CHINA: 50 JAAR VOLKSREPUBLIEK. DEEL II

Geplaatst op 21 oktober 1999
De drie figuren die aan de basis liggen van de Chinese successen (en mislukkingen) en die het aangezicht van de volksrepubliek bepaald hebben zijn Mao, Deng en Jiang.
De drie figuren die aan de basis liggen van de Chinese successen (en mislukkingen) en die het aangezicht van de volksrepubliek bepaald hebben zijn Mao, Deng en Jiang. Over Mao verschenen recentelijk minstens twee biografieën. Zijn uitgeweken lijfarts Li Zhisui beschreef vooral zijn privé-leven (1893 – 1976) in The private life of Chairman Mao. Hoewel Li in hetzelfde comfortabele paleis Zhongnanhai woonde, met Mao ging zwemmen en alle officiële reizen mocht meemaken, naast hem op talloze foto"s mocht staan (p. 368 – 369), verjaardagen mocht meevieren, de nefaste Culturele Revolutie aankondigen etc., vertelt hij weinig positiefs over de grote roerganger: hij was vuil, een gewetensloze seksmaniak, vanuit zijn paradijselijke welvaart liet hij miljoenen mensen opsluiten in kampen (laogai), ombrengen of uithongeren en zeker tijdens de grote proletarische culturele revolutie(1966 – 1976) liet hij bovendien veel kunstschatten vernielen.

Het Rode Boekje. Citaten van voorzitter Mao Tse-Tung, een bundeling van notities en toespraken van Mao door zijn confrater Lin Piao, uitgegeven in 1966 als ogenschijnlijk vreedzaam bijbeltje, bood in die rampzalige jaren een alibi voor alle kwaadaardigheid die Rode Gardisten maar konden bedenken. Vele citaten zijn namelijk voor uiteenlopende interpretaties vatbaar. Het boekje is momenteel weer in en wordt op elke straathoek te koop aangeboden. In de meeste taxi"s hangt trouwens weer een portretje van Mao en zijn mausoleum zal langer meegaan dan dat van Lenin in Moskou en zeker dan dat van Georgi Dimitrov in Sofia. In 1988 week Li met zijn vrouw uit naar de USA, waar hij in 1994 op 74-jarige leeftijd overleed. Zijn biografie is aangevuld door Anne Thurston met interessante noten, een chronologie en korte biografieën van de belangrijkste Chinese politici uit het Mao-tijdperk. Daardoor is dit tegelijk een overzicht van veertig jaar Chinese geschiedenis. In die periode zouden dertig à vijftig miljoen mensen gestorven zijn in allerlei campagnes van de grote voorzitter: de strijd tegen het grootgrondbezit, de grote sprong voorwaarts en de culturele revolutie. De Nederlandse vertaling heeft de vorm van een sobere dubbelpocket; een steviger kaft zou niet overbodig zijn. Het verhaal is ook erg langdradig: een inkorting tot de helft zou het boek leesbaarder maken. Het portret van Chinaspecialist Jonathan Spence Mao is evenwichtiger, genuanceerder en vollediger. Het is ook afstandelijker en minder persoonlijk betrokken. Spence is ook voorzichtiger: China is nog altijd zijn voornaamste reisdoel, wat bij Li niet meer het geval was na zijn emigratie.

