EUROPE AND THE PEOPLE WITHOUT HISTORY

Geplaatst op 15 september 2003
Eric Wolf schreef het boek ‘Europe and the People without History’, omdat hij de antropologische visie op het tot stand komen van de huidige, door kapitalisme gedomineerde maatschappij te beperkt vond. Het inzicht van vroegere antropologen (zoals Kroeber en Linton), dat culturen ontstaan zijn door de connecties, conflicten en interactie tussen volkeren, ontbreekt bij veel huidige antropologen, volgens Wolf. Zijn kritiek op de huidige antropologen is dan ook, dat zij etnografische, kleinschalige onderzoeken doen en hierbij niet ver genoeg om zich heen kijken.
Eric Wolf schreef het boek "Europe and the People without History", omdat hij de antropologische visie op het tot stand komen van de huidige, door kapitalisme gedomineerde maatschappij te beperkt vond. Het inzicht van vroegere antropologen (zoals Kroeber en Linton), dat culturen ontstaan zijn door de connecties, conflicten en interactie tussen volkeren, ontbreekt bij veel huidige antropologen, volgens Wolf. Zijn kritiek op de huidige antropologen is dan ook, dat zij etnografische, kleinschalige onderzoeken doen en hierbij niet ver genoeg om zich heen kijken. De pogingen in het verleden om een wereldomvattende culturele geschiedenis samen te stellen, liepen vast. De vroegere antropologen konden namelijk de belangrijkste krachten achter de interactie tussen culturen vanaf 1492, de krachten die Europa aanzetten tot handelsexpansie en industrieel kapitalisme, niet definiëren. Wolf wil in zijn boek de inzichten van de antropologie combineren met historisch georiënteerde politieke economie. Geschiedenis wil hij gebruiken om de in de tijd evoluerende structuren en patronen te bestuderen en politieke economie om ook samenlevingen, staten en markten te bestuderen als zich in de tijd ontwikkelende verschijnselen. Wolf stelt, dat om het mogelijk te maken een analytische (wereld)geschiedenis te schrijven, de allesoverheersende rol van Europa moet worden gerelativeerd en er moet worden afgestapt van het Eurocentrisch denken. De verenigde deelname van westerse en niet-westerse volkeren aan het totstandkomen van de huidige maatschappij moet worden bestudeerd. Ook de geschiedenis van de "mensen zonder geschiedenis", mensen die in de antropologie lange tijd zijn aangeduid als "primitieve volkeren, boeren, immigranten en minderheden", moet worden bestudeerd. Wolf bedoelde deze uitdrukking ironisch; hij heeft zich namelijk tot doel gesteld aan te tonen, dat er helemaal geen "mensen zonder geschiedenis" bestaan.

Wolf heeft zijn boek ingedeeld in drie delen, die zijn onderverdeeld in twaalf hoofdstukken. Hij beschrijft eerst de stand van zaken in de wereld in 1400 (voordat Europa de wereldheerschappij verwierf). Wolf gebruikt hierbij het sleutelbegrip "linkages". Wolf maakt duidelijk, dat er reeds vóór de komst van de Europeanen uitgebreide netwerken bestonden, die verschillende volkeren met elkaar verbonden. Deze netwerken waren ontstaan door de opkomst van rijken die zich het surplus van de productie toeeigenden en de groei van lange-afstand handel. Een voorbeeld van een "linkage" tussen volkeren is de Zijderoute, een belangrijke handelsroute die van Syrië helemaal doorliep tot in China. Vooral luxe producten, gekenmerkt door een hoge prijs en relatief kleine omvang, werden vervoerd. In de Afrikaanse Sahara bestonden ook belangrijke handelsroutes, die werden gedomineerd door handelskaravanen. Belangrijke producten die werden verhandeld waren onder andere goud, slaven, ivoor en peper. Wolf geeft aan, dat noordwest Afrika dus al vóór de komst van de Europeanen een web van relaties en connecties kende; "When the Europeans would enter West Africa from the coast, they would be setting foot in a country already dense with towns and settlements, and caught up in networks of exchange that far transcended the narrow enclaves of the European emporia on the coast." Kaartjes van de Zijderoute en de West-Afrikaanse handelsroutes zijn te vinden op respectievelijk pagina 28 en 38.

