CHINA: 50 JAAR VOLKSREPUBLIEK. DEEL I

Geplaatst op 8 oktober 1999
Op 1 oktober 1999 had China wat te vieren: het was toen 50 jaar geleden dat Mao de burgeroorlog won en de communistische volksrepubliek uitriep.
Op 1 oktober 1999 had China wat te vieren: het was toen 50 jaar geleden dat Mao de burgeroorlog won en de communistische volksrepubliek uitriep. Wereldwijd vierden de uitgevers mee: hun aanbod was groot en veelzijdig.

Op 20 december 1999 kwam er nog een feestje bij: Macao keerde toen, na ruim 442 jaar Portugees bestuur, terug in de moederschoot. Hoewel deze enclave slechts 475.000 inwoners telt, van wie 97% Chinezen, is hiervan op het Tien-an-Men-plein meer te merken dan van het halve-eeuwfeest: al heel dit jaar wijst een opvallende, digitale en fluorescerende aftelklok aan hoeveel dagen en seconden nog moeten passeren voordat het zover zal zijn. Geen mens kan ernaast kijken en iedere bezoeker vraagt zich af wat die twee cijfers betekenen.

Eerlijkheidshalve memoreren we ook enkele feiten waarvoor geen viering gepland is: 10 jaar onderdrukking van de Tien-an-Men-revolte (4 juni 1989); 40 jaar vlucht van Tenzin Gyatso, de veertiende Dalai Lama uit Tibet (1959) en een bijna even lange periode van onderdrukking, martelingen en verwoestingen; 10 jaar Nobelprijs (1989) voor de goddelijke koning-leraar, die erin slaagde als geestelijke en politieke leider, onafgebroken en zonder één kwaad woord over de Chinezen, te pleiten voor de vreedzame beëindiging van de bezetting van Tibet. Alleen al over Tibet verschenen dit jaar een tiental boeken in het Nederlands. We laten ze hier buiten, niet uit onverschilligheid, maar omdat we anders niet over deze Himalaya heen geraken.

Ook in de boeken over China moeten we onvermijdelijk een selectie maken. In vroegere artikels kwamen enkele facetten trouwens al aan bod: de wreedste kanten van het communistisch systeem; het privé-leven van Mao, een biografie van Deng, de goelag of laogai, de onderdrukking van Tien-an-Men, de recuperatie van Hong Kong, de overzeese Chinezen.

We beginnen met twee historische studies, waarin China telkens bekeken wordt in zijn relaties met het westen. Joanna Waley-Cohen verwerpt in haar The sextants of Beijing. Global currents in Chinese history het idee dat China altijd halsstarrig opteerde voor isolationisme. De titel verwijst naar de bronzen graadboog van 1/6 cirkel of 60°, waarmee men hoeken kon meten met behulp van het invallende licht. Het apparaat werd gebouwd door “onze" Ferdinand Verbiest (1623 – 1688). Samen met andere astronomische instrumenten, diende het ook om het gedrag van de hemel te voorspellen. Ze kunnen ook vandaag nog bezichtigd worden in het Verbiest-observatorium, tussen het Tien-an-Men-plein en het Zijden Straatje.

Waley overloopt de Chinese geschiedenis en m.n. de Chinese contacten met andere Aziatische en Europese beschavingen vanaf ca. 206 v.C. en ze onderzoekt vooral hoe China reageerde op de toenaderings- of veroveringspogingen van het Westen. Zij verzet zich krachtig tegen de bijna algemeen aanvaarde opvatting dat het Rijk van het Midden van de wereld zelfgenoegzaam, vol wantrouwen en met een sterk superioriteitsgevoel de buitenlandse invloeden hermetisch afweerde.

Die opvatting ontstond vooral doordat katholieke missionarissen de Chinese weerstand tegen hun godsdienst interpreteerden als een bewijs van Chinese arrogantie, xenofobie, vijandigheid tegenover vernieuwingen, isolationisme.
Ze vergaten dat de Chinezen wel openstonden voor hun wetenschappelijke kennisoverdracht, maar geen behoefte hadden aan bekering. Westerse kolonisatoren en handelaars en zeker de Britse delegatie o.l.v. Lord George Macartney (1793 e.v.) ergerden zich nog meer aan het feit dat de Chinezen niet graag met hen of op hun manier handel dreven en zich verzetten tegen hun imperialistische plannen. Maar ze vergaten dan wel dat diezelfde Chinezen al in de 7e eeuw het Indische Boeddhisme overgenomen hadden; je kunt trouwens nu nog overal in China Boeddhabeelden bewonderen in alle maten (tot 18 m hoog) en in alle vormen, materialen en kleuren.
En ze vergaten ook dat de Chinezen al twee eeuwen vóór Christus hun zijde en goud ruilden tegen buitenlandse artikelen. De zijderoute en andere handelswegen verbonden hen met vele volkeren in Azië en zelfs met Syrië in het Romeinse Rijk en Rome mocht wel specerijen, wollen kleding en paarden (voor het leger) invoeren. Want keizer Woedi (141 – 87 v.C.) zond rond 125 v.C. een zekere Zhang Qian wel twee keer in westelijke richting, in de 1ste en 2e eeuw n.C. droeg de Romeinse aristocratie zijden kleren uit China en in 166 n.C. bereikte een delegatie van keizer “Antun" China, met geschenken uit ivoor en uit schildpaddenrug (p. 17). Deze Antun was wellicht Marcus Aurelius (161-180), aangenomen zoon van Antoninus Pius.