De man die de meeste pech had tijdens zijn leven, maar na zijn dood de beste beoordelingen kreeg, is Deng (1904 – 1997). Richard Evans schreef zijn biografie, bijna een hagiografie: Deng Xiaoping and the making of modern China. In 1920 – 1926 werkte hij bij Renault in Frankrijk en studeerde hij aan de universiteiten van Lyon en van Moskou, in 1934 – 1935 stapte dit kleine kereltje naast de grote, zware Mao in de “Lange Mars", nadien nam hij deel aan de oorlog tegen Japan (1937 – 1945) en aan de burgeroorlog tegen Tsjang Kai-Sjek (1945 – 1949). In 1949 werd hij lid van het Centraal Comité van de CCP, in 1956 secretaris-generaal en lid van het politbureau. De Culturele revolutie werd hem fataal: omdat hij pragmatisch was en deskundigheid verkoos boven revolutionair elan, werd deze “kapitalist met de stinkende naam" door de Rode Gardisten vernederd, uit al zijn functies ontzet en van 1968 tot 1973 uit Peking verbannen. Na zijn rehabilitatie in 1973, zette hij de “Vier moderniseringen" in (1975): landbouw, industrie, leger, onderwijs& wetenschappen. Een vijfde, nl. democratisering, vond hij en vindt zijn opvolger niet nodig. Zijn hervormingen waren de voorlopers van de geliberaliseerde economie. De “Bende van Vier" (Mao"s vrouw Jiang Qing en drie partijfunctionarissen Wang Hongwen, Yao Wenyuan en Zhang Chunqiao) kwam hiertegen in verzet en Deng moest opnieuw een stap opzij zetten. Maar na de dood van Mao (1976) werd hij gerehabiliteerd en werd de “Bende van Vier" gearresteerd.

Nadien volgde zijn levenswerk: de omvorming van zijn land tot een vrijemarkteconomie binnen een communistische éénpartijstaat.
Democratie is volgens Deng een overbodige luxe: om 1,2 miljard mensen dagelijks eten en huisvesting te geven, acht hij een dictatuur veel bruikbaarder. De bloedige onderdrukking van het oproer op Tiananmen (4 juni 1989) gebeurde met zijn goedkeuring; ook Evans tilt er niet zwaar aan en de meeste Chinezen met wie je nu spreekt, oordeelt er genuanceerd over: de studenten gingen te ver, de overheid gebruikte te grove middelen. Maar de huidige generatie begint er niet opnieuw aan: ze prefereren hun job, hun inkomen en hun status boven revolutionaire idealen. Evans heeft vooral oog voor Deng als weldoener van het volk en niet als onderdrukker van dissidenten.

Zijn opvolger en huidige sterke man is Jiang Zemin. Hij krijgt zijn lofzang van de Amerikaanse journalist Bruce in Gilley Tiger on the brink. Jiang Zemin and China"s New Elite. Hun eerste ontmoeting vond toevallig plaats in de toiletten van een de grote hal van het volk in Beijing (p. IX – X). Gilley wil bewijzen dat velen zich vergist hebben door Jiang te beschouwen als een onbelangrijke overgangsfiguur. Hij tekent zijn persoonlijkheid en tegelijk de veranderingen in China sinds 1989.

Jiang werd geboren op 17 augustus 1926 en werd in 1989 secretaris-generaal van de CCP en in 1993 ook nog president. Naar Chinese normen was hij dus vrij jong toen hij aan de macht kwam. Hij studeerde elektrotechniek in Sjanghai, was lid van de partij sinds 1946, werkte in 1955-1956 in de Stalin-autofabrieken in Moskou (p. 39 – 40), waar hij voor het eerst constateerde dat vrouwen even goede technici zijn als mannen. Maar hij kreeg vlug heimwee naar zijn vrouw en zijn twee zoontjes in Sjanghai. Daarna vervulde hij allerlei topfuncties in de industrie, kwam vanaf 1982 bij het Centraal Comité van de CCP, was burgemeester van Sjanghai in 1985 – 1989. Het grootschalig studentenprotest wist hij te counteren en als beloning voor zijn antipathiek kreeg hij de post van partijsecretaris. Hij was medeverantwoordelijk voor het bloedbad op Tiananmen, werd secretaris-generaal van de CCP en opvolger van Deng. De biografie van Gilley zou best wat kritischer mogen zijn en overzichtelijk is ze ook niet. Het geannoteerde register is bijna een noodzaak om de voornaamste wapenfeiten in het leven van Jiang terug te vinden. Het aantal gebruikte bronnen is bijzonder groot. De foto"s (p. 148 – 149) zijn beperkt tot de periode 1989 – 1997: Jiang zal zijn jeugd overgeslagen hebben.

Om straks positief te kunnen eindigen, bespreken we eerst enkele negatieve aspecten van de Chinese politiek en maatschappij. We bedoelen dan de werkkampen, de houding tegenover katholieken en andere godsdiensten, de militarisering. We beginnen met de werkkampen, waarvan Harry Wu na zijn 19 jaar dwangarbeid een schrijnend persoonlijk getuigenis aflegde.

