ZWARTBOEK VAN HET COMMUNISME

Geplaatst op 14 mei 1998
De vergelijking tussen de ontsporingen van het communisme en nazisme is al dikwijls gemaakt en het goedpraten van het een regime door te verwijzen naar het andere...
De vergelijking tussen de ontsporingen van het communisme en nazisme is al dikwijls gemaakt en het goedpraten van het een regime door te verwijzen naar het andere, naar wandaden van de Amerikanen in Vietnam of van het apartheidsregime in Zuid-Afrika is ook al niet nieuw.

Maar meestal luwde de storm vrij vlug en kregen de auteurs weinig of slechts kortstondig mediabelangstelling.

Dat was ook het lot van het boek van Rummel (Rudolph J. Rummel, Death by government. (Hadleigh 1997)), maar zeker niet van het Franse "Livre noir" (Ben Kiernan, Le génocide au Cambodge 1975-1979. Race, idéologie et pouvoir. (Brussel 1998)), dat goed op weg is om in Frankrijk en in Wallonië de bestseller van 1997-1998 te worden.

Rudolph Rummel (Rudolph J. Rummel, Death by government. (Hadleigh 1997))had tot nu toe pech. Deze professor in politieke wetenschappen aan de universiteit van Hawaï publiceerde in t verleden al meer boeken over volkenmoorden: in de Sovjet-Unie (1990), Nazi-Duitsland (1991) en China (1991). Hij schreef nu weer een boek, een soort synthese van de vorige drie, aangevuld met wat kleinere moordenaarsregimes in Japan, Cambodja, Turkije, Vietnam, Polen, Pakistan, Titos Joegoslavië, Noord-Korea en Mexico(1900-1920).

Dit boek staat vol met verschrikkelijke getuigenissen en overweldigende statistieken en tabellen, maar in Europa kreeg het nauwelijks enige aandacht. Het wordt zelfs niet vernoemd in de bibliografieën van de boeken die hierna volgen. De tegenzin waarmee de stugge Amerikaanse uitgever een beoordelingsexemplaar verstrekt, speelt hierbij ook een ongunstige rol; gelukkig is de Engelse importeur veel soepeler.

Wat vertelt Rummel zoal? Volgens hem zijn de 40 miljoen oorlogsslachtoffers van deze eeuw maar een onbeduidend aantal ("small potatoes") vergeleken met de "169,198 miljoen" mannen, vrouwen en kinderen die aan hun einde kwamen door executies, doodslagen, martelingen, in stukken snijden, levend verbranden, bevriezen, uithongeren, ophangen, verdrinken, platpersen, dwangarbeid of andere methodes, die regeringen of terreurgroepen bedacht hebben voor ongewapende, hulpeloze burgers.

Het cijfer "ca. 170 miljoen" vinden we vrij hoog, maar Rummel noemt het zelf een voorzichtige raming: anderen spreken van bijna 360 miljoen doden en in het "Livre noir" (Ben Kiernan, Le génocide au Cambodge 1975-1979. Race, idéologie et pouvoir. (Brussel 1998)) telt men al 100 miljoen lijken, enkel veroorzaakt door de communistische regimes.

Hoe komt Rummel aan zijn raming?
Zeven "dekamegamoordenaars" (p. 8) of "tienvoudige grote moordenaars" nemen al 122 miljoen slachtoffers voor hun rekening :

-Lenin:4 miljoen ;
-Stalin:42,7";
-Tsjang Kai Sjek :10,2 ;
-Mao:37,8;
-Hitler:20,9;
-Tojo Hideki:3,99;
-Pol Pot:2,4 .

Tojo Hideki is wellicht de minst bekende "megamoordenaar": hij was premier van Japan en als zodanig bevoegd voor de daden van het Japanse leger. Terwijl Stlin en Mao uit ideologische motieven moordden en de Duitsers om redenen van etnische zuivering, ging het Japanse leger brutaal te werk om weerstanders af te schrikken of gewoon zonder reden: weerloze mensen werden afgeslacht om als voorbeeld te dienen voor anderen die mogelijk in verzet konden komen tegen de Japanse veroveraar of steun zouden kunnen verlenen aan anti-Japanse guerilleros; in andere gevallen doodde men om getuigen te elimineren of als tijdverdrijf of om het maximale rendement te halen uit dwangarbeiders of om experimenten uit te voeren met bacteriologische of chemische wapens.

Over naar Lenin en Stalin . Hun slachtoffers hoorden bij een "verkeerde klasse" (adel, geestelijke, rijke lieden, landeigenaars, koelakken) of bij een verkeerde natie (Oekraïners, Kalmyken, Volga-Duitsers, Tsjetsjenen) of hadden verkeerde politieke opvattingen (Trotskisten, Witten, ...) Of ze waren familielid van zo iemand of ze waren leraar, schrijver, hoge militair en ze konden dus in de toekomst potentiële tegenstanders worden .

Mao was volgens Rummel persoonlijk verantwoordelijk voor 37,8 miljoen doden; de categorieën waren vergelijkbaar met die van Lenin en Stalin. Bij die 37,8 telt hij nog 27 miljoen slachtoffers van de collectivisatie en van de "Grote Sprong Voorwaarts": deze veroorzaakte een record-hongersnood van van nog eens 27 miljoen doden.

Tsjang Kai Sjek is hier in het Westen eerder bekend als nobele tegenstander van Mao en stichter van de nationalistische regering op Taiwan, destijds nog Formosa.

Rummel denkt daar anders over: minstens 6 miljoen, maximum 18,5 en wschl. 10,2 miljoen mensen werden door Tsjang omgebracht, deels omdat ze communist waren, deels uit machtswellust, angst voor vergelding door getroffen boeren of in de strijd tegen de Japanners.

Voor Pol Pot en zijn Rode Khmers verwijzen we naar de studies van RILEY ("The killing fields") en Chandler ("Brother Nomber One"):

Rummel is niet mild voor "Broertje Nummer Eén": terwijl bovengenoemde heren na hun wandaden nog een voldoende grote bevolking overhielden, bezorgde Pol Pot aan zijn landje een catastrofe zonder weerga: op 7,1 miljoen mensen verloor het er in de jaren 70 3,3 à 4 mln door oorlog, georganiseerde hongersnood en volkerenmoord. Circa 2,4 miljoen daarvan werden uitgeroeid door de Rode Khmers, die van hun land een hel maakten .