Waley bewondert de Vlaamse, Duitse en Italiaanse jezuïeten (eind 16e - begin 18 eeuw). Ze beklemtoont dat de Chinese weerstand tegen het christendom een veelheid van oorzaken had: het traditionele Chinese eclectisme was onverzoenbaar met de exclusieve eisen van het christelijke monotheïsme; ze vreesden dat de missionarissen de voorboden waren van een vreemde invasie; bij de overgang van de Ming- naar de Qing-dynastie (1644) leek het alsof de jezuïeten collaboreerden met de Qing-vijand; de onenigheid binnen de westerse kerken maakte hen wantrouwig. Maar de Chinese keizer en zijn entourage waren wel enthousiast over de wetenschappelijke prestaties en over de geïmporteerde artikelen.

Waley bewijst doorlopend dat China van oudsher tot nu wel bereid was en is om buitenlandse, zowel Aziatische als Europese en Amerikaanse goederen, godsdiensten, ideologieën (Marxisme-Leninisme) en zeker technieken te importeren, mits het er voordeel bij had of heeft en zolang als de regels voor de afspraken niet van buiten af opgelegd werden, zoals dat zeker gebeurde in de vernederende, “ongelijke" verdragen van de 19e eeuw, die bij de Chinezen nog diep in het collectieve geheugen gegrift staan en waarbij ze opium moesten verhandelen tegen thee en tijdelijk of definitief concessies en grensgebieden moesten afstaan aan het westen, aan Rusland en aan Japan. Vandaar dat Mao zei in 1949: het Chinese volk zal zich niet meer laten vernederen.

Het afwijzen van het westen, inclusief van Rusland / de Sovjet-Unie en van Japan, was dus niet zozeer gebaseerd op een meerwaardigheidsgevoel dan wel op verzet tegen de imperialistische drang van het westen om vanuit een superieure positie aan alle andere werelddelen zijn commerciële en juridische regels op te leggen. Waley bezorgt ons veel nieuwe invalshoeken. Ze geeft niet enkel een keurig historisch overzicht, maar ze vertelt daarbij ook leuke verhalen over misgelopen contacten tussen Oost en West. Ze hoopt een aantal vooroordelen en stereotiepen op te ruimen. Ze richt zich
niet enkel tot sinologen en specialisten in Europees imperialisme, maar ook tot politici en zakenlui en tot iedereen die geïnteresseerd is in en gefascineerd door China.

Een paar aanmerkingen: de houding van de Chinese overheden tegenover de katholieken was wel ongewoon hard, zoals we straks zullen zien bij Richard Madsen; de Vlaamse franciscaan Willem van Rubroek, die in de 13e eeuw naar China trok, is blijkbaar niet bekend bij Waley; zij spreekt telkens over keizers en dynastieën, maar een overzichtelijke tabel hiervan ontbreekt, zoals in de meeste boeken. Gelukkig vind je ze in veelvoud op het internet (bij Altavista, Ask Jeeves of Yahoo).

Onze “William of Rubruck" heeft meer geluk bij Jonathan Spence in zijn The Chan"s great continent. China in Western minds, één van de autoriteiten op het gebied van Chinese geschiedenis en zeker van de relaties met het westen. Niemand heeft er de laatste twee decennia zoveel over gepubliceerd: dit is minstens zijn twaalfde boek. Hierin laat hij 48 westerlingen aan het woord, ongeveer van Willem van Rubroek tot Nixon en Kissinger, die tussen 1253 en 1985 in China verbleven of erover schreven. Spence tekent zo een mooi beeld van zeven eeuwen sinofilie en sinofobie en illustreert hoe die westerlingen soms meer hun eigen opvattingen openbaarden dan China te beschrijven.

De titel verwijst naar de Mongoolse Koeblai-Khan(1214 – 1279), die aan de macht was ten tijde van Marco Polo (1274 – 1291) en kort daarna in 1279 ten val kwam. Hij regeerde over heel China en was de kleinzoon van de beruchte Tsjingis Khan of “onwrikbare heerser" (1155 – 1227), die Noord-China en Centraal Azië veroverd had en daarbij zes à zeven miljoen mensen had omgebracht.

Maar vóór Marco Polo was onze minder bekende Willem van Rubroek in 1253 al uitgezonden naar de grote khan in de Mongoolse hoofdstad Karakoroem, ten noordwesten van de Chinese grens, door koning Lodewijk IX van Frankrijk, in een poging van koning en paus om khan Möngke te winnen voor de christelijke zaak tegen de Islam. Willem was een Vlaming, maar Rubroek ligt sinds de annexaties van Lodewijk XIV in Frans-Vlaanderen; in Willems tijd was Vlaanderen een leen van de Franse koning, zoals we weten uit onze Guldensporenslag (1302). Hoewel Willem niet in China zelf geraakte, noteerde hij in Karakoroem alle
gegevens die daar over de Chinezen bekend waren.

