FRANCO

Geplaatst op 3 juli 1994
Het beeld en het verloop van de 20ste eeuw werden voor een groot deel bepaald door enkele dictators: Stalin, Hitler en in mindere mate Franco en Mussolini.
Het beeld en het verloop van de 20ste eeuw werden voor een groot deel bepaald door enkele dictators: Stalin, Hitler en in mindere mate Franco en Mussolini. De prestigieuze Britse uitgeverij Harper Collins zorgde in het verleden al voor historische standaardwerken over Stalin en Hitler: Alan Bullock beschreef deze "Parallel Lives"; de titel was geïnspireerd door Ploutarchos. Hun tijdgenoot Churchill kreeg er ook zijn biograaf (Martin Gilbert), De Gaulle eveneens (Jean Lacouture) en het leven van Lenin verschijnt in oktober 94 (Dmitri Volkogonov). Mussolini kreeg elders onderdak.

Nu is het dus de eer aan Franco (1892-1975), een iets minder controversiële figuur dan Stalin en Hitler. Op zijn manier drukte hij zijn stempel op de geschiedenis van de jaren 30 en in Spanje bleef zijn invloed doorwerken tot in de jaren 80-90. De Britse historicus en hispanist Preston (FRANCO. A Biography.) publiceert al bijna twintig jaar over Franco en zijn tijd. Hij schreef er bijna tien boeken over, zowel in het Engels als in het Spaans. Eigenlijk zijn er aan Franco al genoeg levensbeschrijvingen gewijd, o.m. van Ricardo de la Cierva (Francisco Franco : biografìa històrica) en ook van een aantal gelegenheidsschrijvers (zoals Manuel Vàzquez Montalban), die zich bij de "honderste verjaardag" in 1992 geroepen voelden om ook hun visie en hun versie in de etalages te leggen.

Het grote probleem bij Franco was en is dus niet het aanbod aan informatie, maar wel dat er weinig eensgezindheid bij de schrijvers bestond, ofschoon de grote leider al bijna twintig jaar overleden is; de verschilpunten tussen de bestaande biografieën lijken groter dan de overeenkomsten. De caudillo leidde bijna veertig jaar een relatief groot land : toch blijft hij de minst gekende van de grote dictators. Hagiografen en propagandisten vergeleken hem met de aartsengel Gabriël, Alexander de Grote, Caesar, Karel de Grote, Karel V, Filips II en met Napoleon! Salvador Dali presteerde het ooit na een lunch met Franco te beweren: "Ik ben tot de conclusie gekomen dat hij een heilige is". Anderen gingen nog veel verder: een generatie Spaanse kinderen werd grootgebracht met leerboeken waarin hij werd voorgesteld als een geschenk van God en als de messias van het uitverkoren volk. Zijn naaste medewerker Luis Carrero Blanco verklaarde in 1957 in volle Spaanse parlement: "God schonk ons de onmetelijke gunst van een uitzonderlijk leider, een geschenk zoals je van de Voorzienigheid slechts om de drie of vier eeuwen mag verwachten" ! Zulke lofzangen klonken niet ongewoon in landen met dictatoriale regimes: de Russische, Oosteuropese, Noordkoreaanse en Chinese politieke propaganda en "socialistisch-realistische" kunst leverden ook zulke staaltjes af. Anderzijds was en is er ook de diametraal tegenovergestelde interpretatie van de oppositionele linkerzijde: voor hen was Franco een boosaardig tiran, zonder intelligentie, die enkel aan de macht kon komen dank zij de verfoeilijke hulp van Hitler en Mussolini en die overleefde door een combinatie van wrede en massale onderdrukking, strategische berekeningen en goodwill van de grootmachten en dan nog veel geluk erbij. Deze zienswijze lijkt dichter bij de realiteit te liggen dan de wilde, irrationele hymnen van de Falangisten, maar de historische waarheid is dan weer genuanceerder: Franco had meer talent en minder geluk dan zijn opponenten beweren.