Met klare grafieken (p. 280) toont Rummel ook aan dat in Laos en Cambodja het aantal oorlogsdoden veel lager lag dan het getal naoorlogse slachtoffers en de authentieke getuigenissen van overlevenden zorgen ervoor dat de lezer de gruweldaden lang onthoudt.

Rummel mikt in alle gevallen nogal hoog met zijn dodencijfers: de recentste studie over Cambodja is die van Ben KIERNAN (Ben Kiernan, Le génocide au Cambodge 1975-1979. Race, idéologie et pouvoir. (Brussel 1998)) , hoogleraar geschiedenis aan de Yale-university en oprichter van het internationaal onderzoek naar de volkenmoord in Cambodja. Hij en zijn team ramen de moordpartij van Pol Pot tussen 1975 en 1979 op 1,671 miljoen of ruim 21 % van de 7,89 miljoen inwoners (p. 536) . Dat is een "uniek" percentage, zonder zijn gelijke bij andere vroegere catastrofes. Hopelijk wordt het niet geëvenaard of overtroffen door herhaaldelijk terugkerende slachtpartijen in Ruanda.

Kiernan besteedt ook uitvoerig aandacht aan de "unieke" ideologische en raciale motieven van Pol Pot: allerlei categorieën van mensen moesten worden uitgeroeid: de oude communistische garde, al diegenen die een "Vietnamees hart in een Khmer-lichaam hadden", niet-khmer-minderheden zoals de Islamitische Chams, de Vietnamezen, Chinezen, Laotianen, Thais, verder stedelingen en intellectuelen.

Met de overblijvende, volwaardige Khmers en met de heropgevoeden, moest dan een nieuw, krachtig volk opgebouwd worden, in een egalitaire, communistische en ethnisch uitgezuiverde staat.

Na hun val werden de daders niet berecht, maar gesteund, tien jaar lang zelfs (1979-1989) : voor de V.S.A. en China pasten ze in hun geostrategisch imperialisme tegen Vietnam en ook ons landje bleef het regime nog lang erkennen.

Diezelfde VSA hebben nu schuldgevoelens en zijn de grote sponsors van het onderzoek van Kiernan : een half miljoen dollar schenken ze om 20.000 massagraven en 300.000 paginas archieven te onderzoeken .

De Pol-Potisten hebben onbewust veel hulp geboden aan Kiernan, door hun obsessie om al hun slachtoffers en zichzelf op steekkaarten te zetten, voorzien van fotos. Kiernan gebruikt ze nu op internet, om hulp te krijgen bij de identificaties.

Kiernan besluit: als er ooit een proces komt, zullen de namen van hun geheime politie ("Santebal") en van hun executiecentrum ("Tuol Sleng") eindelijk hun "rechten" en bekendheid krijgen, naast Auschwitz, goelag en laogai.

Pol Pot zal alleszins aan dat proces ontsnappen: we mogen aannemen dat Saloth Sar, alias Pol Pot, op 16 april 1998 overleden is (D.S., 17.04.98). Het bericht van zijn dood in juni 1997 zorgt ervoor dat men nu wel voorzichtig is met dit overlijdensbericht .

Terug naar Rummel . Hoewel hij zeer inventief is in het bedenken van gruwelwoorden (megamoordenaar, democide, hel-land) en de lat van zijn cijfers hoog genoeg legt, moeten we hem toch appreciëren voor zijn nauwgezet opzoekingswerk en de visuele weergave ervan in grafieken en tabellen. Zijn boek heeft ook een indrukwekkende literatuurlijst van 72 paginas en een dubbel register (onderwerpen en personen).

Het indrukwekkende Franse zwartboek (Stéphane Courtois, Nicolas Werth e.a., Le livre noir du communisme. Crimes, terreur, répression. (Brussel 1997)) kreeg dus een veel grotere weerklank, te meer omdat binnen het redactieteam al ruzie ontstond over de titel die COURTOIS aanvankelijk wou gebruiken: " De misdaden van het communisme". Deze is dan afgezwakt tot "Livre noir ... ", met "Crimes ... " pas in de ondertitel.

Bovendien bestrijden de mede-auteurs Werth en Margolin de conclusie van Courtois dat terreur onafscheidelijk verbonden is met communisme en de stelling dat de nazis de methodes van Lenin en Stalin overnamen.

De zes auteurs en hun vijf medewerkers hadden wel een hevige controverse verwacht in een land waar de C.P. altijd vrij groot was; die C.P. telde altijd prominente intellectuelen binnen haar rangen en ze bleef al te lang zeer trouw en bijna slaafs de koers van Moskou volgen. Ook nu nog speelt ze een rol als partner van de regerende socialistische partij en ook nu kunnen vele Franse intellectuelen moeilijk afscheid nemen van "Le passé dune illusion", zoals François Furet in 1995 zijn magistraal werk betitelde.

In het zog van Sartre stond het goed de misdaden van het communisme te beschouwen als begaan voor het goede doel en dus zeker niet te vergelijken met die van het nazisme, want deze dienden uitsluitend een slecht doel. Het was ook onfatsoenlijk te zeggen dat de Russische terreurdaden chronologisch gezien grotendeels plaatsvonden vòòr die van Hitler en co.

Het boek is opgedragen aan de overleden François Furet. Het begint met een heel lange inleiding van hoofdredacteur Stéphane Courtois . Hij geeft de toon aan en publiceert meteen de dodenlijst (p. 14):

Sovjet-Unie :20 mln.(o.i. Een zeer lage schatting);
China:65 mln. (o.i. Een erg hoge raming);
Oost-Europa : 1 mln.
Vietnam: 1 mln.
Cambodja: 2 mln.
Afghanistan: 1,5 mln.
Afrika: 1,7 mln.
Latijns-Amerika : 150.000

Komintern en niet-regerende communistische partijen: 10 mln. (wellicht een te hoge raming).

De schatting voor de SU vinden we dus te laag: Roy Medvedev ("Argumenti i Fakti") sprak in 1989 van 40 mln., Brian Moynahan ("De eeuw van Rusland") citeerde KGB-cijfers van 42 mln.

Courtois spreekt over "misdaden tegen de menselijkheid", hij noemt de "dékoulakisation" een "populicide" (p. 18), hij vergelijkt deze klassengenocide met de nazistische judeocide (p. 19) en " ziet weinig verschil tussen de bewuste uithongering van Oekraïense koelakkenkinderen en de georganiseerde hongerdood van joodse kinderen in het getto van Warschau (p. 19) .