Spence en Wood baseren zich voor Willem op de Londense editie van zijn geschriften; in 1990 publiceerden Peter Jackson en David Morgan “The mission of friar William of Rubruck: his journey tot the court of the Great Khan Mongke, 1253 – 1255" (p. 243).

Marco Polo blijft ook hier fascineren: zoals Frances Wood met zijn Did Marco Polo go to China?, vraagt Spence zich af (p. 11) hoe het mogelijk is dat iemand die wellicht zeventien jaar ginds verbleef, nergens spreekt over de grote Muur, de nationale drank thee, het porselein waarin hij opgediend wordt, kalligrafie, de visvangst met zeeraven of aalscholvers (zie Coos Dam, nr. 28), het inbinden van de voeten van vrouwen (een gewoonte die sinds 1912 bij wet verboden werd). Gelukkig beschrijft hij (p. 12) andere aspecten in detail, zodat we hem het voordeel van de twijfel gunnen: de graanschuren van de staat, het gebruik van steenkool als brandstof, de fabricatie en de functie van papieren geld, de technieken om de prijzen in toom te houden, de omvang van het grote bordeel van Peking en de ligging buiten de stadswallen, de openbare baden, de pasta"s die hij vermoedelijk meebracht naar Italië en die wij nu kennen als “Italiaans".
Wood twijfelt ook hier (p. 77): nam hij spaghetti mee naar China of bracht hij “jiaozi", ijsroom en ravioli mee naar Italië ? Italië en China zijn allebei even trots op hun culinaire erfenis en eisen allebei de eer voor zich op.
In de complete monografie van Frances Wood staan meer argumenten tegen dan voor Polo"s verblijf in China. Voor onze Willem van Rubroek heeft ze meer waardering. Haar boek is wel zeer boeiend om te lezen. Maar laten we hopen dat ze voor Marco Polo ongelijk heeft. Polo"s geschriften werden gedrukt in 1485 en Columbus was zeer onder de indruk van de commerciële mogelijkheden die Polo voorspiegelde(p. 17). Hij maakte zelfs een honderdtal aantekeningen in de marges van zijn eigen exemplaar, o.a. bij de “gastvrijheid" van de Chinese mannen die hun vrouwen en dochters aanboden aan reizigers (18).

Selectiviteit was geen privilege van Polo: latere bezoekers, zoals de Portugees Pereira (p. 20- 24; 1553 e.v.) creëerden het beeld van de wrede Chinees: de beschrijving van zijn verblijf in de gevangenis, de ongenadige folteringen die hij daar onderging. Maar Pereira vertelde ook vol bewondering over de zorg van de overheid voor blinden, zieken en lammen, de afwezigheid van bedelaars (toen, nu niet meer helaas), de visvangst met getemde vogels, het ophalen van de menselijke en dierlijke nachtemmers en “mest" uit de steden om de velden vruchtbaar te houden en vooral de gewoonte om met twee stokjes te eten, wat toen een bewijs was van meer hygiëne dan de eetgewoonten hier in Europa. We zouden zo kunnen verder gaan met citaten en pittige anekdoten uit alle reisverslagen. Het eerste dat op hoog niveau stond, was dat van de jezuïet Matteo Ricci (1552 / 1583 – 1610). Hij opende de eerste missie, leefde en bekeerde het langst te midden van de Chinezen, had veel respect voor Confucius (p. 33), ergerde zich aan homo"s en aan de “40.000" prostituees in Peking (p. 35), het dubbele van Polo"s cijfer. Maar veel belangrijker dan al deze pittige details is dat dank zij Ricci en andere jezuïeten er een uitwisseling van kennis en techniek op gang kwam, waarvan vooral de Chinezen gebruik maakten (p. 32 – 33): ze namen van het westen van alles over, o.a. geheugentechnieken(hierover schreef Spence al een apart boek in 1984), aardrijkskunde en astronomie, kinine, kanonnen gieten, het perspectief. Onbegrijpelijk en jammer voor ons is dat Verbiest hier ontbreekt, terwijl zoveel mindere goden wel geciteerd worden.

Spence kon nochtans een beroep doen op een schitterende, Engelstalige studie van Verbiestdeskundigen over hun groot voorbeeld. Ze verscheen al in 1994, o.l.v. John Witek het boek Ferdinand Verbiest (1623 – 1688): Jesuit missionary, scientist, engineer and diplomat. Ongeveer 25 essays belichten de veelzijdige prestaties van deze bijzonder begaafde man: hij was een autoriteit op het gebied van aardrijkskunde, cartografie, wiskunde en astronomie; in zijn “Astronomia Europaea"(1687) stelde hij een kalender op voor de Chinezen en voorspelde hij maan- en zonsverduisteringen; hij fabriceerde kanonnen, ontwierp op papier een auto, organiseerde een eerste Chinees- Russische conferentie over zijn briljant idee om een landweg aan te leggen van Peking via Moskou naar West-Europa; hij legde contacten tussen China en koning Jan III van Polen, hij probeerde de keizer en zijn entourage te winnen voor het katholicisme. Eén van de medewerkers, Jeroom Heyndrickx, vertelt dat de Chinezen wantrouwig werden en hem verdachten van spionage voor de Russen.
Het boek bevat tekeningen van alle instrumenten die Verbiest zelf uitvond of die hij in China importeerde. Daarbij horen ook een thermometer, vochtmeter, kanonnen en allerlei astronomische apparaten. Er staan ook foto"s bij van het observatorium in Peking. Deze afbeeldingen zijn zeker niet overbodig, want voor de rest is het taaie lectuur. Nog één detail: de familie Verbiest telde zeven kinderen, ze was eerder arm, maar zijn vader had een diploma van de universiteit van Dowaai / Douai (in het nabije Frans-Vlaanderen), hij was achtereenvolgens leraar Latijn, koster, baljuw, rechter, notaris, schepen, belastingontvanger! Ook de moeder was ver van ongeschoold.