Franco zelf helpt ons ook niet vooruit, integendeel: hij heeft het de historiografen en de commentatoren altijd bijzonder moeilijk gemaakt: hij cultiveerde zon duisternis en ondoordringbaarheid en bouwde zon weloverwogen raadselachtigheid rondom zich, dat zelfs zijn persoonlijke almoezenier, pater José Marìa Bulart, na veertig jaar samenwerking moest toegeven: "Misschien was het een koele man, maar dat toonde hij nooit; in feite toonde hij nooit iets"! Franco had dus zelfs aan hem nooit zijn gevoelens prijsgegeven. Anderen die levenslang met hem optrokken, zoals zijn neef Francisco Franco Salgado-Araujo of zijn admiraal Pedro Nieto Antinez, verklaarden dat Franco almaar streed voor een betere wereld, omdat deze door vrijmetselaars en communisten verraden was, dat Franco zichzelf nooit in twijfel trok en dat zij, zelfs tijdens dagenlange tochten op zijn vissersjacht, er nooit in slaagden een gesprek met hem te hebben: hij debiteerde eindeloze monologen, niet voor zijn makkers, maar voor zichzelf.

In tegenstelling met Hitler en Mussolini, bleef hij voortdurend op een afstand, zowel politiek als fysiek. Hij was altijd gereserveerd, afwezig, zelfs in crisismomenten; kontakt met hem was moeilijk: zelfs zijn naaste omgeving of familieleden kregen zelden een eerlijk of concreet antwoord op een vraag; hij kon beter en langer zwijgen dan Willem de Zwijger of Tacitus. Bovendien herschreef hij geregeld zijn eigen leven: in zijn oorlogsdagboek van 1922, zijn autobiografische novelle en filmversie van 1940, in duizenden toespraken en ontelbare interviews, polijste hij telkens opnieuw zijn daden (of wandaden), plaatste hij zichzelf in een steeds beter daglicht en leverde hij het bronnenmateriaal dat elke biografie van deze beleefde, maar afstandelijke heer automatisch in een hagiografie moest doen uitmonden.

De objectieve en grondige studie van Preston kunnen we dus alleen maar toejuichen: niemand is gebaat bij onjuiste voorstellingen van historische persoonlijkheden en mythes moeten zoveel mogelijk ontraadseld worden. De oplossing van het raadsel Franco was ook de hoofdbekommernis van Paul Preston. Daarvoor heeft hij alle nog beschikbare primaire en secundaire bronnen bestudeerd en de commentaren van medewerkers en buitenlandse diplomaten ontleed. Hij observeert Franco accurater en gedetailleerder dan eender welke vroegere biograaf: Ricardo de la Cierva (2) schreef wel zes boekdelen bijeen (1982), maar geraakte niet voorbij het stadium van de hagiografie; de Amerikaanse historicus en Spanje-deskundige Stanley Payne (The Franco Regime 1936 - 1975.) stelde een behoorlijk politiek feitenoverzicht samen van de periode 1936-1975, maar de dieper liggende economische en sociale krachten werden niet uitgediept, er werd geen balans opgemaakt en de vraag hoe het regime het zo lang kon uithouden en wat er allemaal in de Spaanse samenleving veranderde, moet je bij Payne ook niet gaan zoeken. Preston legt niet de nadruk op de geschiedenis van Spanje in de 20° eeuwen evenmin op elk aspect van het oerconservatieve Franco-bestuur, maar hij gaat op zoek naar de intrigerende persoonlijkheid van de saaie en weinig sympathieke man die Franco eigenlijk was. Hij doet dat op minutieuze wijze, in chronologische volgorde: stap voor stap, dag na dag reconstrueert hij het leven van de caudillo en maakt hij diens plaats in de geschiedenis duidelijk.

