SPANJE, EEN RIJK VERLEDEN, EEN MOOIE TOEKOMST.

Geplaatst op 18 december 1998
De zon lokt jaarlijks meer dan 40 miljoen mensen naar Spanje, onder wie vele Belgen. Meer dan 90 % trekt naar de costas, terwijl het prachtige binnenland zoveel meer te bieden heeft.
De zon lokt jaarlijks meer dan 40 miljoen mensen naar Spanje, onder wie vele Belgen. Meer dan 90 % trekt naar de costas, terwijl het prachtige binnenland zoveel meer te bieden heeft. Hoewel de meeste toeristen niet meteen eraan denken om vooraf of ter plaatse tijd vrij te maken voor de geschiedenis, de cultuur en de taal, doen we hiermee een poging om van elk aspect iets voor te stellen. We besparen ze dus de moeite van het zoeken naar pasklare lectuur.

De Nederlandse hispanist, historicus, schrijver en vertaler Robert Lemm publiceert al jaren over Spanje en Latijns-Amerika.
Zijn "Geschiedenis van Spanje" is zeker geen toonbeeld van afstandelijke, objectieve historiografie, maar heeft het voordeel dat op 300 paginas bijna alles of toch heel veel gezegd wordt wat je moet weten bij een bezoek aan het rijke culturele erfgoed van Spanje.

Lemm begint eigenlijk met de Feniciërs, die rond 1.000 v.C. factorijen bezaten over de hele kustlijn van Spanje. Daarmee zat Spanje dus bijna duizend jaar vòòr op onze gewesten. Al eerder waren er Kelten en Iberiërs, maar over die Keltiberiërs is onvoldoende bekend. Over de Fenicische, Griekse en Romeinse kolonisatoren weten we des te meer.

Het is jammer dat hij hier niet even uitweidt over de prehistorische grotten van Altamira, nabij Santillana del Mar, in Cantabria. De kandidaat-bezoeker moet één à twee jaar vooraf reserveren om ze te mogen bezoeken. Ter compensatie en als troostprijs mag men gratis in het museum en ook gratis afdalen in de grotten van het nabije Puente Viesgo. Je kunt er dan meteen de Romeinse stad Campoo de Enmedio bijnemen.

Lemm komt pas echt op dreef vanaf de Middeleeuwen. Voor hem is Spanje in de wieg gelegd voor kruistochten en mystiek, voor soldaten en monniken en hij ziet de sterkste kant ervan in de christelijke gedrevenheid van de 16e en 17e eeuw. Dat Spanje om deze idealen gehoond werd en wordt, zette Lemm ertoe aan om dit boek toe te voegen aan zijn vroegere publicaties en een aantal zaken recht te zetten die volgens hem in een ongunstig daglicht gesteld werden. De "zwarte legende" is één hiervan.

Lemm trekt zijn bouwwerk op rond het Spaanse christendom, dat eeuwenlang samenleefde met mohammedanen en joden, rond de permanente en nu nog dagelijks zichtbare spanning tussen centralisme en regionalisme en de veel later ontstane spanning tussen katholicisme en anticlericalisme.

Belangrijke elementen in die Middeleeuwen zijn de West-Goten, de christianisering, de Arabische invasie (711), de eeuwenlange tweestrijd met de Arabieren, hun culturele en filosofische prestaties en hun invloed op het Spaanse denken; verder de stichting van Santiago de Compostela en Burgos, de heldendaden van El Cid (2e helft v.d. 11e eeuw), de kruistochten, de verovering van Sicilië (1282) en Napels (1420), de oprichting van de Inquisitie (1478), de eenmaking van Spanje en van Frankrijk, tevens de start van hun eeuwenlange rivaliteit, de verovering van Granada en de ontdekking van Amerika. Lemm verwijst hier en heel het boek door naar schrijvers, filosofen, architecten, beeldhouwers, schilders: hun namen duiken ook op in het straatbeeld van de Spaanse steden en zijn hier via het register terug te vinden.

Voor de Nieuwe Tijd besteedt hij veel aandacht aan de ontdekkingen en veroveringen, zowel aan wat er fout ging als aan de wetten om deze wantoestanden te vermijden.

Hij toont aan (p. 129 e.v.) hoe de zwarte legende of het negatieve beeld over Spanje al in de 16e eeuw ontstond: de Italianen legden als eersten de nadruk op de verschillen met hen: de Spanjaarden misten zogezegd industrie, handel, inventiviteit, belangstelling voor literatuur en kunst en hun christendom was "besmet" met joods-moorse gedragingen en denkbeelden.

De Nederlanders en de Engelsen deden er in de 16e en 17e eeuw nog een schep bovenop: geïnspireerd door "onze" Marnix van St.-Aldegonde en door Willem van Oranje, werd Filips II voorgesteld als een melancholische prior van een immense kloostergemeenschap, waarvan de monniken lui en onproductief waren en waarbij tienduizenden slaven het harde werk moesten verrichten in de zilvermijnen.