Na zijn verhaal over de jezuïeten, laat Spence andere bekende westerlingen aan het woord: Leibniz, Montesquieu, Voltaire, Macartney. De eerste drie Verlichte filosofen hielden zich intens bezig met China-studies en correspondentie, ze lieten zich inspireren door het Chinese denken, maar brachten geen bezoek aan het land. Zij waardeerden de Chinese beschaving, maar vonden dat ze geen diepgang had. Macartney bracht, in opdracht van de Britse koning, een bekend bezoek aan keizer Qianlong, in diens prachtige zomertuinen in Jehol, het huidige Chengde, ten noorden van Beijing. Hij moest diplomatieke en commerciële betrekkingen aanknopen, maar hij mislukte, omdat hij de rituele buiging voor de keizer beschouwde als een vernederende knieval.
Bij die “kowtow" moest hij knielen en met het voorhoofd negen keer de grond raken (Florence EIJK, p. 229). Hij weigerde en de keizer sloot dan ook geen verdrag dat westerlingen toestemming gaf om handel te drijven. De kloof tussen oost en west was hier te groot. Spence vertelt ook over de China-cultus tijdens rococo en romantiek. Vanaf 1849 maakten de Amerikanen ook in eigen land kennis met de Chinese goudzoekers en rond 1890 maakten Chinatowns deel uit van vele Amerikaanse steden (p. 122). Deze Chinezen waren vaak het mikpunt van discriminatie en agressie. Bekende sinofielen of bezoekers van deze eeuw waren Paul Claudel, Ezra Pound, Pearl Buck, André Malraux, Karl Wittfogel, Jean Lévi, Richard Nixon en Henri Kissinger. En ook in deze eeuw waren er schrijvers die ginds geen voet aan wal zetten: Kafka en Calvino.

Spence besluit (p. 241 ) met de constatering dat westerlingen al eeuwen geboeid zijn door China en er meer over willen vernemen. Maar waarom dit zo is, blijft voor hem een mysterie. Misschien geldt dat ook voor ons als China-reizigers, tenzij we onze belangstelling motiveren met de Chinese culturele, wetenschappelijke en technische prestaties in het verleden, heden en wellicht nog meer in de toekomst. Het boek van Spence leest zeer prettig, het toont geregeld hoe de perceptie van de anderen vertekend wordt door vooroordelen en dat een eerlijke ontmoeting tussen gelijkwaardige partners niet vanzelfsprekend is. Het boek heeft een stevige kaft meegekregen, maar het papier is nog
gesneden op grootmoeders wijze en het mist kaarten, b.v. met de reisroutes van de getuigen en er ontbreekt ook een chronologische tabel met de namen van deze waarnemers naast de Chinese politieke context.

Vanuit het verleden maken we een sprongetje naar het net voorbije heden, te weten Hongkong of Xianggang. Sinds 30 juni 1997 rekenen we deze kleine draak weer bij China, waar het trouwens altijd bij gehoord heeft, zoals de Chinezen vriendelijk en terecht opmerken i.v.m. Hongkong, Macao en Taiwan. Ook Lukas De Vos deelt in Hongkong: van Brits baston tot Chinees bruggenhoofd die mening. Tot 2047 krijgt Hongkong nog een zekere mate van autonomie, uitgezonderd op het gebied van defensie en buitenlandse politiek. Hongkong is veel bekender en belangrijker dan Macao. De aftelklok op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing was in dit geval al gestart in dec. 1994 (p. 292). Eiland Hongkong, schiereiland Kowloeng (Kowloon) en de 200 eilandjes hebben een haven, drie luchthavens en een toonaangevende beurs. En economisch zijn deze 1.092 km² China belangrijker dan sommige provincies. Het aantal inwoners is 6,7 miljoen, onder wie 95 % Chinezen. Hun koopkracht ligt hoog ($ 26.800 of ruim 1 miljoen BF p.p.), hun werklust en productiviteit eveneens.

Lukas De Vos begint met een beeld van Hongkong in 1938: toen telde het minder dan één miljoen inwoners en leefde men vooral van de export van rijst, katoen, suiker, tabak (p. 9). Die hebben nu plaats gemaakt voor textiel, kleding, elektronica, speelgoed, plastic, horloges, klokken en toerisme. Het boek van De Vos leest als een sneltrein. Het handelt niet enkel over de geschiedenis, het bestuur, de maatschappij en het economisch belang van Hongkong, maar ook over de Chinese mentaliteit, cultuur, levenswijsheden, veranderende gewoonten, waarden, economische betrachtingen. De verteller maakt daarbij sprongen van het ene onderwerp naar het andere, in de tijd en in de ruimte, van oost naar west en omgekeerd. Je herkent hier de vlotte radiojournalist en de aangename voordrachtgever. Structuur zit er weinig in, een chronologisch overzicht ontbreekt eveneens. Maar anekdotes en onthullingen over gebeurtenissen in het verleden en over het leven van elke dag des te meer.

