BELGIë IN DE 20STE EEUW

Geplaatst op 20 februari 1998
In het voorbije jaar werd België niet vergeten door de schrijvers van politieke en historische boeken. We stellen die oogst hier even voor...
In het voorbije jaar werd België niet vergeten door de schrijvers van politieke en historische boeken. Maar het gebeurt niet elk jaar dat we er een handvol kunnen uit halen die het niveau van gelegenheidspublicaties ver overtreffen. We stellen die oogst hier even voor, eerst thematisch-chronologisch, dan twee handboeken die de hele politieke geschiedenis overkoepelen.

Een eerste voltreffer is de studie van Sophie De Schaepdrijver over de eerste wereldoorlog: "De Groote Oorlog. Het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog".In november 1998 viert men de tachtigste herdenking van de wapenstilstand. De schrijfster is dus goed op tijd met haar boek.

Over die Eerste Wereldoorlog bestond al sinds 1987 een bibliografie van Patrick Lefèvre en Jean Lorette, met ruim 11.000 titels. Maar bij die 11.000 referenties zit geen enkel recent algemeen overzicht: het zijn vnl. detailstudies; de synthese van Henri Pirenne, "La Belgique et la guerre mondiale", dateert nl. uit 1928 (herdruk 1975). Traditioneel kreeg de Eerste Wereldoorlog trouwens veel minder aandacht dan de 2e en een specifiek studiecentrum is er nooit geweest. De archieven verkeren in erbarmelijke staat.

De Schaepdrijver doceert moderne Europese geschiedenis in New York. Zij heeft die leemte netjes opgevuld door een voor België quasi-allesomvattend werk, dat bovendien qua omvang en moeilijkheidsgraad binnen het bereik van de meeste lezers ligt. De afstand Amerika - België speelde in haar voordeel: zo kon ze uitspraken doen die men haar hier anders kwalijk(er) zou nemen. Bovendien geeft de Vlaamse schrijfster de (vreemde) indruk dat ze haar werk vooral op de Nederlandse boekenmarkt afgestemd heeft, hoewel Nederland aan de Eerste Wereldoorlog ontsnapt is. Ze combineert objectiviteit, zeker wat haar houding tegenover politici en militairen betreft, met een grote mate van medeleven met de miserie van de eenvoudige mensen in bezet België en achter het IJzerfront.

Voor het eerste aspect baseert ze zich op grondig archiefonderzoek, voor het tweede (armoede, voedseltekorten, onderlinge wrok tussen stad en platteland, ziektes, razzias, executies) ook op mondelinge getuigenissen, oorlogsdagboeken en memoires. Aan dat tweede aspect besteedt ze ook meer aandacht dan aan het eerste, omdat over koning, regering en establishment al genoeg degelijke studies geschreven zijn. In chronologische volgorde beschrijft ze eerst de toestand in ons land vòòr de oorlog: demografie, economische prestaties in binnen- en buitenland, pijnlijke sociale wantoestanden, de strijd om het enkelvoudig mannenstemrecht, waarbij Emile Francqui van de Société Générale en mijndirecteur Raoul Warocqué in april 1913 grote sommen geld bezorgden aan de stakerskas van de POB - BWP (p. 23). Verder ook de Vlaamse Beweging, die ze hier apprecieert, maar tijdens de activistische periode ongenadig veroordeelt.

In 1914 wilden weinigen in het sinds 1839 neutrale België beseffen dat Frankrijk en Duitsland al lang hun oorlog voorbereidden en dat de stommiteit van de Bosnisch-Servische student Gavrilo Princip (28 juni 1914) niet enkel een protest was tegen de annexatie van Bosnië door Oostenrijk-Hongarije, maar tegelijk het startschot betekende voor de eerste grote oorlog waar alle werelddelen in waren betrokken.

Vervolgens beschrijft ze de Duitse inval, de bezetting, de Flamenpolitik, het front, de verharding van het bezettingsregime in de tweede helft van de oorlog, het activisme, het lot van België na 1918. Sommige gebeurtenissen krijgen extra aandacht: de wrede vergeldingsacties in Aarschot, Leuven, Andenne, Dinant, Tamines, Aalst (aug. 1914, p. 80 - 87); de vaak verzonnen of opgeschroefde verhalen van sluipschutters en verzetslui (88 - 92); het nijpende voedselprobleem: 80 % van de tarwe werd ingevoerd, maar de Duitsers verhinderden die import en vorderden bovendien voedsel op bij de bevolking, net alsof België hun nieuwe kolonie was. Tot in Engeland en Amerika toe had men medelijden met de Belgische bevolking en kwamen er acties op gang, waarvan die van Hoover, de latere Amerikaanse president, de bekendste werd. Maar een rimpelloos verloop kende ze niet en ze kon de hongerproblemen niet oplossen: in 1916 - 1918 waren er hongerbetogingen (p. 221) en zelfs de rijke burgerij ontsnapte niet aan de miserie: als ze bij elkaar op bezoek gingen, namen ze zakjes aardappelen mee i.p.v. lekkere pralines!

