesis
Kershaw brengt meer feiten aan dan eender wie en formuleert ook enkele pittige stellingen. Een paar voorbeelden: Hitler aarzelde soms lang, was dus niet impulsief, maar als hij dan besliste, was het definitief, radicaal en zonder weg terug; Hitlers “bekering" tot een racistische, antisemitische en Lebensraum-veroverende wereldbeschouwing dateert van 1919, net na de oorlog waarin korporaal Hitler twee keer gedecoreerd werd, maar Duitsland vernederd en verraden werd; die ommekeer vond plaats in München, waar de communistische radenrepubliek met enkele joodse deelnemers in chaos eindigde; de verhalen over joodse voorouders, een joodse arts die zijn moeder zou hebben vergiftigd, de joodse prostituee die syfilis zou hebben overgedragen, allerlei seksuele afwijkingen waarover Rosenbaum schrijft, zijn niet geloofwaardig of irrelevant; Kershaw vertelt wel dat Hitler ook de naam was van een joodse familie die uit Boekarest kwam, dat zijn vader niet geboren werd toen zijn grootmoeder bij baron Rotschild werkte, maar wel toen ze bij de minder bekende joodse familie Frankenberger in Graz kokkin was. Maar Kershaw beschouwt de Frankenbergers al evenmin als grootvader van Hitler.

Hitlers vader trouwde wel met een nicht, Klara en uit dat (derde) inteelthuwelijk werd op 20 april 1889 Adolf geboren, als vierde kind, maar als eerste dat in leven bleef. Zijn zusje Paula werd de tweede overlevende. In 1892 werd de vader hoofdinspecteur van de Oostenrijkse douane in Beieren, waar ze een joodse huisarts hadden en waardoor Hitler dus ook zijn eerste stapjes in Duitsland zette. Over die vader vertelt Kershaw weinig positiefs: hij was streng, vlug woedend en alcoholist.

Nog een andere stelling: zonder Hitler geen tweede wereldoorlog en zonder Hitler geen holocaust; Lukacs is het daar mee eens (p. 9) en beiden gaan dus in tegen Goldhagen.

Deze 845 pagina"s vormen helaas nog maar deel I van de volledige biografie, nl. de periode 1889 – 1936, vanaf zijn jeugd in Oostenrijk tot de militarisering van het Rijnland. Deel II, de periode van de wrekende gerechtigheid, moet nog volgen.

Wat is er nieuw bij Kershaw ? Als eerste verwerkt hij de dagboeken van Goebbels, die zijn aangetroffen in Moskouse archieven. Als eerste gebruikt hij de uitgebreide uitgave van Hitlers redevoeringen van vóór 1933. Hij klasseert de “Gesprekken met Hitler" van Hermann Rauschning (1939) als niet authentiek; andere biografen putten daar net veel informatie uit ; ook Lukacs (p. 19) beschouwt ze als waardevol. Terwijl Fest en Lukacs aan Hitler “historische grootheid" gunnen, beschouwt Kershaw deze benadering als misplaatst, irrelevant en met het risico te vervallen in een apologie. De aandacht moet gaan naar de “demonische aard van de charismatische macht van de Führer. Terwijl Nolte, Fest e.a. Hitlers antisemitisme en zijn drang om het marxisme te vernietigen zagen als een reactie op de gevaren van het communisme, probeert Kershaw te bewijzen dat het communisme pas later kwam. Deze bewijsvoering is zwak: de oktoberrevolutie, Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht waren er vóór Hitlers “bekering" en uit de toespraken van Hitler blijkt dat hij aan de macht kwam mede dank zij de groeiende angst voor het communisme. Kershaw heeft ook moeite met het charismatisch aspect van Hitler: hij had het onbetwist, maar het contrasteerde wel met zijn afstandelijkheid, gebrek aan humor en zijn koele machtshonger. Hitler had ook geen modeljeugd, was geen modelstudent en zeker geen voorbeeld van een huisvader.

Nog enkele details: de vader van Hitler had in 1876 zijn naam laten veranderen, maar i.p.v. Hiedler, de naam van zijn stiefvader, opteerde hij voor Hitler; anders hadden de mensen de onhandige kreet “Heil Schicklgruber" moeten scanderen. Hoe zou de geschiedenis verlopen zijn, ALS Hitler in 1908 niet was afgewezen door de kunstacademie van Wenen, ALS Duitsland hem in 1913 had teruggestuurd naar Oostenrijk om daar zijn dienstplicht te vervullen, ALS een “aanslag" (of eigenlijk een toevallige schietpartij) in nov. 1923 wel was gelukt, ALS Hitler in 1932 het Duitse burgerrecht niet had gekregen, ALS Hitler geen opperbevelhebber van het leger was geworden dank zij de vroegtijdige dood van president Hindenburg ?

