ATHLETICS

Geplaatst op 12 januari 2001
De Olympische Spelen bestaan 104 jaar, maar de atletiek zelf al ruim 160. De wedergeboorte was te danken aan Britse en Amerikaanse bewonderaars van de Griekse Oudheid...
De Olympische Spelen bestaan 104 jaar, maar de atletiek zelf al ruim 160. De wedergeboorte was te danken aan Britse en Amerikaanse bewonderaars van de Griekse Oudheid, die de Griekse woorden athlos (wedstrijd) en athlètès (atleet, kampvechter, kampioen) weer nieuw leven wilden inblazen.

De herleving begon in 1837, op het elitaire Eton College, met klassencompetities. In 1838 volgde, in Hoboken nog wel, maar dan in New Jersey, USA, de eerste atletiekmeeting ter wereld waarvan een complete uitslag verscheen in een krant. Canada startte met wedstrijden in 1839, de Engelse militaire academie in 1849, Oxford in 1860.

De eerste indoormeeting was ook Amerikaans: 1861, in Cincinnati, Ohio. Vanaf 1866 werden er nationale kampioenschappen georganiseerd in Engeland, vanaf 1876 in de USA, 1883 in Japan. En in 1887 verscheen het eerste boek over atletiek.

Competities voor vrouwen waren alweer een Amerikaanse primeur: 1895. Het Europese vasteland begon pas in 1894 zijn achterstand in te halen, met de oprichting van het I.O.C. in Parijs; baron de Coubertin was voorzitter.

In 1896 was het zover: de oude Olympische Spelen waren herboren en terecht in Athene. Het eerste internationale crosskampioenschap vond plaats in 1903 in Glasgow, maar was nog beperkt tot Engeland, Wales, Schotland en Ierland. Frankrijk volgde in 1907.

In 1912/1913 werd in Stockholm / Berlijn de I.A.A.F. of de International Amateur Athletic Federation boven de doopvont gehouden. Momenteel telt de vereniging meer dan 200 lidstaten, meer dus dan de UNO met ca. 189 en zetelt ze in hun luxueuze Monaco.

We zouden nog even kunnen verder gaan met data, want Quercetani houdt het vol tot juni 2.000. Uit deze opsomming blijkt wel dat zijn aanvangsjaar 1860 niet evident is: 1838 zou veel logischer zijn.

Even sterk als Quercetani is in het opsommen van data en feiten, is hij in het vertellen over de eerste wedstrijden, de eerste kampioenen zoals Lon Myers (rond 1880: 100 yards in 10"0, 1.000 yards in 2"13", mijl in 4"27"6), Thomas Burke (100 m in 12" in 1896), Spiridon Louis (marathon van 40 km in 2 u 58" 50" op de eerste Olympische Spelen) en de manier waarop ze toen gevierd werden.

Het is ook een genot te kijken naar de eerste foto"s van hun kledij, schoeisel, pistes, accommodaties voor hoog, ver, hinkstap, polsstok, kogel, discus, hamer, speer.

Vanaf 1900 krijgt de atletiek wat meer internationale uitstraling en verbeteren de tijden en de afstanden bij kampnummers al met sprongen: in 1904 loopt Archie Hahn op de Olympische Spelen al 11"0 op de 100 m en 21"60 op de 200! Op de 400 daalt men al onder de 48", soms wel in wedstrijden in rechte lijn. En in 1912 rent Abel Kiviat de 1500 m toch al in 3"55". In deze beginperiode bouwen de Amerikanen al meteen een flinke voorsprong op, die ze later niet meer zouden prijsgeven.

Na het Angelsaksische begintijdperk, zorgen de Finnen voor enige afwisseling: van 1912 tot 1940 was het “Finlandia docet": Finland wees de weg in de lange afstanden, de steeple en het speerwerpen. Absolute topper in de jaren "20 was Paavo Nurmi.

De eerste Afrikaanse afstandslopers dateren niet van 1960, maar waren in 1904 al present op de marathon. Hun land wordt niet eens genoemd, wel hun stam (Tswana) en hun prestaties waren bescheiden, alleszins slechter dan de zwakke tijd de winnaar (3 u 28" 53").

De eerste en tot nu toe enige Indiaanse topatleet was Jim Thorpe: hij haalde het op de vijfkamp en de tienkamp in 1912.

Het interbellum werd gedomineerd door Paavo Nurmi en Jesse Owens (met o.a. 20" 7 op de 200 en 8 m 06 ver in Berlijn, 1936. Door zijn prachtprestaties en een beetje ook door Hitler werd hij definitief een atletieklegende.