Andere pijnlijke aspecten waren de onwetendheid over het lot van de fronters omdat de organisatie van de clandestiene briefwisseling zo moeilijk verliep; de omvorming van België tot een militaire politiestaat, waarbij elke nieuwe vorm van dwang tot verzet leidde en dat verzet weer meer dwang en repressie voor gevolg had; de precaire voedsel- en medische situatie in de 400 km lange loopgraven, waar één derde van de 20.000 doden omkwam door tyfus, dysenterie, longontsteking of griep; de botte eentaligheid van het leger, ondanks een oververtegenwoordiging van de Vlamingen ( slechts "65" % volgens de schrijfster, terwijl de Vlamingen toen 55 % van de bevolking uitmaakten; p. 189 ).Het cijfer 80 %, met zelfs 90 % in de frontlinie, verscheen in maart 1917 in "Vlaamsche Nieuws" van August Borms en werd merkwaardigerwijs prompt overgenomen door premier De Broqueville. Dat getal 80 à 90 is inmiddels door historici verworpen; een cijfer rond de 70 % lijkt correcter.

Ook de fameuze kreet "La Belgique de demain sera latine ou ne sera pas" wordt hier in navolging van Lode Wils eveneens in haar juiste context gesitueerd: ze kwam in 1915 van de wallingant Colleye; hij werd van hogerhand daarvoor op de vingers getikt, zijn blad "Lopinion wallonne" werd aan het front verboden en nadien werd hij bevriend met de Vlaamse fronters (p. 188 - 189). Van een andere uitspraak, nl. "Na de oorlog zal er geen Vlaams meer gesproken worden", heeft men de herkomst nog niet kunnen achterhalen (p. 152).

Albert I krijgt een pluim voor zijn voorzichtigheid, omdat hij de Belgische soldaten behoedde voor de bloedbaden waarin de Franse en Britse generaals hun voetvolk stortten. Verder beschrijft de auteur de actieve Vlaamsgezindheid, die vnl. een zaak was van katholieke intellectuelen (p. 192), de "Open brief " van 11 juli 1917 met de grieven van de Fronters aan koning Albert I (p. 199 ), de deportaties van werklozen om dwangarbeid te verrichten in de Duitse oorlogsindustrie ( 227 - 235 ), de terugkeer van deze arbeiders en van andere gedeporteerden zoals de burgemeesters Max, Braun, Franck na de oorlog (p. 292 ); de in Versailles afgewezen aanspraken op gebieden in Luxemburg, Zeeuws-Vlaanderen en Nederlands-Limburg ten zuiden van Roermond (p. 297): de lof die het buitenland tot dan toe had voor België was voor altijd verstomd (p. 298).

Haar visie op activisme en collaboratie zal niet door iedereen in dank worden afgenomen: Borms, Verschaeve en co beschouwt ze als marionetten van de Duitsers; de vernederlandsing van Gent was volgens haar een verduitsing en hiervoor beroept ze zich op Vlaamse bronnen zoals Ernest Claes, Camille Huysmans en August Vermeylen (p. 168 - 169). Ook de Raad van Vlaanderen werd in 1917 afgekeurd door Vlamingen zoals Franck, Vermeylen, Van de Woestijne en Teirlinck (p. 264); de schrijfster geeft wel toe dat de gezinnen van Franck, Vermeylen, Fredericq e.a. Franstalig waren.

De term "activistisch" was van Zweedse afkomst: de oorlogspartij, die het land aan Duitse zijde in de oorlog wou brengen, noemde zich zo; "passivist" was daar de neerbuigende benaming voor de neutrale tegenpartij (p. 155). De Schaepdrijver citeert een sollicitatiebrief van een kandidaat voor een leerstoel in Gent (p. 267 - 268): oogarts Stocké beriep zich op zijn medewerking met de Duitse geheime politie bij het uitroeien van Gentse sluikbladen en bij de arrestatie van franskiljonse auteurs en uitgevers. Toch één aanmerking hierbij: de getuigenis van deze (ene) opportunist hoeft niet representatief te zijn voor heel die generatie van activisten.

De schrijfster erkent nadien (p. 301) dat de Vlaamse politieke strijd vruchten afleverde, zij het niet onmiddellijk, maar wel vanaf 1928 / 1929. Maar tijdens de oorlog was de Flamenpolitik een mislukking: de invoering van het Nederlands als enige administratieve taal werd geboycot, de verkiezingen van dec. 1917 leidden tot tegenbetogingen en men moest in Nederland (zestien) hoogleraren gaan zoeken voor de Gentse universiteit (p. 267).
Haar visie is niet echt nieuw, maar wel scherper geformuleerd dan bij andere auteurs.

De schrijfstijl is zeer vlot, de vele pittige details en anekdoten houden de spanning erin, het taalgebruik is doorgaans zeer begrijpelijk, afgezien van de één à twee vergezochte moeilijke woorden per pagina. Het notenapparaat (p. 315 - 340 ) is omvangrijker dan de selectieve, geannoteerde bibliografie. Daar staan ook de werken van Mabille en Witte in, maar nog in hun verouderde versie van 1992 en 1990. Het fotoaanhangsel (p. 367 - 382) volgt pas na het register (p. 361 - 366) en stelt in omvang niet veel voor; de technische kwaliteit valt ook mager uit, maar de keuze is origineel.

Wie van veel meer en mooiere fotos houdt, kan terecht bij het vertaalde luxueuze album van de Britse historicus Jay Winter en de Amerikaanse TV-producente Blaine Baggett: "1914 - 1918. De Grote Oorlog en de vorming van de 20ste eeuw". Het bestaat voor ongeveer 60 % uit fotos, karikaturen, kunstwerken, tekeningen, gedichten en voor ongeveer 40% uit teksten. De acht hoofdstukken sluiten telkens aan bij een aflevering van de TV-documentaire.

