MEMOIRES VAN EEN RUSSISCHE TOPSPION

Geplaatst op 17 februari 1994
Pavel Soedoplatov is voorlopig nog een onbekende, maar voor een spion is dat niet ongewoon. We stellen hem eerst even voor. In 1907 werd hij geboren in Oekraïne.
De Russische archieven en de getuigenissen van prominenten zullen ons de volgende jaren wellicht nog enorm veel informatie en onthullingen verschaffen over de geschiedenis van de 20ste eeuw.

Het getuigenis van Soedoplatov (Pavel and Anatoli Suduplatov, Jerrold and Leona Scheckter, Special Tasks. The memoirs of an unwanted witness - A Soviet spymaster. (Londen 1994) is uiteraard niet het enige in zijn soort: recente studies over de laatste tsaar (Elisabeth Heresch, Verraad, lafheid en bedrog. Leven en dood van de laatste tsaar. (Amsterdam 1993), over Lenin (Richard Pipes, Russia under the Bolshevik Regime. (New York 1994); David Remnick, Lenins Tomb. The last days of the Soviet Empire. (Londen 1994); Dmitri Vologonov, Lenin: Life and Legacy. (Londen 1994) en over de Stalintijd (Nancy Adler, Victims of Soviet Terror. The story of the Memorial movement. (New York 1993); Martin Malia, The Soviet Tragedy. A History of Socialism in Rusia, 1917-1991. (New York 1994); Anna Larina Boecherina, De revolutie ging in rood gekleurd: herinneringen. (Amsterdam 1993); Hans Olink, De vermoorde droom: drie Nederlandse idealisten in Sovjet-Rusland. (Amsterdam 1993); Thijs Berman, Op zoek naar George Fles. Het einde van een Hollandse revolutionair in de Sovjetunie. (Amsterdam 1993) leverden ook al boeiende informatie op.

Pavel Soedoplatov is voorlopig nog een onbekende, maar voor een spion is dat niet ongewoon. We stellen hem eerst even voor. In 1907 werd hij geboren in Oekraïne. In de jaren dertig en veertig kreeg hij van Stalin de taak allerlei tegenstanders te likwideren. Zijn eerste belangrijk slachtoffer was Konovalets, leider van de uitgeweken Oekraïners: hij dacht dat Soedoplatov een vriend van hem was, maar in mei 1938 werd hij in Rotterdam door hem opgeblazen. De Nederlandse politie kent nu eindelijk de dader, tenzij ze in 1992 de (Russische) biografie van Trotski gelezen hebben, waarin Volkogonov de code en de identiteit van de dader voor het eerst vernoemt (Dmitri Volkogonov, Trotsky. (Moskou 1992).

Deze en andere "prestaties" leverden de auteur promoties op: hij kreeg de volgende topfuncties: a) directeur van de buitenlandse inlichtingendienst, 1939-1941; b) directeur van de "Afdeling voor Speciale Taken" (1941-1944): hieraan is de titel ontleend. In deze hoedanigheid hield hij zich bezig met sabotage, het vermoorden van vijanden, verdere infiltratie in de Oekraïense nationalistische beweging, guerilla tegen de Duitse bezetters. Zijn bekendste prooi was nu niemand minder dan Trotski; c) van 1944 tot en met 1946 leidde hij de atoomspionage in de V.S.A., Canada en Engeland. Zo was Stalin niet verrast door het Amerikaanse bericht dat ze een A-bom hadden; d) Van 1947 tot 1953 was hij een soort manager van de Koude Oorlog: hij begeleidde de communistische machtsovernames in Letland en Tsjecho-Slowakije; hij steunde de Koerdische rebel Barzani, in de hoop dat het Westen zo minder invloed zou krijgen in het Midden-Oosten; een aanslag op Tito ging niet meer door wegens de dood van Stalin.