Door de komst van de Europeanen, werden de bestaande "linkages" verstoord. In Azië controleerden de Europeanen de belangrijkste zeeroutes en probeerden zij de bestaande handelsroutes te domineren. Afrika werd het continent waar de meeste slaven vandaan gehaald werden. Dit had belangrijke gevolgen voor de bestaande netwerken. Verschillende bestaande Afrikaanse koninkrijken hielpen de Europeanen mee, en in gebieden waar nog geen staten waren, werd het ontstaan hiervan versneld. "African societies became specialized in the delivery of slaves, and in the backward and forward linkages that the trade carried with it".

Door de opkomst van het kapitalisme werden volkeren gedwongen hun productiemethoden aan te passen; "once a region was included in the circuits of capital, the requirements of accumulation were such that it had to reorganize its factors of production to intensify capital growth, or else fall under the wheels of the chariot of progress". Een voorbeeld van een "linkage" tussen volkeren in de negentiende eeuw is de verbinding van het Zuiden van de Verenigde Staten met Europa via katoen. In 1807 leverde het Zuiden van de Verenigde Staten ongeveer 60% van alle katoen die binnenkwam in Londen, Liverpool en Glasgow. De VS bleef ook hierna de belangrijkste katoenbron voor Engeland. Een ander voorbeeld uit de negentiende eeuw is de connectie tussen West-Afrika en Europa via palmolie. Na de afschaffing van de slavenhandel in de jaren zestig van de negentiende eeuw werd palmolie het belangrijkste exportproduct van West-Afrika. De Europeanen waren bij de palmoliehandel, in tegenstelling tot bij de slavenhandel, gedwongen rechtstreeks, of via een tussenpersoon, handel te drijven met de producent. Er ontstond zo een nieuwe Afrikaanse handelselite.

Na zijn beschrijving van de wereld rond 1400 definieert Wolf drie "modes of production" (de "kinship mode", de "tributary mode" en de "capitalist mode"). Vervolgens behandelt hij de expansie van de Europese handel, waarbij hij de rol die de verschillende Europese naties hierbij speelden nagaat. De Europese expansie bleek noodzakelijk, omdat de Europese handel niet meer kon groeien; zij moest expanderen op zoek naar nieuwe afzetmarkten, grondstoffen en mineralen. Wolf behandelt achtereenvolgens de jacht op edelmetalen in de Amerika"s, de bonthandel, de slavenhandel en tenslotte de expansie van de handel op Azië.

Na het behandelen van de Europese handelsexpansie, wijdt hij het derde deel van zijn boek aan de opkomst en verspreiding van het kapitalisme en de invloed die deze overgang heeft op zowel de Europese mogendheden als op de levenswijze van de volkeren die optreden als grondstoffenleveranciers voor de industrie. Wolf zegt, in tegenstelling tot Frank en Wallerstein, dat de kapitalistische "mode of production" pas laat in de achttiende eeuw gerealiseerd werd. Hij benadrukt het door Marx geformuleerde verschil tussen "wealth" en "capital". "Wealth" wordt "capital", als er met "wealth" arbeid gekocht kan worden, en deze arbeid aan machines ingezet kan worden om meer "wealth" te maken, om daarmee wederom nieuwe arbeid en machines te kopen. Er is bovendien een overkoepelend systeem nodig, om deze factoren te verbinden. "Only when the stock of wealth can be related to human energy by purchasing living energy as “labour power", offered for sale by people who have no other means of using their labour to ensure their livelihood; and only when it can relate that labour power to purchased machines [-…-] only then does ""wealth" become “capital". Kapitalisme begon pas op het ogenblik dat iemand zowel handelsmogelijkheden als productiemiddelen in handen had, en het surplus mocht houden. Het surplus is de waarde van de extra producten die door de arbeiders geproduceerd worden, nadat zij de waarde van hun lonen geproduceerd hebben. De arbeiders krijgen in een kapitalistisch stelsel dus niet de volledige opbrengst van hun werkzaamheden.