Stalin verkondigde: de koelakken moeten uitgeroeid worden, want het zijn geen menselijke wezens; de Duitse" rassentheoretici " beweerden: de joden zijn geen menselijke wezens (p. 26).

En op p. 25 stelt Courtois dat bij de bouw van Auschwitz gedetailleerde plannen van Russische concentratie- en werkkampen gebruikt werden. Dit durfde de omstreden Duitse historicus Ernst Nolte in 1986 trouwens ook al beweren. Lenin blijkt trouwens de perfecte voorloper van Stalin te zijn geweest: hij bedacht al concentratiekampen, collectieve deportaties, repressie van boeren met gifgas en andere technieken.

Ook de methodes van de Russische geheime dienst wekten de bewondering op van hun Duitse epigonen: vanaf het einde van de jaren 20 werkte die geheime dienst met quota: elke streek moest een door de CPSU opgelegd percentage personen van "vijandige klassen " aanhouden, deporteren of fusilleren!

Courtois somt ook de redenen op (31-33) waarom de communistische misdrijven zo lang verzwegen werden: het mooie ideaal van de revolutie, de rol van de Russen in de overwinning op de nazis en in de beëindiging van de jodenmoord, die model staat voor de wreedste of alleszins "best georganiseerde" vorm van modern barbarisme. Verder speelden ook nog een rol: het risico dat je, door de goelag te veroordelen, beschouwd werd als aanhanger van het tsarisme en van het feodalisme. Net zoals de Fransen die de Terreur afkeurden, voorgesteld werden als tegenstanders van de Verklaring van de Rechten van de Mens, totdat Furet deze combinatie durfde te doorbreken; het antikapitalisme, dat bij vele mensen uit verschillende sociale lagen onderhuids leeft; tenslotte het feit dat mensen liever als progressief dan als conservatief door het leven gaan en daarvoor wel eens anti-Amerikaans en pro-Russisch moe(s)ten zijn .

Courtois verwijst ook naar de toespraak van Chroesjtsjov (1956; p. 33-35) en naar schrijvers zoals Alexander Solzjenitsyn, Varlam Chalamov, Paul Barton, Vladimir Boekovski, François Furet, die in het verleden de goelag-toestanden aanklaagden, maar geen gehoor kregen.

Hij citeert ook "onze" pvda-voorman Ludo Martens en een zekere Lilly Marcou, die volhouden in hun rehabilitatie en hagiografie van Stalin (p. 37).

Er verschijnen trouwens nog wel meer boeken over de Sovjet-Unie, waarin met geen woord gerept wordt over de wandaden . Een voorbeeld, dat bij Courtois ontbreekt, is het historisch foto-album van Yevgeny Khaldei (Yevgeny Khaldeil -Alexander en Alice Nakhimovsky, Witness to history. (Wilrijk 1997))

Ofschoon hij zijn Joodse familie grotendeels verloor door pogroms in de Oekraïne (1918 e.v.) En hoewel hij na de 2° W.O. twee keer zijn werk verloor in periodes van antisemitisme (1948-1953 en 1976 e.v.) , toont deze trotse TASS- en Pravda-fotograaf enkel positieve prestaties van de Sovjets tijdens de Stalinperiode en vooral tijdens de 2° W.O. en blijft hij, zoals velen van zijn generatie, een bewonderaar van Stalin.

Na deze lange introductie van Courtois, is de toon gezet en de lezer gemotiveerd om het resultaat van het onderzoek verder te lezen.

Dat bestaat uit vijf delen en een lange samenvatting, eveneens door Courtois, waarin hij probeert te antwoorden op de vraag waarom Lenin, Trotski, Dzjerzinski, Stalin, Beria e.a. Zoveel mensen hebben willen uitmoorden.

Deel I, geschreven door Nicolas Werth, is bijna zo groot als een normaal boek: 252 p., vol getuigenissen, kaarten van de goelag en van de deportatieroutes.

Het is een grondige analyse van de aard, beweegredenen, doelstellingen, strategieën, manschappen, terreurmethodes en uitmoordingscycli van het Russische Communisme. De volgorde is chronologisch, van 1917 tot 1953, soms bijna van dag op dag .

Dit ijzingwekkend verhaal is vaak te gedetailleerd: weinig lezers zullen de moed opbrengen om in te gaan op het verzoek van Courtois (p. 41) om het van A tot Z geduldig en aandachtig door te nemen . Maar het ontleent wel zijn overtuigingskracht aan die gedetailleerde bewijsvoering en nauwkeurige bronnenvermelding.

Werth citeert afgrijselijke bevelschriften van Lenin . Eén voorbeeld (p. 84): Hang de koelakken op, minstens met honderd tegelijk, op honderden plaatsen, zodat de mensen het zien, sidderen en tegen elkaar verder vertellen dat jullie de koelakken zult blijven uitmoorden. Recruteer daarvoor de hardste kerels. Telegrafeer mij zodra jullie het werk uitgevoerd hebben".

Werth belicht uitvoerig hoe koelakken (p. 84 e.v. + 159 e.v.), Oekraïners (112), Kozakken (112), intellectuelen (144-154), Georgiërs (156-157) systematisch, planmatig en met de wreedste methodes uitgeroeid werden. Hoe alle voedsel werd opgeëist en hoe de hongersnoden in 1921-1922 en 1932-1933 ontstonden of beter gezegd: bewust veroorzaakt werden (133-140), hoe de eerste concentratiekampen functioneerden (133), hoe de orthodoxe kerk "doodgeslagen" werd (140-143) .

Voor sommige groepen vond de uitroeiing plaats in terugkerende cycli: telkens als er iets misliep, zocht en vond het regime een zondebok: boeren, intellectuelen, priesters, Oekraïners kregen bij herhaling een uitroeiingsbeurt.

Stalin ontving protest- en smeekbrieven. Daarin werd gedetailleerd beschreven hoe de slachtoffers door hun beulen mishandeld werden en daarna met "koude of warme technieken" gedood werden; m.a.w. Door ze te bevriezen of in brand te steken met kerosine. Maar Stalin antwoordde dat hij op de hoogte was en dat de "schuldige" kolchozboeren en boerinnen hun straf verdiend hadden.
Deze brieven komen uit archieven en zijn netjes genummerd.