De achttiende-eeuwse Verlichting maakte dit beeld nog wat zwarter. Montesquieu beweerde in zijn "Lettres Persanes" (1721) dat Spanje alle inboorlingen in Amerika had uitgeroeid. Voltaire nam deze aanklacht over in zijn "Essai sur les moeurs et lesprit des nations" (1759) en schreef dat Filips II genoegen schepte in het verbranden van ketters. Jonathan Swift stelde dan weer dat Spanje zich veel minder bezondigde aan slavenhandel dan de Hollanders en de Engelsen. Chateaubriand, Schopenhauer, Heine waardeerden de Spaanse schrijvers en schilders, maar Burckhardt (1860) nekte Spanje dan weer door te beweren dat Kultur haar wortels had in het "licht" en de ratio van de Italiaanse stadstaten, dat Karel V daar in 1527 een einde aan maakte en dat Filips II de Kultur helemaal om zeep bracht. Over Filips II zijn recentelijk trouwens biografieën verschenen, die hem grotendeels rehabiliteren.

De naam "zwarte legende" komt van Julian Juderias (1877 - 1918), een veertientalige historiograaf, die alle geschiedenissen van Spanje en pamfletten uit vier eeuwen in de oorspronkeljke taal las en zijn bevindingen publiceerde onder de naam "La Leyenda Negra " (1913 / 1917). Hij concludeerde dat geen enkel ander land zo consequent is beklad met het imago van achterlijk, gewelddadig en fanatiek als Spanje.

Tot vandaag bestaan er strekkingen die de zwarte legende bevestigen, ontkennen of bestrijden.
Bij de rehabiliteerders hoort alleszins Chris van der Heijden met zijn "Zwarte Renaissance. Spanje en de wereld, 1492 – 1536".

Hij bestrijdt de opvatting dat Afrika begint achter de Pyreneeën, dat Spanje nog altijd meer een bruggenhoofd van Afrika zou zijn dan een schiereiland van Europa. Wellicht was dit zo tussen 800 en ca. 1.000 à 1.200, toen de Moren er de macht uitoefenden en in 1936, toen Franco zijn reconquista begon vanuit Marokko, met Moorse regimenten.

Maar vanaf 1492, het jaar waarin de val van het Oost-Romeinse Rijk van 1453 enigszins werd goedgemaakt met de herovering van Granada, was Spanje een Europese mogendheid met het grootste wereldimperium, een prestatie die niet uit het niets kon komen en niet enkel te danken kon zijn aan de middeleeuwse missieijver en ridderidealen waarmee het de Islam verdreven had.

Van der Heijden houdt een krachtig en meeslepend pleidooi voor het land dat hem lief is en waar hij enorm veel over weet, maar hij toont onvoldoende aan wélke renaissance Spanje precies doormaakte, of het inderdaad geen wedergeboorte was van zijn eigen Visi-Gotisch verleden (5e – 8e eeuw) en waarom die wedergeboorte al eindigde in 1536. In dat jaar zou Karel V, na zijn overwinning op de Turken in Tunis, in Rome zijn vroeger ideaal van leider van al de Europese christenen al hebben laten varen en zich teruggeplooid hebben op Spanje. Hier valt toch bij aan te merken dat hij nog bijna twintig jaar de strijd voortzette om heel het Duitse rijk katholiek te houden. Een meer acceptabele einddatum zou misschien 1555 zijn, met het aftreden van Karel V òf 1598, na Filips II òf zelfs pas na de schitterende Gouden Eeuw van Cervantes, El Greco, Velasquez, Zurburan, Murillo en andere grootheden.

Sinds Marcelino Menéndez y Pelago ("Historia de los heterodoxos espanoles", 1880) is er ook de "twee Spanjes - theorie ": er zouden katholieke en niet-katholieke cultuurdragers zijn. Spaanse liberalen konden nu ook kritiek uiten zonder beschouwd te worden als landverraders.

Terug naar de geschiedenis zelf. Vanaf het fiasco met de Armada Invencible in 1588, de exodus naar de kolonies en de 80-jarige oorlog, moest Spanje zijn hegemonie afstaan aan Frankrijk. Zwakke koningen zoals Filips III en IV verergerden de situatie. In 1609 trof men dan nog de ongelukkige beslissing om 300.000 ijverige morisken (gedoopte moren) uit te wijzen. Amsterdam werd met 100.000 inwoners welvarender en groter dan Madrid. De tijd van Titiaan, Lope de Vega, Cervantes, Calderon de la Barca was voorbij. 1640 was helemaal een rampjaar: Portugal riep zijn onafhankelijkheid uit, Catalonië en Andalusië stonden op tegen Madrid. Daarna verloor Spanje een deel van de Zuidelijke Nederlanden aan Frankrijk ("Frans Vlaanderen") en nadien (1715) de rest aan Oostenrijk.
Vanaf 1648 telde Spanje niet meer mee op het politieke forum en op het strijdtoneel. Maar wie het Prado bezoekt, ziet dat de schilderkunst nog wel meesters bleef leveren: Velàsquez, Zurbaran, Murillo en later Goya. In de laatste eeuw kwamen daar nog enkele giganten bij: (o.a.) de Catalanen Picasso, Dali, architect Gaudì.