James Seymour en Richard Andersen maakten er een gestructureerde studie over: New ghosts, old ghosts. Prisons and labor reform camps in China. Het boek begint met een citaat van Dong Maicang, algemeen directeur van de “RVA" in de provincie Qinghai (p. 264): “Elk land heeft zijn geheimen. Onze gevangenissen zijn ons geheim" (p. XIII). De werkkampen of laogai die hier bestudeerd worden, bevinden zich in drie weinig bevolkte noordwestelijke provincies, waar doorgaans bijna geen toeristen komen, hoewel het niet verboden is. Ook in het oosten liggen kampen, maar de auteurs vinden het een te grote opgave om alle laogai te bestuderen en door toeval hebben ze meer informatie gekregen over dat verre noordwesten (p. 8). Zij interviewden voormalige gevangenen en slaagden er ook in enkele afgelegen werkkampen aan de buitenkant te bekijken. Op kaarten duiden ze ook netjes de ligging aan en voor kandidaat-toeristen leggen ze zelfs de routes uit. Zij schrokken van de omvang van de kampen, de harde omstandigheden waarin er geleefd en gezwoegd wordt, de economische betekenis. Het industrieel en agrarisch rendement is dus in strijd met de theorie dat de heropvoeding primeert boven de productiviteit (p. 207 – 215). De gedetineerden zelf dan: een minderheid zit daar om politieke en religieuze redenen, de meerderheid wegens echte misdaden. Het percentage recidivisten, dat na de vrijlating hervalt, verschilt naargelang hun eigen voorgeschiedenis. De cijfers hierover zijn te uiteenlopend: van 4 tot 60 %.

Het wereldgemiddelde van het aantal gevangenen, bedraagt 105 per 100.000 inwoners. Volgens de Chinese autoriteiten is dat 107, volgens de auteurs 166 (p. 219). In de VS is dat 614. Seymour en Anderson denken dat het totaal momenteel lager ligt dan toen Harry Wu in 1985 een raming van 4 miljoen maakte; hij schatte het percentage “contrarevolutionairen" op 10 %. Wu denkt dat tussen 1949 en 1996 vijftig miljoen Chinezen terechtkwamen in het systeem en dat 20 à 25 miljoen niet terugkwamen (p. 219 + 295). Seymour en Anderson wagen zich niet aan een bevestiging of ontkenning van dit getal. Menig lezer zal zich verwonderd afvragen waar de auteurs zoveel tabellen, statistieken, schema"s, kaarten vandaan hebben gehaald. Ze geven een perfecte kijk op het systeem, het kampreglement, de specifieke terminologie, de manier waarop de Chinese overheid sommige “modelkampen" toont aan buitenlandse bezoekers of inspecteurs, de beperkte scrupules die vele Chinese ambtenaren hierover lijken te hebben. Als het thema niet zo grauw was, zouden we het een knappe studie noemen.

Een andere groep Chinezen, die we ook niet moeten benijden, zijn de ca. 10 miljoen katholieken. Eeuwenlang probeerden katholieke missionarissen voet aan wal te krijgen in China, maar de resultaten bleven beperkt. Van de Boksersopstand in 1899-1900 (p. 32) tot het meer pragmatische Deng-tijdperk in de jaren 1978 e.v. waren er meer periodes van vervolging dan van relatieve godsdienstvrijheid. Pas na Mao kon men enigszins herademen. Het aantal leden, dat in 1949 ongeveer drie miljoen bedroeg en in 1980 wellicht een beetje meer, groeide aan tot tien miljoen (p. 39, 137) of één procent van de bevolking die grotendeels ongelovig is. De aangroei vond plaats binnen de gemeenschappen die in 1949 ook al katholiek waren (p. 137). De protestantse kerken hadden nog meer succes: van minder dan één miljoen in 1949 stegen ze naar 20 miljoen vandaag (p. 137).