Dit alles was dan nog de "kleine terreur" . De grote terreur en " lempire des camps " vormen aparte hoofdstukken (206-225 en 226-239) .
De hier aangehaalde cijfers, tabellen, officiële rapporten en geheime brieven van Beria aan Stalin zouden zelfs Ludo Martens en Kris Merckx moeten kunnen overtuigen.

Eén klein lichtpunt: Werth telt voor 1937-1938 "slechts" 700.000 terechtstellingen, terwijl Robert Conquest in "The Great Terror" (1968) het cijfer "3 miljoen" gelanceerd had, wat anderen van hem dan weer overnamen.

Tijdens en na de 2° W.O. kwamen er deportaties bij (240-268) van hele volkeren naar uithongeringskampen, in 1946-1948 nogmaals een georganiseerde hongersnood en een verschrikkelijke behandeling van mensen in geannexeerde gebieden: Balten, Polen, Moldaviërs.

Werth besluit met enkele "complotten" uit de jaren 50-53, o.a. Van Joden, waarop telkens ongenadige represailles volgden; verder de dood van Stalin en van Beria, de eerste destalinisatie en de geleidelijke "degoelagisatie" . Fotos, waarvan vele hier voor t eerst getoond worden, sluiten dit hoofdstuk af.

Deel II (297-394) handelt over de wereldrevolutie: de activiteiten van de Komintern in vele delen van de wereld, de jacht op Trotskisten ; zie hiervoor ook de memoires van Pavel Soedoplatov (F.Ec.T. , 10 dec. 94, p. 6): deze man kreeg in maart 1939 van Stalin persoonlijk het bevel om Trotski te vermoorden, in dat jaar nog, " vòòr het begin van de onvermijdelijke oorlog".
Verder gaat het over de sinistere practijken van de geheime dienst tijdens de Spaanse Burgeroorlog, de relaties tussen communisten en terroristen in de jaren 70-80. Ook hier valt weinig deugdelijks te lezen, zij het dan dat de beschreven wreedheden minder afgrijselijk overkomen dan in het vorige deel. De banden met de PLO, de RAF, maar ook die met het IRA in de jaren 30-40 worden hier blootgelegd.

Deel III (395-496) behandelt de slachtoffers in Oost-Europa .
Behalve in Tsjecho-Slovakije, was de vooroorlogse C.P. er marginaal. Vanaf 1944-45 kwam ze overal aan de macht en voerde ze, samen met de Russen, een harde repressie tegen de Kerk, tegen opponenten en vaak zelfs tegen communisten (462-479). Slansky, Nagy en Dubcek waren voorbeelden van de laatste categorie.

Ook in deze landen zorgden de nieuwe kameraden in 1948-1950 voor een goelag, vaak met economische bijbedoelingen: in de kampen moest hard gewerkt worden. Ook hier brengen authentieke getuigenissen van ex-gevangenen en van ex- gefolterden en de littekens van opgegraven lijken de nodige bewijskracht aan.

Deel IV (497-704 ) brengt ons naar de werk- en heropvoedingskampen van China, ietnam, Laos, Cambodja en Noord-Korea.

I.t.m. Oost-Europa en de ex-Sovjet-Unie, zijn de meeste communisten hier nog aan de macht en de archieven nog gesloten. Het blijft dus nog even gissen naar wat b.v. Mao op het oog had met zijn zuiveringen, zijn grote sprong achterwaarts en de culturele revolutie.

Toch konden de auteurs al beslag leggen op kaarten van de Chinese laogai of werkkampen (500, 542, 543), precieze data en cijfers van gewelddadige uitroeiingscampagnes, van hongersnoden (1959-1961; p. 530), van een onbegrijpelijke culturele revolutie (1966-1976) en van de genocide in Tibet.

Ook hier zijn zij niet de eerste publicisten: de gruwelen van Mao werden al beschreven door o.a. Li Zhisui, Steven Mosher, Harry Wu, James Miles, John Gittings. Fotos, teksten van afgedwongen schuldbekentenissen en nauwkeurige kaarten ondersteunen ook hier de harde beweringen. Het aantal lijken ("65 mln") is zeker hoog genoeg geschat: bij Rummel zijn het er 10,2 voor Tsjang, 38 voor Mao en 2,4 voor Pol Pot.

In het "Livre noir " telt men als volgt:

- landhervorming 1946-52 :2 à 5 mln.
-repressie in de steden (50-57) :> 1 mln.
-hongersnoden bij de grote sprong: 20 à 43 mln.
-Culturele Revolutie(66-76) :0,4 à 1 mln.
-Tibetanen (50-nu):0, 6 à 1,2 (op een bevolking van 4 à 6 mln.)
-gestorven in gevangenschap :20 mln.
-incidentele executies, buiten de repressiegolven: 0, 5 mln.
Totaal :44, 5 à72 mln.

Het gemiddelde is dus 58 i.p.v. 65 mln.

Voor de lijdensweg van het zeer gesloten Noord-Korea (588-617) beschikken de auteurs over minder getuigenissen en daar is ook maar weinig over gepubliceerd.

De wandaden in Vietnam, Laos en Cambodja (617-704) waren al eerder beschreven en aangeklaagd.

Het vijfde en laatste deel (705-791) is aan de Derde Wereld besteed: Cuba met de onverwoestbare Fidel en de blijkbaar niet zo integere Che Guevara, sandinistisch Nicaragua, het Peruaanse Lichtend Pad, het rode Ethiopië van Mengistu (1974-1991), Angola, Mozambique, Afghanistan.

Hoewel de zon ginds meer schijnt dan in Oost-Europa of in de ex-Sovjet-Unie, stellen de auteurs dat repressie geen uitzondering is, dat veroordelingen mogelijk zijn als je familielid bent van een dissident.

De toon is hier milder, de wandaden minder omvangrijk, maar daarom niet minder dramatisch; dit laatste geldt dan zeker voor Ethiopië en Afghanistan.

Het slotwoord (793-826) is dus weer van Courtois. Hij blikt terug op de factor geweld in de Russische geschiedenis vanaf Ivan de Verschrikkelijke (ca. 1550); hij citeert Tomas Masaryk, Martin Malia en zelfs Maxim Gorki, die geweld beschouwen als een constant aspect van de Russische maatschappij. Dat element, gecombineerd met de 1° W.O. en vooral met een zich alles-veroorlovend doel, nl. Het communisme aan de macht brengen, verklaren een deel van de misdaden tegen de "klassenvijanden". De persoon van Stalin zal ook wel een rol gespeeld hebben: terwijl Hitler de repressie overliet aan assistenten zoals Himmler, volgde Stalin ze op de voet, organiseerde hij ze zelf en ondertekende hij persoonlijk de lijsten van personen die gefusilleerd moesten worden. Hijzelf zorgde ook dat de assistenten de volgende slachtoffers werden: Zinoviev, Kamenev, Boecharin hebben dat ondervonden.