Hij begint dus op 4 december 1892, om 12u30, toen Franco geboren werd in El Ferrol, een kleine vlootbasis in Galicië, de afgelegen noordwestelijke provincie van Spanje, ten Noorden van Portugal. Zijn vader werkte in de administratie van de Spaanse vloot; zijn standplaatsen waren El Ferrol, Madrid, Cuba en de Filipijnen, waar hij (wellicht) een onwettelijke zoon had. Franco was alleszins de tweede van zijn vijf legale kinderen. Preston verwerpt de speculaties dat de familie joods was. Hij portretteert de jonge Franco, zijn ontrouwe en meestal afwezige vader, zijn brave, vrome en vlijtige moeder, die het volhield te doen alsof het huwelijk rimpelloos was; verder tekent Preston de zeer uiteenlopende karakters van de andere kinderen.

Het verlies van Cuba, Porto Rico en de Filipijnen in 1898 en de vuile, langdurige koloniale oorlog in Spaans Marokko maakten grote indruk op Franco: die schande wilde hij later uitwissen. Na zijn militaire opleiding, trok hij voor lange tijd naar Afrika: van 1912 tot 1936. Hij werd er de jongste generaal van Spanje en van Europa. Dat Spaanse protectoraat (Ceuta, Melilla e.a.) zou later zijn uitvalsbasis worden voor de burgeroorlog. Van daar uit volgde hij de Spaanse politiek op de voet, meestal argwanend, vanaf de Republikeinse jaren 30 met toenemende vijandigheid. Zoals vele legerofficieren, hield hij niet van de politieke klasse, temeer omdat de socialistische partij campagne voerde tegen de oorlog in Marokko.

De "cursus honorum" van Franco wordt gedetailleerd beschreven, met enorm veel feitenmateriaal. De opgang verliep zeer vlot, met de goedkeuring van koning Alfonso XIII en van generaal (en latere dictator) Primo de Rivera, maar niet dank zij hun protectie (zoals opponenten beweren): Franco bewees dat hij bepaalde capaciteiten bezat. In 1936 vond dan de verfoeilijke aanval plaats op de (tweede) republiek. Franco sloot zich pas in een heel laat stadium aan bij de militaire samenzwering (o.l.v. generaal Mola), maar hij werd snel de generalissimo. Deze wrede burgeroorlog bracht mensen uit heel Europa en zelfs uit de V.S.A. op de been: veelal idealisten, sommigen ook om bepaalde politieke of literaire ambities te verwezenlijken.

Zoals iedereen weet, kreeg Franco de meeste en de efficiëntste steun, vooral van nazi-Duitsland en Italië, maar ook van de Spaanse bankiers en olieleverancier Esso. Maar op zwakke momenten speelden ook zijn onverwoestbaar en inspirerend geloof in de eindoverwinning en eveneens zijn diplomatieke gaven een belangrijke rol. Hij kwam als winnaar uit dit tragisch "voorspel" van de 2° Wereldoorlog : in april 1939 trok hij, 47 jaar oud, triomfantelijk Madrid binnen. De paus stuurde hem een felicitatietelegram. Tussen 36 en 39 en ook na april 39 voerde Franco een uiterst gruwelijke repressie door. Het aantal doden, dat door de Franco-supporters geminimaliseerd wordt (max. 400.000 voor de hele Franco-tijd) en door de linkerzijde gemaximaliseerd (ca. 1 miljoen), wordt door Preston geraamd op "ruim een half miljoen" voor de periode 36-39 (p. 322), maar de executies van allerlei tegenstanders nadien zijn hierin niet verrekend. Misschien gaat de auteur ervan uit dat de lezers zijn vorige boeken hieromtrent ook al gelezen hebben (The Spanish Civil War 1936 – 1939 en The Politics of Revenge : Fascism and the Military in 20th Century Spain.). Het uitbreken van de 2° W.O. speelde in Francos voordeel: de aandacht van de wereld ging naar de vele fronten. Preston legt uit hoe Franco zich gedroeg tegenover Hitler en de andere Asmogendheden: hij steunde hen bedachtzaam, maar hij nam geen deel aan de oorlog.