1953 betekende het einde voor Stalin, Beria en Soedoplatov. De trouwe dienaar van het systeem werd een ongewenste getuige, an unwanted witness en kreeg 15 jaar gevangenis. In 1968 kwam hij vrij, in dec. 1991, toen de KP en de SU al in elkaar gestort waren, werd hij gerehabiliteerd.

Voor de redactie (1992-1994) van deze memoires, kreeg de 85- à 87-jarige Soedoplatov hulp van zijn zoon Anatoli en van het Amerikaanse duo Jerrold en Leona Scheckter: Jerrold leidt de Moskou-afdeling van Time; hij was al uitgever en vertaler van het derde volume van de memoires van Chroesjtsjov; samen met Leona was hij uitgever van "An American Family in Moscow" en van "Back in the USSR". Hun urenlange vraaggesprekken met Soedoplatov, legden ze vast op video en werkten ze uit tot een boek in Westerse stijl, bedoeld en m.i. ook geschikt om een bestseller te worden. De uitgever gooide met het geld: alleen al voor het spectaculaire en zeer betwiste hoofdstuk over de atoomspionage, betaalde hij meer dan 27 miljoen BF.

Het boek bestaat uit een driedelige inleiding, dertien hoofdstukken autobiografie, zes bijalgen en een complete index.

In de inleiding beweert Robert Conquest, auteur van "The Great Terror" en van "The Harvest of Sorrow" dat dit de meest vernietigende autobiografie is uit en over het Stalin-milieu: sinds de toespraak van Chroesjtsjov (1956), is er nooit zoveel onthuld. Volkogonov probeerde vòòr Scheckter dit verhaal te schrijven, maar vader en zoon Soedoplatov opteerden voor de Amerikanen.

De inleiders Conquest en Scheckter vertellen ook hoe Soedoplatov zijn crimineel verleden goedpraat met Lenins woorden: "Onze moraal is ondergeschikt aan de belangen van de klassenstrijd en alles wat we doen voor het proletariaat is eervol" (p. VIII). Soedoplatov zag zichzelf als een soldaat in een rechtvaardige oorlog tegen "Oekraïense fascisten, Trotskisten, Amerikaanse imperialisten en andere vijanden van het volk" (XIV). Anderzijds geeft hij toe dat zijn kinderen toegang kregen tot het hoger onderwijs, zonder ingangsexamens te moeten afleggen. Dit wisten we trouwens al uit "De Nomenklatoera" van Michaël Voslensky.


Conquest en Scheckter wijzen ook op beperkingen: Soedoplatov stond nog niet hoog genoeg om alle geheime informatie te mogen inkijken; na 1953 zat hij gevangen; veel documenten uit de Stalin-tijd zijn vervalst of verdwenen. De KGB blijft zwijgen, zeker over de atoomgeheimen, uit fierheid en ook om niet te moeten toegeven welke toonaangevende rol de joden erin speelden.

De inleiders geven tenslotte ook een overzicht van de geschiedenis van de geheime dienst vanaf 1917 tot 1993. Hieruit blijkt dat de "KGB" in die periode meer dan tien keer van naam veranderde.

Pas dan komt Soedoplatov zelf aan het woord. In een proloog stelt hij zich even voor en zoekt hij een morele verantwoording voor zijn wandaden. Hij betreurt dat zijn boek, "wegens de politieke gevoeligheid",eerst in het Westen gepubliceerd zal worden, "om het zo toegankelijk te maken voor de Russische lezers". Een toch wel vreemde omweg!

Het leven van de schrijver was zeer boeiend. Thuis waren ze met vijf kinderen. Op school was hun Oekraïens verboden. Op zijn twaalfde jaar, liep hij in 1919 weg van huis en voegde zich bij het Rode Leger, om te vechten tegen... Oekraïense nationalisten, die onafhankelijkheid wensten. Deze oorlog eindigde voor hem pas in... 1992, toen ook de Oekraïners in ballingschap Kravtsjoek erkenden als president van de (eindelijk) onafhankelijke Oekraïne. Pas nu beseft hij dat zijn landgenoten, de Oekraïners, voor een rechtvaardige zaak streden.