Terwijl in de Sovjet-Unie de "vijand" gedood moest worden, zochten de Aziatische communisten, in het spoor van Confucius, hun heil in "heropvoeding". Enkel de Rode Khmers geloofden daar niet in: intellectuelen en stedelingen vonden ze zo corrupt, dat ze hen massaal uitmoordden.

Hoewel het boek niet op alle vragen een antwoord geeft, vaak teveel details bevat, meer gebruik zou mogen maken van overzichtelijke tabellen en grafieken zoals Rummel doet, hoewel het cijfer voor de Sovjet-Unie (20 mln) te laag is en dat voor de Komintern (10 mln) en China (65 mln) wellicht te hoog geschat zijn, laat het op de lezer toch een overweldigende en overtuigende indruk na.

Voor insiders bevat dit goed gedocumenteerd naslagwerk niet zoveel nieuwe onthullingen: de onzalige rol van Lenin was al door Pipes en anderen aangeklaagd; maar door het aanreiken van pas geopende archiefstukken biedt het nieuwe gezichtspunten en ook bijzonderheden over de manier waarop de volkerenmoorden vanaf 1917 ook al door Lenin georganiseerd werden, wie de beslissingen trof, hoe ondergeschikten met veel "gevoel voor eer en perfectie" die centrale beslissingen uitvoerden, hoe ook "gewone" burgers fanatiek en vindingrijk waren in het bedenken van vernederingen, folteringen en moordmethodes op hun medemensen.


Spontaan denk je hierbij aan die andere gewone burgers uit de jaren 40-45 , die beschreven worden in de de boeken van Browning en Hilberg, van Goldhagen en Gilbert: over de ijver van die gewone mensen is al oneindig veel meer geschreven, gedebatteerd en gemoraliseerd.


Enkele aanmerkingen bij het boek van Courtois c.s.:

- de verklaring voor het geweld lijkt aannemelijk voor de Sovjet-Unie, maar is ontoereikend voor de terreur van het communisme in Azië, Afrika en Latijns-Amerika;
Courtois beweert wel dat de leiders van alle communistische partijen destijds in Moskou of door de Komintern opgeleid werden en geleerd hadden dat de dictatuur van het proletariaat slechts mogelijk was door de andere klassen uit te roeien . Maar die richtlijnen voerden ze niet allemaal op dezelfde manier uit: in Tsjecho-Slvakije zijn tussen 1948 en 1952 "slechts" 3.000 mensen vermoord, in Cambodja ruim 20 % van de bevolking.

- je hoeft niet per se ex-communist te zijn, zoals de meesten van deze auteurs, om de ontsporingen van het communisme met overtuiging te kunnen blootleggen . Anderen deden dat al veel eerder, maar in links-intellectuele kringen wilde men niet van hen horen .

- in de voetnoten en soms ook na een artikel staan titels van boeken, maar een overzichtelijke bibliografie van alle vermelde werken ontbreekt .

- die titels zijn overwegend Franstalige of in het Frans vertaalde werken : de Engelstalige (zoals R. Rummel) zijn ondervertegenwoordigd, Duitse en zeker Nederlandse (b.v. Broekmeyer, Van den Heuvel) ontbreken helemaal .

- de kaft is veel te slap en je hebt permanent een zware papierklem nodig om het boek open te houden: de uitgever heeft geopteerd voor een democratische prijs, maar een stevigere versie was beter geweest .

- het is ook onhandig dat een aantal paginas niet genummerd zijn, o.a. Die van de fotos en van de toch wel belangrijke kaarten .

- menigeen zal zich druk maken om de vergelijkingen met het nazisme, dat op 12 jaar tijd voor 25 mln doden zorgde . Tussen communisme en nazisme is wel een chronologisch en methodologisch verband, zeker geen oorzakelijk, zoals Nolte destijds poneerde.
Ook zonder het Russisch voorbeeld, zou Hitler de joden uitgeroeid hebben.

- niet iedereen zal blij zijn met de wens van Courtois dat de communistische leiders ook voor een tribunaal zouden moeten verschijnen .

Een gelijkaardige wens wordt geuit door Bolkestein (Frits Bolkestein, Onverwerkt verleden. (Antwerpen 1998)). Deze vlijtige en veelzijdige politicus en publicist daagt ex-communisten, fellow-travellers en ex-sympathisanten uit om rekenschap te geven van hun dwalingen en zich te verontschuldigen voor hun medeplichtigheid. Voor een aantal onder hen bestond deze in het bewust verzwijgen van genoemde wandaden.

Hij vraagt aan voormalige communisten welke motieven ze hadden om hun steun te verlenen aan " één van de grootste rampen die de mensheid ooit getroffen hebben". Hij begrijpt niet dat intelligente mensen zo kritiekloos het communisme bleven aanhangen en vriendschapsverenigingen opzetten met de DDR en andere Oost-Europese landen, zonder oog te hebben voor de wantoestanden.

Hij interviewt o.m. Stefan Olszowski, lid van het Poolse politbureau vòòr zijn emigratie naar de USA in de jaren 80 en Jiri Pelikan, directeur van de Praagse TV tot hij in 1968 de zijde van Dubcek koos en naar Rome moest vluchten; verder de Hongaarse schrijver György Konràd en Laszlo Tökes, de geestelijke die de opstand tegen Ceaucescu in Timisoara leidde; tenslotte Komintern-agent Willy Münzenberg.

Bolkestein spreekt oprechte en duidelijke taal en schuwt de controverse niet. Zijn schrijfstijl is meeslepend: je leest het boek in én stuk uit, zonder iets over te slaan.

Het applaus voor Bolkestein is vooralsnog gering in Nederland: hij heeft nog geen CPN-kopstukken kunnen overtuigen om naar Canossa te gaan.

Eén drukfoutje : Orwell schreef zijn "Animal farm" in 1948 i.p.v. "1984" (p. 270) .

