NIEUW BABYLON IN AANBOUW

Geplaatst op 1 januari 2005
De Bijbel ziet in Babylon de verpersoonlijking van het kwaad, “een verblijfplaats van demonen, een toevluchtsoord voor allerlei duivelse geesten, een nest van alle soorten onreine en verachtelijke vogels”. Deze confessionele invulling van het begrip Babylon blijkt echter niet de invulling te zijn waar Kennedy aan refereert in zijn titel.
De Bijbel ziet in Babylon de verpersoonlijking van het kwaad, “een verblijfplaats van demonen, een toevluchtsoord voor allerlei duivelse geesten, een nest van alle soorten onreine en verachtelijke vogels". Deze confessionele invulling van het begrip Babylon blijkt echter niet de invulling te zijn waar Kennedy aan refereert in zijn titel.

Kennedy refereert namelijk aan een project van Constant Nieuwenhuys (1920- ), genaamd New Babylon. “New Babylon was een samenleving, ontworpen voor een ontwakende “nieuwe mens", die door de wonderen van de technologie bevrijd is van de natuur, zich aan elk functioneel verband heeft ontworsteld en zijn hele leven kan besteden aan reizen, avontuur en creativiteit: de homo ludens (spelende mens)."

“Tegen het einde van de jaren zestig was Nederland een land geworden waar, in de ogen van veel buitenlanders, alles mogelijk scheen te zijn – van getrouwde katholieke priesters tot semi-legale marihuana. Het leek meer op het “New Babylon" van Constant dan enige samenleving ooit eerder had gedaan of, zoals nu blijkt, zou doen."
De inhoud van het boek
Kennedy geeft in zijn boek een analyse waarin hij de metamorfose die Nederland ondergaat in de jaren zestig beschrijft en probeert te verklaren. Hierbij concentreert hij zich op niet op de uitdagers, maar op de uitgedaagden, de Nederlandse regenten op leidinggevende posities in de Nederlandse samenleving; de “behoedzame groep gezagsdragers in Nederland, die gedrag mogelijk maakte, en zelfs stimuleerde, dat in andere landen niet zou worden geduld." Deze elites hielden, ook tijdens de jaren zestig, hun bestuursmacht, maar reageerden zwak op veranderingen. Eén van de verklaringen die Kennedy hiervoor geeft, is het “geloof in de onvermijdelijkheid van verandering". Een andere verklaring die ook een grote rol speelt, is de feitelijk geringe macht van de Nederlandse elites, zoals Kennedy het uitdrukt: “de Nederlandse elites waren nauwelijks in staat tot machtsvertoon in een verdeeld land waar geen politieke of godsdienstige stroming een meerderheid kon bereiken." Kennedy begint zijn boek met een, naar mijn mening, wat langgerekte beschrijving van de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog waren er velen in Nederland die de maatschappij en de politiek grondig wilden reorganiseren. De Nederlandsche Unie, die was opgericht tijdens de oorlog, was een politieke partij die deze ideeën uitdroeg. Hierin was zij niet de enige, want “een aantal prominente vertegenwoordigers van vooroorlogse elites die tijdens de oorlog als gijzelaar van de Duitsers in het kamp Sint Michielsgestel waren vastgezet" waren hier ook van overtuigd. De Nederlandse Volksbeweging werd een overkoepelende beweging voor “doorbraakdenkers". In 1946 werd de PvdA opgericht, de eerste politieke partij gericht op politieke “doorbraak".

De Nederlandse Hervormde Kerk, de grootste protestantse kerk in Nederland, ging ook strijden voor de doorbraak, omdat dit te verenigen was met hun ideeën van oecumene en herkerstening, hetgeen alleen mogelijk zou zijn door afbraak van de verstikkende zuilen.

Helaas werd het initiatief van de PvdA door de kiezers niet gehonoreerd; de verkiezingen leidden tot een tegenvallende uitslag van negenentwintig van de honderd zetels. De confessionelen behielden een groot deel van hun macht. Toch, zo vertelt Kennedy, is de “doorbraak" niet geheel mislukt, omdat de confessionelen zich moesten verdedigen. Later, in 1966, probeert D"66 om het politieke systeem “tot ontploffing te brengen", wat ook mislukt. Deze beschrijving van de wederopbouw tijdens de jaren vijftig is relevant voor het vervolg van het boek, aangezien de ontwikkelingen en vernieuwingen in de jaren vijftig de veranderingen in de jaren zestig mogelijk maakten.

In zijn volgende hoofdstuk behandelt Kennedy de belangrijkste veranderingen op het gebied van de buitenlandse politiek, waaronder het onafhankelijk worden van Indonesië, het opgeven van de neutraliteitspolitiek en het idee van “Nederland als gidsland voor de wereld". “De Nederlanders wilden hun beperkte internationale bevoegdheden compenseren met een “up-to-date" buitenlands beleid" concludeert Kennedy. Toen de Nederlanders begrepen dat zij hun geïsoleerdheid en onafhankelijkheid verloren hadden, trachtten zij hun evenwicht te hervinden door zich aan te passen aan de nieuwe wereldomspannende ontwikkelingen. Nederland werd ook een van de gulste landen ter wereld qua ontwikkelingshulp; dit was enerzijds “ter compensatie", maar ook door het traditionele Nederlandse moralisme.

Vervolgens wijst Kennedy op de veranderde visie van de geestelijke leiders van de grootste kerken in Nederland; zij “geloofden zowel om tactische redenen als uit overtuiging dat het “conventionele christendom" toe was aan een grondige herziening."