Nog een paar aanmerkingen: de ondertitel luidt “hybris" of overmoed; Kershaw situeert het toppunt hiervan in 1936, na de bezetting van het Rijnland; maar de echte hybris en tevens het begin van de zelfvernietiging manifesteerden zich het ergst in de jaren "41 – "45, in de strijd tegen de Sovjet-Unie en nadien ook nog de USA.

Kershaw geeft de indruk dat Hitler veel bestuurszaken liet begaan, i.p.v. zelf leiding te geven. De schijnbare passiviteit klopt dan toch niet voor de anti-joodse acties, de militaire veroveringen en de internationale politiek : in deze gevallen wist hij alle details en nam hij zelf het initiatief . Uit de recente vondst van Himmlers agenda"s in de KGB-archieven blijkt volgens de Duitse historicus Christian Gerlach nu ook eindelijk dat Hitler persoonlijk, op 18 dec. 1941, aan de nazi-leiders de opdracht gaf voor de holocaust, waarna op 20 januari 1942 tijdens de Wannseeconferentie de technische en praktische kant afgehandeld werden zonder dat Hitler erbij was.

De Nederlandse vertaling ziet er beter, chiquer en steviger uit dan het sobere Engelse origineel; ze heeft ook als voordeel dat de noten bij elk hoofdstuk apart staan i.p.v. allemaal achteraan.

The Hitler of history
Over naar Lukcas. Deze Hongaarse historicus, die in 1946 wegens het communisme naar de VSA vluchtte, bestudeert zoals Rosenbaum de Hitlerbiografen, maar hij gaat daarbij minder rommelig te werk, ook minder anekdotisch, meer genuanceerd, wetenschappelijker, systematischer, met meer eruditie, meer inzicht en meer zin voor synthese, soms wel iets te grondig, want met afschrikkende voetnoten van halve pagina"s. Het record is p. 221 : 2 regeltjes tekst, de rest allemaal voetnoot bij p. 220. Lukacs kent ruim honderd Hitlerbiografieën grondig, hij heeft er zijn eigen mening over en geeft die ook weer, hij waarschuwt voor apologeten die goed praten wat niet te verdedigen is. Behalve de inleiding over historiografische problemen en het afsluitend hoofdstuk over de vergelijking met Napoleon en Hitlers plaats in de geschiedenis, werkt Lukacs chronologisch, met de klemtoon op bepaalde problemen en op keerpunten in het leven van Hitler.

Het historiografisch probleem is volgens Lukacs vooral een gevolg van de weinige geschriften die Hitler en zijn medewerkers nalieten : Mein Kampf en de memoires van Schacht (1953) of Speer (1969) leren ons onvoldoende over het denken en voelen van Hitler. Een andere vraag is of het mogelijk is Hitler te historiseren zonder hem te rehabiliteren. Ook Kershaw kampt daarmee. In de andere hoofdstukken confronteert Lukacs de visies van de Hitler-biografen sinds 1933 met elkaar en geeft dan telkens zelf zijn oordeel. Fest en Haffner zijn voor hem twee autoriteiten.

De thema"s die bijzondere aandacht krijgen zijn: de jeugd, fysieke en geestelijke kenmerken van Hitler, zijn onklopbaar geheugen, zijn aantrekkingskracht op arbeiders, kleine middenklassers en conservatieven, zijn racisme en extreem nationalisme, het aanzien dat hij genoot rond 1938, toen de Oostenrijkers en de Sudetenduitsers weer tot het Reich behoorden en toen de economie en het vertrouwen van de bevolking weer hersteld waren, zijn capaciteiten als staatsman, zijn herwaardering als strateeg, de houding van de Kerken, de beslissing om de Sovjet-Unie binnen te vallen, zijn catastrofale “folie de grandeur", zijn mening over de USA, die voor hem een voorbeeld waren op economisch en technisch gebied, zijn sluwe pogingen om de geallieerden uiteen te drijven, de motieven van zijn jodenhaat, de plaats van Hitler in de geschiedenis van het Duitse volk, argumenten van apologeten om Hitler te rehabiliteren.