Terug naar Courtois: hij haalt zwaar uit naar Sartre, die destijds tegen beter weten in en met veel autoriteit bleef beweren dat Zuid-Korea de agressor was (p. 601) en die als argument voor zijn zwijgplicht aanhaalde dat hij de Franse arbeidersklasse niet tot wanhoop wou brengen en dat elke anticommunist een hond was (819) . Ook Louis Aragon krijgt er van langs, omdat hij in zijn gedichten zelfs de wreedheid van de Russische Revolutie verheerlijkte (337, 818). Inmiddels is de socialistische premier Lionel Jospin in nov. 97 al wel geïnterpelleerd over zijn alliantie met de CPF, maar ook in Frankrijk lijkt er geen aardschok te komen.

In het spoor van het Zwartboek, maar met geringere mediabelangstelling verschenen ook nog de twee boeken van Thierry WOLTON (6 + 7).

In "La France sous influence" toont Wolton duidelijk aan dat Frankrijk tussen ca. 1941 en 1970 , in grotere mate dan de andere westerse landen, de invloed onderging van en min of meer geheime relaties onderhield met de Sovjet-Unie.

Meerdere factoren bepaalden de toenadering tussen deze twee landen:

- beide hadden een revolutie doorgemaakt en met hun revolutie de wereld beïnvloed;

- beide kunnen terugblikken op een groots verleden, waarin de contacten tussen tsaren en absolute koningen hartelijk verliepen;

- beide waren twee keer aangevallen door Duitsland;

- beide voelden zich geroepen om zich af te zetten tegen de Amerikaanse hegemonie;

- de grote PCF en vele Franse intellectuelen staarden zich blind op Moskou .

De toenadering leidde tot zeer frequente contacten, maar had geen spectaculaire politieke consequenties . De Sovjets probeerden wel te infiltreren in de Franse politieke machtscentra: vooral de ambassadeurs Alexander Bogomolov (1940-1950) en Sergei Vinogradov (1953-1960) waren specialisten in het bespelen van de anti-Duitse en anti-Amerikaanse gevoelens. Omgekeerd waren ijdele en zichzelf overschattende Franse politici zoals Léo Hamon, Gaston Palewski, Edgar Faure en Antoine Pinay heel trots dat ze door hooggeplaatste Russen ontvangen werden.

Maar de concrete resultaten bleven langs beide kanten beperkt:

- in dec. 1944 sloten De Gaulle en Stalin-Molotov een vriendschapsverdrag in Moskou; maar dat hebben wel meer landen gedaan en Churchill was daar al twee maanden eerder ontvangen en voor belangrijkere beslissingen .

- Moskou wakkerde de strijd tegen het Marshallplan aan, maar Frankrijk keurde het goed .

- de Franse politici Monnet en Schuman gaven de aanzet tot de EGKS (1951) , een voorbeeldige samenwerking met Duitsland en het begin van de latere EEG .

- het Franse parlement lag dwars bij de opbouw van een West-Europees leger (1954, Europese Defensie Gemeenschap) . Mogelijk waren een aantal politici bij hun besliising beïnvloed door de Russen . Maar enkele maanden later, in okt. 54 / maart 55 keurde Frankrijk de toetreding van West-Duitsland tot de Navo goed.

- in 1966 verliet Frankrijk de militaire structuur van de Navo, waardoor deze naar België verhuisde . De Gaulle was hierbij wellicht zeer weinig beïnvloed door de Russen, maar nam zijn besluit wegens de Amerikaanse bemoeienissen met het Suez-kanaal, de Amerikaanse dekolonisatiepolitiek en zijn niet geringe eigenwaan dat de Franse "forces de frappe" volstonden om iedereen tegen te houden.

- langs Franse kant kon men zich verheugen over een bezoek van Chroesjtsjov (1960), over tegenbezoeken van Franse politici, over goede relaties met de Sovjet-Unie en Polen, maar ook met het eigenzinnige Roemenië en over de bereidheid van de Russen om het SECAM-systeem toe te passen in hun kleurentelevisies, maar er zijn geen aanwijzingen dat Frankrijk bepaalde Russische politieke beslissingen kon beïnvloeden of ombuigen.
Of om De Gaulle te citeren na zijn bezoek aan het Kremlin in juin 1966: "Ils ont mis leur disque, jai mis le mien" (p. 276) .
Dat ondervond ook Mitterrand in 1989, toen hij zich afkerig toonde van een Duitse hereniging.

Samengevat: de pogingen van de Russen om de Frans-Duitse verzoening op te blazen, de Europese eenmaking tegen te houden en een grotere wig te drijven tussen Frankrijk en de VSA hebben tot zeer magere resultaten geleid.

De prestatie van Wolton ligt niet zozeer in enkele nieuwe onthullingen, o.a. Over de contacten van ex-premier Edgar Faure met ambassadeur Vinogradov (p. 200-202), iets waarover Faure zelf zweeg in zijn memoires; wel bewonderenswaardig is de wetenschappelijke aanpak, de grondige bestudering van de verdragen tussen Frankrijk en de Oostbloklanden, het uitpluizen van de archieven van het Russische ministerie van buitenlandse zaken, de Komintern, het Poolse ministerie van buitenlandse zaken, de Poolse CP, het Franse ministerie van buitenlandse zaken en van enkele Amerikaanse archieven. De voetnoten (p. 481-495) verwijzen heel nauwgezet naar deze bronnen.

In de bijlagen geeft Wolton ook een lijst van de Franse regeringen van de 4° republiek (45-59), van de officiële bezoeken van Fransen aan het Oostblok en omgekeerd (alleen 1966-69), wederzijdse verdragen (66-70) en een chronologie van 1938 tot 1975.

Het is me niet duidelijk waarom in deze lijsten de regeringen van de 5° Republiek en de bezoeken en accoorden uit de jaren 1944-1966 weggelaten zijn.
De 16 paginas fotos tussen p. 276 en 277 zijn niet genummerd, zodat er in de tekst en in het register helaas ook niet naar verwezen wordt.

Het recentste boek van WOLTON (Thierry Wolton, L"histoire interdite. Résistance, collaboration, communisme: la France prisonnière de son passé. (Brussel 1998)) is bescheidener van omvang en fragmentarischer; het handelt over uiteenlopende aspecten van de Franse geschiedenis en politiek sinds 1940, maar gaat nergens zo diep op in als het vorige.
Bovendien is het taalgebruik gezocht, omfloerst, minder direct.

Eigenlijk is het meer een bezinning en een aansporing tot reflectie over de rol van de moraal in de politiek.