In de 18e eeuw kwamen er Franse Bourbons op de troon en volgde Spanje de Franse mode, net zoals de rest van Europa trouwens. De bevolking nam weer lichtjes toe: van 8 naar 9 miljoen mensen, wat nog weinig was. In de kolonies bleef het rustig en in 1714 werden zelfs universiteiten opgericht in Havana en Caracas.
Spanje zelf had er toen 22 ! Lemm spreekt hierbij ook over de activiteiten van de Spaanse jezuïeten in Paraguay.

In 1808 bezette Napoleon het land; hij nam de koninklijke familie gevangen, zijn soldaten verwoestten en plunderden het land en de bibliotheken. Op 2 mei 1808, de "Dos de Mayo", kwam het volk in opstand, met de guerilla als verzetsmethode. Goyas penseel registreerde de onderdrukking .

Over de 19e eeuw valt weinig positiefs te zeggen: met het verlies van zijn kolonies, veertig regeringen, zes grondwetten en drie burgeroorlogen beleefde men de woeligste periode uit de geschiedenis. Nooit eerder vocht Spanje zo tegen zichzelf: progressief tegen conservatief, arm tegen rijk, ruzie binnen de dynastie en een wanhopige zoektocht naar een passende bestuursvorm. Links was dan nog eens verdeeld tussen centralisten en federalisten en verder tussen socialisten en anarchisten. Lemm verliest er de moed bij en verklaart zelfs het onvoltooid blijven van Gaudìs " Sagrada Familia" als een bewijs van het onvermogen van een totaal uitgeput land (p. 223). Gelukkig is die uitputting nu definitief voorbij en werkt men ijverig verder aan de voltooiing van die uitzonderlijke kathedraal.

1898 betekende een keerpunt: Cuba en de Filippijnen werden afgepakt door de V.S.; het onvermogen tot coëxistentie tussen antiklerikalen en hyperpatriotten verergerde; de monarchie takelde verder af; de militairen waren sinds de oorlog van 1898 een aparte kaste gaan vormen en wilden bewijzen dat ze nog wel wat konden; regionalisme dreigde om te slaan in separatisme; de bezitlozen eisten hun rechten; de kerk zocht steun bij het leger en de conservatieve oligarchie.

In 1923 stelde de Andalusische generaal Miguel Primo de Rivera met koninklijke goedkeuring het Cortes (parlement) en de grondwet buiten werking. In 1930 diende hij zijn ontslag in. Spanje had toen het uiterlijk van een modern land: metros in Madrid en Barcelona, autos, telefoon, vliegtuigverbindingen tussen de steden. In 1931 gaf ook koning Alfons XIII het op.

De nieuwe regering van socialisten, gematigde republikeinen van president Azana, anarchisten en communisten stelde een revolutionaire grondwet op: voor het eerst was Spanje niet langer een katholiek land, het onderwijs werd antiklerikaal, de grond werd onteigend, het leger werd ingekrompen. Ze kreeg veel tegenstanders en zelfs ultralinks vond de veranderingen ontoereikend en reageerde met stakingen.

Na de "rode tijd" (1931 - 1933) volgde de rechtse, "zwarte tijd" o.l.v. Gil Robles (nov. 33 - febr. 36). De hervormingen werden teruggedraaid. Links reageerde met sabotage en bomaanslagen. Een mijnwerkersopstand in Asturias werd door Franco bloedig onderdrukt en de afscheiding van Catalonië werd bedwongen.
In febr. 36 haalde het linkse Frente Popular dan weer de overwinning. Het rechtse Frente Nacional kreeg 10% minder stemmen, het centrum werd weggevaagd (p. 251). Wanorde, roofovervallen, politieke moorden destabiliseerden het land.

Het gevolg is bekend: vier generaals sloegen toe; Franco werd hun generalisimo, el caudillo (de hoofdman). De burgeroorlog verliep uiterst bloedig en ongenadig. Guernica (in t Baskisch Gernika-Lumo), no pasaran ("ze komen er niet door"), de internationale brigades werden wereldwijd bekend. Schrijvers en andere reporters zorgden opnieuw voor een zwart-wit beeld van Spanje: "zwart" had met hulp uit het buitenland de oorlog gewonnen, de linkse republiek was het onschuldige slachtoffer en werd zelfs door zijn vrienden bedrogen. Duizenden terechtstellingen en hongersnood waren de gevolgen: in sommige Andalusische steden werd gras gegeten (p. 267).