De samenstellers geven een nauwgezet beeld van de militaire gebeurtenissen en van de invloed van het oorlogsgebeuren op de cultuur en mentaliteit: de oorlog maakte definitief een einde aan het optimistische fin de siècle van de 19e eeuw, hij greep meer in het leven van de burgerbevolking dan vorige oorlogen en hij liet letterlijk en figuurlijk diepe sporen na in onze eeuw. 1914 was het begin van een wrede eeuw, waarin verblinde intellectuelen, vertrekkend van bepaalde ideologieën of principes, zichzelf het recht en de plicht toeeigenden om miljoenen mensen aan hun gezag of dictatuur te onderwerpen en daarna af te slachten, zonder enig respect voor het menselijk leven. Vanuit dit perspectief redigeerde Jay Winter zijn werk over 1914 - 1918, dat geregeld teruggaat tot 1900 en doorstoot tot 1944. Het chronologisch verloop wordt op originele wijze gepresenteerd in kaders, die samen met de geografische kaarten een hoge didactische waarde hebben.

De aandacht voor België is niet bijzonder groot, maar toch meer dan we gewoon zijn. De gegevens over Leuven (p. 67) zijn correct, maar de voorstelling van de Duitse wreedheden als represailles voor agressie van Belgische sluipschutters (p. 65 - 66), is een verouderde en foutieve versie, ontsproten aan de Duitse propaganda. De benaderingswijze van Winter is iets afstandelijker dan die van De Schaepdrijver. Maar de beelden van Käthe Kollwitz waarmee het boek begint (p. 8 - 9), het contrast met de opwekkende fotos van de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs, de fotos van de verwoeste Leuvense bibliotheek (p.67), van hongersnood en voedselhulp van Hoover in Rusland tijdens de burgeroorlog en in de beginjaren van Lenin (p. 320 - 360) en die van oorlogsinvaliden (p. 365-367), de vele persoonlijke getuigenissen over wandaden in Europa tot in Armeens Turkije toe, zullen ook wel enige tijd in het visuele geheugen van de lezer-kijker blijven hangen.

Van de Eerste Wereldoorlog maken we een grote sprong naar de koningskwestie, één van de ingrijpende gevolgen van de 2e Wereldoorlog Leopold II regeerde in de lijn van zijn in 1934 verongelukte (of vermoorde?) vader Albert I: autoritair, sterk gesteld op neutraliteit, hij vluchtte niet, bleef in België, maar beging daarbij fouten die hem achteraf fataal werden: al vanaf sept. 1939 speelde hij cavalier seul in goed bedoelde, maar naïeve bemiddelingspogingen; tijdens de oorlog zocht hij toenadering tot Hitler en tot in zijn politiek testament van januari 1944 bleef hij koppig weigeren met zijn regering samen te werken; ook zijn (tweede) huwelijk met de niet-adellijke, uit Vlaanderen afkomstige (maar Franstalige) Liliane Baels werd hem kwalijk genomen. De koningskwestie duurde van 1944 tot 1950; elf regeringen sneuvelden erover. De afloop liet nog jaren een wrange nasmaak achter. Sinds 1972 vormt ze het voorwerp van verschillende wetenschappelijke studies: Albert De Jonghe (1972), Jean Stengers (1980), Paul Theunissen (1980), Christian Koninckx (1987; Franse vertaling in 1997), Jan Velaers en Herman Van Goethem met "Leopold III: de koning, het land, de oorlog". Dit laatste werk dateert uit 1994 en hoort strikt genomen dus niet bij deze bloemlezing van 1997. Maar dat duo schreef op 1152 dunne blaadjes de best gedocumenteerde en meest genuanceerde studie; de traditionele leopoldistische visie sneuvelt bij hen definitief.

Ze kregen enkele nieuwe bronnen ter beschikking: de "notes journalières" van Capelle, beschikbaar sinds de dood van Leopold in 1993, het oorlogsdagboek van generaal Van Overstraeten ("Sous le joug", 1987), geschriften van Hendrik De Man die in 1989 gepubliceerd werden door de Zwitserse historicus Michel Brelaz, de jaargangen 1940 - 1944 van het archief van het Koninklijk Paleis, de notulen van de ministerraad voor dezelfde periode, de persoonlijke documenten van August De Schryver en Paul Struye, de archieven van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken. Eén belangrijk archief blijft helaas nog gesloten: dat van het kasteel van Argenteuil.

Eén van hun nieuwe bronnen waren dus de dagelijkse notities van graaf Robert Capelle, secretaris en intimus van Leopold: zonder het slecht te bedoelen, portretteerde hij zijn baas als koppig en wrokkig, bevooroordeeld tegenover communisten, joden en vrijmetselaars, geneigd om de Nieuwe Orde en de Duitse hegemonie te accepteren, vol minachting voor de politieke klasse, van wie hij tot het bittere einde verontschuldigingen bleef eisen. Anderzijds was hij sterk bekommerd om het lot van zijn leger, zijn volk en om de achtergestelde Vlamingen en klaagde hij de armoede en de sociale wantoestanden aan. Hij zag het als zijn persoonlijke verantwoordelijkheid het voortbestaan van het land te verzekeren, de interne en externe soevereiniteit te handhaven. Velaers en Van Goethem tonen zijn macht en vooral zijn onmacht om het bezettingsregime te verzachten, zijn onvermogen om de Belgen te behoeden voor de verplichte tewerkstelling en voor de jodenvervolging, zijn ijdele pogingen om de voedselbevoorrading te verbeteren en de krijgsgevangenen vrij te krijgen.