Het boek van Chris Patten East and West. The last governor of Hong Kong on power, freedom and the future is minder onderhoudend en meer dogmatisch. Als laatste gouverneur had de huidige Europese Commissaris voor externe betrekkingen de droevige eer het afscheid van de Britten te organiseren. Daarna nam hij een sabbatjaar om dit boek te schrijven, een uitgever te vinden (want HarperCollins en anderen verkozen bij de Chinese overheid in de gunst te blijven) en overal voorstellingen te geven. Patten beschouwt zijn geschrift niet als zijn memoires: dat laat hij over aan grote staatslieden; het is ook geen duplicaat van het dagboek dat hij ginds vijf jaar bijhield; het is zeker geen zoveelste ophemeling van de Aziatische tijgerdeugden, tijgerwaarden en tijgerwonderen; mogelijk is Patten zelfs niet gelukkig met de gewijzigde ondertitel in de Nederlandse vertaling; het is ook geen studieboek over de economie in Azië. Wat is het dan wel ? Een weergave van zijn kritische standpunten over de economische prestaties in Azië, een pleidooi voor niet enkel economische, maar ook politieke vrijheid, onverbloemde kritiek van een “liberale Tory" op de Chinese machthebbers en op de communistische partij, bewondering voor de Chinese cultuur, voor de moedige bevolking van Hongkong en ook voor de VS die in een groot deel van de wereld voor het behoud van de vrijheid zorgden.
Bewondering en kritiek wisselen mekaar doorlopend af: Patten heeft met name veel bedenkingen bij het onderwijs, dat er niet in slaagt voldoende mensen met talenkennis af te leveren; op de sociale huisvesting en op de gehandicaptenzorg, die beide quasi onbestaande zijn, net zoals een ziekte- en werkloosheidsverzekering.

De economische crisis die Azië trof toen zijn boek verscheen, leek zijn bedenkingen bij de economische prestaties te bevestigen. Hij beschouwt de Aziatische prestaties niet als een mythe of als een mirakel, maar gewoon zoals die van andere landen die de overgang maken van agrarisch naar industrieel en hij vindt dat het in Azië zo snel kon gaan dank zij de knappe technologie, maar ook dank zij de vrijhandel op de wereldmarkten, waardoor de Aziatische producten overal hun weg vonden. Maar wellicht is het nog te vroeg om al een definitief oordeel over te vormen over de veerkracht van de oosterse economieën. Patten ergert zich ook aan het gebrek aan democratie, aan het idee dat Aziaten daar minder behoefte aan zouden hebben dan wij, aan het feit dat de Europese regeringen China om economische redenen met zulke fluwelen handschoenen benaderen, terwijl de Chinezen onze markten en investeringen veel meer nodig hebben dan wij hen. Maar hij vergeet dat de Britten ook pas in de jaren "90 tijdens zijn bewind verkiezingen organiseerden. En de problemen op het gebied van huisvesting, drugs, milieu heeft hij ook niet kunnen wegwerken. De controversiële standpunten van Patten zullen bij de Chinese overheid niet in goede aarde vallen. Ze nodigen ons uit tot een bezinning over een systeem waar dollars belangrijker zijn geworden dan de sociale aspecten van een communistisch systeem en zeker dan de vrijheid van pers en van mening en waar westerse zenders alleen in de hotels te bekijken zijn. Maar in Hongkong is Peking tot dusver nog niet veel tussenbeide gekomen.

De Nederlandse vertaling is veel goedkoper, maar moet in andere opzichten de duimen leggen voor de originele editie: de foto"s van Patten met Thatcher, Major, Blair, Charles en Clinton zijn eruit gelaten; het register bevat minder toelichtingen; de kaft is veel minder stevig.

De recentste Hongkong-boeken zijn die van Tak-Wing Ngo, Hong Kong"s History. State and society under colonial rule en van Willem van Kemenade China, Hongkong, Taiwan B.V. Superstaat op zoek naar een nieuw systeem. De eerste doceert aan de universiteit van Leiden. Hij analyseert de koloniale geschiedenis van Hongkong, de samenwerking die er was tussen Chinezen en Britse overheersers, de manieren waarop de Chinezen gediscrimineerd en geïntimideerd werden, het verzet daartegen. Hij verzet zich vooral tegen de zienswijze dat de opgang van een vissershaventje naar een wereldstad te danken zou zijn aan het degelijke koloniale bestuur. Volgens de auteur ligt die verdienste niet bij de Britten, maar bij lokale bestuurselite, zakenlui, sociale activisten, flexibele arbeiders en bekwame vaklui. Hij toont ook aan hoe actief de Hongkong-Chinezen al sinds het begin van deze eeuw investeerden op het vasteland: de lijst met hun fabrieken (p. 124 – 125) is indrukwekkend.

