14-18: DE GROTE OORLOG OPNIEUW BEZIEN.

Geplaatst op 1 januari 2005 door Jeannick Vangansbeke
De herdenking van 80 jaar Eerste Wereldoorlog in 1998 was een gemiste kans. Voor velen bleek de Eerste Wereldoorlog synoniem voor Europas collectieve zelfmoord.
De herdenking van 80 jaar Eerste Wereldoorlog in 1998 was een gemiste kans. Voor velen bleek de Eerste Wereldoorlog synoniem voor Europas collectieve zelfmoord. Nu nog getuigen de schoolboeken hiervan: bijna een eeuw later blijft de Grote Oorlog de verbeelding domineren, vooral omdat 14-18 de oorzaak is gebleken van alle daaropvolgende rampen. Alleen, de afschuw voor de oorlog van de huidige generatie maakt het niet gemakkelijk om de toenmalige generatie te begrijpen. De stichters van het "mémorial de la guerre" in Péronne en auteurs van het boek 14-18: De Grote Oorlog opnieuw bekeken zijn afgeweken van de gebaande historische paden en hebben zich gericht op drie verwaarloosde maar niettemin zeer belangrijke aspecten van het conflict, die elk op zich de nationale en internationale verhoudingen voorgoed veranderd hebben (1). Met zijn verbazingwekkend originele interpretatieve kracht en zijn rijkdom aan onweerlegbaar bewijs, is het vernieuwende boek van Becker en Audoin direct een klassieker in de geschiedschrijving van de moderne oorlogvoering geworden.

Ten eerste was de Eerste Wereldoorlog wat fysiek geweld betreft zonder precedent.
Hoe kwam dat en wat waren de gevolgen van het feit dat miljoenen gewone mensen meededen en maar bleven meedoen aan dit extreme geweld? Om dat te begrijpen moet je de geschiedenis niet meer zien als een handboekje met hoofdstukjes, maar als een evolutie. A.J.P. Taylor, naar mijn smaak de beste historicus van de twintigste eeuw, schreef al in 1954: Bismarck beweerde zelf dat de annexatie van Elzas hem was opgedrongen door de generaals (2). Er is daarvoor geen enkel bewijs en het ijzererts van de Elzas was nog niet ontdekt. Ongetwijfeld wilde hij voor altijd de sympathie tussen Beieren en Frankrijk ongedaan maken. Als Junker was Rusland zijn bondgenoot, Frankrijk de vijand, voor eeuwig en altijd. Na september 1870 werd het een oorlog tussen naties en daarmee hield de beschaafde oorlog op te bestaan. De verliezers van Sedan waren de laatste om op parool naar huis te mogen nog voor het einde van de oorlog. Op het monument voor de Franse onbekende soldaat staat: 4 september 1870 uitroeping van de republiek, 11 november 1918 Elzas-Lotharingen terug Frans. De partijtegenstellingen waren definitief overbrugd, zo leek het. Zelfs de aartsbisschop zegende de onbekende held, ongezien in de vooroorlogse republiek. Maar tussen Frankrijk en Duitsland leek voor eeuwig de haat te zullen heersen. Tot de geschiedenis weer een verrassing in petto had !

Ten tweede leken immers beide strijdende partijen gemotiveerd en zelfs in vervoering geraakt door een krachtige, nationalistische en racistische houding ten aanzien van de vijand.