De rode draad door het verhaal is het oorlogsverloop en de inschatting van de oorlogsvooruitzichten door de koning. Terwijl de krijgskansen steeds gunstiger evolueerden voor de geallieerden, bleven de inzichten van de koning nauwelijks gewijzigd: voor België was de oorlog voorbij, het moest terug neutraal worden, de oorlog zou wel eindigen met een compromis, zonder winnaars of verliezers. Het grondwetsartikel 82 over de onmogelijkheid voor de koning om te regeren tijdens een oorlog, werd door de koning en zijn omgeving niet erkend. Na de oorlog kon de koningskwestie blijkbaar alleen maar opgelost worden als men Leopold en zijn niet al te beste raadgevers liet vallen.

Het boek van Jean Stengers, "De koningen der Belgen. Van Leopold I tot Albert II" is in omvang gelukkig maar één derde van het vorige en richt zich ook tot een breder publiek dan bovengenoemde detailstudies. Het heeft bovendien als voordeel dat het de rol van al onze koningen sinds 1830 analyseert en ook al eventjes een bezorgde blik werpt naar de toekomst. Er staat veel meer in dan dat ene zinnetje over prins Laurent, dat meteen de krantenkoppen haalde: Boudewijn had niet het minste vertrouwen in Laurent als eventuele opvolger van Filips en liet daarom in 1991 de grondwet aanpassen (p. 304). Gevolg: Astrid én haar vier kinderen komen vòòr Laurent, maar Astrid steekt Filips niet voorbij. Laurent maakt als zevende dus geen schijn van kans meer: hij zal werkloos blijven.

Stengers, die anders wel 1400 bronnen citeert, doet dat hier niet, tenzij enkele anonieme getuigenissen in "De nieuwe Panorama"; hij beperkt zich ertoe te zeggen dat het een publiek geheim is en dat hij goede bronnen consulteerde. Hij herhaalt dat Albert II destijds zowel door zichzelf als door Boudewijn en door de regering voorzien was als opvolger: men moest hem niet overtuigen, hij was meteen kandidaat. Wie hier meer over wil lezen, verwijzen we naar Luc Neuckermans en Pol Vanden Driessche: "Albert II. Koning na Boudewijn" (1995).

Terug naar Stengers. Hij vertrekt in 1830 / 1831, zoals Witte ("Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden"). Hij beschrijft de verschillende manieren en domeinen waarop het koninklijk optreden zich voordeed. Hij beperkt zich niet tot de officiële, constitutionele bevoegdheden, maar belicht ook de informele beïnvloedingstechnieken, de persoonlijke contacten van onze vorsten met prominenten in binnen- en buitenland, hun toespraken, eretekens en vermaningen. Hij toont aan dat hun macht groter was vòòr dan na de Tweede Wereldoorlog: Leopold I en II hadden een beslissende invloed op de buitenlandse politiek en op de keuze van de ministers, Albert al iets minder en sinds de 2e Wereldoorlog of sinds de koningskwestie is de buitenlandse politiek meer en meer een domein van de regering en is de aanduiding van de ministers vnl. een zaak van de premier en nog meer van de partikratie en ook wel van de pressiegroepen. Toch vernoemt Stengers (p. 54) vier gevallen van kandidaat-ministers die door toedoen van Boudewijn een andere portefeuille kregen (Willy Callewaert, 1973) of helemaal niets kregen (Charles Janssens, 1954; Hilaire Lahaye, 1973; Frans Baert, 1977).

De koning heeft ook niet meer de gewoonte om ministers te ontslaan, zoals in 1871, 1884, 1911, 1932 nog wel gebeurde en evenmin om de Kamers te ontbinden of het leger aan te voeren. Toen Boudewijn in 1960 de regering Eyskens vroeg om op te stappen, bleek Eyskens sluwer en sterker te zijn dan de koning. Met benoemingen bemoeit hij zich nog wel. Andere beperkingen van recente datum zijn de toenemende macht van de Europese Unie, waarin de koning buiten spel staat en die van de gemeenschappen en gewesten.

Stengers zegt weinig over de machtspositie van Albert II en over de communautaire problemen tijdens Albert I, Boudewijn en Albert II. Hij signaleert wel dat het vorstenhuis sinds 1988 het unionistisch federalisme accepteert en verdedigt. Hij vergeet te vermelden dat Boudewijn al in 1987 Gerard Deprez overtuigde om het onderwijs te laten opsplitsen, dat Albert in 1994 een 11-juli-viering in Brugge en de Waalse feestdag bijwoonde, dat zowel Boudewijn als Albert niet graag geconfronteerd worden met wetten die ze persoonlijk om morele redenen verwerpen en dat Albert zich veel soepeler opstelt tegenover de pers, die (daardoor ?) ook kritischer durft te schrijven, tot dusver vooral over Laurent, binnenkort misschien ook over Filips en over de blitz-carrière van lt.-kolonel Astrid.

Het boek van Stengers is dus nog niet echt af, maar maakt 166 jaar koninklijke geschiedenis een stuk toegankelijker voor een publiek van geïnteresseerde leken.
Het bevat een overzichtelijke stamboom van het koningshuis sinds 1831 (p. 10), een lijst van de regeringen (p. 323 - 327) en een stevig notenapparaat dat gelukkig doorlopend genummerd is (van 1 tot 1436).