Vanaf zijn veertiende jaar werkte hij definitief in de inlichtingendienst. Op zijn twintigste leerde hij zijn toekomstige vrouw kennen: Emma Kaganova, een intelligente jodin uit Wit-Rusland. Zij had het geluk dat ze mocht studeren: de joden mochten namelijk niet meer dan twee procent van de schoolbevolking uitmaken! De SU was dus veel minder tolerant dan hun propagandamachine beweerde.

Soedoplatov was alleszins meer weg dan bij haar: met valse passen reisde hij door heel Europa en hij studeerde zelfs aan een Nazi-school in Leipzig; hij werd "bevriend" met Kroatische nationalisten, die koning Alexander van Joegoslavië moesten vermoorden, en met Konovalets, die door hem genadeloos omgebracht zou worden.

In 1937, op zijn dertigste, werd hij voor de eerste keer ontvangen door Stalin zelf. Hij was enorm onder de indruk van deze imponerende persoonlijkheid. Van hem kreeg hij de opdracht aan (chocoladesnoeper) Konovalets een doos pralines te geven, waarin een tijdbom zat!

Op 23 mei 1938, om 11u50, gaf hij dit vergiftigd geschenk af in Rotterdam. De Oekraïense leider werd opgeblazen. Soedoplatov weet niet dat er ook twee onschuldigen gewond werden. Een detail: in 1992 probeerde een Oekraïense rechter tevergeefs om Soedoplatov alsnog voor die moord te berechten.

Van Rotterdam vluchtte hij naar Spanje, waar hij even aan de kant van de Republikeinen vocht.. tegen de Trotskisten. Terloops vermeldt hij hierbij hoe de Spaanse goudvoorraad (met een toenmalige waarde van ruim $ 500 miljoen) in 1937 per schip van Cartagena naar Odessa gevoerd werd en daarna in Moskou belandde.

Hij vertelt hier ook hoe de Russische inlichtingendienst in de jaren 30 in Cambridge met succes briljante Britse studenten ronselde, die later topspionnen werden: Philby, Maclean, Burgess, Blunt, Cairncross.

In 1938 ontsnapten hij en zijn vrouw aan de zuiveringen, die het leven kostten aan heel wat persoonlijke vrienden van hen. Integendeel: Stalin ontving hem en Beria en promoveerde hem tot organisator van de moord op Trotski. Deze operatie wordt nergens zo gedetailleerd beschreven als hier (p. 66-83). Soedoplatov weerlegt hier ook bepaalde zaken die Volkogonov over Trotski en over Stalin schreef n.a.v. de eerste mislukte poging in mei 1940. Soedoplatov heeft zijn informatie van Ramon Mercader, de moordenaar, die hij pas in 1969 opnieuw ontmoette! Mercader was een "vriend" van Trotski en vermoordde hem thuis met een klein, scherp houweel.

Vervolgens geeft hij zijn visie op de grote zuiveringen van 1937 e.v.. Het is jammer dat hij bij Toechatsjevski niet aangeeft wanneer deze bekwame generaal vermoord werd, want daar bestaan uiteenlopende versies over. Wat hij hierbij wel vermeldt is dat (en waarom) de geheime militaire samenwerking tussen Duitsland en de SU, die begon met Rapallo in 1922, in 1933 door Stalin beëindigd werd (p. 88) en waarom Stalin in 1939 het fameuze pact met Hitler sloot (96-97).
Vreemd is dat topspion Soedoplatov niet op de hoogte was van de geheime protocollen van dat verdrag; de volledige teksten hiervan werden pas in 1992 gepubliceerd (97-98 + 118).
Daarna legt hij uit hoe de SU het lot van de Baltische staatjes en van de Westelijke Oekraïne (Lvov) bepaalde en welke rol Beria, zijn rivaal Chroesjtsjov en hijzelf daarbij speelden. Hij signaleert terloops ook dat paus Pius XII in de zomer van 1942 in het geheim aan Von Papen in Turkije een aparte vrede voorstelde tussen Engeland, de V.S. en Duitsland, om de communistische invloed in Europa in te dijken. De V.S. herhaalden zon voorstel in 1943.