Wolton bespreekt in t kort enkel aspecten van de 2° W.O., het Vichy-regime, de weerstand, de kwalen van deze eeuw, te weten communisme en nazisme, de genocides, Orwell en Aragon, de twee maten en twee gewichten bij de beoordeling van communisme en nazisme, van verzet en collaboratie, het selectief onthouden en het bewust vergeten van bepaalde feiten, tot slot enkele gevallen van spionage.

Nog meer dan het vorige, is dit boek bedoeld voor het Franse publiek, voor intellectuelen, zowel rechtse als linkse . Het bevat geen fotos, tabellen of register en slechts een paar documenten.

Van Frankrijk naar België is maar een klein stapje. Toch komen we hier meteen in veel rustiger vaarwater: de twee boeken over de PCB-KPB ademen een serenere, minder strijdvaardige sfeer. De auteurs gaan geen controverse aan en roepen de vroegere kameraden niet ter verantwoording.

Ivan Ollevier (Ivan Ollevier, De laatste communisten. Hun passies, hun idealen. (Amsterdam 1997)), journalist bij de VRT, had geen echte geschiedenis van de KPB op het oog, want het echte archiefonderzoek moet nog beginnen en die deuren kunnen nog wel even dicht blijven.

Ollevier voerde een jaar lang gesprekken met een dertigtal voormalige Vlaamse communisten, vaak interessante personen. Het zijn zowel oudgedienden als "jongeren" die pas in de jaren 60 op de kar sprongen.

Die gesprekken verwerkte hij tot een chronologisch overzicht van de opkomst en ondergang van het communisme in België en meer bepaald in Vlaanderen.

Sommigen hebben in de Spaanse Burgeroorlog meegevochten, anderen zaten in het verzet of overleefden concentratiekampen, nog anderen leidden stakingen, schreven in kranten en weekbladen of werkten gewoon tussen andere arbeiders. Ollevier begint met de tekst van de Internationale, een oorspronkelijk Frans lied uit 1871. Dan beschrijft hij in chronologische volgorde de stichting van de partij, de eerste optredens in het parlement, de "bolsjevisering" of het overnemen van de stijl van de CPSU, de eerste stakingen, het vijandige anticommunisme, ook van de socialisten, die "stokslagers" op de communisten afstuurden, de fellow-travellers, de Spaanse Burgeroorlog, de moeilijke periode van het Stalin-Hitler-pact (aug. 39-juni 41), het verzet, de bevrijding, repressie, de succesjaren 46-48, de achteruitgang tijdens de Koude Oorlog, de Koningskwestie .

Hierbij wordt verteld dat in feite Henri Glineur de roeper was van "Vive la république" (p. 153); de dader van de moord op Julien Lahaut was een verzekeringsagent uit Halle, geboren in 1912, gestorven in 1977; hij had twee trawanten; ze werden nooit vervolgd (p. 154-157) .

Daarna volgen de pijnlijke momenten uit de Koude Oorlog: Berlijnse blokkade, Hongarije, Berlijnse Muur , de inval in Praag: telkens moest de partij een stap achteruit zetten. Verder het boeiende relaas van Bob Francis, die na een spectaculaire carrière in de KP diaken werd en voor Oostpriesterhulp en het bisdom Gent ging werken. Over het onroerend goed en de financiën van de partij worden we niet veel wijzer. Er zouden nu nog 300 communisten over blijven in Vlaanderen.

Waar je ook zit in het politieke spectrum, je leest dit boekje in één adem uit, zelfs met enige sympathie, soms wel in de oorspronkelijke betekenis van "medelijden met". Het eindigt met een knappe literatuurlijst, maar helaas zonder register.

Toch nog even dit: de auteur stelt nergens kritische vragen, ook niet bij de momenten waarop de KPB niet zon bewonderenswaardige indruk naliet.

ULB-professor José Gotovich (José Gotovich, Histoire du Parti Communiste de Belgique. (Brussel 1997)) schreef wel een historisch overzichtje, maar ook nog geen defintieve geschiedenis van de PCB-KPB, want daarvoor is dit cahier te summier en moeten de archieven en de voormalige kopstukken nog willen spreken.

Zijn boekje bestaat uit vier hoofdstukken: I) 1921-1932: stichting, eerste twee kamerleden, eerste ruzies, stakingen; II) 1932-1939: de inplanting in Vlaanderen en het onbegrip voor de Vlaamse kwestie; problemen met Trotskisten, concurrentie van Rexisten en VNV, electoraal succes in 1936 (6 % van de stemmen, 9 zetels), Spaanse burgeroorlog; III) 2° W.O., pact Hitler-Stalin, verzet: een erg kort verhaal; IV) Na de oorlog: aangroei tot 88.000 leden en 23 zetles; verzet tegen het Marshallplan; moord op Lahaut, zonder gegevens over de daders; langzame ondergang; dubbelzinnige houding t.o. Fouten van de Russen; restanten van de partij: gebouwen, tijdschrift "Les cahiers marxistes", archief .

Het boekje leest niet aangenaam, het relaas is veel te summier, maar het cijfermateriaal is soms interessant: stemmenaantallen, verkochte exemplaren van "Le Drapeau Rouge" (80.000 in 1946, nog 17.000 in 1949), ledenaantallen: 467 in 1921, 10.000 in 1939, 87.892 in 1945, 38.361 in 1949, 600 in 1995 .

We sluiten ons artikel af met een paar naslagwerken .

In dat van Bideleux en Jefferies (Robert Bideleux, Ian Jefferies, A history of Eastern Europe. Crisis and change. (Antwerpen 1998)) vormt de communistische periode slechts het vijfde en laatste deel, maar wat eraan voorafgaat kan bijdragen tot een beter begrip van het ontstaan en mislukken van de communistische staten.

Een korte presentatie: deel I tekent de opgang en ondergang van het Ottomaanse rijk en het ontstaan van nationale staten; deel II en III behandelen Polen, Hongarije, Tsjecho-Slovakije en Oostenrijk vòòr 1914, het ontstaan van het kapitalisme, de kiemen van sociale revoties, oorlogen, nationalisme en desintegratie. Deel IV gaat over de nieuwe orde en het falen van de democratie, strijd tussen fascisme en Komintern.