Wat de anti-joodse politiek betreft, verwerpt Lukacs het intentionalisme (bedoeling om uit te moorden vanaf het begin) en opteert voor het functionalisme (geen vooropgezet plan, maar ingrepen in functie van de omstandigheden). Er waren volgens hem drie stadia, ongeveer parallel met keerpunten in zijn leven en in zijn carrière(p. 180–181) : 1) vóór 1938: verbanning van de joden uit Duitsland en Oostenrijk; 2) januari 1939: hij zag de oorlog aankomen; de joden van heel Europa waren daar de oorzaak van ; dus moesten de joden van heel Europa weg en niet enkel die van Duitsland, waarover Schacht wou onderhandelen met de Britten; de bestemming die Hitler toen beoogde was misschien Madagaskar; 3) september–oktober 1941, na de invasie in Rusland en later na de deelname van Amerika aan de oorlog: eerste massa-executies; Endlösung (bijeenbrengen en fysieke vernietiging van alle joden); Lukacs opteert hier nog voor 20 januari 1942, de Wannseeconferentie, i.p.v. 18 december 1941 ( cf. supra). Lukacs wijst er terloops op dat Hitler zelf vaag bleef over de holocaust, wat erop wijst dat het antisemitisme in Duitsland weinig populairder was dan elders en dat Goldhagen eens te meer ongelijk heeft.

We ronden de Hitler-discussie en Lukacs hiermee af. Met het boek van Lukacs kun je enkele uurtjes bezig zijn, want quasi elk thema komt er aan bod. Enkele bedenkingen : Lukacs noemt Hitler eerder een extreme nationalist dan een racist, maar nadien zegt hij dan weer dat hij geobsedeerd was door het joodse probleem. Goldhagen staat er niet in, wellicht omdat het oorspronkelijk manuscript al klaar was in 1996. De bibliografie is onoverzichtelijk, door de verwarrende, inconsequente afkortingen: soms per auteur, dan per boek. Ze is ook onvolledig: Rauschning wordt besproken op p.19,31,81,93,119, Taylor op p.140, maar ze krijgen geen plaatsje in de literatuurlijst. Hitler en Stalin worden wel op 40 plaatsen met elkaar vergeleken, eerder nog in het voordeel van Hitler, maar het boek van Bullock( “Hitler en Stalin. Parallelle levens“) staat niet in de bibliografie. Dat geldt ook voor W. Maser: “A. Hitlers Mein Kampf". Het register is onvolledig, zeker wat historische begrippen betreft; b.v. Realpolitik, p. 137 ; divide et impera, p. 143 ; Lebensraum, p. 145.

Lukacs voorspelt voor de komende 50 jaar nog talloze biografieën over Hitler, met weer nieuwe of waardevolle inzichten, b.v. omtrent zijn capaciteiten om zovelen te verblinden : het is een verhaal zonder einde( p. 10). Zelf suggereert hij een boek met Hitlers uitlatingen over andere naties en nationaliteiten(p. 235). Hij vertelt interessante anekdoten over de retoucheringen die fotograaf Heinrich Hoffmann geregeld moest doorvoeren.

Ook bij Lukacs is zoals bij Kershaw de Nederlands editie veel mooier afgewerkt dan de Amerikaanse. Zie verder ook F.Ec.T., 21.08."99, p. 6.

So sitze ich denn zwischen allen Stühlen. Tagebücher 1945–1959
We beëindigen de periode van het Derde Rijk met een ongewoon thema: het specifieke taalgebruik, door Victor Klemperer destijds mooi omschreven als “LTI" of Lingua Tertii Imperii. Christopher Hutton (Linguistics and the Third Reich. Mother-tongue fascism, race and the science of language.) heeft het bestudeerd. De nazi"s creëerden een specifieke fascistische taal en meenden dat de taal ook het wereldbeeld van de spreker bepaalt. Zij cultiveerden de moedertaal, die het Duitse volk nieuw leven moest inblazen en ze hadden een xenofobe afkeer van vreemde woorden. Joden werden beschouwd als lieden die geen positieve houding aannamen t.o. de Duitse taal en die een bedreiging vormden voor de band tussen de Duitsers en hun taal. Die aantijging klopte natuurlijk weer niet, zoals Katrin Diehl (Die jüdische Presse im Dritten Reich. Zwischen Selbstbehauptung und Fremdbestimmung.) aantoont: a) van de 85 grote Duitse kranten werden er in 1933 (weliswaar slechts) tien geleid door joodse hoofdredacteurs; b) er waren ca. 146 titels van joodse kranten of tijdschriften, de meeste in het Duits, een minderheid in het Jiddisch.

De studie van Diehl is verschrikkelijk grondig, ze schrikt af door haar prijs (72,82 € voor een bijzonder sober boek met een slappe omslag) en door de vele tabellen en statistieken, maar heeft als pluspunten de korte biografieën van joodse journalisten en uitgevers (345–357), een uitgebreide literatuurlijst van ca. 40 pagina"s en soms ook enkele statistische tabellen die voor iedereen bruikbaar zijn zoals op p. 142: de joodse bevolking per stad, in aantallen en procenten: Berlijn stak er ver bovenuit met 160.564 ((of 3,8% van de Berlijners); in de andere Duitse steden woonden slechts 2.000 à 26.000 joden.