Dit laatste was eerder toevallig, zoals we straks nog zullen zien. In tegenstelling met Hitler en Mussolini, ging hij en zijn regime niet ten onder op het einde van deze oorlog: hij overleefde, dank zij de internationale omstandigheden en ook dank zij zijn behendigheid en voorzichtigheid, een eigenschap die deze geboren overlever eerder gemeen had met Stalin dan met zijn twee geestesgenoten. Honderdduizenden Spaanse ballingen stonden in Frankrijk en Latijns-Amerika klaar om te repatriëren, maar Franco bleef overeind en liet hen niet binnen: van verzoening was geen sprake. Wie hij wel verwelkomde, waren de duizenden ex-nazis, fascisten, aanhangers van de Franse Vichy-regering en Rex-leider Degrelle: hùn kende hij de Spaanse nationaliteit toe en liet ze zo ontsnappen aan hun proces. Deze factor verergerde tijdelijk het politiek isolement waarin Spanje beland was.

In de jaren 50 kon Franco weer aansluiten bij het Westerse kamp: de Koude Oorlog was tussen 1948 en 1953 op zijn hoogtepunt en kwam hem goed van pas. Het Westen verkoos een anticommunistische Realpolitik boven het antifascisme dat het na 45 preekte. De "boycot" van de UNO was trouwens beperkt gebleven en werd al in 1955 opgeheven, hoewel er toen en ook nadien nog méér dan 100.000 politieke tegenstanders in de Spaanse gevangenissen of in kampen opgesloten zaten. In eigen land probeerde hij steeds meer over te komen als de "Redder van Spanje" in de strijd tegen de "eeuwige vijanden"; wellicht begon hij zelf ook te geloven in dit masker dat hem zo lief was. Die vijanden waren achtereenvolgens de islam, het protestantisme, de Verlichting, de de vrijmetselarij, het liberalisme, anarchisme, communisme en separatisme (van Basken en Catalanen). Franco vergeleek zichzelf dan dolgraag met El Cid, de fameuze Morenbestrijder uit de 11° eeuw en met Filips II, die de protestanten bekampte in de 16° eeuw. Hij liet zelfs méér Spanjaarden terechtstellen wegens vermeende vrijmetselarij dan er vrijmetselaars waren. Tijdens de laatste decennia van zijn bewind bezorgde hij zichzelf het imago van de oude wijze adviseur, die zijn land orde, vrede en vooruitgang bracht en die Juan Carlos en de bevolking voorbereidde op het demokratisch koningschap.

Het boek van Preston is in alle opzichten geslaagd: de inhoud is degelijk, de verwijzingen naar de bronnen beslaan 130 paginas, de opsomming van die bronnen nog eens 33 bladzijden; in de zeer gedetailleerde index van 58 paginas vind je werkelijk àlles terug. Eén voorbeeld: een item zoals "Franco" is nog eens onderverdeeld in elementen zoals: caudillo, karakter, kinderen, Burgeroorlog, Marokko, economische visies, vrienden, gezondheid, militaire carrière, ambities, bijnamen, hobbys, ideeën, politieke methodes, politiek inzicht, publicaties, godsdienstige opvattingen, 2° W.O. ! De historisch-geografische situatie is weergegeven op twee kaaarten: één van de Spaanse regios en provincies; één van Spaans Marokko ca. 1920. Behalve dit totaal van 1.002 blz., zijn er nog vier bundeltjes van telkens acht paginas fotos, die de lezer ook enige ontspanning bezorgen : je ziet er o.m. de levensloop, de medewerkers (of collaborateurs ?), Hitler, Mussolini, Pétain, kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, de presidenten Eisenhower en Nixon, "troonsopvolger" Juan Carlos.

Het boek verdient de naam standaardwerk; ondanks zijn (voor sommigen misschien ontmoedigend) volume, is het zeer aangenaam leesbaar. Preston weerlegt ook vele mythes en doet dat met afgewogen, serene beoordelingen, zodat hij m.i. zelfs de Franco-fanaten of wat er nog leeft van de "Moviemento" niet al te zeer choqueert of kwetst. Een voorbeeld van zon taaie mythe is het verhaal van de ontmoeting tussen Franco en Hitler in oktober 1940 in Hendaye (Z.W.-Frankrijk, grensstad in de Westelijke Pyreneeën). Franco zou daar een Duitse doortocht naar Gibraltar verhinderd hebben. De weinige nog levende Franquisten, o.a. de negentiger Serrano Suner, schoonbroer en ex-minister van Buitenlandse Zaken, beweren dat Franco toen Hitler overreedde om onverrichterzake naar Berlijn terug te keren.