Richard Madsen (16), missionaris op Taiwan, waar de godsdienst ongehinderd kan floreren, bestudeerde vooral in de provincies Hebei en Tianjin ten zuidoosten van Beijing, waar de grootste concentratie van katholieken te vinden is en schreef het boek China"s catholics. Tragedy and hope in an emerging civil society. Hij beschrijft de geschiedenis van de kerk sinds de 16e eeuw, de rabiate anticommunistische houding in de jaren 1949 - 1952 (p. 35 – 37 ), de installatie van een nationale Chinese katholieke kerk in 1957 (p. 37), de aanduiding van bisschoppen zonder toestemming van Rome (p. 38), de vervolging tijdens de Culturele revolutie, toen alle kerken gesloten of verwoest werden, de verbeteringen sinds Deng en Jiang Zemin aan de macht kwamen. Hij onderzoekt welke aantrekkingskracht er uitgaat van het katholicisme, waarom de Chinese katholieken vromer zijn dan hun geloofsgenoten op Taiwan, hoe de relatie is tussen de kerkelijke en de politieke hiërarchie, hoe deze het Vaticaan op afstand houdt en hoe het “feodale en bureaucratische Vaticaan" (p. 43) reageert op de toestand in China.
De communistische leiders zijn niet gesteld op een pausbezoek: ze zijn nog altijd bang van een religieuze manifestatie die ze niet onder controle hebben. In de praktijk staan ze godsdienstbeleving toe, mits zij die zelf helemaal in handen hebben. Verder bekijkt Madsen hun onderlinge solidariteit en gemeenschapszin, hun moraal en spiritualiteit, hun roepingen en priesteropleiding, de relatie tussen katholieken en de burgerlijke maatschappij.

Blijkbaar lijden de katholieken meer onder de moderne welvaart dan onder de voorbije vervolgingen (p. 114 – 115 ): de opvoeding in atheïstische scholen, de beperkte catechese op zaterdag en zondag, het vele huiswerk dat ze meekrijgen op school, TV, video, ontspanningsmogelijkheden, de nieuwe doelstellingen van de volwassenen (geld, zaken doen, aandelen kopen ), het zijn allemaal factoren die de kerk minder aantrekkelijk maken en die in de Verbiest-koerier (sept. "99, p. 2 – 3 ) ook aangehaald worden als verklaring voor het groter aantal uittredingen. Madsen heeft het ook over de ondergrondse katholieken, die sinds 1989 naar het voorbeeld van de Oost-Europese kerken steeds vaker de confrontatie aangaat (p. 43 - 45) en een eigen leven leidt. Van hun bisschoppen en priesters zitten er een aantal in de cel (NRC, 22.03."99). De foto"s tonen ons een devote, preconciliaire kerk, die enkele decennia de contacten met de rest van de wereldkerk gemist heeft (p. 28). Er staan ook kapellen bij in privé-woningen en ook een Mariabasiliek in Donglu, die door de politie gesloten is (p. 92 – 93). Madsen maakt ook vergelijkingen met Taiwan en Hongkong, waar de kerk wel de gewenste vrijheden en faciliteiten heeft en via onderwijs en verenigingen meer impact heeft op de bevolking (p. 142 – 146). Ondanks de beperkte bewegingsruimte, laat de overheid hen meer betijen
dan b.v. de Falungong-sekte van Li Hongzhi, die sinds 1992 steeds vaker het nieuws haalde met een mengsel van boeddhisme, taoïsme en opvallende ademhalingsoefeningen in het openbaar. De Chinese overheid maakte er komaf mee in de zomer van 1999. Het boek van Madsen is voorzien van noten en literatuur. Wat ontbreekt, is een profiel van de kerkganger: zijn positie in de maatschappij, de problemen die hij eventueel heeft om carrière te maken. Voor de rest is het een verhelderende studie.

Over die Chinese katholieken handelen ook een paar boeken van onze Ferdinand Verbieststichting: Historiography of the Chinese Catholic Church: nineteenth and twentieth centuries is samengesteld door Jeroom Heyndrickx en bevat een vijftigtal bijdragen over thema"s uit de geschiedenis van de Chinese katholieke kerk in de 19e en 20e eeuw. Het gaat zowel over personen als over de vorming van priesters en kloosterzusters, congregaties en andere instellingen. Ze richt zich tot een publiek van deskundigen.