Een ander gevolg van de 2e Wereldoorlog was de Koude Oorlog: door het wegvallen van de gemeenschappelijke vijand, kwamen de sinds 1917 bestaande tegenstellingen tussen de Sovjet-Unie en de VS nu duidelijk aan de oppervlakte en ze zouden gedurende vier decennia een stempel drukken op de internationale en op de Belgische politiek.

Nu die Koude Oorlog al enkele jaren voorbij is, nu de gemoederen bedaard zijn en bijna iedereen berust in de verdwijning van het Oostblok en van de Sovjet-Unie, slaagt men er ook beter in die periode te benaderen "sine ira et odio", met de nodige sereniteit. Een team van 24 auteurs o.l.v. Mark Van den Wijngaert stelde een veelzijdig standaardwerk samen, waarin ze die periode voor België benaderen vanuit zeer verschillende invalshoeken en dat stuk van onze geschiedenis voor een breed publiek toegankelijk maken: "Oost West West Best. België onder de Koude Oorlog 1947 / 1989".

In het eerste deel komen vooral onze buitenlandse politiek en ons defensiebeleid aan bod, in twee tm. vier de binnenlandse gebeurtenissen. Deel I heeft het dus o.m. over: de keuze van België voor het Westers bondgenootschap, de ongewenste reizen van onze "rode" koningin Elisabeth naar Warschau (1955), Moskou (58), China (61), Moskou (62), in een periode waarin dit nog taboe was; de pogingen van Harmel om de twee kampen met elkaar te verzoenen; de naoorlogse economie, de redenen waarom België minder Marshallhulp kreeg dan de anderen, de manier waarop die hulp ondanks Amerikaanse waarschuwingen verkwanseld werd in de toen al bodemloze Waalse mijnen; gevolgen van de Koude Oorlog voor de Europese eenmaking in het algemeen en voor de Europese politiek van België in het bijzonder; de emotionele reacties op de gebeurtenissen in Hongarije (56), Cuba (59), Tsjecho-Slowakije (68).

Deel II tm. IV belichten o.m. de achteruitgang van de KP, de kloof tussen burger en leger, de vredesbeweging met Agalev en Ecolo als electorale winnaars, de houding van de Kerk en van de vakbonden, de beperkte invloed van de K.O. op de filosofen en kunstenaars, en de iets grotere op schrijvers en tekenaars van stripverhalen en de nog grotere invloed op filmregisseurs, protestzangers en linkse theatergezelschappen. Het boek eindigt met een samenvattende epiloog, een notenapparaat, bibliografie en een personenregister.

De positieve kanten van deze bonte bundel zijn: de vele invalshoeken en de kijk op kunst en cultuur die in andere studies ontbreken; het chronologisch overzicht van 1946 tot 1991 (p. 15 - 49); de tabellen, fotos en pittige karikaturen: de tentoonstelling (okt. 97 - jan. 98) heeft dus vruchten afgeworpen.

Enkele aanmerkingen: de ca. 20 bijdragen zijn ongelijk in omvang en in kwaliteit: het artikel van Karel Veraghtert over het Marshallplan hoort b.v. bij de betere, dat van Luc Peiren over de KP tot de zwakkere; die Marshallhulp werd in Nederland dankbaar en feestelijk herdacht met een ontvangst van Clinton, in België bleef alles beperkt tot een goed georganiseerd historisch congres (12 dec. 97, Brussel); de fotos en de karikaturen staan niet in de buurt van de onderwerpen waar ze over handelen en in het register wordt er niet naar verwezen; een zakenregister ontbreekt en in de bibliografie is er geen sprake van het boek van Ollevier (nr. 6); de titels van de hoofdstukken en de paginering staan niet horizontaal maar verticaal, een techniek die zeer irriterend werkt; de begindatum "1947" (p. 12) is te strak geformuleerd: in 1945 en 1946 gebeurde er ook al wel wat; de kroniek zou beter beginnen in 1917 en eindigen in 1997 i.p.v. 1947 - 1991; de stelling van de redactie dat de VS met hun Marshallhulp mede de bedoeling hadden om de scheiding in Europa ook economisch gestalte te geven (p. 12) en de uitspraak (van Luc Peiren, p. 200) dat de moordaanslagen van 1950 - 1951 op Lahaut (België), Duclos (Frankrijk), Togliatti (Italië) en Tokuda (Japan) internationaal georganiseerd en wellicht door de VS gedirigeerd werden moeten nog bewezen worden; dezelfde Luc Peiren beweert (p. 200 - 201) enerzijds dat de KPB de interventie in Tsjecho-Slowakije streng veroordeelde en anderzijds dat ze beweerde dat antisocialistische elementen in dat land werkzaam waren om de eenheid tussen de socialistische landen te verzwakken; bovendien erkende onze KP het regime van Husak, terwijl andere KPs dat bewust weigerden te doen.

Over diezelfde KPB verscheen nog een boekje van Ivan Ollevier "De laatste communisten. Hun passies, hun idealen" . Hierin gaat hij niet dezelfde weg op als zijn collegas in Frankrijk, waar het geruchtmakende zwartboek "Le livre noir du communisme. Crimes, terreur, répression" een frontale aanval inhoudt tegen alles wat de tenoren, de volgelingen en de fellow-travellers van het communisme gepresteerd hebben. De gelijkschakeling van de planmatige terreur van Lenin, Stalin, Mao en anderen met de nazi-methodes en hun genocide op klassen i.p.v. rassen, is wel het ergste wat men als verwijt kan krijgen.