Deel V is in dit kader het relevantste: het Churchill-Stalin-akkoord in Moskou (okt. 1944) over de Russische invloedssferen in Oost-Europa, Yalta, Potsdam, de oprichting van neo-Stalinistische regimes, collectivisaties, landhervormingen, de beperkte liquidatie van koelakken (528), verstedelijking, verzet en onderdrukking ervan in Hongarije en elders, werking van de Comecon, uitwerking van het communisme in elk land afzonderlijk, de revoluties van 1989-1991, de "drievoudige gedaanteverandering": van communistische dictatuur naar pluralistische democratie, van centrale planeconomie naar kapitalistische markteconomie, van Sovjet-hegemonie naar onafhankelijke nationale staten; problemen bij deze overgangen en bij de "terugkeer naar Europa".

Het is een briljante, maar moeilijke synthese , die in vogelvlucht heel Oost-Europa overloopt, eigenlijk al vanaf de Grieken en Romeinen, grondig vanaf 1453.

Dank zij het uitgebreide personen- en zakenregister kan het boek perfect dienen als naslagwerk.

Twee andere boeken van dezelfde uitgever sluiten dichter aan bij ons thema. Martin Mccauley (Martin Mccauley , Who"s who in Russia since 1900. (Antwerpen 1997)) portretteerde bijna alle prominente Russen van deze eeuw. Ze zijn netjes geordend van A tot Z. Ik mis alleen topspion Soedoplatov en premier Tsjernomyrdin, terwijl vice-premier Nemtsov en ultranationalist Zjirinovsky er wel in staan. Bij Toechatsjevsky staat dat hij al in 1937 geëxecuteerd werd: dat kan, maar andere bronnen spreken over latere data (1941).

Interessant is dat ook niet-politici erbij staan: b.v. Ex-hoogspringer Valery Brumel, het Oekraïense polsstokfenomeen Sergei Boebka, balletdanser en choreograaf Noereyev, allerlei schakers.

Het is ook meer dan een alfabetische lijst biografieën: mccauley begint met een historisch overzicht van 1917 tot 1991 (p. VII-XIV), een analyse van de structuur van partij en regering, uitleg over de Russische persoonsnamen, een chronologische tabel van 1917 tot 1993 (p. XVII-XXIV). Hij eindigt met een verklarende woordenlijst van begrippen, gaande van Agitprop tot White House; verder geeft hij enkele geografische kaarten en een bibliografie .

Het is een onmisbaar werkje voor wie geregeld iets moet opzoeken over de ex-Sovjet-Unie en het huidige Rusland.

De Chinese wereld ligt nog wat verder van ons verwijderd: we verwelkomen dus de kleine Chinese encyclopedie van mackerras (Colinmackerras, Donald Mcmillen, Andrew Watson, Dictionary of the politics of the People"s Republic of China. (Antwerpen 1998)) en zijn Australische teamgenoten. Het boek begint met acht essays over o.a. De geschiedenis van de Chinese CP, de politieke en economische evolutie, de volkeren (inclusief de Taiwanezen en de overzeese Chinezen), de internationale politiek, Hong Kong.

Het alfabetisch overzicht bevat uiteraard de namen van de prominente personen, maar ook organisaties zoals de APEC, politieke en interne economische instellingen, begrippen zoals de Culturele Revolutie, Bende van Vier, Grote Sprong voorwaarts, delicate kwesties zoals Tibet, het rechtssysteem, gevangenissen, protestbewegingen, vrouwenorganisaties .

Het boek sluit dus goed aan bij het gelijkaardige lexicon van Michaël LEIFER (Michael Leifer, Dictionary of the modern politics of South-East Asia.(Londen 1995)), dat de landen van Zuid-Oost-Azië behandelt.

Mackerras richt zich tot studenten, leraren, journalisten, zakenlui en politici. Gezien de wereldwijde belangstelling voor China en m.n. Voor de Chinese economie, is ook dit naslagwerk een aanrader.

We ronden ons verhaal af met de vaststelling dat de communistische regimes miljoenen onschuldige doden en veel ander leed op hun geweten hebben. Het aantal lijken tellen we liever niet na, maar het getal moet ergens tussen de 50 en de 100 miljoen liggen.

Een causaal verband tussen communisme en uitroeiing van hele klassen van de bevolking is niet aan te tonen: de verschillen tussen b.v. Cambodja en Cuba, zelfs tussen de Sovjet-Unie en Tsjecho-Slovakije zijn te groot. En in West-Europa bleven communistische gewelddaden beperkt tot de Spaanse Burgeroorlog, het verzet en de bevrijding / repressie, periodes waarin ook anderen schuldig waren aan dat geweld.

De meest lezenswaardige boeken zijn Rummel (Rudolph J. Rummel, Death by government. (Hadleigh 1997)) en "Le Livre noir" (.Stéphane Courtois, Nicolas Werth e.a., Le livre noir du communisme. Crimes, terreur, répression. (Brussel 1997)), de meest praktische naslagwerken zijn die van mccauley (Martin Mccauley , Who"s who in Russia since 1900 . (Antwerpen 1997)) en mackerras (Colinmackerras, Donald Mcmillen, Andrew Watson, Dictionary of the politics of the People"s Republic of China. (Antwerpen 1998)) .

Hierboven besproken werken zijn:

- Rudolph J. Rummel, Death by government. (Hadleigh 1997).
- Ben Kiernan, Le génocide au Cambodge 1975-1979. Race, idéologie et pouvoir. (Brussel 1998).
- Stéphane Courtois, Nicolas Werth e.a., Le livre noir du communisme. Crimes, terreur, répression. (Brussel 1997)
- Yevgeny Khaldeil -Alexander en Alice Nakhimovsky, Witness to history. (Wilrijk 1997)
- Frits Bolkestein, Onverwerkt verleden. (Antwerpen 1998)
- Thierry Wolton, La France sous influence. Paris-Moscou: 30 ans de relations secrètes. (Brussel 1997)
- Thierry Wolton, Lhistoire interdite. Résistance, collaboration, communisme: la France prisonnière de son passé. (Brussel 1998)
- Ivan Ollevier, De laatste communisten. Hun passies, hun idealen . (Amsterdam 1997)
- José Gotovich, Histoire du Parti Communiste de Belgique. (Brussel 1997)
- Robert Bideleux, Ian Jefferies, A history of Eastern Europe. Crisis and change. (Antwerpen 1998)
- Martin Mccauley , Whos who in Russia since 1900 . (Antwerpen 1997)
- Colinmackerras, Donald Mcmillen, Andrew Watson, Dictionary of the politics of the Peoples Republic of China. (Antwerpen 1998)
- Michael Leifer, Dictionary of the modern politics of South-East Asia.(Londen 1995)
Bericht geplaatst in: boekrecensie