Terug naar Hutton. Het Arische volk had een eigen taal, die niet besmet mocht worden door “minderwaardige mengtalen" zoals het Jiddisch. Deze taal behandelt hij uitgebreid in hfst. 7.

Duitse universiteiten en scholen werden vanaf 1933 grondig gezuiverd van joden, niet- Ariërs, socialisten, communisten, liberalen. Een bekend slachtoffer was Victor Klemperer (18811960), joods professor Romaanse filologie aan de Technische Hochschule Dresden. Hij was de zoon van een rabbijn, getrouwd met een niet-joodse vrouw, ontsnapte daardoor aan de dood, maar werd in 1935 wel gedegradeerd tot dwangarbeider in de straten van Dresden.

Pas na de oorlog kon hij in de DDR zijn ambt weer opnemen en hoge functies vervullen. Maar ook dan waren de omstandigheden moeilijk, zoals hij schreef in zijn meeslepende “Tagebücher 1945 – 1959"(13b), die pas in juni 1999 uitgegeven werden, omdat het tijdens de DDR-periode niet mogelijk was wegens kritiek op partijleiders zoals Wilhelm Pieck en Walter Ulbricht en op een systeem waarin het gewone volk armoede leed en de communistische elite verachtte. Hij had ook kritiek op zichzelf, omdat hij in 1950 in het parlement de wet voorgelezen had die bepaalde dat kritiek op de DDR verboden was, omdat hij in 1953 bij Stalins dood in een lofrede hield Stalin even geniaal had genoemd als Alexander de Grote, Caesar en Napoleon, maar dan socialer, want hij stond helemaal in dienst van de mensheid, tenslotte omdat hij tot 1958 de DDR trouw was gebleven uit eigenbelang, ambitie en ijdelheid. In oktober 1958 werd hij ( in stilte, enkel in zijn dagboeken, niet openlijk ) definitief anticommunist en dan nog wel in Peking, na een reis door China. Want wat hij daar bij Mao zag, week te veel af van de ideale toestand die Karl Marx voorgespiegeld had. Zijn kritiek op de Russische overheersers is ook niet mild : ze zijn even imperialistisch als de West-Duitsers, maar bloedig-Aziatischer.

Weinig (dag)boeken tekenen zo waarheidsgetrouw het dagelijks leven en de concrete impact van de SED-dictatuur in de DDR tussen 1945 en 1959. Het boek van Hutton is verre van gemakkelijk, maar wel boeiend voor wie geïnteresseerd is in taal, ras en de pseudo-relatie tussen beide. De verklarende woordenlijst achteraan ( 306 – 322) bevat bijna alle afkortingen en termen van het nazisme en zou in elk boek over het Derde Rijk mogen voorkomen.

Na deze lange zijsprong naar Hitler, keren we terug naar de BRD zelf en naar rustiger vaarwater.

Bundesrepublik Deutschland. Von der Gründung bis zur Gegenwart
Tot nader order is Görtemaker het standaardwerk voor de vijftigjarige geschiedenis van deze staat. De andere werken beginnen eerder of eindigen eerder of beperken zich tot een beschrijving van de ex-DDR, tot portretten van kanseliers (Oost tegen West , Noord tegen Zuid. De wereld in de tweede helft van de twintigste eeuw.)of van andere prominenten (Sie prägten Deutschland. Eine Geschichte der Bundesrepublik in politischen Portraits.).

Görtemaker (1951) studeerde geschiedenis in Münster en Berlijn en is nu professor aan de universiteit van Potsdam. Hij begint met de val van het Derde Rijk, de geallieerde overheersing, de Koude Oorlog, de verzoening met de Westelijke winnaars. Dan komen de nieuwe grondwet (1949), het Adenauertijdperk, de economische en culturele heropbloei, de E.G., het studentenprotest, Brandt, Schmidt, Kohl, de dreiging van extremisme en terrorisme, nieuwe sociale, culturele en subculturele bewegingen, de neergang van de DDR, de eenmaking, de verschillen tussen Oost en West, de overgang van Bonn naar Berlijn.

De sterke kant van Görtemaker is wellicht zijn ruime aandacht voor de evolutie van kunst, cultuur en maatschappij: ze nemen bijna evenveel plaats in als de politiek en economie en ze getuigen ook van een grote onderlegdheid. Hij interesseert zich ook sterk voor de E.U., de Euro, de uitbreiding naar Oost-Europa, de globalisering van politiek en economie.

Hij wijst de Duitse linkse intellectuelen erop dat hun onbehagen en hun kritiek op de verwezenlijkingen van de BRD even eenzijdig was en is als destijds hun bewondering voor de DDR. Hun kritiek was blind voor de positieve prestaties op alle terreinen en leidde mede tot het gewelddadig protest en het terrorisme van de jaren zestig – zeventig. En toen de DDR –burgers democratisch en met een grote meerderheid de hereniging goedkeurden, waren deze linkse intellectuelen ineens tegen de opname van hun modelbroeders uit het oosten.