Ollevier, VRT-journalist, verdiepte zich niet in de archieven, maar interviewde 31 voormalige KPB-leden, zowel anciens van het eerste uur als "jongeren" die pas in de jaren 60 lid werden. Het is dus geen historische studie, maar een nieuwsgierige zoektocht naar hun motieven en naar wat aanvullende petite histoire. De gesprekspartners vertellen over hun idealisme, over de macht van de KP tijdens en na de bevrijding, hun invloed op de repressieprocessen, de vrees van Churchill voor een communistische staatsgreep in België. Verder gaat het uiteraard over de moord op Lahaut: een ander partijlid zou het fameuze "Vive la République" hebben geroepen en de drie moordenaars werden geïdentificeerd, maar niet vervolgd. Ze vertellen ook waarom ze ook na de eerste destalinisatie en tijdens het aftakelingsproces van de KP nog bleven geloven en hopen dat het communisme de wereld zou verbeteren. In 1989 schrokken de nog overblijvende KPB-leden wel van de feeststemming waarmee het communisme in Oost-Europa opgeruimd werd en van de omvang van de economische puinhoop en de milieuravage die het daar aangericht had.

Sommige gesprekspartners geloven nog altijd in het collectivisme, anderen blijven marxist in hun visie op de economie en in hun analyse van de kapitalistische maatschappij. Op de vraag waarom de partij verdween in België, krijgt de auteur als antwoord dat de resterende leiders teveel de lijn van Moskou bleven aanhouden, deels om principiële redenen, deels omwille van de sponsoring. Ollevier beperkt zich tot een portret van Vlaamse ex-communisten. Een moreel oordeel laat hij over aan een historicus. Zijn vragen zijn soms te mild, hij graaft niet diep genoeg. Een paar voorbeelden: was alle geweld van communistische verzetslui (zoals Louis Van Brussel) wel zo gerechtvaardigd? Er waren toch platvloerse wraakacties bij, waarbij ook onschuldigen gedood werden. Of hoe konden intellectuelen zo lang kritiekloos en tegen beter weten in de richtlijnen van Moskou blijven volgen?

Dan zijn er nog twee nieuwe edities van politieke handboeken. We beginnen met Mabille "Histoire politique de la Belgique. Facteurs et acteurs de changement". Sinds 1959 werkt hij voor het CRISP, het Centre de recherche et d information socio-politiques, waarvan hij momenteel directeur-generaal is. Hij volgt dus al bijna veertig jaar beroepshalve onze binnenlandse politiek van nabij (letterlijk en figuurlijk). Voor de RTBF verzorgt en becommentarieert hij de verkiezingsuitzendingen. Zijn politieke geschiedenis verscheen voor het eerst in 1986; in 1992 en 1997 volgden de 2e en de 3e bijgewerkte editie.

Mabille begint rond 1780, met achtereenvolgens de Oostenrijkse tijd, de Franse bezetting en de tijdelijke unie met Nederland en Luxemburg. Hij overkoepelt dus ruim twee eeuwen. Als Vlaamse lezer krijg je de indruk dat hij milder is voor de Fransen dan voor de Nederlanders. Maar voor de Vlaamse Beweging heeft hij wel veel aandacht: de oproep van Verlooy (p. 32) om het Nederlands te herwaarderen en in stand te houden staat erin en in alle volgende delen is er telkens per hoofdstuk een paragraaf gewijd aan de Vlaamse Beweging.

Deel II handelt over België rond het midden van de 19e eeuw: ontstaan van het land, unionisme, ontstaan van partijen, het ontwaken van de Vlaamse bewustwording, de arbeidersbeweging, de tweede industriële revolutie. Deel III gaat over België tussen ca. 1885 en 1935: industriële expansie, uitbreiding van het kiesrecht, achteruitgang van de liberalen ten voordele van de katholieken, de Vlaamse strijd en de Waalse reacties hierop, 1ste Wereldoorlog met de uitbarsting van de Vlaamse Beweging ("nu of nooit"), algemeen mannenkiesrecht, economische crisis. Ook hier blijft de toon t.o.v. de Vlaamse Beweging beschrijvend, niet veroordelend. Deel IV overloopt vluchtig de buitenlandse politiek sinds 1831: neutraliteit, eerst opgelegd, dan bewust gekozen, de Kongo-politiek van Leopold II.Deel V bestudeert België sinds 1945: koningskwestie, schoolstrijd, economische verschuivingen, het einde van het unitarisme, de staatshervormingen, de verkiezingen van de jaren 87 - 95, de vraag hoe het nu verder zal gaan met België: nieuwe hervormingen of opsplitsing van de staat? Het boek eindigt met kaarten en een summiere bibliografie. In elk deel, hoofdstuk en paragraaf gaat de meeste aandacht van de auteur naar de oorzaken, de aanleidingen en de toonaangevende figuren die de veranderingen op gang brachten, voor een evolutie of revolutie zorgden. Dit is zeker een sterke kant van Mabille. Verder is het ook een prestatie zon lange periode in één leesbaar volume samen te hebben gebracht.

Er zijn ook zwakke zijden: de aandacht voor de buitenlandse politiek is miniem, zeker na 1945; NAVO en EG / EU komen er niet bij te pas. De bibliografie bevat een paar titels waarvan een recentere editie bestaat. Onbegrijpelijk is dat het boek geen register heeft; bovendien is de bladspiegel ook al niet van aard om personen of zaken snel op te sporen. Een handig naslagwerk is het dus niet, een aangenaam leesboek wel.