Om te verklaren, hoe het kapitalistische systeem zich in eerste instantie kon mengen met de andere systemen en uiteindelijk deze systemen grotendeels ondergeschikt kon maken, maakt Wolf gebruik van een Marxistisch model, dat hij uitwerkt in het tweede en derde deel van zijn boek. Hij maakt gebruik van het in het eerste deel van het boek geïntroduceerde begrip "mode of production" om culturen onder te verdelen. Wolf onderscheidt drie ontwikkelingsfases. In de eerste fase zijn er culturen die functioneren onder de "kinship"- en "tributary-mode". In staten onder de pre-kapitalistische "tributary mode" hebben de producenten weliswaar toegang tot de productiemiddelen, maar zij moeten tribuut afdragen aan de politieke of militaire machthebbers. Bij volkeren die leefden in gebieden gekenmerkt door de "kinship mode of production" (volgens Wolf in de antropologie lange tijd misleidend aangeduid als "primitieve volkeren") zijn de productiemiddelen niet vrij toegankelijk en moeten de opbrengsten verdeeld worden. Voordat uiteindelijk de kapitalistische fase wordt bereikt, ondergaat een gebied eerst een voorfase van handelskapitalisme, waarbinnen "wealth" nog niet kan worden omgezet in "capital". Tenslotte volgt het kapitalisme. Wolf erkent dat zowel de "kinship-" als de "tributary mode" nooit geheel verdwenen zijn en er in verschillende gebieden mengvormen van verschillende "modes" ontstaan zijn.

Tussen het model dat Wolf hanteert en zijn geschiedverhaal zijn contradicties aan te wijzen. Hoewel Wolf zegt aandacht te zullen besteden aan de evoluerende structuren en patronen binnen de samenlevingen die hij bestudeert, geeft hij betrekkelijk weinig aandacht aan de veranderde positie van de Indianen in noordwest-Amerika. Door de komst van de Europeanen, de grote opleving van de bonthandel en de grotere beschikbaarheid van wapens, werden er meer oorlogen gevoerd. De ´chiefs´ konden via oorlog hun status vergroten, hun gebied uitbreiden en de onderworpen bevolking laten werken als slaaf. Oorlogen tussen Indianen onderling werden door de beschikbaarheid van wapens sterk uitgebreid.

Wolf heeft er in "Europe and the People without History" voor gekozen om drie "modes of production" te gebruiken om zijn geschiedverhaal aan op te hangen, dit in tegenstelling tot Marx, die zeker acht verschillende "modes of production" onderscheidt. Hoe verklaart Wolf in zijn model dan het handelskapitalisme? Hoewel hij zegt dat "wealth" niet als "capital" kan dienen zolang de productie gedomineerd wordt door de "kinship-" of "tributary mode", heeft hij de voorfase van het handelskapitalisme uit zijn model hiermee buiten spel gezet.

Tenslotte is Wolf´s these dat het kapitalisme pas eind achttiende eeuw opkwam in tegenstelling met zijn geschiedverhaal. De organisatiestructuur van de VOC, opgezet voor de handel met Azië, was namelijk vroeg-kapitalistisch. Doordat de Compagnie gebaseerd was op permanente aandelen, was zij in staat om kapitaal op te bouwen. Door het sluiten van contracten met inlandse vorsten, het recht op oorlogvoering en hun monopolie op de Aziatische handel kon de VOC tientallen jaren winstgevend blijven.

Eric R. Wolf, Europe and the People without History (Berkeley 1982)

Paul Karsmakers 2001
Bericht geplaatst in: boekrecensie