De Tweede Wereldoorlog krijgt trouwens ruime aandacht. Een interessant detail is het volgende: in mei 1941 landde een Duits vliegtuig in Moskou, zonder dat de Russische luchtvaartdiensten iets gemerkt hadden (p. 121); Matthias Rust was dus niet de eerste. Er volgden ontslagen, maar voor de Duitsers was het een teken dat Rusland inneembaar was. Soedoplatov stipt nog andere feitjes aan die volgens zijn diensten wezen op een nakende oorlog. Maar hij betwist de gangbare mening dat Stalin aanvoelde dat zijn leger niet klaar was voor de strijd: ondanks de uitzuivering van ruim 35.000 officieren, zouden Stalin, Beria, Zjoekov en de geheime diensten in de illusie geleefd hebben dat het Rode Leger wel opgewassen was tegen de Duitsers (121-122): een tekort aan brandstof en levensmiddelen zou hen wel verplichten terug te gaan.

Tijdens de oorlog had hij voor zijn sabotage-activiteiten 20.000 agenten, onder wie 2.000 buitenlanders: Duitsers, Oostenrijkers, Bulgaren, Roemenen, Polen, Tsjechen, Spanjaarden, Amerikanen, Chinezen en Vietnamezen en verder ook ... de beste atleten van de SU!
Na de oorlog kregen 23 van zijn officieren en 8.000 anderen een hoge onderscheiding.

Tussen 1945 en 1992 verschenen in de SU 5.000 boeken en artikels over de oorlog: nergens werd Soedoplatov genoemd, aanvankelijk omwille van veiligheidsredenen, daarna omdat hij een ongewenste getuige was. Andere ongewenste getuigen, zoals Trepper en Goerevitsj van het "Rode Orkest", kregen eveneens stank voor dank.

Na aanvankelijke nederlagen, kregen de Russen al zelfvertrouwen vanaf oktober 1941: het Duitse leger kampte toen al met tekorten aan munitie, olie en gas (136-137). Soedoplatov spreekt hier Chroesjtsjov nogmaals tegen: volgens hem wenste Stalin niet te capituleren.

Het volgende hoofdstuk gaat over de spectaculaire atoomspionage: àls we Soedoplatov mogen geloven, kregen zijn assistenten hun technische informatie van niemand minder dan ... Oppenheimer, Fermi, Szilard, Bohr,Fuchs en (andere) joden zoals de Cohens en de Rosenbergs in de V.S. (172-208). Hun bedoeling was, samen met de Russen, Hitler vòòr te zijn. De Britse helpers (Maclean c.s.) informeerden de Russen al vanaf 1941 en Niels Bohr drong er zelfs bij Roosevelt op aan de atoomgeheimen te delen met de Russen. Gevolg: dank zij het netwerk van Soedoplatov, wisten Stalin en Beria in februari en april 1945 hoe ver de Amerikanen stonden. Na de oorlog vonden de Russen hun uranium in het Sudetengebergte, het Bulgaarse Rodopi-gebergte en in de Oeral. Over dit nucleair onderwerp is het laatste woord nog niet gezegd.

Dan volgt zijn verhaal van de Koude Oorlog. We nemen er enkele details uit. Over de Yalta-afspraak (meer-partijen-verkiezingen) zegt hij: Molotov en Beria accepteerden dit enkel voor een zeer korte overgangsperiode, nl. tot 1947. Hij verklaart ook waarom het Marshall-plan voor de SU onaanvaardbaar was en hoe hij Benes moest omkopen om de macht over te dragen aan Gottwald.
Hij en zijn agenten opereerden ook in Canada, Californië, China, Koerdistan, de opstandige Oekraïne en ze bespiedden de voornaamste militaire installaties van de Navo. De Koerden van Barzani waren "bruikbaar" om Westerse invloed en oliepijpleidingen te saboteren in Irak en Iran.