Preston betoogt en bewijst dat Franco op dàt moment graag wilde meedoen met de schijnbaar zekere overwinnaar, om zijn deel van de aanstaande buit op te strijken. Maar de Duitsers oordeelden dat Spanje fysiek, moreel en vooral economisch te zwaar ontredderd was en dat Franco te veel vroeg als compensatie, nl. Frans Marokko. Mogelijk zouden de Engelsen en misschien zelfs de Amerikanen daar negatief op reageren. Anderzijds had Franco ook wel moeite met Hitlers eis, nl. een basis op de Canarische eilanden. Hitler zou later verklaard hebben dat hij liever een paar kiezen liet trekken dan nog eens met Franco te moeten onderhandelen. Preston nuanceert ook de alomgeprezen tactische begaafdheden van Franco: het feit dat hij in de jaren 50 het isolement kon doorbreken, was niet zozeer te danken aan schitterende maneuvers van de dictator, dan wel aan het genoemde welbegrepen eigenbelang van het Westen: élke bondgenoot tegen het communisme werd toen verwelkomd. Franco hoefde dan ook maar te wachten op invitaties en veel meer heeft hij ook niet gedaan. Ook de economische wederopbouw van Spanje is volgens de schrijver minder een prestatie van zijn beleid dan een gevolg van de internationale omstandigheden: in de jaren zestig steeg de welvaart in West-Europa; hierdoor werd het massatoerisme naar de Spaanse Costas vanzelf op gang gebracht. In deze kringen bestonden geen principiële bezwaren tegen het regime.

Enkele opmerkingen:
De eindeloos vele voetnoten had men beter doorlopend genummerd i.p.v. telkens per hoofdstuk opnieuw te tellen: nu kijk je soms per vergissing naar de voetnoot van een ander hoofdstuk; een chronologische tabel van het leven van Franco zou zeer handig geweest zijn; het verloop van de Burgeroorlog en de samenstelling van de allianties zijn niet op een kaart of in een schema weergegeven;het zal menig lezer tegenvallen dat zo weinig "grote" namen van de internationale brigades vernoemd worden: latere communistische leiders of auteurs zoals Hemingway en Orwell staan er dus niet in; het verbaast Preston dat Franco met middelmatige talenten zo ver geraakte, maar Stalin, Mussolini, Hitler of Churchill scoorden op de schoolbanken zeker niet hoger; Franco was niet de enige die zijn imago hertekende: ook Hitler liet zichzelf levenslang bijpolijsten en niet-geslaagde portretten mochten niet gepubliceerd worden: de succesrijke expositie in München, Berlijn en Saarbrücken in de lente en zomer van 1994 en het gelijknamige, ontluisterende boek van Rudolf Herz (Hoffmann und Hitler. Fotografie als Medium des Führer-Mythos) zijn levendige bewijzen van deze "plastische chirurgie" avant la lettre; Preston stelt terecht dat het Franco-regime in menig opzicht verschilde van dat van Mussolini en Hitler, maar hij preciseert niet in hoeverre het wel en niet fascistisch was; Hij verstrekt ook geen precieze cijfers over het aantal slachtoffers van de repressie na 1939 of over de concrete omvang van de hulp aan Franco en aan de legale Republikeinse regering tijdens de Burgeroorlog. Maar, zoals gezegd, ging Preston niet de hedendaagse geschiedenis van Spanje herschrijven, maar wel de degelijkste biografie van Franco redigeren.

