REFLEXION IMPARTIALE

Geplaatst op 9 juni 2001
In de zeventiende eeuw speelde de Republiek een belangrijke rol in de Europese politiek, maar de daaropvolgende eeuw was veel minder groots....
Inleiding
Na de veertigjarige oorlog tegen Frankrijk, waarvan de Spaanse Successieoorlog (1701 - 1713) het sluitstuk vormde, was de Republiek der Verenigde Nederlanden financieel uitgeput. In de zeventiende eeuw speelde de Republiek een belangrijke rol in de Europese politiek, maar de daaropvolgende eeuw was veel minder groots. De Republiek werd overvleugeld door met name Engeland, maar ook andere staten wonnen aan gewicht, zoals bijvoorbeeld Pruisen. In de oude historiografie werd de achttiende eeuw beschouwd als een eeuw van verval. De regenten zouden geen sterk moreel meer hebben om een daadkrachtige buitenlandse politiek te voeren, die de grootsheid van de Republiek moest waarborgen. Volgens de historiografen hadden de regenten zich om deze reden teruggetrokken uit de Europese politiek. Daarmee hadden zij de schamele beeldvorming over de Republiek voor lange tijd vastgelegd.

De (financiële) zwakte van de Republiek, en het daarmee gepaard gaande zwakke buitenlandse beleid, was voor de oude historiografen en de tijdgenoten echter niet meteen duidelijk. De goede prestaties die gedaan waren tijdens de Spaanse Successieoorlog lagen nog in het geheugen. Echter, tegen 1740 was het toch duidelijk geworden dat de Republiek aan kracht had ingeboet. Er heerste binnen de regentenklasse een factiestrijd over het te voeren buitenlandse beleid, die een remmende werking had op de buitenlandse politiek. De Republiek deed zichtbaar minder actief mee aan de Europese politiek en was in feite afgezakt tot een mogendheid van de tweede rang.

In dit werkstuk wil ik gaan bekijken hoe de tijdgenoten zelf dachten over de buitenlandse politiek die de Republiek voerde in de periode rond 1740. De volgende vraagstelling zal in het werkstuk centraal staan: hoe dachten de schrijvers van pamfletten over de buitenlandse politiek van de Republiek in de periode rond 1740, het begin van de Oostenrijkse Successieoorlog?

De vraagstelling wil ik uit gaan werken aan de hand van een aantal pamfletten uit het register van Knuttel die geschreven zijn rond 1740 en die de buitenlandse politiek van de Republiek behandelden. Daarbij wil ik bovendien gaan kijken of in deze teksten gerept wordt over het machtsverval waaraan de Republiek onderhevig was.

De hoofdvraagstelling zal ik via de pamfletten op gaan splitsten in drie delen.

1. De theoretische vraag of er een machtsevenwicht mogelijk was in Europa en of dit wel gewenst was. Theoretisch, omdat in de politieke realiteit altijd wel coalities gesloten werden en er dus toch wel gesproken kan worden van een, al dan niet beperkt, machtsevenwicht. De coalities werden gesloten uit realistisch perspectief om op deze manier een eventuele hegemoniale positie van een land tegen te gaan. Maar waarom achtte men dan een evenwicht overbodig of zelfs onwenselijk?

2. Meningen die beweerden dat Frankrijk geen gevaar was voor de Republiek, terwijl toch duidelijk moest zijn dat de barrière in de Oostenrijkse Nederlanden een doorn in het oog van Frankrijk was en dus weinig vriendschappelijke gevoelens tegenover de Republiek koesterde. Waarom waren de auteurs deze mening toegedaan? Waren zij zo naïef of hadden zij er andere belangen bij?

3. Hulp van de Republiek aan Maria Theresia, koningin van Hongarije en erfopvolger van het Habsburgse Huis, in haar strijd in de Oostenrijkse Successieoorlog tegen onder andere Frankrijk. Waarom wilde men dat deze hulp gegeven werd, hoewel dit zou betekenen dat de Republiek haar zorgvuldig gekoesterde neutraliteit los zou moeten laten?