We eindigen met wat sinds enkele jaren uitgegroeid is tot het standaardwerk over de Belgische geschiedenis, nl. de opnieuw bijgewerkte studie van Witte - Craeybeckx - Meynen "Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden".
Doordat de grote concurrent LUYKX - PLATEL met "Politieke geschiedenis van België" het laat afweten, zijn we voor de jaren 80 - 90 voortaan aangewezen op bovengenoemd triumviraat, dat dan wel geleid wordt door een vrouw, die veruit de meeste onderdelen voor haar rekening neemt. De laatste editie van Luykx-Platel dateert nl. van 1985 en staat hier nauwelijks nog in de bibliografie (p. 446 ): het indrukwekkende werk van 1011 paginas wordt ietwat kleinerend weggewuifd als "het feitencompendium van Th. Luykx", zonder Platel en zonder titel, terwijl talloze gelegenheidspublicaties met volledige referenties vernoemd worden.

Ter zake nu. Sinds 1979 is het handboek van Els Witte al aan zijn zesde herwerkte en aangevulde uitgave toe. Ook onze Franstalige landgenoten appreciëren het: in 1987 verscheen de eerste vertaling, in 1997 de tweede. Een Engelstalige versie volgt: proficiat dus. De auteurs beginnen in 1830 met het ontstaan van België. Ze zien het begrip politiek in de ruime zin van het woord: ze observeren dus niet enkel de strijd om de macht over politiek en maatschappij, maar ook de economische en sociale veranderingen en de pressiegroepen die ze mee doordrukten. De aanpak is thematisch-chronologisch. De buitenlandse politiek komt aan de orde in zoverre deze invloed had op de binnenlandse; de plaats die ze reserveren voor de 1ste Wereldoorlog, de 2e Wereldoorlog, de Koude Oorlog, de E.G. en Zaïre is groter dan bij Mabille.

Aangezien al deze aspecten (binnenlandse politiek, economie, maatschappij, buitenland) in alle periodes sinds 1830 (1830 / 1850 / 1884 / 1918 / 1945 / 1950 / 1960 / nu) voldoende aandacht krijgen, besparen we de lezer de inhoudsopgave en beperken we ons tot enkele gevoelige momenten uit onze geschiedenis en de manier waarop deze auteurs ze benaderen. Een eerste voorbeeld is de schoolstrijd (om het lager onderwijs) van 1879 - 1884: je kunt niet verwachten dat VUB-rector Witte veel sympathie toont voor de winnaars, de katholieken, die zich met alle middelen verdedigd hadden tegen het offensief van de antiklerikale liberalen, maar haar uiteenzetting is correct en acceptabel voor lezers uit "beide kampen". Haar visie op de Vlaamse Beweging tijdens de 1ste Wereldoorlog is eveneens sereen geformuleerd en haar oordeel (p. 147 - 149) klinkt milder dan dat van Sophie De Schaepdrijver . De collaboratie en het verzet tijdens de 2e Wereldoorlog krijgen niet opvallend veel aandacht. Het oordeel (van Jan Craeybeckx) is ook hier zeer genuanceerd. Het verwondert me wel dat hij de start van het communistische verzet (p. 228 ) al situeert in maart 41, toen Hitler en Stalin nog bondgenoten waren, i.p.v. in juni 41, toen de Duitsers de SU binnenvielen.

Craeybeckx legt duidelijk uit (p. 220 - 223) hoe de regering en m.n. minister De Vleeschauwer medio 1940 het rijke Congo in het geallieerde kamp brachten, waardoor de koning zijn sterkste troef verloor in zijn onderhandelingen met Hitler (nov. 40). Toch treffen we diezelfde De Vleeschauwer na de oorlog aan in het kamp van de leopoldisten (p. 252 ). Over de volksrepressie is volgens Witte te weinig bekend (p. 246): ze velt er geen oordeel over. Uit het boek van Jos Bouveroux ("Terreur in oorlogstijd. Het Limburgse drama.", 1984) of uit publicaties van Mark Grammens ("Herinneringen aan oorlog en repressie"), van Luc Huyse en van Gaston Durnez (in de "Encyclopedie van de Vlaamse Beweging") mogen we toch wel besluiten dat het er heel grof aan toe ging. Bij de repressierechtbanken uit Witte wel kritische bedenkingen, zij het dan op een tamelijk zachte toon (246 - 248).

De koningskwestie is nog zon teer onderwerp: ze staat niet in het register, maar als compensatie wordt ze twee keer besproken: eerst door Jan Craeybeckx (p. 219 - 225), dan door Els Witte (p. 251 - 257). De uitspraak van Witte (p. 252 ) dat "de leopoldisten in de houding van de koning tijdens de bezetting in vele gevallen naar een rechtvaardiging zochten voor hun eigen optreden", is op zijn zachtst gezegd moeilijk te bewijzen; hetzelfde geldt voor: "De terugkeer van Leopold III was dus de hoop van al diegenen die tijdens de oorlog een afwachtende houding hadden aangenomen en van de collaborateurs die op meer clementie rekenden". En dat in heel de harde perscampagne vooral Le Soir en Le Peuple de toon van de polemiek aangaven, is een diplomatieke formulering voor hun vaak vulgair gedrag. Over de ondemocratische houding van de Franstaligen in Brussel, Luik en Henegouwen na het referendum van maart 50 wordt geen oordeel geveld (p. 253 - 254). Lahaut wordt hier (p. 254 ) nog voorgesteld als uitroeper van "Vive la République ", terwijl Ollevier (De laatste communisten. Hun passies, hun idealen) daar anders over spreekt, maar dat is een detail.