Zhongguo tianzhujiao zhinan. Guide to the Catholic Church in China is het “jaarboek" van de katholieke kerk in China, dat om de drie à vier jaar de stand van zaken weergeeft in het Chinees en gelukkig ook in het Engels. Vier thema"s krijgen speciale aandacht: A) de wijding van ruim 600 jonge priesters en honderden zusters. In vele bisdommen zijn de jonge priesters nu in de meerderheid, maar ze werken samen met priesters die bijna een halve eeuw ouder zijn dan zij. Want in die tussenperiode was de vervolging te groot. Die jonge generatie moet opboksen tegen de uitdagingen en de aantrekkingskracht van een snel veranderende maatschappij, die enkel belang hecht aan geld verdienen en andere materiële statussymbolen. Ook Madsen signaleert dit fenomeen en bij ons is het al decennia bekend. B) Op dit moment (1997 dus ) zijn bijna 5.000 gebedshuizen toegankelijk voor het publiek, maar de restauratie of nieuwbouw gebeurt zonder staatstussenkomst. Meestal zijn het initiatieven van katholieke dorpsbewoners, die in hun vrije tijd eraan werken en met geld van over zee bouwmateriaal aankopen. Maar er zijn meer kerkjes dan priesters. Eén priester bezoekt vele parochies. Er is dus nood aan de opleiding van zusters en catechisten. C) Bedevaarten en pelgrimstochten hebben veel aanhangers onder arme boeren en vissers, die zeer standvastig zijn in het geloof van hun voorouders. In het verleden werd het katholicisme dikwijls gebrandmerkt als een “vreemde godsdienst", maar bij deze mensen vallen vooral de Chinese wortels en de Chinese kenmerken op, die dan nog verschillen van streek tot streek. D) In de Chinese kerk begint de geest van het tweede Vaticaans concilie eindelijk vaste vorm aan te nemen. Theologen, kenners van de liturgie en godsdienstleraren van over zee kwamen als gastdocenten naar zes seminaries, om de vernieuwing te ondersteunen. En een honderdtal priesters, seminaristen en zusters mochten over zee theologie gaan studeren. De tolerantie van de overheid neemt dus toe.

Het boek valt op door zijn lange lijsten en eindeloze statistieken: 73 bisschoppen die erkend zijn door de Chinese overheid (p. 3 – 7 ); 42 niet-erkende bisschoppen (7 –9 ), die ook met naam en woonplaats genoemd worden; 138 bisdommen; 1.500 priesters, 1.000 officiële en ca. 500 niet-officiële seminaristen; 2.000 zusters: meestal jonge en 1.000 in opleiding; 5.000 kerken en kapellen. Elk van die 138 bisdommen krijgt dan nog eens zijn eigen profiel. Ook de protestantse kerk wordt geportretteerd (p. 19): 14 miljoen leden, dus 4 miljoen meer dan de katholieke; 7.000 kerken, 1400 pastores, onder wie 1400 vrouwen. We zouden zo nog even kunnen doorgaan.

Over naar een minder vreedzaam onderwerp, het Chinese leger. Als toerist kun je er niet naast kijken: het is duidelijk aanwezig in het straatbeeld, buiten de stad rijden genoeg vrachtwagens rond die goed geladen zijn met soldaten, maar het bezorgt je eerder een gevoel van veiligheid dan dat het indruk maakt door zijn slagkracht. Lane Chinese military modernization en Bernstein The coming conflict with China denken evenwel anders over de PLA of People"s Liberation Army. Het trio Lane – Weisenbloom – Liu en defensiespecialisten uit Israël, Japan, Zuid-Korea, Zweden, Engeland en andere landen komen sinds 1990 jaarlijks bij elkaar om de evolutie van het Chinese leger te bestuderen. Ze letten dan op de strategie, opleiding, getalsterkte, technische vooruitgang, economische rol van het militair-industrieel complex, uitstraling van opperbevelhebber Jiang Zemin, rol van de strijdkrachten in de toekomstige supermacht China, hun invloed op de buitenlandse politiek. Het opzet is ambitieus, de uitwerking ook. Zo proberen ze duizend jaar Chinese krijgskunde samen te ballen in één hoofdstuk, de evolutie weer te geven van het Volksbevrijdingsleger sinds 1935, de legersterkte te vergelijken met die van Taiwan, Vietnam, Japan, Zuid-Korea, Indonesië (p. 113 – 116). Ze tonen ook hoe de Chinezen de militaire theorieën van Clausewitz (p. 54 – 69) integreerde in hun eigen opvattingen.