Het boek van Willem van Kemenade is ruimer opgevat en bespreekt de economische macht van “Groot-China", te weten de tandem China - Hongkong - Taiwan. Het is een aangepaste en bijgewerkte versie van zijn boek uit 1996, maar minder luxueus en voor de helft van de prijs uitgegeven. Het is bijgewerkt in Peking en gaat tot 15 juli 1999. Van Kemenade is overtuigd van de grote toekomst die de China-vennootschap tegemoet gaat, na de eenmaking, waarbij de economische integratie die al heel vér staat, vooraf zal gaan aan de politieke hereniging. Het boek van deze NRC-correspondent heeft als voordeel dat het heel vlot leest en voor iedereen verstaanbaar is. Hij meent dat China een “derde weg" zal inslaan, nl. tussen marxisme en kapitalisme. Maar het zou wel eens kunnen dat de machtige kapitalistische investeerders uit Taiwan, Hongkong en elders de socialistische principes van voorzitter Jiang voorbij zullen rennen. In zijn eerste editie ging hij nog uit van de optimistische voorspellingen van de Wereldbank dat China al in 2010 de grootste economie van de wereld zou kunnen zijn. Hij situeert dit glorieus moment nu rond 2030 à 2040. Ter info: China stond in 1997 op de zevende plaats, met een BNP van $ 1055 miljard. De weg naar de absolute top is dus nog lang en de USA hebben genoeg veerkracht om hun hegemonie niet zomaar af te staan. Deze paperback is verschrikkelijk monotoon van uitzicht en als de auteur naar een tabel verwijst, staat die hier niet in maar in de vorige, luxueuzere editie.

We sluiten ons Hongkongverhaal af met een fotografisch verslag. De auteurs, architect Tim Nutt en Chris Bale (Hongkong. A moment in time), hebben blijkbaar de kritiek van Patten gelezen, want ze schenken voor elk verkocht exemplaar 50 HKD of ruim 15 % van de opbrengst aan bijzondere scholen voor gehandicapte kinderen in Hongkong. Voorbeeldig. De inhoud dan. Na een inleiding volgen fotosessies, verdeeld over tien thema"s, die telkens afgesloten worden met een interview met een betrokken persoon of een deskundige. We noemen enkele thema"s: de haven, festivals, markten, straten, burgerlijke bouwkunst, transport, sport, gezin en voeding, design en lifestyle, milieu en pollutie, het leven op straat, kleuren op straat. Het kleurrijke Hongkong is blijkbaar een dankbare locatie voor fotografen. Opvallend is vooral hun goede smaak, scherpe blik, aandacht voor kunst, tekenstudio"s en kunstenaars, hun kritische selectie, hun contacten met personen in elk milieu. Tussen de prenten van prachtige buildings, staan dus ook foto"s van armtierige krotwoningen, dakloze zwervers en andere mislukkelingen.

Bij de geïnterviewden horen een succesvolle tekenares, verder een briljante, viertalige zakenvrouw (Doris Lau) van wie het ouderlijk huis afgebroken werd om plaats te maken voor straten en pleinen en die vertelt over de woonomstandigheden: éénkamerwoningen van slechts 100 m² voor negen familieleden, keukentjes die gedeeld moeten worden door drie families en waarin 24 mensen om de beurt een bad moeten nemen en één WC moeten delen (p. 20); dit soort toestanden kom je ook in Beijing tegen en toch zijn die mensen altijd netjes gekleed op hun werk! Verder een architect (Chung), die zijn beklag doet over het winstbejag van bouwpromotoren, die niet in de fijne smaak van de architect geïnteresseerd zijn. Hij wil, met de huidige technologie en met de beste materialen, klassieke Chinese concepten met kalligrafische elementen erin op een moderne manier weergeven, maar de zakenlui kijken enkel naar het rendement. Een volgende gesprekspartner is sir David Akers-Jones, die vanaf 1957 de rijstvelden en de varkensboerderijen van de New Territories omvormde tot zeven nieuwe steden; soms treurt hij over het verlies van dat landschap, maar hij meent dat de balans van zijn werk toch positief is. Filmproducer Jackie Chan is enthousiast: Hongkong betekent “hard werken, hard spelen, geld verdienen, geld uitgeven, niets met mate. De veiligste plek ter wereld om te werken, te leven en van het leven te genieten is Hongkong". Wat hij teveel heeft, schenkt hij aan het “Jackie Chan Liefdadigheidsfonds".

We zouden kunnen verdergaan met getuigenissen van een gelukkige huismoeder, de voorzitter van de designervereniging, een politica, een beroepsmuzikant, een dame (Christine Fang) die aan drugs verslaafde prostituees probeert te heropvoeden en zich verder bezighoudt met arme immigranten uit China, verwaarloosde kinderen, jeugdbendes, vierdewereldgevallen. Dit laatste getuigenis was wel nodig, want anders zouden we een ongenuanceerd en eenzijdig positief beeld krijgen van het paradijselijke Hongkong.

Guangdong. Survey of a province undergoing rapid change is een succesverhaal van Y.M. Yeung en David K.Y. Chu over Guangdong of Kwantoeng. De hoofdstad van deze provincie is Guangzhou, beter bekend als Kanton. Een andere stad is Shenzhen (Sjenzen). Ligging: in het zuidoosten, vlak bij Hongkong en Macao. Op p. 5 staat een kaart, evenals in “An atlas of world affairs"(7b, p. 181). De oppervlakte bedraagt 177.901 km², bijna 6 x België, maar slechts 1,85 % van China. Het bezit de langste kustlijn van alle 22 provincies: 3.368 km, ruim 50 keer onze kust of 10,5 % van de Chinese kust. Aantal inwoners: 70 miljoen of 5,5 % van het totaal. De afstand van Peking tot Kanton bedraagt 2.300 km, wat nog maar bijna de helft van de langste afstand binnen China is.