Krijgsgevangenen werden in Duitsland getoond aan de burgerbevolking, zoals later in Sovjet-Rusland. Soms werden ze afgemaakt, de enorme sterftecijfers hadden zeker niet enkel technologische of materiële oorzaken, maar beslist ook wel de enorme haat (3). Maar hoe kwam deze kruistocht tot stand, en wat waren de gevolgen daarvan voor Europa en de wereld? Volgens Audoin en Becker was er geen sprake van massaal enthousiasme in 1914, maar veeleer van een alom tegenwoordig gevoel van bedreigd zijn en daarom maar de union sacrée aanvaarden. België en Italië komen uitgebreid aan bod: de directe union sacrée van de Belgen, de laattijdige (1917) in Italië. Zij betreuren dat de herdenkingsgolf van 1998 door een verplicht pacifisme het begrip verduisterde: De muiters van 1917 waren plots de echte helden en voorlopers van de Europese eenheid ! Klinkt vertrouwd. Uit de zeer recente artikelenreeks in Der Spiegel blijkt dat het "04 augustus 14-enthousiasme" zich (in Duitsland) tot enkele grote steden beperkte en de rest veeleer berustend of angstig reageerde. Ook in Vlaanderen zijn er genoeg die de "desertie" van hun grootoom of grootvader nooit verteerd hebben en er alsnog een "held" willen van maken. Oorlog en geweld zijn verfoeilijke bezigheden die we zoveel mogelijk dienen te vermijden, maar wat als het alternatief de met geweld opgedrongen wil van een ander is? Op pagina 207 wordt gezegd dat de Duitsers zelfs fotos retoucheerden om een meer raciaal karakter te geven aan de krijgsgevangenen. Jammer dat geen enkele foto dit verhaal illustreert. De antropometrische indeling van Russische krijgsgevangenen per ras was opvallend. Audoin wijst erop dat de Fransen niet onderdeden voor het Duitse racisme. De doodskoppen op Duitse huzarensjakos of de helm met pieken zijn "praktijken van halfwilde volksstammen, Afrikaanse fetisjen" citeert hij o.a. Franse wetenschappelijke werken uit die tijd. "Oorlog is de gevoeligste test voor de weerstand van de zenuwen van een ras en de zware beproeving toont aan dat het Franse ras niet gedegenereerd is" (p. 214).

Ten derde is er het thuisfront dat door de democratie een grotere rol begint te spelen.
Hoe zorgden de miljoenen doden voor een ongekende golf van smart: hoe zouden de rouwenden ooit verlost kunnen raken van deze martelende pijn? De antwoorden op deze vragen zijn doorslaggevend om de Grote Oorlog te begrijpen. In een pakkend citaat van Charles de Gaulle uit 1918 lezen we: Zal Frankrijk zijn anderhalf miloen doden en de verwoesting van Lille, Cambrai, Duinkerken, Douai, Arras, Laon, Soissons, Reims, Verdun ooit vergeten ? (...) Iedereen weet en voelt dat deze vrede enkel een dekmantel is voor niet vervulde ambities, haat en voortsmeulende nationale woede ! (4) De auteurs sluiten daarmee nauw aan bij wat Johan Meire al schreef in Hermes 2000/3 over de onbekende soldaat en in zijn onlangs verschenen doctoraat (5). Audouin en Becker beschrijven sterk de impact van hoe de onbekende militair de republiek verankerde in de harten, maar ze verwijzen naar literaire bronnen. Honderdduizenden aanwezigen bij de overbrenging naar het Panthéon (p. 268), waar wijst dat op? En hoe vluchtig waren de gevoelens van eenheid-in-verdriet en trots? In april 1944 juichten honderdduizenden Parijzenaars Pétain toe, in augustus de Gaulle...