Via de pamfletten zal ik een antwoord op deze vragen en problemen over het buitenlands beleid van de Republiek geven. Een groot probleem hierbij was dat bepaalde auteurs dusdanig overtuigend konden schrijven, dat ik als lezer soms moeite had om mij niet mee te laten slepen in hun standpunt. Toen ik dit probleem echter door had, heb ik de pamfletten opnieuw gelezen met deze overwegingen en de nodige argwaan in het achterhoofd.

1. De Republiek in vredestijd 1713 - 1741
Met de vrede van Utrecht in 1713, kwam er een einde aan de Spaanse Successieoorlog (1701 - 1713). In deze oorlog had de Republiek een belangrijke rol gespeeld in de strijd tegen Frankrijk. De strijd was zeker succesvol geweest voor de Republiek, maar had tegelijkertijd veel van haar (financiële) krachten gevergd. Na de oorlog kampte de Republiek met een enorm gestegen schuldenlast, die een actief buitenlands beleid sterk bemoeilijkte. Zo was de staatsschuld van de Staten-Generaal in de periode 1670 - 1713 gestegen van 15 miljoen naar 60 miljoen gulden . Erger was echter dat het belangrijkste gewest en motor van de Republiek, Holland, evenzeer met een grote schuld te maken had.

Voor een kleine hybride mogendheid als de Republiek waren een groot leger én een grote vloot niet meer aan te houden in vredestijd. Daarom moest er gesneden worden in de militaire kosten. Dit leverde echter conflicten op met de andere provincies. Holland en Zeeland wilden wel de beschikking hebben over een goede vloot, maar waren veel minder enthousiast over meebetaling aan het leger. De provincies die daarentegen niet aan zee grensden en meer landinwaarts gericht waren, wilden een sterk leger. Dit soort particularistische conflicten kenmerkte de hele geschiedenis van de Republiek, maar tijdens oorlogen werden deze door de druk aan de kant geschoven. Na de Spaanse Successieoorlog laaiden alle financiële conflicten echter weer op. Dit had een verlammende werking op het functioneren van het staatsbestel en op de uitvoering van een krachtige buitenlandse politiek. De uitvoering van de buitenlandse politiek werd evenzeer belemmerd door de katerstemming die er in de Republiek heerste na de oorlog. Men had het idee dat de Republiek te weinig gewonnen had, ondanks de enorme inspanningen die er geleverd waren. Weliswaar waren de algemene oorlogsdoelen, zoals het veiligstellen van de grenzen en de handel, bereikt. De grote handelsvoordelen waren echter naar Engeland gegaan, dat de Republiek de loef had afgestoken door een afzonderlijke vrede te sluiten met Frankrijk.

Na de Spaanse Successieoorlog heerste er in de Republiek een factiestrijd over het te voeren buitenlands beleid. De strijd werd gevoerd door een tweetal regentenfacties die een onthoudingspolitiek, dan wel een zekerheidspolitiek voorstonden. In de eerste jaren na de oorlog voerde de Republiek een politiek van onthouding. Men hield zich afzijdig van alle buitenlandse gebeurtenissen die een eventueel gevaar op konden leveren voor de Republiek. De regenten wilden niet opnieuw in een grote oorlog terechtkomen. Voorts hoopte men dat via deze politiek de handel weer beter zou gaan lopen en er een einde zou gaan komen aan de economische crisis. Degenen die onthouding voorstonden wensten met andere landen geen alliantie aan te gaan, maar voor Engeland werd een uitzondering gemaakt. De gangbare mening overheerste dat de belangen van de Republiek en van Engeland te nauw verbonden waren om deze los te laten. Desondanks waren de betrekkingen tussen de Republiek en Engeland wel bekoeld. De Republiek voelde zich verraden door Engeland toen zij een verdrag met Frankrijk had gesloten, apart van de Republiek. Ook werd duidelijk dat Engeland een voorsprong had gekregen op maritiem gebied tijdens en na de Spaanse Successieoorlog. De Republiek leverde voornamelijk veel troepen, terwijl Engeland zich op de vloot kon concentreren. Engeland werd dus van bondgenoot een steeds grotere concurrent. Van Engelse zijde echter waren er ook wrijvingen tegenover de Republiek. Zo was het neutraliteitsverdrag van de Republiek met Frankrijk in 1733 de Engelsen een doorn in het oog. Ondanks de spanningen werd een alliantie met Frankrijk door de Staatse regenten niet als een alternatief gezien. De samenwerking met Engeland bleef de voorkeur houden.