En Görtemaker bewijst dat de BRD genoeg gepresteerd heeft sinds “Stunde Null" in 1945, dat men nooit opnieuw de autoritaire en militaristische “Sonderweg" bewandeld heeft, die Duitsland tussen 1871 en 1945 deed afwijken van het democratische en liberale West-Europa. De grondwet van 1949 sloot namelijk aan bij de westelijke staten Frankrijk en Engeland, Adenauer had als Rijnlander en burgemeester van Keulen altijd een ( m.i. te grote) afkeer van oostelijk Duitsland, waar volgens hem de Aziatische steppe al begon en hij verheerlijkte zijn Rijnland en de Dom van Keulen als middelpunt van het Avondland, als kruispunt van katholicisme en liberalisme, van Franse levenskunst en Duitse deugd.

Samen met Ludwig Erhard verwezenlijkte hij de verzoening met Frankrijk, de aansluiting bij de NAVO en het Wirtschaftswunder. De hereniging waarop de SPD toen aandrong, vond hij op dat moment niet opportuun: het oosten zou zich wel bij de sterke westelijke staat aansluiten, zodra de omstandigheden dat toelieten. En die waren er ten tijde van Kohl en ze werden door hem ook zeer verstandig benut. En ook Kohl weerstond aan de verleiding van een “Sonderweg" en verkoos zelfs de Europese integratie en de euro boven het grote symbool van Duitsland, de alom gewaardeerde DM.

De zwakke kanten dan: het verschrikkelijk monotone uitzicht, dat nu eens nergens afgewisseld wordt met een tabel, grafiek, schema of kaart ; geen enkele foto, ook niet van de artistieke of culturele vernieuwingen ; geen chronologische tabel met de voornaamste gebeurtenissen of met de ambtstermijnen van de kanseliers of de samenstelling van de regeringen; geen bevolkingsgrafiek; zelfs de cijfers van de economische heropstanding zitten verwerkt in doorlopende teksten (b.v. p. 156–159). Wat een contrast met het boek van Markovits en Reich (3)! Of wie die cijfers wil vergelijken met de Japanse, Amerikaanse en Oost-Europese, kan terecht bij Mark Van den Wijngaert (15 b, p. 96–109). Het notenapparaat beslaat bijna 100 pagina"s (789–883) en is nog meer volgedrukt of volgeperst dan de rest van het boek, dat met zijn 915 bladzijden meer tijd vergt dan andere met 1830; dus enkel een moedige studax geraakt hier doorheen.

Eén detail: voor de Berlijnse Blokkade (40–43) aanvaardt Görtemaker nog de traditionele versie, nl. dat de 2,1 miljoen inwoners en de industrie overleefden dank zij de import door de fenomenale luchtbrug, die hen van 24 juni 1948 tot 12 mei 1949 en zelfs tot oktober 1949 met ruim 300.000 vluchten en ruim 2,3 miljoen ton goederen bleef bevoorraden en de even broodnodige morele steun bezorgen.

The incomplete Blockade : Soviet Zone supply of West Berlin , 1948 – 1949
Recente studies (The incomplete Blockade : Soviet Zone supply of West Berlin , 1948 – 1949. in: Diplomatic History, XXI, nr. 4 ( herfst "97), p. 569–602.) onthullen evenwel dat de Sovjets de westelijke sector maar gedeeltelijk afsloten, dat voedsel, brandstof (kolen) en industriële grondstoffen voor het grootste deel uit de Russische zone bleven komen, maar dat de Koude Oorlogpropaganda dit verzwegen heeft.

De boeken van Kempski (Um die Macht. Sternstunden und sonstige Abenteuer mit den Bonner Bundeskanzlern 1949 bis 1999.) en Sarkowicz (Sie prägten Deutschland. Eine Geschichte der Bundesrepublik in politischen Portraits.) lezen veel ontspannender.

Um die Macht. Sternstunden und sonstige Abenteuer mit den Bonner Bundeskanzlern 1949 bis 1999
Kempski is al sinds het ontstaan van de BRD en van de Bonner republiek politiek verslaggever voor de Süddeutsche Zeitung. Als 77-jarige is hij nog niet uitgeblust.

Met “Um die Macht" bedoelt hij zowel dat het bij de kanseliers om de macht te doen was als dat hij zelf 50 jaar lang werkte rond of in de dichte buurt van dat machtscentrum, nl. Palais Schaumburg in Bonn.

