VERCINGETORIX

Geplaatst op 22 april 2004
Van alle Gallische leiders was Vercingetorix de grootste. Deze zin ontbreekt in Caesars “De Bello Gallico”, omdat de schrijver te trots en te egocentrisch hiervoor was.
Van alle Gallische leiders was Vercingetorix de grootste. Deze zin ontbreekt in Caesars “De Bello Gallico", omdat de schrijver te trots en te egocentrisch was om lang stil te staan bij zijn taaiste concurrent buiten Italië. We vernemen wel dat Vercingetorix een jonge Arverniër was van rond de 30 jaar oud ( p. 39 ), dat zijn vader gedood was omdat hij koning van heel Gallië wilde worden. Verder was hij een uitmuntend organisator, de enige die de verdeelde Germaanse stammen met harde hand ertoe kon bewegen om in 53 – 52 v.C. samen één groot leger te vormen tegen de Romeinse bezetter.

Hij verloor die strijd, omdat hij op cruciale momenten minder tactisch inzicht had dan Caesar. Hij viel het Romeinse leger niet aan, toen het na het mislukte beleg van Gergovia volledig gedemoraliseerd was; daarna beging hij de vergissing zich terug te trekken in Alesia, i.p.v. verder guerrilla te voeren. Hij verloor ook omdat de 10 à 12 legioenen of 600.000 à 700.000 soldaten van Caesar beter getraind waren en omdat Caesar in strategie en tactiek enkel geëvenaard werd door Alexander de Grote en Hannibal.

Zijn nederlaag kwam hem duur te staan: samen met zijn neef Vercassivelaunus werd hij meegenomen naar Rome. Daar werd hij zes jaar lang in het Tullianum, de staatsgevangenis bij de Capitolinus, gevangen gehouden, diep onder de grond, in onmenselijke omstandigheden. Pas in 46 v.C. hield Caesar zijn triomftocht voor zijn overwinningen in Gallië en elders. De Gallische held werd daarin meegesleept, vernederd en dan gewurgd.
In 390 v.C. had een andere Keltische leider, Brennus, gezegd: Vae victis, wee de overwonnenen. Velen hebben het ondervonden.

Caesar benadert zijn rivaal koel en afstandelijk en gunt hem niet de eer om de geschiedenis in te gaan als een dapper man. Hij zwijgt over zijn persoon, karakter, emoties, menselijke eigenschappen, waardoor we nu kunnen twijfelen of hij wel een held was. Caesar vertelt ook geen woord over wat hij tegen zijn tegenstander zei, over wat hij met hem van plan was, hoewel hij ongetwijfeld wist dat zijn lezers hierin geïnteresseerd zouden zijn. De woorden van Vercingetorix bij zijn overgave zijn 175 jaar later opgetekend door Florus: “Daar hebt u ze (zijn paard, militaire kentekens, wapens). U, allerdapperste man, hebt een dapper man overwonnen" (p. 86). Florus vertelt ook over zijn rijzige gestalte en, net zoals zijn tijdgenoot Plutarchus, over de vernederende dood die Vercingetorix te wachten stond.

Het werd tijd dat er over deze edele krijger een boekje geschreven werd in het Nederlands. Fik Meijer deed het alweer. Hij putte zijn gegevens uit Caesar, Florus, Plutarchus en Cassius Dio, die pas rond 230 n.C. de geschiedenis van 68 v.C. tot 47 n.C. beschreef en verder ook uit wat archeologisch materiaal. Voor de latere heldenverering ging hij te rade bij Franse historici van 1589 tot 1995.

Meijer rekent wel op het geduld van zijn lezers. Pas op p. 38 verschijnt Vercingetorix ten tonele. Wat voorafgaat, konden we vorig jaar al lezen in “Caesar" van Robert Nouwen.

Meijer is heel sterk in militaire geschiedschrijving en strategische uitleg bij belegeringen, m.n. bij die van Alesia (Alise-Sainte-Reine, 70 km ten NW van Dijon). Hij leeft zich in in de personages en slaagt er zelfs in te verwoorden wat Vercingetorix en Caesar dachten, bedoelden en voelden en met welke gevoelens en overtuigingen de Gallische soldaten vochten (o.a. p. 68, 74, 75). Hij maakt boeiende vergelijkingen met Hannibal, Mithridates, Perseus van Macedonië, Jugurtha (78 – 80).

Na de beschrijving van Cassius Dio (230 n.Chr.) verdwijnt Vercingetorix voor lange tijd uit beeld. Gregorius van Tours (6e eeuw n. Chr.) vermeldt hem zelfs niet in zijn “Historia Francorum “. Clovis (500) en Jeanne d" Arc (1412 – 1431) werden de Franse helden.
Pas in 1589 schrijft Jean Villevault, een Jurist uit de Auvergne, een chauvinistisch portret van zijn dappere streekgenoot. Van dan af bleef de Auvergne hem eren met gedichten, romans en toneelstukken. Tijdgenoot Michel de Montaigne noemt hem echter een slecht strateeg.