De regenten die voor een zekerheidspolitiek kozen gingen uit van het standpunt dat de Republiek meer baat had bij defensieve allianties. Verder was men van mening dat zowel het leger als de vloot in goede staat moesten verkeren. Samen met de Habsburgse monarchie en Engeland zou er een blok opgericht kunnen worden tegenover Frankrijk. Via dit Oud Systeem kon er een Europees machtsevenwicht gevormd worden. Het pamflet Raisonnement über den gegenwärtigen Zustand der Balance von Europa uit hoofdstuk I kan hier als voorbeeld dienen. De voorstanders van de zekerheidspolitiek waren ervan overtuigd dat een Europees machtsevenwicht mogelijk was. De zekerheidspolitiek was wel riskanter dan de onthoudingspolitiek, omdat men via het alliantiesysteem toch in een oorlog verwikkeld kon raken.

Tegen 1726 gingen de zekerheidspolitici de boventoon voeren in de buitenlandse politiek van de Republiek. Koste wat kost moest ook volgens hen echter een oorlog vermeden worden. De vrede, zoals zij deze voor ogen hadden via allianties en een krachtige defensie, was echter niet mogelijk door de grote financiële tekorten die er heersten. Officieel hield men weliswaar vast van aan het Oud Systeem, maar in de praktijk moest men door geldgebrek een beleid voeren dat gekenmerkt kan worden als een van onthouding en afzijdigheid. Het geld was er slechts beschikbaar voor een van de twee defensieonderdelen. Het strategische veiligheidsprobleem van een hybride mogendheid kwam hier in volle omvang om de hoek kijken. Politiek gezien viel uiteindelijk de keus op een bondgenootschap met Engeland, maar op defensief gebied bleef de ambivalentie bestaan.

Een krachtig leger werd in de achttiende eeuw als onmisbaar beschouwd voor een doeltreffende buitenlandse politiek. En juist aan een krachtig leger ontbrak het de Republiek door de grote financiële problemen. Zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht schoot het Staatse leger tekort. Na de vrede van Utrecht werd het Staatse leger in hoog tempo ingekrompen. Eerst naar 40.000 en vervolgens tot 31.748 man. Maar zelfs dit aantal werd niet gehaald, aangezien de meeste provincies minder troepen aanhielden dan afgesproken was. Het effectief aantal troepen kwam dan ook neer op ongeveer 28.000 tot 29.000 man. Van dit aantal gingen echter ook nog eens 12.000 man af die de Republiek volgens het derde barrièretraktaat (november 1715) moest leveren. Eind 1726 werd het leger stapsgewijs weer uitgebreid naar 50.000 man toen de Republiek toetrad tot de alliantie van Hannover. Deze alliantie werd in 1725 gesloten tussen Frankrijk, Engeland en Pruisen en was een reactie de vorming van een bondgenootschap tussen Spanje en de Duitse keizer. Echter, ook bij deze aansluiting van de Republiek bij een bondgenootschap was het er toch vooral om te doen om de neutrale koers niet teveel los te laten. Door deze uitbreiding werden de financiële tekorten alleen maar groter en daarom werd er al snel weer aangedrongen op een vermindering van het aantal troepen. Deze vermindering zou echter door omstandigheden in de buitenlandse politiek pas in 1736 plaats vinden. 10.000 man troepen werden afgedankt en het leger bereikte een aantal van 44.286 man. Tot 1740 zou er geen wijziging komen in het aantal Staatse troepen. Dat dit troepenaantal onvoldoende was, werd ook door de Raad van State beseft. Men ging er echter vanuit dat het leger in oorlogstijd snel groter gemaakt kon worden door vooral Duitse troepen te huren.