Kempski kende alle kanseliers persoonlijk, hij maakte hun officiële reizen mee naar Moskou en waar ook ter wereld, vertoefde zo in de allerhoogste kringen en was vooral een perfect observator, die geen enkel detail miste en bijna alle anekdotes ook noteerde.

De vele details vormen dan ook een sterke kant van het boek. Een paar voorbeelden: Adenauer werd kanselier gekozen met één stem verschil : die van hem zelf. Bij Brandt wordt niet vermeld dat hij ook maar twee stemmen over had, waaronder de zijne. Zijn naaste medewerker Hans Globke had destijds de nazi-rassenwetten becommentarieerd, maar was nooit partijlid geweest. Adenauer hield hem toch omwille van zijn enorme dossierkennis.

Na de overgangsfiguren Erhard en Kiesinger (wel ex-nazipartijlid)was Willy Brandt dan weer een kanselier van formaat en naar het hart van Kempski. Hij stond wel erg dicht bij hem, want hij werkte mee aan het tot stand komen van de nieuwe coalitie (SPD–FDP, i.p.v. CDU–SPD). En hij wou hem zelfs het roken afleren, door zelf de sigaretten uit zijn mond te halen. Ook Helmut Schmidt wordt door Kempski op handen gedragen. Kohl woog daarvoor te zwaar. Kempski komt openlijk uit voor zijn SPD-sympathieën, zoals zijn krant ook uitgesproken SPD-aanhanger is. Kohl krijgt niet de lof die hem ongetwijfeld toekomt. Zijn verdiensten vind je beter terug in het boek van Quatremer en Klau(Ces hommes qui ont fait l"Euro) over de Euro of in de persoonlijke herinneringen van de ex-kanselier (Het einde van de Muur. Persoonlijke herinneringen.). Kempski geeft wel toe dat zijn partij de eenmaking niet genegen was en dat Kohl na de verloren verkiezingen van 1998 terecht verweet aan Schröder en Lafontaine dat ze er bang van waren. Het boek van Kempski is dus een luchtige aanvulling bij de vrij zware lectuur van Görtemaker.

Ook de volgende twee boeken horen bij het genre van Kempski. Sarkowicz (Sie prägten Deutschland. Eine Geschichte der Bundesrepublik in politischen Portraits) en zijn team van de Hessische Rundfunk en het duo Walberg–Balzer (Erinnerungen für die Zukunft. Geschichten und Geschichte aus dem Norden der DDR.) van de Norddeutsche Rundfunk vertrekken allebei van radioprogramma"s. Daarin worden mensen geportretteerd en geïnterviewd, die gestalte hebben gegeven aan de BRD (Sie prägten Deutschland. Eine Geschichte der Bundesrepublik in politischen Portraits.) of die het in de DDR minder goed stelden (Erinnerungen für die Zukunft. Geschichten und Geschichte aus dem Norden der DDR.).

Sie prägten Deutschland. Eine Geschichte der Bundesrepublik in politischen Portraits
Sarkowicz begint met Konrad Adenauer en eindigt met Joska Fischer en Gerhard Schröder. Andere bekende namen zijn : Heuss, Erhard, Strauss, Kiesinger, Brandt, Wehner, Heinemann, Schmidt, Genscher, von Weizsäcker, Kohl. De portretten peilen naar de persoonlijkheid en de visie, maar ze zijn helaas geen chronologische biografieën. Bij Brandt b.v. ( 143 – 154) springt men van 1969 naar 1949, 1992, 1913, 1969, 1913, 1974, 1957-1966, 1989,1961,1970,1987. Als de auteurs dan toch opteren voor zulke wanorde, dan hadden ze elk portret toch minstens kunnen beginnen met een chronologisch tabelletje, waarin het curriculum vitae van de betrokkene in hoofdlijnen weergegeven wordt. Zoals in de vorige boeken, zoek je ook hier vruchteloos naar een overzicht van de presidenten en kanseliers gedurende 50 jaar Bonner republiek. We geven ze hier dan zelf maar (18) :

a) de staatshoofden: Theodor Heuss(1949–1959) (+1963); Heinrich Lübke(1959-1969) (+ 1972); Gustav Heinemann(1969-1974) (+ 1976); Walter Scheel (1974-1979); Karl Carstens (1979-1984) (+1992); Richard von Weizsäcker (1984-1994); Roman Herzog(1994-1999); Johannes Rau(1999-….);

b) de meer bekende en belangrijkere regeringsleiders: Konrad Adenauer(1949-1963) (+1967); Ludwig Erhard (1963-1966) (+ 1977); Kurt-Georg Kiesinger (1966-1969) ( +1988); Willy Brandt (1969-1974) (+1992); Helmut Schmidt (1974-1982); Helmut Kohl (1982-1998 = 16 jaar = record); Gerhard Schröder(1998- ….).