Over het spannende Waals Congres van 1945 en de pogingen van Frankrijk om Wallonië toen aan te hechten vind ik hier niets terug. Bij de bespreking van de schoolstrijd om het middelbaar onderwijs (1954 - 1959, p. 264 - 270) slaagt Witte er minder goed in haar rust, kalmte en afstandelijkheid te bewaren. Blijkbaar is ons landje ook in 1997 - 1998 nog niet rijp voor een oplossing die Nederland al heeft sinds 1921, nl. elke school, van welke signatuur ook, krijgt hetzelfde bedrag per leerling. Inzake de taalwetgeving van 1962 - 1963 en de kwestie Voeren (p. 369 - 371 en 375 - 379) neemt de schrijfster gelukkig wel een duidelijk Vlaams standpunt in; we hopen dat dit in de Franse vertaling overeind is gebleven. Het boek eindigt met de staatshervormingen, de buitenlandse politiek t.o.v. Zaïre, Navo en EG / EU en een knappe analyse van de basismechanismen van ons huidig politiek bestel: pacificatie, partijen, verhouding tussen de drie machten, plaats van de monarchie, rol van de media, de complexe aard en structuur van ons federalisme sui generis.

Dan volgen bijlagen: samenstelling van Kamer en Senaat sinds 1847, huidige samenstelling (p. 437) van Kamer, Vlaams en Waals Parlement (hier nog "Vlaamse en "Waalse Raad" genoemd), andere Raden; overzicht van de regeringen sinds 1830. In dit overzicht staat alleen de naam van de premiers en vanaf 1958 ook van de vice-premiers; voor de volledige regeringsploegen zijn we nog altijd aangewezen op Luykx-Platel of in mindere mate op het "Politiek Zakboekje" van Clair Ysebaert. De bibliografie (p. 445 - 464) is geannoteerd, maar in doorlopende teksten en dus niet zo overzichtelijk. Een lijst met afkortingen, een vrij volledig personenregister en een selectief zakenregister sluiten deze degelijke studie af. Nog één detail: enkele belgicismen zoals "progressisme" (p. 5, 78) en mars "op" Brussel (p. 254 e.a.) mag men bij de volgende druk eruit halen. Gezien de inhoudelijke kwaliteiten, raden we de regelmatige gebruikers (journalisten, leraren, politici) zeker de stevig gebonden editie aan, die tegelijk kan dienen als prachtig cadeauboek. Ondanks enkele kritische kanttekeningen, erkennen we graag dat het boek zijn zesde editie en zijn vertalingen ten volle verdient.


Sophie De Schaepdrijver, De Groote Oorlog.Het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog. Uitg. Atlas / Veen, Amsterdam / Antwerpen, 1997.382 p.; noten, bibliografie, fotos, reg.; 995 BF; ISBN 90 - 254 2432 - 5.

Jay Winter – Blaine Baggett, 1914 - 1918. De Grote Oorlog en de vorming van de 20ste eeuw. Standaard Uitg., Antwerpen, 1997. 432 p.; fotos, kaarten, tab., lit., reg.; 1695 BF; ISBN 90 - 760 77 - 010.


Jan Velaers - Herman Van Goethem, Leopold III: de koning, het land, de oorlog. Uitg. Lannoo, Tielt, 1994. 1e bijdruk; 1152 p.; noten, bibl., reg.; 1980 BF; ISBN 90 - 209 - 2387 - 0.

Jean Stengers, De koningen der Belgen. Van Leopold I tot Albert II. Uitg. Davidsfonds, Leuven, 1997. 388 p.; lit., reg.; ISBN 90 - 6152 - 984 - 0; 980 BF.

Mark Van den Wijngaert, Lieve Beullens e.a., Oost West West Best. België onder de Koude Oorlog 1947 / 1989. Uitg. Lannoo, Tielt, 1997. 286 p.; fotos, karik., lit., reg. 895 BF; ISBN 90 - 209 - 3215 - 2.

Ivan Ollevier, De laatste communisten. Hun passies, hun idealen. Uitg. Van Halewyck, Leuven, 1997. 320 p.; ill.; 898 BF; ISBN 90 - 5617 - 126 - 7.

Stéphane Courtois, Nicolas Werth e.a., Le livre noir du communisme. Crimes, terreur, répression. Uitg. Robert Laffont, Paris; S.A. Auteurs, Bruxelles, 1997. 846 p.; fotos, tab., reg.; 189 FF; ISBN 9 - 78 222 1 - 0822 - 041.

Xavier Mabille, Histoire politique de la Belgique. Facteurs et acteurs de changement. Uitg. CRISP, Bruxelles, 1997. 3e ed., 475 p.; tab., krtn., bibl.; 960 BF; ISBN 2 - 87075 - 055 - 2.

Els Witte - Jan Craeybeckx - Alain Meynen, Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden. Uitg. VUB-Press, Brussel en Standaard Uitg., Antwerpen, 1997.478 p.; tab., lit., reg.; Paperback: ISBN 90 - 548 - 1806; gebonden: 895 BF; ISBN 90 - 02 20639 - 9.

Theo Luyckx - Marc Platel, Politieke geschiedenis van België. Uitg. Kluwer, Antwerpen, 1985.1011 p., tab., lijsten, reg.; ISBN 90 - 6321 - 3484.
Bericht geplaatst in: boekrecensie