Ook kwalitatief kon het Staatse leger de proeve van bekwaamheid niet doorstaan. Manoeuvres werden vrijwel niet gehouden en de troepen raakten gedemotiveerd door het geestdodende werk van alledag. Aangezien oefening kunst baart, kan men stellen dat het Staatse leger kwalitatief geen geweldig leger was. Dat de leiding van het leger de manoeuvres niet in wilde voeren is een opvallende zaak, omdat juist in deze tijd de manoeuvres een verbeterende nieuwigheid waren, waarbij zowel manschappen als officieren getraind werden. Het zeer goed getrainde Pruisische leger voerde hierin de Europese mogendheden aan.
Naast de beperkte kwaliteiten van de manschappen waren ook die van de officieren onvoldoende. Hoewel het Staatse leger zeer ruim voorzien was van officieren, school er ook veel kaf onder het koren. Veel oude officieren bleven in dienst om zo toch nog een inkomen te hebben. Het spreekt vanzelf dat de meeste van deze officieren weinig energie meer toonden. Overigens gebeurde dit in meerdere legers, zodat het Staatse leger hier geen uitzondering in was.

Een groot en machtig leger in vredestijd had echter nooit deel uitgemaakt van de Staatse traditie op militair gebied. Men vertrouwde in de regentenkringen veeleer op de barrière. Dit stelsel van vestigingwerken en fortificaties in de Oostenrijkse Nederlanden moest de Republiek beschermen tegen agressie van Frankrijk. Dit vertrouwen was niet terecht, want de vestingen verkeerden in een matige staat. De verdedigingswerken hadden al heel wat te lijden gehad in de Spaanse Successieoorlog en waren daarna slechts onvoldoende opgeknapt en vaak al verouderd. Tijdens de oorlog van 1701 - 1713 was de barrière al een keer door de Franse legers veroverd, maar zij toonden weinig enthousiasme over de vestingen:


you will scarcely credit the state of decay of all these fortresses. It defies description. All the works are of earth, without storm-poles or palisades, and the exterior slopes have subsided and are easy to climb. But for their wet ditches, every single one of these places would be open to insult along its entire perimeter.


Ook na de Spaanse Successieoorlog verkeerden de werken in een slechte staat. Financiële tekorten en een trage besluitvorming bij de gewesten zorgden ervoor dat er slechts weinig herstelwerkzaamheden of verbeteringen doorgevoerd konden worden. Bovendien moesten door de verbeterde manieren van belegeren de fortificaties uitgebreider zijn, en dus duurder. Bovendien heerste er onder de regenten ook verdeeldheid over de barrière. De voorstanders van de onthoudingspolitiek ageerden kort na de vrede van Utrecht al tegen deze manier van verdediging. De barrière leek hen een uitstekende manier om in conflict te komen met Frankrijk en eventueel Oostenrijk. In het geschrift Korte schets van s Lands Welwezen (1714) pleitte de auteur voor een barrière ter zee van 140 oorlogsschepen. Beter nog kon men de kernlanden van de Republiek via de Hollandse en Zeeuwse barrière verdedigen. Tenslotte nam de auteur Zwitserland als voorbeeld: een neutraliteitspolitiek zoals die door Zwitserland gevoerd werd moest de Republiek als voorbeeld dienen. Na 1726 gingen echter de zekerheidspolitici de boventoon voeren en kwam er weinig meer terecht van de ideeën van de onthoudingspolitici.

Tekenen van verval waren eveneens bij de vloot te constateren. Tot 1689 was de Republiek der Verenigde Nederlanden nog een eersterangs zeemogendheid, maar in de periode daarna werd zij overvleugeld door Engeland. In de strijd tegen Frankrijk werd de Republiek gedwongen om zich op een landoorlog te concentreren. De grote kosten gingen hierdoor naar het Staatse leger met als gevolg dat de vloot minder te verteren had. Tijdens de Spaanse Successieoorlog kon de Staat gemiddeld nog 50 schepen naar zee sturen, maar het was met moeite en er werden steeds minder nieuwe schepen gebouwd. Dit had tot gevolg dat de Staatse vloot kwalitatief achteruit ging. Gedurende de vredesperiode 1713 - 1741 werd er zelfs helemaal geen generaliteitssubsidie meer verstrekt aan de admiraliteitscolleges ter vervanging van oude schepen. Tegelijkertijd werd de Britse zeemacht steeds sterker. Met buitengewone lasten viel er voor de Staatse zeemacht nog wel iets te redden, maar dit kon toch niet verhinderen dat tussen 1714 en 1750 de totale navale macht van de Republiek meer dan gehalveerd werd en nog over slechts 48 schepen kon beschikken. Tevens was het aantal zware linieschepen ook nog eens verminderd, zodat de Republiek in geval van oorlog geen volwaardige vloot op zee zou kunnen brengen. Engeland daarentegen timmerde stevig aan haar vloot en kon in 1740 120 linieschepen in zee brengen. Ook Frankrijk beschikte in 1740 over een flinke vloot van 41 linieschepen en behoefde alleen Engeland voor zich te dulden.