Rond 1820/1830, na de nederlaag van Napoleon, was er behoefte aan een nationale held en namen de broers Augustin en Amédée Thierry de draad weer op met hun “Lettres sur l"histoire de France" en hun “Histoire des Gaulois" (p. 98).

Met deze laatste begon de romantisering: als de andere Gallische leiders even dapper waren geweest als Vercingetorix, zou Caesar verslagen zijn. In 1834 werd een monografie gepubliceerd, die 72 jaar in de kast had gelegen. Andere Franse historici voltooiden de verheerlijking van “de hoogste chef van honderd hoofden" (p. 102). Schilders en beeldhouwers deden bij hem inspiratie op, toneelschrijvers bedachten zijn liefdesleven.

Keizer Napoleon III schreef een “Histoire de Jules César", liet in 1861 opgravingen uitvoeren in Alise-Sainte-Reine, Bibracte en Gergovia (Z van Clermont Ferrand) en in 1865 liet hij in Alesia een bronzen standbeeld plaatsen van 6 m 60 hoog, op een sokkel van 7 meter. Andere steden volgden met standbeelden, schilderijen en toneelstukken. Tegelijk bleef de bewondering voor Caesar overeind, want die had de beschaving gebracht.

De smadelijke nederlaag tegen Pruisen in 1870/71 deed de Fransen nog meer naar Vercingetorix grijpen. Pijnlijk was dat hun tegenstanders konden pronken met Arminius, volgens Tacitus de “liberator Germaniae". Deze kreeg een standbeeld van 30 + 26 = 56 m hoog. Maar de Fransen gaven niet op en in Clermont-Ferrand kreeg de mythe nog vastere vorm met een krijgshaftig ruiterstandbeeld (1903). Ook tijdens en tussen de twee wereldoorlogen herdacht men de roemrijke pater patriae.

Mitterrand ten slotte trok in 1995 een rechte lijn van het oude pre-Romeinse Gallië naar zijn eigen presidentschap en kocht op de Mont-Beuvray ( Bibracte ) een stukje grond, waar hij later begraven wou worden. Om onbekende redenen gebeurde dat een jaar later in zijn geboorteplaats Jarnac bij La Rochelle. Tot slot zien we Vercingetorix een bescheiden plaats innemen in de albums van Asterix en in andere stripverhalen.

Zo trekt Meijer de geschiedenis door vanaf de Oudheid tot nu. Hij hoopt dat men ook in het toekomstige multiculturele Frankrijk de herinnering aan Frankrijks oudste held zal bewaren.

Meijer heeft alweer een boeiend en aanschouwelijk verhaal geschreven, waardoor ook het grote publiek de band met de klassieke oudheid en het voortleven ervan in de latere eeuwen kan behouden.

Hier en daar kunnen we wel een vraagteken of opmerking plaatsen. Meijer schat het aantal Usipeten en Teucteri op op 450.000, een erg hoog getal voor die tijd (p.33); hij situeert de Morini in Normandië i.p.v. Frans-Vlaanderen (p. 32) en de Eburonen in de Ardennen, i.p.v. meer noordelijk tussen Tongeren en het Rijnland (p. 36); Detmold ligt wel een eind van Kalkriese, de plek waar men tegenwoordig de overwinning van Arminius situeert. Meijer weet soms te goed wat de dramatis personae dachten. Hij laat de Galliërs op één dag een bericht over een afstand van 250 km doorschreeuwen (p. 38).

Bij de volgende editie mogen ook wat drukfoutjes verdwijnen: Allogroges i.p.v. Allobroges (p. 2), Aqua Sextiae i.p.v. Aquae; Pruissen i.p.v. Pruisen (p.111). De geografische plaatsen zijn versnipperd over drie kaartjes: pagina 2, 3, 28. In de tekst wordt er niet naar verwezen.
In de bibliografie ontbreken helaas de knappe studies van Robert Nouwen (“Caesar") en Bernard Van Daele (“Het Romeins leger"). Blijkbaar stromen publicaties uit Vlaanderen maar heel traag door naar Amsterdam. Ondanks deze kleine gebreken, raden we dit goedkoop boek met veel overtuiging aan voor leraren klassieke talen en geschiedenis en voor geïnteresseerde leken.

Referentie:

Fik Meijer, Vercingetorix. De mythe van Frankrijks oudste held. Uitgeverij Athenaeum-Polak & van Gennep, Amsterdam / WPG, Antwerpen, 2004. 143 p.; foto"s, kaarten, lit. ISBN 9053 34105; € 10.
Bericht geplaatst in: boekrecensie