Die afstand is niet het enige verschil tussen Beijing en Guangzhou: de Kantonezen, die soms wel eens vergeleken worden met de Antwerpenaars, hebben ook een andere spreektaal; ze hanteren wel hetzelfde geschrift; de keuken is ook anders: in Peking zegt men spottend dat Kantonezen alles opeten dat vier poten heeft, behalve een tafel, alles wat zwemt, behalve een onderzeeër en alles wat vliegt, behalve een vliegtuig. Wat niet betekent dat honden en katten in Peking veilig zijn. De blik van de Kantonezen was nooit gericht op de hoofdstad, maar vanaf hun lange kust keken ze naar de zee en naar het buitenland. Het zijn geboren handelaars, maar die indruk krijg je van veel Chinezen.

De welvaart van de provincie is van recente datum: in 1979 schakelde Deng over van een marxistische planeconomie naar een kapitalistische markteconomie. Blijkbaar apprecieerde Deng de successen van het nabije Hongkong en Macao. De Chinese overheid creëerde speciale economische zones (SEZ) rond Shenzhen (Sjenzen) bij Hongkong, rond Zhuhai (bij Macao) en rond Guangzhou dat verderop in het binnenland aan de drukbevaren Parelrivier ligt. Buitenlandse firma"s werden en worden aangelokt om daar te investeren. Bedrijven uit Hongkong, overzeese Chinezen, Europeanen en Amerikanen kwamen erop af met aanzienlijke bedragen. Vissersdorpjes, boerderijtjes en rijstvelden moesten plaats maken voor fabrieken en torenflats. Door de immigratie vanuit het platteland kenden en kennen deze steden een explosieve groei.

Yeung, Chu en 24 andere deskundigen maakten een grondige studie van deze provincie. De eerste editie verscheen in 1994, de 2e herwerkte in 1997. De volgorde is wat vreemd: het historisch overzicht staat achteraan; de economie primeert ook hier dus. Alle denkbare aspecten komen aan bod: aardrijkskunde, economie, landbouw, bosbouw, energiebronnen, industrie, handel, diensten, bank- en financiewezen, mogelijkheden voor ondernemers, onderwijs, gezondheidszorg en de veranderende behoeften daarin, voorzieningen in de welzijnszorg, huisvesting, vervoer, communicatie, urbanisatie, wetgeving, mobiliteit van de bevolking of de nauwelijks in te dammen instroom van Chinezen uit andere provincies en de interne migratie van arme Kantonezen naar de rijkere steden. Elk hoofdstuk begint met een inleiding en eindigt met een samenvatting. Grafieken en tabellen illustreren de uiteenzettingen. De onderdelen onderwijs, gezondheidszorg en welzijnswerk tonen dat de bevolking hier een veel grotere graad van bescherming en zekerheid geniet dan in het naburige Hongkong, dat voor de rest wel als model fungeerde. Deze studie is veelzijdig en toch homogeen: de auteurs vormen een voorbeeldig team, ze gaan op dezelfde manier te werk, de gebruiken uniforme illustraties en spreken elkaar niet tegen. Nogal wat mensen kunnen dit boek gebruiken: kandidaat-investeerders, regeringen die hun land hogerop willen helpen, organisaties voor ontwikkelingshulp die dit succesvol model naar elders willen overplanten.

De economische revolutie die in grote delen van China plaats vond tijdens de laatste twintig jaar, kon niet zonder gevolgen blijven. Eén ervan wordt beschreven door Deborah Davis in The consumer revolution in urban China. Deze sociologieprofessor van Yale is vooral gespecialiseerd in het gezinsleven van de Chinezen. Samen met dertien andere sinologen, bestudeert ze de wijzigingen in het consumptiepatroon, het koopgedrag, de inrichting van het interieur bij mensen die decennialang tevreden moesten zijn met het uiterste minimum en die sinds de decollectivisatie, de aanmoediging van het private ondernemerschap en de fors toegenomen buitenlandse handel enorme sprongen voorwaarts hebben gemaakt. De Chinese gezinnen en individuen die hier gepresenteerd worden, zijn natuurlijk diegenen die met succes zaken hebben gedaan en nu relatief luxueuze huizen hebben, bruiloften vieren in lange witte kleren, naar McDonald"s en naar disco"s kunnen gaan, bowling spelen en zich andere zaken kunnen veroorloven die hier bij ons normaal zijn, maar ginds voorlopig nog bestemd voor een minderheid van happy few.