Interessant voor leken zijn ook de beschrijving van de Sovjet- Unie / Rusland als bedreiging (p. 75 ) én als leverancier van wapens (79 – 80 ), de opsomming van de zwakke plekken (p. 88) en van de economische criminaliteit of corruptie van topmilitairen (188 ), de gespannen relatie met Taiwan en met de USA.
De algemene teneur is dat we nauwlettend moeten toezien, maar ons zeker nog niet ongerust maken over de slagkracht of de bedreiging van het grootste leger ter wereld. De auteurs beschouwen Taiwan en de Spratly-eilanden als de enige mogelijke conflictzones van dit moment. Verschillende staten maken geheel of gedeeltelijke aanspraken op de Spratly-archipel; we citeren ze in afnemende volgorde: China, Vietnam, Taiwan, Maleisië, de Filippijnen, Brunei(89). Een zwak punt is het ontbreken van data en eeuwen in het historisch overzicht (18 – 53). We missen ook een overzichtelijke tabel van de oorlogen en conflicten waarin China sinds 1949 betrokken was, een lijstje of kaartje met de gebieden die Rusland in de vorige eeuw afgepakt heeft en de Chinese kijk op het zwakke en dun bevolkte buurland Mongolië.

Het boek van Bernstein en Munro is één grote alarmkreet. Wie dit gelezen heeft, kan niet meer zeggen dat hij het gele gevaar niet kent. De auteurs beschouwen China en de USA als de twee overblijvende wereldmachten, die allebei naar suprematie streven, die wederzijds belang hebben bij economische samenwerking, maar bijna onvermijdelijk op een militaire confrontatie afstevenen. Wrijvingspunten daarbij zijn: de kritiek op de schending van de mensenrechten en op de behandeling van de Tibetanen, de Amerikaanse gastvrijheid tegenover de Dalai Lama en de president van Taiwan, de verkoop van wapensystemen of van technologie aan mekaars “vijanden" (resp. Taiwan, Vietnam, Japan / Irak, Iran, Pakistan, Algerije, Libië), de verschillende standpunten in verband met Servië, Indonesië; de obstructie tegen het toekennen van de Olympische Spelen van 2000 aan Beijing en tegen het lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie. Soms komt daar nog een incident bij, zoals de Amerikaanse vernieling van de Chinese ambassade in Belgrado, die momenteel in China op T-shirts afgebeeld en verkocht wordt. De auteurs waarschuwen Taiwan, Japan en hun eigen land met de woorden van Napoleon: “When China awakes, it will shake the world" (203).

Hun conclusies (202 – 221) zijn dan weer genuanceerder en milder dan je zou verwachten: de USA moeten wedijveren met China, maar dan op basis van gelijkheid, door te letten op hun eigen nationale belangen, zonder aan China allerlei importvoordelen toe te kennen. Ross en Munro verwerpen zowel de containment of confrontatie als de soepele samenwerking, waarbij de toegevingen altijd van één kant komen, nl. van de nobele maar naïeve Amerikaan. Essentieel is ook dat Japan (166 – 185) met Amerikaanse hulp een sterker tegengewicht vormt tegen China en tegen een in de toekomst herenigd Korea.
De Amerikanen moeten niet streven naar een zwak en arm China, maar naar een stabiel en democratisch (p. 204), dat het machtsevenwicht in Azië niet verstoort, zich houdt aan de non-proliferatieakkoorden en op economisch vlak zijn grenzen opent voor producten van elders en de wetgeving op namaak van computers, compact disks en eindeloos veel merkartikelen ook naleeft. Momenteel kan elke toerist in China alle westerse producten in namaakversie voor een prikje kopen. Bovendien worden vele producten nagemaakt in fabrieken waarvan de eigenaar het Chinese leger is (p. 206). En het handelsoverschot van China met de USA is, dank zij het toegestane protectionisme, zo groot dat het overal ter wereld er wapens mee kan kopen. De zwakke kant in het betoog van Ross en Munro is dat ze over Taiwan, Tibet, mensenrechten en economische aspecten redeneren vanuit onze westerse logica en prioriteiten, dat de Chinezen daar dikwijls geen boodschap aan hebben en dat zoveel andere westerse landen met minder scrupules staan te springen om hun economische samenwerking met China op te drijven als de Amerikanen ergens een stap terug zetten.