Omdat Johan Meire focust op de Ieperse microcosmos en Becker en Audoin op la France entière, om niet te zeggen de hele wereld, is zijn betoog allicht meer verhelderend. Ons huidig pacifisme verhindert dat we verstomd staan bij zoveel geweld, we zijn immers de onderliggende haat vergeten, we voelen die niet meer. Meire herinnert aan de minuut stilte die de Spaanse kunstenares Dora Garcia liet vallen door alle apparatuur van het In Flanders Fields museum stil te leggen om 12 uur. Piet Chielens noemt dit een oud concept, de historische context laten primeren, de collectie laten primeren. Dat is een luxeprobleem voor de happy few. Dit verbiedt me de ernst van het onderwerp". Logisch als vredesopvoeding je doel is. Maar geschiedenis pur sang een luxeprobleem noemen ? Of is het probleem precies dat few, dat geschiedenis te weinigen bereikt ? Verstomd staan, stil staan bij, vraagstelling, kortom bezinning is geen luxe, het is bittere noodzaak. Feitenkennis kan daarbij meer dan enkel behulpzaam zijn, het is een vereiste om zich te kunnen inleven. Maar dat laatste moet het doel zijn, en het lijkt me verstandig zich niet enkel in te leven in hoe relatieve outsiders als pastoors en literair geschoolden hun ervaring verwoorden. En dan nog ! De Amerikaanse pionier van de studie van literatuur uit de Eerste Wereldoorlog Paul Fussell is geen pacifist, wel een Amerikaanse patriot die zelf zwaar gewond raakte in de Tweede Wereldoorlog. Zijn negatief oordeel over de slotstrofe van het beroemde gedicht "In Flanders Fields" (We werpen van onze falende handen naar U de toorts = Op U rekenen we om de strijd verder te zetten !) berust op de historische misvatting dat door tot de strijd op te roepen de oorlog zou zijn gerokken en dat dit een "onderhandelde vrede" in de weg zou hebben gestaan. Ik meen te weten dat de meeste vredesonderhandelingen gestrand zijn op de onredelijke oorlogsdoelen die Centralen én Geallieerden zich stelden. Precies omdat niet voldoende jongeren zich nog "geroepen" voelden om de "toorts" op te vangen, diende Engeland in 1916 de dienstplicht in te voeren (6).

De bewijzen van Frans racisme in de Eerste Wereldoorlog door Becker aangehaald lijken een verplicht nummertje om toch maar symmetrie te krijgen. Ze citeren wetenschappers, maar juist die verhinderden na de oorlog reizen van beroepsgenoten om de hoogst noodzakelijke sanitaire maatregelen tegen de Spaanse griep te bespreken met Duitsland en Polen (7). Maar komen die niet net uit dat deel van de Franse samenleving dat de bagage van de hoerapatriotten leverde ? Jaurès was vermoord, Engeland had tenminste nog zijn Bertrand Russell. Zijn houding was fundamenteel pacifistisch. Hij meende dat zijn hoge opvatting van de Duitse "Kultur" van voor de oorlog uiteindelijk moest leiden tot meer beschaving in het door Duitsland bezette Europa. Velen denken nu zo. We verwijzen naar Geert Mak die elders in dit nummer van Hermes aan bod komt en die een Duitse getuige over de campagne van 1940 citeert om te bewijzen dat de Fransen niet wilden vechten en zelfs de burgers niet vijandig reageerden (8). Dit is m.i. naïviteit : elke generatie het recht heeft om zich opnieuw een oordeel te vormen over de Grote Oorlog en je kan zelfs bewondering hebben voor wat Piet Chielens, de bezieler van In Flanders Fields, bereikte met zijn vredesconcerten, zijn pacifistische boodschap laten we maar zeggen. Was dat echter de boodschap waarmee de meeste gedemobiliseerden in 1919 naar huis keerden ?