Ook op andere afstanden werden toen al fenomenale tijden neergezet, o.a. door Rudolf Harbig: 1"46"6 op 800 m, 60 jaar later nog goed voor een kampioenentitel in veel nationale kampioenschappen. Pas in 1955 verbeterde onze Roger Moens dit 16-jaar oude wereldrecord met slechts 0,9 “. En de Koreaanse Japanner Kee–Chung Sohn of Kitei Son liep de marathon in 1936 in 2 u 26" 42". De meeste kampnummers bleven het domein van de Amerikanen.

De Tweede Wereldoorlog zorgde voor een pijnlijke onderbreking van de Olympische vrede. Toppers tijdens en na de oorlog waren de Zweed Gunder Hägg, de beste op 1 mijl tot 5.000 rond 1942; Fanny Blankers-Koen, de onlangs overleden Emil Zatopek, de beste op 5.000 tot marathon in de jaren 1948 – 1956, Roger Bannister, de eerste mijlloper onder de 4": 3"58"8 in 1954.

Klinkende namen rond 1960 waren Herb Elliott (3"35"6 op 1500), Abebe Bikila (2 x goud op de marathon), Al Oerter (4 x goud in discus en op hoog niveau actief tot 1988, op zijn 52° !), Peter Snell, Wilma Rudolph, Ron Clarke. Deze laatste stapelde records op tussen 1963 en 1970, maar een medaille was hem niet gegund. Er waren gelijkenissen met Puttemans.

In de jaren "60–"70 deden de Afrikaanse landen, Jamaica, Cuba , de DDR en andere Oostbloklanden hun succesvolle en overweldigend intrede in de Olympische arena. De dekolonisatie en de Koude Oorlog stimuleerden dit fenomeen.

Rode vaandeldragers waren o. m. Brumel, Juantorena, Cierpinski, Marlies Göhr, Marita Koch (sinds 1985 nog altijd W.R. op 400 m met 47"60 !), de onverslijtbare Heike Drechsler en Merlene Ottey.

Engeland en Finland vierden nog een come back met enerzijds Sebastian Coe, Dave Bedford, Steve Ovett, Steve Cramm en anderzijds Lasse Viren, onklopbaar op de grote momenten.

De jaren "80 – "90 zorgden voor een definitieve ommekeer: professionalisering, commercialisering, doping. Prachtige records van vroeger werden ongenadig naar de archieven verwezen. Topatleten verdienden jaarlijks hun gewicht in goud.Grenzen werden verlegd door Edwin Moses, Carl Lewis, Michael Johnson, Sergeï Boebka, Zelezny, Aouita, Morceli, El Guerrouj, Kipketer, Paul Tergat, Daniel Komen, Haile Gebrselassie. Italiaanse, Spaanse en Portugese marathonlopers en loopsters hielden Europa mee overeind.


Quercetani slaagt erin een compleet beeld te tekenen van anderhalve eeuw topatletiek, telkens netjes verdeeld over periodes van twintig jaar. Hij toont hierbij evenveel belangstelling voor de werp- en springnummers en voor het snelwandelen als voor de lopers, die hier bij mij alle aandacht krijgen. Hij brengt geregeld en terecht zijn Italiaanse landgenoten op het voorplan, maar dat zouden wij ook doen met onze Reiff, Moens, Roelants, Puttemans, Lismont, Van Damme, Van Dyck, Rousseau. Van de Belgen krijgt Gaston Roelants de meeste vermeldingen.

De damessport komt veel trager op gang, maar de auteur volgt ze ook met belangstelling. Fanny Blankers-Koen, Marlies Göhr, Marita Koch, Heike Drechsler, Grete Waitz, Ingrid Kristiansen, Rosa Mota, Tegla Loroupe, Merlene Ottey, Florence Griffith, Marion Jones, Qu Yunxia, Wang Junxia, Jiang Bo, Gabriela Szabo, Stefka Kostadinova, Trine Hattestad, Jessie Joyner-Kersee en co hoeven dus niet te klagen, ook niet wat het aantal foto"s betreft. Ze krijgen zelfs een apart register.

Het boek eindigt met records en ranglijsten van alle disciplines in alle tijdperken. Vooral dit laatste is interessant om vergelijkingen te maken.

Een bibliografie en twee indexen sluiten dit prachtwerk af. De bibliografie vermeldt soms de eerste editie van een boek i.p.v. de recentste. Onze “100 jaar Belgische atletiek" (Bob Geuens e.a., K.B.A.B.–L.R.B.A., 1989) staat er helaas niet bij. De pagina"s van het statistisch deel en van de index is men helaas vergeten te nummeren, wat zeer onpraktisch is. Het zouden de pagina"s 419 tot 456 moeten zijn.

Ons kort en krachtig eindoordeel: elke atletiekliefhebber moet dit prachtig naslagwerk aanschaffen.

Referentie:
Roberto L. Quercetani, Athletics. A history of modern track and field athletics (1860-2000). Men and women. (Milaan 2000)
Bericht geplaatst in: boekrecensie