Raoul Wallenberg komt ter sprake in het spannende hoofdstuk negen: volgens Soedoplatov werd hij in het geheim, op 17 juli 1947, op bevel van Molotov vergiftigd in de Lubyanka-gevangenis en daarna gecremeerd. Wallenberg weigerde te fungeren als medewerker van de geheime dienst en van Stalin in zijn relaties met het Westen. De Wallenberg-familie had in sept. 1944 wel meegewerkt aan een afzonderlijk Russisch-Fins vredesverdrag, wegens hun enorme bezittingen in Finland.

Soedoplatov meent dat het boek met de namen van de vergiftigden (Toechatsjevski, Wallenberg, Beria, ...) nog altijd ergens bestaat. Hij verwijst hier naar de Katyn-documenten: tot 1988 geloofde hij dat deze (volgens hem 21.857) Poolse officieren door de Duitsers uitgemoord waren(p. 277).

Hoofdstuk tien bespreekt de zgn. joodse samenzwering. Al vanaf 1946 werden joden zonder reden uitgestoten uit allerlei topfuncties en studierichtingen. In 1952-1953 culmineerde dit in het "dokterscomplot": joodse artsen zouden van plan geweest zijn om Stalin en zijn medewerkers te vergiftigen. Soedoplatov, getrouwd met een joodse, toont zijn afkeer voor de afschuwelijke methodes waarmee de slachtoffers gedwongen werden onjuiste bekentenissen af te leggen.

Hoofdstuk elf gaat over de laatste jaren van Stalin: de schrijver kreeg nog een audiëntie op 20 februari 1953, kort voor de dood van de dictator. Het gespreksthema: Tito liquideren!

De capita XII en XIII behandelen de val van Beria en de arrestatie van de auteur. Een machtsstrijd aan de top, plannen van Beria om Duitsland te herenigen (tot een neutrale staat), verzoening met Tito (i.p.v. likwidatie): deze en mogelijk nog andere oorzaken leidden tot de arrestatie van Beria, op bevel van zijn "vriend" Malenkov. Het gebeurde op een unieke manier: een groep officieren, o.l.v. Zjoekov, drong gewapend het Kremlin binnen. Soedoplatov werd daarna in augustus 53 bij Chroesjtsjov, de nieuwe sterke man, geroepen en ondervraagd over zijn vroegere baas Beria, over diens pogingen om vrede te sluiten met Hitler en over personen die door Stalin gelikwideerd waren. Daarna volgden nog pijnlijkere verhoren door anderen.

Drie (valse) aanklachten bleven over: a) plannen om samen met Beria in 1941 een aparte vrede te sluiten met Hitler en dan de Russische regering omver te werpen; b) vermoorden van vijanden van Beria; c) supervisie van het toxicologisch laboratorium, dat vergif uittestte op terdoodveroordeelden (cf. Toechatsjevski en co). Hij belandde in de gevangenis. Petities om zijn rechtszaak te herzien of om gratie, werden niet beantwoord. Pas op 21 aug. 1968, de dag na de invasie in Praag, werd hij vrijgelaten. Hij begon een nieuwe loopbaan als vertaler en schrijver. In 1988 stierf zijn vrouw, na een lange ziekte. Pas in dec. 1991 werd hij gerehabiliteerd. Helaas waren de SU en de KP toen ontbonden. Hij betreurt vooral dat die SU, waaraan hij zijn hele leven gewijd heeft, hem niet in ere hersteld heeft.