Gevoelens.
Er is een probleem wanneer een te vaak op hedendaagse gevoelens gebaseerde mening over een waanzinnige oorlog als de historische waarheid geponeerd wordt. Met name het feit dat we de zaken momenteel te individualistisch zien, vandaar ook het succes van de literatoren, die het volgens Piet Chielens beter kunnen verwoorden. Dat klopt ten dele, maar het probleem is niet zozeer dat een doorsnee soldaat in WO I die gevoelens niet kon verwoorden, maar ze gewoon niet had. Of toch niet op die dominante manier. Je kan met bronnen perfect een geschiedenis van de waanzinnige 20ste eeuw samenstellen zoals M. Heirman en de redactie van Knack deden, maar dat helpt het begrip niet. Je kan beter met Hew Strachan pogen inzicht te krijgen in het feit dat de Grote Oorlog een terechte wereld-oorlog was. Meer dan anderen gaat hij in op de strijd in het Midden-Oosten en aan het Russische front, de gevechten in Afrika en Azië en de inzet van talloze koloniale soldaten aan de Europese fronten. Bovenal bestrijdt Strachan de opvatting dat de Eerste Wereldoorlog een zinloze oorlog was: hij stelt dat er tot het einde toe goede politieke motieven waren om de oorlog te verlengen. 1917 was bijvoorbeeld het jaar van de revolutie: het liberalisme kwam in het nauw en Duitsland verliet het definitief voor het militarisme, besluit Strachan na een minutieuze analyse van de Duitse binnenlandse politiek. De Geallieerden werden daarentegen alsmaar rationeler in hun wijze van oorlog voeren door hun toenemende samenwerking, die bovendien alsmaar nieuwe bondgenoten aantrok. Het liberalisme won daarom de oorlog. Lloyd George, ooit felle tegenstander van het Britse imperiale beleid in Zuid-Afrika, ontpopte zich al in 1911 tot de woordvoerder van de machtige Britse invloed die in het verleden de zaak van de vrijheid al veel goed heeft gedaan (p. 37). De waanzin van de 20ste eeuw dateert uit de dagen dat de Europeanen in het algemeen, niet enkel de Duitsers, de redelijkheid van het verdict uit 1918 weer in vraag stelden. Strachans pleidooi om een rationele analyse te maken van de beslissingen die Lloyd George en Clemenceau maakten, rekening houdend met hun publieke opinie, snijdt hout want helaas, waanzin is van alle tijden (9). Taboe doorbroken
Dat mag eens te meer blijken uit de heisa die in Duitsland woedt over de verantwoordelijkheid voor het totale karakter van de Tweede Wereldoorlog. Recent zijn twee werken uit de polemiek vertaald (10). Zestig jaar na de feiten doorbrak de Berlijnse historicus Jörg Friedrich de stilte en het taboe rond de luchtoorlog waarbij de geallieerden vanaf 1942 de geallieerden systematisch Duitse steden met brandbommen vernietigden. Volgens Friedrich wilde men hiermee precies een herhaling van de catastrofe van de immobiele loopgravenoorlog doorbreken: zowel Britse als Duitse leiders verwachtten dan een opstand tegen Hitler als gevolg van de terreurbombardementen. Precies het omgekeerde gebeurde. Churchill had al in de zomer van 1940 met een luchtaanval op Berlijn de Duitsers geprovoceerd om niet langer de schaarse resterende vliegvelden van de RAF te bombarderen, maar de Britse kunststeden. Zo redde hij zich in de Slag om Engeland en in de propagandaslag. Friedrichs omschrijving van de schuilkelders als crematoria en de Britse en Amerikaanse piloten als Einsatzgruppen die burgers uitroeiden, maakten hem tot dankbaar voer voor de Britse tabloids die hem revisionist noemden. Friedrich was echter de historicus die in vorige publicaties de betrokkenheid van de Wehrmacht bij oorlogsmisdaden in Rusland aankaartte. Het minste wat je kan zeggen, is dat hij niet erg in populariteit is geïnteresseerd. Misschien daarom dat al twee miljoen van zijn boeken zijn verkocht ? Nu wordt er wél ernstig nagedacht - aan beide zijden - over dit trieste verhaal. De redactie van het gezaghebbende Duitse weekblad Der Spiegel brengt in het boek De hemel stond in brand heel wat feiten aan het licht rond de Bombenkrieg. Het was de bedoeling om met meer dan duizend bombardementen de moraal van de Duitse bevolking te breken, zodat die in opstand zou komen tegen het nazi-regime. Steden als Hamburg en Dresden werden door de bombardementen nagenoeg van de kaart geveegd. Gedurende drie jaar lieten in totaal 600.000 burgers hierbij het leven. Bovendien sneuvelden nog eens 50.000 Duitse soldaten bij de bombardementen en verloren de geallieerden zelf niet minder dan 160.000 piloten en bemanningsleden. Militair gezien niet erg steekhoudend, de Duitse oorlogsproductie steeg overigens nog in 1944 !