Internationaal werd Spanje geïsoleerd: geen UNO, geen Marshallhulp. De Koude Oorlog bracht Spanje terug in het westerse kamp: in 1953 kreeg het miljoenen dollars in ruil voor Amerikaanse bases; in 1955 werd het toegelaten tot de UNO. Franco promootte het toerisme en de industrie. Tussen 1960 en 1975 maakte Spanje zijn grote sprong voorwaarts, ondanks de soms afschrikwekkende bomaanslagen van de ETA (1959).

In 1975 stierf Franco. Juan Carlos werd koning. In 1978 werd Spanje een constitutionele monarchie; de regios kregen grote autonomie, het Baskisch, Catalaans en Galicisch werden erkend als officiële talen, naast het Castiliaans. In 1985 volgde de toetreding tot de E.G., in 1986 tot de Navo, waarvan ze nu zelfs de secretaris-generaal hebben. Het jaar 1992 vormde de bekroning: de viering van 500 jaar Columbus, de Olympische Spelen in Barcelona (met als taal het Catalaans en als IOC-voorzitter een Spanjaard), de wereldtentoonstelling in Sevilla, Madrid de culturele hoofdstad van Europa (p. 281). Lemm betreurt dat Spanje zijn eigenheid niet behield: " de kurk ging van de fles, men stapte uit de kleren, niets hoefde nog en alles mocht voortaan" (p. 280).

De auteur zegt niets over de huidige, uitmuntende economische prestaties van de Spanjaarden: hun vrachtwagens rijden over onze wegen, ze zijn opnieuw present in hun voormalig imperium en ook in Brazilië.

In Cuba, Puerto Rico, Dominicaanse Republiek, Mexico, Venezuela, Peru, Chili, Argentinië fungeren ze niet meer als conquistadores, maar als fabrikanten of marktleidende leveranciers van telecommunicatie (Telefonica), textiel en binnenhuisinrichting (Aznar Textil, toevallig dezelfde naam als de premier), kleding (Zara natuurlijk), banken en pensioenfondsen (Banco Santander, Banco de Bilbao y Vizcaya, Banco Central Hispano), luchtvaart (Iberia), olie en aardgas (Repsol en Gas Natural), electriciteit (Iberdrola), metalen boekenplanken (Mecalux), hotelbouw (Sol Melia, Iberostar, Maeva) .

Spanje is dus niet langer een zwak broertje in de E.U. en de relaties met de voormalige kolonies hebben niet te lijden onder een belast verleden.

Het boek van Lemm heeft sterke en zwakke kanten. Bij de sterke zijde horen de beknoptheid, die toch bijna alles omvat; de benadering is veelzijdig: niet enkel politiek, maar ook literair, historiografisch, artistiek, cultureel, moreel; het inzicht dat Spanje bestond uit twee Spanjes: niet alleen een traditioneel, maar ook een modern, met West-Europese waarden zoals rationalisme, liberalisme en secularisatie; het chronologisch overzicht en het uitgebreide register; de korte biografische schetsen bij elke leidende figuur; de heldere visie en het verstaanbare taalgebruik; het briljante overzicht van enkele eeuwen elkaar bestrijdende historische visies; de herwaardering van de Spaanse geschiedenis: de enorme kennis van en liefde voor Spanje .

Tot de zwakke kanten behoren: het ontbreken van kaarten en stambomen; de vaak subjectieve kijk op mensen en gebeurtenissen, vertrekkend van een voorkeur voor traditionele waarden; het idealiseren van het Spaanse kolonialisme, waarbij de bekeringsijver groter zou geweest zijn dan de materiële motieven; meer nadruk leggen op de wandaden van links dan van rechts: in de voorbije decennia gebeurde het omgekeerde, een nuancering was wenselijk, maar eenzijdigheid is geen historiografie; stakingen in de jaren 30 niet toeschrijven aan armoede, maar aan manipulaties van de communistische partij en van "haar hoofdkwartier in Moskou"; de ongunstige beoordeling van de internationale vrijwilligers.


Robert Lemm, Geschiedenis van Spanje. Uitg. De Arbeiderspers , Adam / Singel , Antwerpen, 1977. 313 p.; lit., chron., reg.; ISBN 90 - 295 - 2786 - 2;

Chris van der HEIJDEN, Zwarte Renaissance. Spanje en de wereld, 1492 - 1536. Uitg. Contact / Veen , Amsterdam, Antwerpen, 1998. 512 p.; fotos; ISBN 90 - 254 - 2139 – 3
Bericht geplaatst in: boekrecensie