De appendices, vaak synoniem voor saaie documenten, zijn in dit geval leerrijk en boeiend. Vier voorbeelden:

a) Een document waarin aangetoond wordt dat Stalin zich bij de Duitse inval niet in paniek verstopte, zoals Chroesjtsjov beweert in zijn memoires, maar 13 mensen ontving op 21 juni en 19 op 22 juni 1941!
b) Een reeks moeilijke documenten i.v.m. de atoomspionage, o.a. de vermelding van Belgisch Congo en van het Sudetengebergte als uraniumvindplaatsen en de vrij nauwkeurige aankondiging van de eerste atoomproef;
c) De brief van Beria aan Stalin, waarin hij de Katyn-massamoord voorstelt en als volgt verantwoordt: "14.700 en 11.000 "harde en onverzoenlijke vijanden van het Sovjet-gezag"!
d) Het attest van de rehabilitatie.
Enkele opmerkingen:
- Het boek is enorm boeiend: het zou me verwonderen als hier binnen enige tijd geen Nederlandse en andere vertalingen van verschijnen.
- Het is jammer dat de zwart-wit fotos zo grauw zijn, want er staan interessante bij, zoals het pasje waarmee de auteur toegang had tot heel het Kremlin.
- Een zekere kennis van de Sovjet-geschiedenis van 1917 tot 1953 is nodig om sommige episodes te kunnen volgen en sommige uitspraken te kunnen beoordelen.
- Het privé-leven van de protagonisten wordt nauwelijks besproken, hun hardheid voor mekaar wel. Blijkbaar leefden zij voor en bij de gratie van de partij.
- Vooral over Beria schrijft Soedoplatov véél minder dan hij weet. Toch valt er over deze cynische machtspoliticus enorm veel te vertellen, zoals ten overvloede blijkt uit de recente biografie van (mevrouw) Amy Knight (Amy Knight, Beria. Stalin"s First Lieutenant. (Princeton 1994):


a) Zijn rol als sadistisch en genadeloos directeur van de gehate veiligheidsdienst: hij besliste over martelingen, executies, verbanning naar de Goelag, dwangarbeidb) Zijn terreuracties: Soedoplatov erkent Katyn en geeft zelfs een juister cijfer (22.000) dan Knight ("15.000"), maar er waren ook nog de onmenselijke deportaties van miljoenen Polen, Esten, Letten, Litouwers, Wolga-Duitsers en Krim-Tataren vòòr en tijdens de oorlog en zelfs van bevrijde krijgsgevangenen na de oorlog!
c) Zijn machiavellistische, maar intelligente en efficiënte persoonlijkheid als bestuurder en leider van het A-bom-project
d) Zijn "Georgische" verwantschap met Stalin, met wie hij ook Georgisch sprak, tot groot ongenoegen van de andere leden van Stalins "inner circle"!
e) Zijn nachtelijke bras- en sekspartijen in Stalins buitenverblijf en het feit dat hij talloze mooie meisjes op straat liet oppakken, om ze daarna te verkrachten (en dan soms nog naar Siberië te verbannen)!
f) Zijn vreugde over de dood van Stalin: Beria besefte dat hij wellicht het volgende slachtoffer zou worden van Stalins paranoiag) Zijn plannen om Duitsland te herenigen en zijn verantwoordelijkheid voor de opstand in de DDR (juni 1953).
We hopen maar dat Soedoplatov zelf niet betrokken was bij de wandaden uit a, b en e !