Met het boek van José Luis de Vilallonga (Koning tussen Franco en Spanje.) trekken we de lijn van de Spaanse geschiedenis even door tot vandaag. Kennelijk hebben de Spanjaarden de bijna veertig jaar van het Franco-bewind nodig gehad om van de gruwelijke broederstrijd te bekomen en om weer aan te sluiten bij de Westerse demokratische en mensenrechten-respecterende regimes.Over Franco wordt in dit boek geen kwaad woord gesproken: de bejaarde potentaat wordt omschreven als "vreemd en kil", maar de auteur keurt zijn bewind niet af. Het was trouwens op aanraden van Franco dat Juan Carlos stage liep bij diverse ministeries en vele Spaanse dorpen, steden, feesten, vergaderingen, universiteiten en ziekenhuizen bezocht. Zo gaf hij de Spanjaarden de gelegenheid hem te leren kennen en zo won hij hen (terug) voor de monarchie of minstens voor de persoon van de koning, zoals premier Filipe Gonzalez het genuanceerder uitdrukte. Behalve door deze geadviseerde promotiecampagne, kreeg Juan Carlos de Spaanse bevolking op zijn hand door na de dood van Franco zo snel mogelijk een nieuwe grondwet (1978) te laten goedkeuren, demokratische partijen weer toe te laten (1976-1977, inclusief de Partido Comunista de Espana), regionale autonomie in te voeren en door krachtig op te treden tijdens en tegen de staatsgreep (1981) van kolonel Tejero, generaal Armada en anderen.

Over het boek zelf nu: Vilallonga is een adellijke vriend van de koning en romanschrijver. Dat laatste aspect komt hier overduidelijk tot uiting: het boek is niet overzichtelijk ingedeeld in hoofdstukken, zoals bij Preston. Het lijkt wel één lange monoloog, die geregeld afgewisseld wordt met (al dan niet fictieve) dialoogjes. Het woord "biografie" is hier eigenlijk niet op zijn plaats, zowel omwille van de stijl als wegens de vele leemtes die het relaas bevat. De informatie is ook veel minder zorgvuldig en precies dan b.v. in "El piloto del cambio" (de stuurman van de verandering) van de Britse historicus T. Powell(1992). Vilallonga zwijgt b.v. over de onenigheid tussen Juan Carlos en zijn vader Juan de Borbon: deze gaf zijn troonpretenties pas op in 1977, m.a.w. toen zijn zoon al twee jaar koning was. Het dramatische ongeval, waarbij Juan Carlos zijn broertje Alfonso doodschoot, wordt niet vernoemd; hetzelfde geldt voor de vermeende politieke invloed van zijn vrouw en de rol van Alfonso Suarez, de overgangspremier. De naam "geautoriseerde" biografie is wellicht een verkoopsargument: het blijkt uit geen enkel document en het koningshuis schijnt het zelfs ontkend te hebben. Nog een paar details: wellicht heeft de Franse vertaling voor verwarring gezorgd, maar Valence ligt ver van Valencia en Gallego betekent niet Gallisch, maar Galiciër. Van Dolores Ibarruri alleen zeggen dat ze "raadgeefster" was van de communistische partij, is wel een onderschatting.

Conclusie: het verhaal van Vilallonga is vlot en voor een groot publiek geschreven, het bevat vermakelijke anekdotes, de toelichtingen in de voetnoten onder elke bladzijde zijn zeer verhelderend, maar het is in kwantiteit en kwaliteit niet vergelijkbaar met wat Preston onder een biografie verstaat. We kunnen het dan ook best beschouwen als ontspannende lectuur na en aangename aanvulling bij het monumentale werk van Preston.

Hierboven behandelde werken zijn:

- Paul Preston, FRANCO. A Biography. (Londen 1993).
- Ricardo de la Cierva, Francisco Franco : biografìa històrica. (Barcelona 1982).
- Stanley Payne, The Franco Regime 1936 - 1975. (Madison 1987).
- Paul Preston, The Spanish Civil War 1936 - 1939. (Londen 1986).
- Paul Preston, The Politics of Revenge : Fascism and the Military in 20th Century Spain. (Londen 1990).
- Rudolf Herz, Hoffmann und Hitler. Fotografie als Medium des Führer-Mythos. (München 1994).
- José Luis de Vilallonga, Koning tussen Franco en Spanje.
Bericht geplaatst in: boekrecensie