Chamberlain noemde de luchtoorlog nog terrorisme. Maar ook Churchill vroeg zich af toen hij beelden van de verbrande steden zag: Zijn wij beesten? Misschien een schampere opmerking van de man die opdracht gaf tot de slachting, maar professor Wehler, zelf als kind slachtoffer van de bombardementen, voegt eraan toe: Hitler heeft nooit spijt betuigd voor Warschau, Rotterdam of Coventry. Aan de hand van nieuwe feiten, ontelbare getuigenissen en deskundige analyses wordt de luchtoorlog objectief en volledig onderzocht. De hemel stond in brand tracht onder andere uit te pluizen waarom woongebieden het doelwit waren, maar de Duitse industrie gespaard bleef en of het moreel verantwoord was - en is - om burgers te viseren ten tijde van oorlog.

Vele vragen blijven onbeantwoord. Waarom werd na de oorlog nauwelijks nog gesproken over deze zwarte bladzijde uit de oorlogsgeschiedenis ? Ook een boeiende vraag die onvoldoende wordt gesteld is waarom het boek van de Duitse professor Friedrich over het bombarderen van de steden precies nu aanslaat ? Heeft het te maken met het feit dat we leven in tijden van pacifistische mobilisatie ? Dat de discussie nu losbarst, komt omdat pas met dit boek het besef doordringt van de omvang van de geallieerde bombardementen, de nog bestaande onzekerheid over het grote aantal burgerslachtoffers (schattingen lopen uiteen van 420.000 tot 570.000) en de moedwillige vernietiging van enorme aantallen Duitse -en daarmee Europese- cultuurschatten zoals bibliotheken. Daarbij komt dat sommige beschreven bombardementen in een oorlogssituatie wel zijn te rechtvaardigen, maar vele ook niet. Verhinderde de vernietiging van de spoorwegstations van Rijsel (456 doden), Gent (428 doden, waaronder veel scholieren) in april 1944 en in mei 1944 Leuven (160 doden) de aanvoer van Duitse troepen naar Normandië in de zomer van 1944, of vertraagde ze daarna de opmars van de gealllieerden in het najaar? Erg zinvol was het niet en de Leuvense universiteit leed meer dan onder de Duitse woede van 1914, schrijft Friedrich (p. 128).

Europees erfgoed
De industrie- en havenstad Hamburg lijkt een logisch doelwit. Al blijft de vraag of het doel de ruim 40.000 doden rechtvaardigt. Maar wat te denken van de aanval op het strategisch onbelangrijke Lübeck? De stad had een centrum dat grotendeels bestond uit vakwerkhuizen uit de twaalfde eeuw. Dat was ook de reden voor het bombardement; de Britten wilden weten of de hypothese klopte dat een dergelijk centrum makkelijk in brand is te bombarderen. Inderdaad fikte het heel snel af. Hypothese bewezen; de Britten tevreden en een onvervangbaar stuk Europese historie voor altijd vernietigd. Friedrich bracht onlangs een nog niet vertaald fotoboek uit over dit aspect van de luchtoorlog.