Een boek dat enigszins aanleunt bij de conclusies van Ross, maar minder strijdbaar te werk gaat en de nadruk meer legt op economie en politiek, is dat van Daniel Burstein en Arne de Keijzer: China. Economische en politieke kansen. De invloed van China op bedrijfsleven, economie en politiek. Beiden zijn beroepshalve adviseurs voor China-investeerders. Zij beklemtonen het quasi eindeloze potentieel van China voor het bedrijfsleven. Maar ze wijzen de zakenlui en de politici erop dat China nog lang niet evolueert naar een liberale, democratische maatschappij zoals zij dat wensen of dromen. De economische vrijheid verschilt sterk van de politieke en maatschappelijke. Pers en media gaan nog zeer selectief te werk en informatie uit het westen is slechts voor een klein clubje partijgetrouwen toegankelijk. Dat blijkt vooral uit de gesprekken met Chinese politici en nog meer uit de getuigenissen van dissidenten. De adviezen van de auteurs zijn praktisch bruikbaar en volgen de actuele ontwikkelingen op de voet. Hun boek leest ook zeer vlot, dank zij de overzichtelijke bladspiegel en de aantrekkelijke citaten en wijze uitspraken die in een vetter lettertype in de marge van vele pagina"s afgedrukt zijn.

Met sport, kunst, film en toerisme begeven we ons weer op het pad van de vrede.

Wie van Chinese kunst houdt of er eens mee wil kennismaken, kan terecht bij Michael Sullivans Art and artists of twentieth-century China, Oxford-specialist in Aziatische kunst. In 1996 beschreef hij de hedendaagse Chinese kunst en kunstenaars The Arts of China. Typerend hierbij is dat zij typisch Aziatische kenmerken vertoonden tot 1949; dan volgde de communistische revolutie met de verplichting om zoveel mogelijk het socialistisch realisme toe te passen. De laatste jaren gunt de overheid ook aan de artiesten weer wat meer vrijheden, met als gevolg dat de saaie uniformiteit van de jaren "50 – "80 plaats maakt voor meer creativiteit en verbeelding. Zijn handboek van de Chinese kunst begint met de prehistorie en reikt tot ca. 1990. Het overkoepelt meer dan drieduizend jaar artistieke expressie. Het verscheen voor het eerst in 1984. Het is nu aan zijn vierde, herziene en uitgebreide editie toe. De archeologische opgravingen van de jaren "80 – "90 maakten het Sullivan mogelijk ook van de prehistorie en de oude Chinese culturen een correcter beeld te scheppen. Anderzijds maakte de opening van China naar de buitenwereld toe een explosie van hedendaagse Chinese kunst mogelijk. Sullivan richt zich zowel tot deskundigen als tot een groot publiek. Zijn vlotte stijl, zijn beschrijving van de politieke, religieuze, maatschappelijke en filosofische context waarin de kunstwerken ontstonden, de 164 kleurenillustraties en de 224 zwart-wit foto"s dragen ertoe bij dat velen dit werk aan kunnen. Zijn boek is wereldwijd de meest gelezen inleiding in de geschiedenis van de Chinese kunst.

Jef Abbeel juli – okt. "99.


Li Zhisui, The private life of Chairman Mao. Uitg. Random House, New York; Exhibitions International, Leuven, 1994. XXII + 684 p.; kaarten, tab., foto"s, noten, chron., reg.; $ 30 / 28,85 €; ISBN 0 – 679 – 76443 – 7.
Het privé-leven van Mao. Uitg. Maarten Muntinga, A"dam / Kritak, Leuven, 1995. 982 p.; kaarten, foto"s, schema"s, chronologie, biografieën; fl. 25 / 498 BF / 12,14 €; ISBN 90 – 417 – 0088 – 9.