Men kan uit het voorgaande dus concluderen dat de Republiek op militair en navaal terrein een sterke achteruitgang doormaakte, vergeleken met de prestaties die in de Spaanse Successieoorlog waren geleverd. Een absolute achteruitgang, maar tevens ook een relatieve aangezien zowel Engeland als Frankrijk de Republiek voorbij streefden op navaal en militair gebied.


2. Het machtsevenwicht in Europa. Onrechtvaardig systeem of bittere noodzaak?

Algemeen overzicht
In het Europa van de achttiende eeuw speelde de vorming van allianties een belangrijke rol om al te expansionistische mogendheden in bedwang te houden. De Grote Alliantie die gevormd werd tegen Frankrijk in de Spaanse Successieoorlog en de allianties die gevormd werden tegen Pruisen in de Zevenjarige oorlog kunnen hier als voorbeeld dienen. Een machtsevenwicht kan daarom als volgt getypeerd worden: een stelsel van allianties tussen landen, dat het voorkomen van een hegemoniale macht tot doel heeft. Het stelsel is echter niet stabiel, aangezien er telkens nieuwe krachten opdoemen en er dus een nieuw evenwicht vereist wordt. De status-quo die ontstaan was na de Spaanse Successieoorlog werd vastgelegd in de verdragen van Utrecht. Garanties voor de naleving van de verdragen werden gegeven door zowel Engeland als Frankrijk. Het voorheen naar hegemonie strevende Frankrijk had daarbij afstand gedaan van zijn absolute aanspraken en Engeland had op het continent geen territoriale ambities meer. Frankrijk bleek echter niet de juiste garantiemacht te zijn, omdat het misbruik maakte van zijn positie. Veel eigenbelangen kwamen om de hoek kijken onder het mom van bescherming van verdragen. Een punt dat ook duidelijk aangekaart werd door het pamflet Raisonnement über den gegenwärtigen Zustand der Balance von Europa. Het streven naar eigen voordelen was de nieuwe Franse politiek geworden en verschilde dus duidelijk met de naar hegemonie strevende Lodewijk XIV. Een gevolg hiervan was, dat er telkens wisselende bondgenootschappen ontstonden, in plaats van de grote anti-Franse coalities die de zeventiende eeuw kenmerkten.

In de achttiende eeuw kon een land erop rekenen, dat als het de bestaande orde wilde aantasten, er een front gevormd zou worden tegen het agressieve land. Om dit front te doorbreken moest het hele instrumentarium uit de kast worden gehaald om zo min mogelijk weerstand op te wekken. Deze instrumenten behelsden onder meer diplomatieke onderhandeling, publicistische manipulatie en economische pressie. Het pamflet Reflexion impartiale kan hierbij als lichtend voorbeeld van publicistische manipulatie dienen. Dit pamflet, waarschijnlijk afkomstig van de Franse ambassadeur markies De Fénelon, probeerde aan te tonen dat Frankrijk niets kwaads in de zin had tegen de Republiek. Ter voorbereiding van een oorlog ging een hele diplomatieke voorbereiding vooraf en men kan dus ook stellen dat strategie en diplomatie hand in hand gingen. Tegelijk kan men ook de stelling verdedigen dat combattanten elkaar niet definitief de nekslag wilden toedienen door de tegenpartij helemaal te vernietigen. Het machtsevenwicht bleef belangrijk en was niet gebaat bij het totaal wegvallen van een grote mogendheid. Dit zou een politiek en militair vacuüm veroorzaken waar niemand baat bij had. Misschien dat dit ook een verklaring kan bieden voor het feit dat de oorlogen van de achttiende eeuw weliswaar bloedig waren, maar in het algemeen weinig echte veranderingen teweeg brachten.