De geallieerde luchtbombardementen die de Duitse moraal moesten breken hebben de hardnekkigheid van de Duitsers tijdens de Kerst van 44 in de Ardennen enkel verhevigd. Friedrich wijst op de nervositeit van Eisenhower die de balans naar de Duitse kant zag overhellen en veel te optimistisch was geweest over de impact van de luchtoorlog (p.150). Dat de Amerikanen tegen Japan (waarover ook een boeiende bijdrage is te vinden in het Spiegel-boek) en Duitsland naar de huidige maatstaven oorlogsmisdaden pleegden, is te verklaren vanuit deze voorgeschiedenis, de verbittering dat de Duitsers en Japanners het maar niet wilden opgeven hoewel iedereen zag dat ze de oorlog aan het verliezen waren. Overigens zijn de Duitsers ermee begonnen, al in de Eerste Wereldoorlog, met luchtbombardementen op Londen. Zoals Modris Eksteins schreef in Lenteriten: in het oorlogsvoeren waren het de Duitsers die de Victoriaanse waarden naar de prullenmand verwezen. Zelfs in de Tweede Wereldoorlog bleef een niet onbelangrijk deel van de Britse publieke opinie ageren tegen de luchtoorlog boven Duitsland, en Friedrich noemt o.a. een enquête uit 1944 waarbij 90 % van de ondervraagden zich ertegen uitspraken en George Bell, de bisschop van Chichester, die in het Hogerhuis vragen hierover stelde die op boe-geroep werden ontvangen. Zij schreven daarmee misschien wel het meest hoopgevende hoofdstuk uit de treurige geschiedenis van de wereldoorlogen.

In Humo noemde Friedrich Al Qaida de erfgenamen van de terreurbombardementen, succesvoller dan hun voorlopers (11). Terry Waite schreef over Guantanamo dat toekomstige gijzelaars van fundamentalisten de prijs ervoor zullen betalen (12). Dat is niet alleen een kwestie van gevoelens, maar ook van inzicht: wie de grenzen verlegt, zal ook de reactie ondergaan.


Jeannick Vangansbeke



(1) Stéphane Audoin-Rouzeau & Annette Becker, 14-18: De Grote Oorlog opnieuw bekeken. Brussel-Roeselare: Globe/Roularta/VRT, 2004. Oorspronkelijke titel: 14-18 - Retrouvert la Guerre Vertaler: Ineke Mertens. Toch enkele kleine opmerkingen: Kipling is niet de ontwerper van het offerkruis en de gedenksteen op Britse militaire begraafplaatsen (blz. 257), maar Blomfield resp. Lutyens. Kiplings zoon, die verdween bij Loos, is nooit officieel geïdentificeerd (Zie "My Boy Jack" van Kipling zelve). Peter Kollwitz is ook niet "bij Ieper" gevallen, maar bij Diksmuide (Roggeveld, Zarren) en nadien naar Koekelare overgebracht.
(2) Allen J. P. Taylor, The struggle for mastery in Europe, Oxford: university press, tiende druk, 1991, p. 211.
(3) Audoin, oc, p. 47.
(4) Idem, p. 310.
(5) Johan Meire, De stilte van de salient, de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog rond Ieper, Tielt: Lannoo, 2003. Het citaat op p. 268. Vgl. Audoin, oc, p. 310.
(6) Luc Vanacker, Bloeit de klaproos al op 3 mei ? - De gidsenkring, afdeling Westhoek, 2004/2.
(7) Marta Balinska, Ludwik Rajchman, une vie pour lhumanitaire, Paris: La découverte, 1995.
(8) Geert Mak, In Europa, Amsterdam: Atlas, 2004. Het getuigenis van W. Behr, die zijn herinneringen vergelijkt met de gruwelverhalen van zijn grootvader en vader uit 1870 en 1914, op p. 617.
(9) Hew Strachan, De Eerste Wereldoorlog, Antwerpen: Anthos-Standaard, 2004.
(10) Stephan Burgdorff, Habbe, C. De hemel stond in brand, Antwerpen: Het Spectrum, 2004, Jörg Friedrich, De brand; de Geallieerde bombardementen op Duitsland 1940-1945, Brussel: Globe, 2004.
(11) Humo 11 mei 2004, p.166. Over George Bell, De brand, p. 102.
(12) Hermes 26 (februari 2003), p. 20.
Bericht geplaatst in: boekrecensie