- Jammer dat de schrijver niet meer vertelt over de coup van Praag (1948) en b.v. over de manier waarop Jan Masaryk stierf.
- Voor de lezer is het soms moeilijk om uit te maken wie we mogen geloven: Soedoplatov, Chroesjtsjov of Volkogonov. Chroesjtsjov wordt in vele gevallen tegengesproken.
- Er komen zoveel eigennamen in voor, dat wellicht geen enkele lezer ze op het einde nog uit elkaar kan houden.
- De beschuldiging dat ook Oppenheimer, Fermi, Szilard en Bohr atoom-informatie doorspeelden, mist overtuigingskracht: tot nader order zal menig historicus in de goede faam van deze geleerden blijven geloven.
- Soedoplatov meent dat Kirov, de partijchef van Leningrad, in dec. 1934, wegens een relatie met Milda Draule, vermoord werd door haar jaloerse man Nikolajev en dat Stalin er niets mee te maken had (p. 50-56): ook deze versie zal niet door iedere lezer geloofd worden.
- Waar we nu wel zeker van mogen zijn, is dat Stalin zelf de opdracht gaf om Trotski en Tito te vermoorden.
- De verhalen over Benes ("betaald om de plaats te ruimen voor Gottwald ") en over Wallenberg ("vergiftigd in 1947"), zijn nieuw, maar kunnen in de toekomst nog gecorrigeerd of genuanceerd worden.
- Tot slot: Stalin en Beria blijft hij ondanks alles respecteren: zij maakten van de SU een supermacht.

Chroesjtsjov en Gorbatsjov "plaatsten hun eigen persoon boven de belangen van het volk: de eerste verzwakte de staat, de tweede deed ze ineenstorten".


De geschiedenis zal deze uitspraak, alsook de daden en de motieven van Soedoplatov wel beoordelen.


Referenties:
- Pavel and Anatoli Suduplatov, Jerrold and Leona Scheckter, Special Tasks. The memoirs of an unwanted witness- A Soviet spymaster. (Londen 1994)
- Elisabeth Heresch, Verraad, lafheid en bedrog. Leven en dood van de laatste tsaar. (Amsterdam 1993)Met recent vrijgegeven en overtuigend archiefmateriaal toont deze briljante Oostenrijkse historica en slaviste aan:
a) Dat de moord (17 juli 1918) niet toevallig kwam, maar al drie maanden vooraf gepland was (12 april)
b) Dat ze plaats vond in opdracht van Lenin en van Sverdlov, dus niet van de plaatselijke sovjet van Jekaterinburg
c) Dat onder de twaalf goed betaalde moordenaars zich ook Imre Nagy bevond, later een toonaangevend en populair leider in Hongarije (1953-1956)
d) Dat héél het gezin ongenadig uitgemoord werd, incl. Anastasia, zoals nu onlangs nogmaals bewezen is door onderzoekers van de beenderrestanten; de gezichten waren namelijk onherkenbaar gemaakt met zwavelzuur; de meeste andere familieleden waren iets eerder ook al vermoord.
e) Dat de Duitse ambassadeur en de consuls van Engeland en Zweden op de hoogte waren, maar lieten begaan. Pas na de moord ondernam Berlijn iets om de (Duitse) tsarina te redden, want aanvankelijk wist men niet dat heel de familie uitgemoord was.

- Richard Pipes, Russia under the Bolshevik Regime. (New York 1994)
- David Remnick, Lenins Tomb. The last days of the Soviet Empire. (Londen 1994)
- Dmitri Vologonov, Lenin: Life and Legacy. (Londen 1994)
- Nancy Adler, Victims of Soviet Terror. The story of the Memorial movement. (New York 1993);
- Martin Malia, The Soviet Tragedy. A History of Socialism in Rusia, 1917-1991. (New York 1994)
- Anna Larina Boecherina, De revolutie ging in rood gekleurd: herinneringen. (Amsterdam 1993)
- Hans Olink, De vermoorde droom: drie Nederlandse idealisten in Sovjet-Rusland. (Amsterdam 1993)
- Thijs Berman, Op zoek naar George Fles. Het einde van een Hollandse revolutionair in de Sovjetunie. (Amsterdam 1993)
- Dmitri Volkogonov, Trotsky. (Moskou 1992)
- Amy Knight, Beria. Stalins First Lieutenant. (Princeton 1994)
Bericht geplaatst in: boekrecensie