Voor de DDR was het nog ingewikkelder : zij hadden a) staatshoofden, b) premiers en c) machtige partijleiders:

a)staatshoofden: Johannes Dieckmann(7-11okt."49: 4 dagen!); Wilhelm Pieck(11 okt."49- sept."60); Joh. Dieckmann: nu 5 dagen; Walter Ulbricht(sept."60–aug. "73); Friedrich Ebert (2 maanden); Willi Stoph (okt."73–okt."76); Erich Honecker (okt. "76–okt."89) ; Egon Krenz(24 okt.–6 dec."89); Manfred Gerlach (6 dec. "89–5 april "90); Sabine Bergmann-Pohl(5 april"90–2 okt."90);

b)premiers: Otto Grotewohl(okt."49-sept."64); Willi Stoph ("64–"73); Horst Sindermann("73–"76);Willi Stoph("76–"89);Hans Modrow(13 nov."89-12 april "90); Lothar de Maizière(12 april "90–2 okt."90);

c) partijleiders: Wilhelm Pieck en Otto Grotewohl, samen (april "46-juli "50); Walter Ulbricht ("50–"71) ; Erich Honecker ("71–"89) ; Egon Krenz (18 okt."89–3 dec. "89); Gregor Gysi ( 9 dec. "89–4 febr. "90). DDR-politici was een minder lang leven gegund : de eerste zes presidenten, de eerste drie regeringsleiders en de eerste drie partijsecretarissen zijn al dood.

Verdere aanmerkingen op Sarkowicz: de bladspiegel is eentonig, de fotootjes ouderwets klein, voor de vele eigennamen is er geen register. En vooral dit: op 22 is er één personage uit de ex-DDR, nl. Bärbel Bohley (°1945). Hier bij ons is ze ook niet zo bekend, maar in de DDR kent men ze als schilder, grafica, leidster van de vredesbeweging in de jaren "80, medestichter van het “Neue Forum" in 1989. Haar supporters noemen haar: moeder van de revolutie, Oost-Duitse Jeanne d"Arc, Bärbel la rebelle, Powerfrau ( p. 273).Haar tegenstanders oordelen anders : fundamentalistische “pausin", Xantippe, moraaltante.

Van Bärbel Bohley naar de reportages van Walberg en Balzer (19)is maar een kleine stap. In afwachting van de geschiedschrijving van 40 jaar DDR en 10 jaar ex-DDR, geven twee journalisten, één uit het westen en één uit het oosten, een fragmentarisch beeld van wat mensen meemaakten in hun DDR-tijd.

De geïnterviewden verbreken pas nu het stilzwijgen. Het zijn slachtoffers, daders, meelopers, gewone burgers, overtuigde en niet-overtuigde medewerkers van het systeem. Ze vertellen over hun land vanuit hun persoonlijke belevenissen. Geen enkel thema is hier taboe, ook angst en woede zijn opgetekend. Er zijn leraren bij die beroepsverbod kregen, mensen die in de gevangenis belandden omdat ze wilden vluchten en verklikt werden door hun beste vrienden. Het radioprogramma had veel succes en kreeg meermaals een prijs.

De auteurs hebben de getuigenissen in een historisch kader gesitueerd en er documenten en foto"s bijgevoegd; deze zijn afkomstig van de DDR-autoriteiten en van de fameuze Stasi-archieven. Het zijn originele affiches, brieven, schokkende en schrijnende gerechtelijke veroordelingen of vrijlatingen, willekeurige afnamen van burgerrecht. Het boek heeft een stevige omslag en een mooie lay-out. Aanbevolen voor wie van de ex-DDR houdt en wie de dagboeken van Klemperer (So sitze ich denn zwischen allen Stühlen. Tagebücher 1945 – 1959.)te uitgebreid vindt.

We besluiten met een paar naslagwerkjes. Ze zijn bescheiden van omvang en van prijs en dus niet vergelijkbaar met de encyclopedie van Buse en Dörr (Modern Germany. An Encyclopedia of history, people and culture, 1871 – 1990.).

Das Politiklexicon
Klaus Schubert en Martina Klein geven verstaanbare verklaringen voor ruim 1300 politieke en aanverwante begrippen uit de Duitse staatsinrichting. Maar ze betrekken er ook België in, Europa en de wereld! Het boekje oogt aantrekkelijk door de ruim vijftig grafieken en tabellen. Jammer dat de kaarten op een willekeurige plek staan: p. 225 – 232, in plaats van voor- of achteraan. President Rau en kanselier Schröder zullen en actualisering wel op prijs stellen, want nu staan ze er nog niet in.