De topklasse van het materiële succes wordt geportretteerd door Margaret Pearson in China"s new business elite. The political consequences of economic reform. De nieuwe zakenlui werken in joint ventures samen met westerse investeerders en hun salarissen zijn naar Chinese normen zo hoog dat ze een nieuwe elite zijn gaan vormen. Volgens Pearson werken ze harmonieus samen met de politieke klasse en zijn ze, in tegenstelling tot wat westerlingen denken of hopen, niet de voorhoede van een politieke democratisering, maar een onderdeel van een systeem dat bewust door de staat in het leven is geroepen om te zorgen dat de economische vooruitgang niet zal leiden tot meer democratie. Laten we hopen dat de schrijfster op termijn ongelijk krijgt. Haar getuigenis steunt op vele interviews met toonaangevende zakenlui en op een stevige lijst van geraadpleegde bronnen (p. 175 – 194).

Joanna Waley-Cohen, The sextants of Beijing. Global currents in Chinese history. Uitg. Norton, New York / London, 1999. XIII + 322 p.; kaarten, noten, lit., reg.; $ 24,95 / 23,54 €; ISBN 0 – 393 – 04693 – 1.

Jonathan Spence, The Chan"s great continent. China in Western minds. Uitg. Norton, New York / London, 1999. XVIII + 279 p.; noten, lit., index; $ 27,50 / 25,94 €; ISBN 0 – 393 – 02747 – 3.
Het grote continent van de Khan. China in de westerse verbeelding. Uitg. Singel 262, Antwerpen, 2.000. 280 p.; noten, lit., index; 990 BF / 24,55 €; ISBN 90 - 234 – 3907- 4.

Frances Wood, Did Marco Polo go to China? Uitg. Martin Secker & Warburg / Westview Press, London / Boulder, 1996. XII + 188 p.; kaarten, stamboom, noten, lit., reg.; $ 20 / 18,87 €; ISBN 0 – 8133 – 8998 – 4.

John Witek e.a., Ferdinand Verbiest (1623 – 1688): Jesuit missionary, scientist, engineer and diplomat. Uitgeverij Steyler Verlag, Nettetal / Ferdinand Verbieststichting, Leuven, 1994. 602 p.; afk., ill.; tab., bibl., index; 120 DM / 1680 BF / 41,65 €; ISBN 3 – 8050 – 0328- 5.

Prof. Ulrich Libbracht, Ferdinand Verbiest (1623 – 1688). Een Vlaamse zendeling aan het Chinese hof. Uitg. Kredietbank / Ferdinand Verbieststichting, Leuven, 1988. 64 p.; 150 BF / 3,72 €.

Lukas De Vos, Hongkong: van Brits baston tot Chinees bruggenhoofd. Uitg. Globe / Scoop, Gent, 1997. 304 p.; kaart, lit., reg.; 725 BF / 17,97 €; ISBN 90- 5312- 086 – 6.

Christopher Patten, East and West. The last governor of Hong Kong on power, freedom and the future. Uitg. Macmillan, London; Exhibitions International, Leuven, 1998. 342 p.; foto"s, reg.; £ 22,50 / 34,09; ISBN 0 – 333 – 74787 – 9.
Oost en West. De laatste Britse gouverneur van Hongkong over de mythe van het Aziatische economische wonder. Uitg. Spectrum, Utrecht / Standaard, Antwerpen, 1998. 336 p.; reg.; 797 BF / 19,71 €;ISBN 90 – 274 – 6391 – 3.

Tak-Wing Ngo, Hong Kong"s History. State and society under colonial rule. Uitg. Routledge, London / New York, 1999. XII + 205 p.; tab., lit., reg.; hb: £ 55 / 83,33 €; ISBN 0 – 415 – 20305 – 8; pb: £ 16,99 / 25,74 €; ISBN 0 – 415 – 20868 – 8.

Willem van Kemenade, China, Hongkong, Taiwan B.V. Superstaat op zoek naar een nieuw systeem. Uitg. Olympus, A"dam; Veen, Antwerpen, 1999. XI + 422 p.; lit., reg.; 600 BF / 14,87 €; ISBN 90 – 254 – 9964 – 3.

Tim Nutt & Chris Bale, Hongkong. A moment in time. Uitg. The Chinese University Press, Hong Kong, 1997.114 p.; foto"s; $ 42 / 325 HKD / 39,62 €; ISBN 962 – 201 – 772 – X.

Y.M. Yeung – David K.Y. Chu, Guangdong. Survey of a province undergoing rapid change. Uitg. The Chinese University Press, Hong Kong, 1994(1ste), 1998. XVIII + 536 p.; foto"s, tab., graf., noten, lit., reg.; $ 52 / 4O5 HKD / 50 €; ISBN 962 – 201 – 769 – X.

Andrew Boyd, An atlas of world affairs. Uitg. Routledge, London / New York, 1998 (10e ed.). 252 p.; kaarten, tab.; £ 45 / 68,20 €; ISBN 0 – 415 – 10670 – 2.

Deborah Davis, The consumer revolution in urban China. Uitg. University of California Press, Berkeley, 1999. 399 p.; foto"s, tab., reg.; hb: $ 55 / 52,88 €; ISBN0 – 520 - 21639 – 3; pb: $ 22 / 21,15 €; ISBN 0 – 520 – 21640 – 7.

Margaret Pearson, China"s new business elite. The political consequences of economic reform. Uitg. University of California Press, Berkeley, 1999. X + 207 p.; tab., bibl., index; $ 17,95 / 17,26 €; ISBN 0 – 520 – 21933 – 3.
Bericht geplaatst in: boekrecensie