“Ongeacht hun godsdienstige overtuiging groeide onder de geestelijken het besef dat een nieuwe, open wereld was aangebroken en dat de weg terug was afgesloten." Religie speelde in de jaren zestig echter een steeds kleinere rol; er was sprake van secularisatie (ontkerkelijking).

Ontkerkelijking heeft ook een rol gespeeld in het grotere proces van ontzuiling, dat tevens plaatsvond gedurende de jaren zestig. Culturele veranderingen overstemden de door de kerk gepropageerde ideeën: “De milde, vaag-christelijke, burgerlijke cultuur van de naoorlogse periode gaf snel terrein prijs aan de vrijere en minder eerbiedige culturele norm". De regenten, een term waarmee oorspronkelijk de bestuurders uit de zeventiende eeuw werden aangeduid, zaten in 1966 met een crisis, zo stelt Kennedy. De Amsterdamse politie had agressief gereageerd op rellen, en Van Hall (burgemeester van Amsterdam) had hiervoor geen goede verklaring op de televisie. Van Hall werd hét symbool van het aarzelende en ondoelmatige gezag dat zijn legitimiteit snel aan het verliezen was. De protesten tegen de regenten werden min of meer geholpen door diezelfde regenten, doordat dezen al veranderingen mogelijk maakten. Respect voor autoriteiten werd minder absoluut, onder invloed van de mobiliteit en de onafhankelijkheid door urbanisatie en door de welvaartsstaat die ontstond. De neergang van de kerk was ook een belangrijke factor. “Zowel politici als intellectuelen waren al tot de overtuiging gekomen dat “de tijden" de oude vormen van gezag onhoudbaar had gemaakt." Politiek gezien werd dit duidelijk door het einde van de parlementaire meerderheid van de confessionele partijen vanaf 1967. De oprichting van het CDA leidde tot een wedergeboorte van oude tijden, maar blijkt op de lange termijn de kiezers niet blijvend te kunnen binden.Veel Nederlandse autoriteiten leken niet te weten hoe ze zich moesten aanpassen aan de nieuwe tijden. “Het was duidelijk dat “modernisering" van de politie in elk geval dringend noodzakelijk was. Om de orde te kunnen handhaven waren de gezagsdragers dus bereid om opnieuw te definiëren wat die ordehandhaving inhield."
Kennedy merkt ten aanzien van pornografie, abortus, drugs en euthanasie op, dat het “gedoogbeleid" geïntroduceerd wordt.

Kennedy"s ideeën bekeken
De kerngedachte die Kennedy naar voren brengt, is dat de “oude elites" en “regenten" een belangrijke en vooral actieve rol hebben gespeeld in het vernieuwingsproces. De Nederlandse “gezagsdragers" hebben bewust meegewerkt aan het veranderingsproces omdat zij het gevoel hadden dat nieuwe ontwikkelingen toch niet te keren waren. De historicus Blom zei hierover: “De zittende elites ziet Kennedy als een dynamische kracht bij uitstek." “De elites wedijverden eerder in vernieuwingsdrang met de contestanten dan dat deze bestreden werden." Hans Righart schreef in 1995 een kruisbespreking met Kennedy; ze brachten beiden een boek uit over hetzelfde onderwerp en recenseerden elkaar. Righart heeft naast bewondering ook kritiek op het boek van Kennedy: aan Kennedy"s centrale these – de Nederlandse jaren zestig danken hun bijzonder karakter aan de flexibiliteit van de Nederlandse elites - ligt een aanname ten grondslag: de jaren zestig in Nederland hadden een wezenlijk ander verloop en karakter dan in andere Westerse landen; zij waren heviger, radicaler en tegelijk minder gewelddadig en minder politiek gearticuleerd. Righart concludeert dat deze aanname nergens concreet bewezen wordt, doordat “het boek nergens een concrete vergelijking met het buitenland biedt. Alleen in zijn slotbeschouwing waagt Kennedy op essayistische wijze een vergelijking met de VS."

Ook Blom heeft kanttekeningen bij het werk van Kennedy; hij wijst op “de zware dominantie van één perspectief: “in de loop van de geschiedenis zouden dus zeer verschillende verschijnselen uit hetzelfde type elitegedrag zijn voortgevloeid."
Eindoordeel Kennedy"s “Nieuw Babylon": positief
Tenslotte zal ik mijn eigen mening geven over Kennedy"s “Nieuw Babylon". Maar liefst 80 bladzijden noten zijn opgenomen, op een totaal van 217 pagina"s tekst. Na bestudering van de noten werd mij duidelijk waarom: Kennedy heeft een tweede boek geschreven in de explicatieve noten. Hoewel de noten over het algemeen gezien relevant en goed te noemen zijn en verwijzingen naar literatuur ervan getuigen dat de schrijver goede bronnen heeft gehanteerd, heeft Kennedy er naar mijn mening geen goed aan gedaan, zoveel informatie naar de eindnoten te verwijzen.

De kerngedachte van Kennedy"s verhaal is hierdoor echter duidelijk gebleven, en niet gehinderd door “zijpaden". Het boek leest redelijk vlot en prettig, mede ook doordat een goed leesbaar lettertype gehanteerd is. Hoewel Righart en Blom"s bezwaren tegen het boek van Kennedy gegrond zijn, de vergelijking met het buitenland blijft inderdaad beperkt en Kennedy is in zijn verklaringen inderdaad soms wat ééndimensionaal, is mijn eindoordeel toch positief. Kennedy is er in geslaagd om een helder, duidelijk boek te schrijven, waarvan de strekking goed te volgen is, ook als je geen jaren-zestig deskundige bent.

Paul Karsmakers, 2003

Bericht geplaatst in: boekrecensie