Politischer Atlas Deutschland. Gesellschaft, Wirtschaft, Staat, The state of Germany atlas en Atlas de l"Allemagne
Bernhard Schäfers stelde een veelkleurige en zeer overzichtelijke atlas samen, die in drie talen telkens voor dezelfde prijs beschikbaar. De Duitse uitgave is al bijgewerkt en dus iets actueler dan de Engelse en de Franse.

De atlas bestaat uit 35 thema"s. Deels via kaarten en andere visuele technieken(p. 11–91), deels via begeleidende teksten (p. 92–126) toont en verklaart hij o.m. de toestand van de bevolking, samenstelling van de gezinnen, woongebieden, milieu, interne migratie ( met verlies voor de DDR), de grote immigratie, opleiding, welvaart, inkomens (DDR onderaan), armoede (vooral DDR),werkloosheid (DDR bovenaan), kerken en geloof, criminaliteit (DDR bovenaan), bezit van media, lidmaatschap van sportverenigingen (DDR … onderaan), export, import, kernenergie ( vooral nog in het westen), lidmaatschap van partijen, Duitsland in de E.U.

De toegankelijkheid van dit boek is zeer hoog en tegelijk is de informatie zeer degelijk. Didactisch staat hij in groot contrast met de andere hier beschreven boeken.

Encyclopedia of contemporary German culture
We besluiten met het lexicon van John Sanford. Het is samengesteld door een indrukwekkende lijst Engelse, Amerikaanse en Duitse medewerkers (p. VI – XI).
Het begrip “German" wordt zeer ruim opgevat : ook de DDR, Oostenrijk, Duitstalig Zwitserland, minderheden in België, Denemarken, Zuid-Tirool, Elzas enz. zijn erbij . Ook “culture" heeft een ruime betekenis: sport, circus etc. horen erbij ; zie hieronder bij themata. “Contemporary" betekent: (vooral) na 1945.

De meer dan duizend trefwoorden zijn alfabetisch gerangschikt, telkens beschreven door een specialist en voorzien van verdere literatuur.

Wie zich wil beperken tot bepaalde aspecten, kan vooraan ( p. XVII-XXX ) de thema"s vinden met de opsomming van de lemmata: architectuur, gedenktekens, Oostenrijk, cultuurpolitiek, economie, opvoeding, design en mode, festivals, film, eten en drinken, geschiedenis, DDR, intellectueel leven, taal, nationale identiteit, literatuur, massamedia, theater en circus, filosofie, minderheden, politiek, godsdienst, maatschappij, onderwijs, sport, visuele kunsten, schrijvers, Zwitserland.

Bij de minderheden komen ook onze Oostelijke kantons, de Elzas, Zuid-Tirool, Sleeswijk-Holstein aan bod en vertrekt men al in de 12de eeuw. Bij onderwijs maakt men een interessante vergelijking tussen het geschiedenisonderricht in de ex-DDR en dat van de BRD.

Voor het historisch en politiek gedeelte, kun je meestal beter terecht bij Buse(6). Het is jammer dat bij items zoals Documenta, festivals, Frankfurter Buchmesse, Frankfurter Allgemeine Zeitung, staatsinstellingen, Goethe-instituut, Inter Nationes geen telefoon, fax of e-mailadres opgegeven zijn. Deze laatste twee zijn onlangs trouwens samengesmolten. Voor de rest is het boek wel up-to-date : Schröder staat er b.v. in als kanselier. Soms is men niet consequent : VW en Mercedes staan erin, BMW en EMW (Eisenacher Motor Werke, de Oost-Duitse tegenhanger en Wartburgfabrikant) zijn weggelaten, hoewel ze ook geschiedenis gemaakt hebben en in dienst stonden van resp. nazi"s en DDR-autoriteiten.

Dit (duur) naslagwerk verdient alle waardering, zowel voor zijn stevige vormgeving als voor zijn veelzijdige en betrouwbare inhoud.

Tot slot onze schuchtere voorkeurselectie: Moderne geschiedenis van Duitsland, 1800 – 1990, Kleine Deutsche Geschichte, Modern Germany. An Encyclopedia of history, people and culture, 1871 – 1990Adolf Hitlers Mein Kampf. Geschiedenis – Fragmenten – Commentaren,Hitler"s Banker, Hitler en de geschiedenis. Hitlers plaats in de 20ste eeuw, Bundesrepublik Deutschland. Von der Gründung bis zur Gegenwart, a) Politischer Atlas Deutschland. Gesellschaft, Wirtschaft, Staat. en Encyclopedia of contemporary German culture.

Hierboven behandelde boeken zijn

- Remco in "t Hof en Ruud Slotboom, Wereldstad Berlijn, een gids voor vrienden. (Amsterdam/Antwerpen 1999).
- Frits Boterman, Moderne
Bericht geplaatst in: boekrecensie