Lin Piao e.a., Het Rode Boekje. Citaten van voorzitter Mao Tse-Tung. Uitgeverij Foreign Languages Press, Beijing, 1996.

Jonathan Spence, Mao. Uitg. Weidenfeld London; Exhibitions International, Leuven, 1999. 216 p.; ISBN 0 - 297 – 64347 - 9.

Richard Evans, Deng Xiaoping and the making of modern China. Uitg. Hamish Hamilton, London; Exhibitions International, Leuven, 1993. 339 p.; 22 £ / 33 €.

Bruce Gilley, Tiger on the brink. Jiang Zemin and China"s New Elite. Uitg. University of California Press, Berkeley, 1998. XI + 396 p.; foto"s, afk., noten, bibl., reg.; $ 29,95 / 28,80 €; ISBN 0 – 520 – 21395 – 5.

James Seymour & Richard Anderson, New ghosts, old ghosts. Prisons and labor reform camps in China. Uitg. M.E. Sharpe, Armonk / New York, 1998. XVII + 313 p.; kaarten, tab., schema"s, noten, lit., reg.; $ 39,95 / 38,41 €; ISBN 0 – 7656 – 0097 – 8.

Richard Madsen, China"s catholics. Tragedy and hope in an emerging civil society. Uitg. University of California Press, Berkeley, 1998. XIII + 183 p.; foto"s, kaarten, noten, lit., reg.; $ 27,50 / 26,44 €; ISBN 0 – 520 – 21326 – 2.

Jeroom Heyndrikx e.a., Historiography of the Chinese Catholic Church: nineteenth and twentieth centuries. Uitg. Ferdinand Verbieststichting, Leuven, 1994.
511 p.; ill.; 1400 BF / 34,70 €; ISBN 90 – 801833 – 2 – 6.

Jean Charbonnier, Zhongguo tianzhujiao zhinan. Guide to the Catholic Church in China. Uitg. China Catholic Communication, Singapore / Ferdinand Verbieststichting, Leuven, 1997. 559 p.; foto"s, tab., afk., stat., kaarten, stadsplannen, reg.; 800 BF / 19,83 €; ISBN 981 – 00 – 8918 – X.

Dennison Lane - Mark Weisenbloom - Dimon Liu, Chinese military modernization. Uitg. The American Enterprise Institute Press, Washington, 1996. XII + 298 p.; noten,tab., lit., reg.;40 $ / 38,46 €; ISBN 0 – 8447 – 3946 – 4.

Richard Bernstein -Ross Munro, The coming conflict with China. Uitg. Knopf, New York; Exhibitions International, Leuven, 1997. 242 p.; noten, lit., reg.; $ 23 / 22,11 €; ISBN 0 – 679 – 45463 – 2.

Daniel Burstein – Arne de Keijzer, China. Economische en politieke kansen. De invloed van China op bedrijfsleven, economie en politiek. Uitg. Contact / Veen, A"dam / Antwerpen, 1999. 416 p.; tek., noten, reg.; fl. 79,90 / 1590 BF; 39,42 €; ISBN 90 – 254 – 9673 – 3.

Vert. van: Big Dragon. The future of China: what it means for business, the economy, and the global order. Uitg. Touchstone / Simon & Schuster, New York, 1998. XVIII + 404 p.; noten, reg.; Pb: £ 9,99 / 15,14 €; ISBN 0 – 684 – 853 66 – 3.

Michael Sullivan, Art and artists of twentieth-century China. Uitg. University of California Press, Berkeley, 1996. Foto"s; £ 46 / 71,88 €; ISBN 0 – 520 – 07556 – 0.
The Arts of China. Uitg. University of California Press, Berkeley, 1999. 340 p.; afb., foto"s, kaarten; hb: £ 37/ $ 60 / 57,81 €; ISBN 0 – 520 – 21876- 0. pb: £ 21,50 / $ 35 / 33,60 €; ISBN 0 – 520–21877–9.



Bericht geplaatst in: boekrecensie