De pamfletten die onder andere het thema machtsevenwicht behandelen zijn de pamfletten Bedenkingen over het evenwicht van Europa. (1741) en Raisonnement über den gegenwärtigen Zustand der Balance von Europa. (1741) Duidelijk is te zien waar de voorkeur lag ten opzichte van het machtsevenwicht: door het evenwigt word de ongerechtigheid openbaar ondersteunt , aldus de auteur van Bedenkingen. Het pamflet Raisonnement daarentegen beschouwde een machtsevenwicht juist van essentieel belang voor Europa, aangezien Frankrijk te sterk voor Europa was en het oude, traditionele tegenwicht van Frankrijk, de Habsburgse monarchie, steeds meer verzwakte. Maar niet alleen zijn de pamfletten elkaars tegenpool op het gebied van het thema vóór of tegen het machtsevenwicht, maar ook op het gebied van stijl zijn de twee pamfletten geheel verschillend. Waar de (anonieme) auteur van Bedenkingen over het evenwicht van Europa probeerde in een stemmingmakende stijl de lezers achter zich te krijgen, daar liet de, eveneens onbekende, auteur van het uit de Duitse landen afkomstige Raisonnement über den gegenwärtigen Zustand der Balance von Europa op een indrukwekkende, analyserende manier zien dat het Huis van Habsburg aan het verzwakken was en dat Frankrijk daarentegen juist steeds sterker werd. Bij dit pamflet was geen sprake van stemmingmakerij of een, al dan niet bewust, verkeerde manier van voorstellen. De haast koele, wetenschappelijke analyse over de toestand van Europa maakte dit stuk tot een indrukwekkend pamflet. Te meer daar, omdat de andere pamfletten duidelijk probeerden op een slinkse wijze zieltjes te winnen.

Bij de pamfletten is een opvallend gegeven te zien. De pamflettisten die pro-Frans waren, betwistten over het algemeen het bestaan of de noodzaak van de vorming van een machtsevenwicht. De auteurs van anti-Franse pamfletten daarentegen waren tegelijk ook vóór de vorming of behoud van het Europees machtsevenwicht. Dit was echter een logisch gevolg van het feit dat Frankrijk rond 1740 de sterkste continentale mogendheid was. De zwakkere mogendheden probeerden zich op deze manier tegen de Franse expansie te wapenen. Frankrijk had er dus alle belang bij dat er zo min mogelijk alliantievorming tegen haar ontstond.

Pamfletten vormen een van de beste bronnen om inzicht te krijgen in de publieke opinie die er heerste in de Republiek. In deze geschriften, die soms zeer lang konden zijn, werden een veelheid aan onderwerpen aan de orde gesteld: de verhouding van de Republiek tot Engeland en tot Frankrijk, het Pachters-oproer en de politiek van Frederik II zijn er enkele van. Voor het schrijven van pamfletten was geen goede kennis van zaken noodzakelijk. We zullen hier nog goede voorbeelden van zien. Het is daarom niet verwonderlijk dat sommige auteurs zich in de anonimiteit verscholen of onder pseudoniem werkten.


Pamfletten onder de loupe. Deel I: Bedenkingen over het evenwicht van Europa
Inhoudelijk wilde de anonieme auteur van het in 1741 verschenen pamflet Bedenkingen over het evenwicht van Europa duidelijk maken dat het machtsevenwicht in Europa vanaf het ontstaan in de zestiende eeuw misbruikt is. Dat hij van mening was dat daarvoor geen politiek of militaire evenwicht bestond blijkt uit de openingszin: Het evenwigt is op zig zelfs aangemerkt, eene staatkundige uytvinding, waarvan men in de voorlede tyden niets geweeten heeft. De algemene teneur van het pamflet wilde duidelijk maken dat het evenwicht een dekmantel was, voor, op expansie gerichte vorsten, die zich verscholen achter het concept om zo hun territorium uit te breiden. Opvallend is dat de schrijver zich op dit punt meteen al tegensprak:

Zoo dra eene overwegende magt zig van haare Superioriteit zogte te bedienen, en tot nadeel van haare naburen haare grenspalen tragtte uyt te zetten, terstond namen de partyen die het meeste aan t gevaar bloot gestelt waren, haare toevlugt tot de verbintenissen, houdende het in t byzonder met diegeenen, die op haare beurt desgelyks eene offerhande van deze heerschzugt zouden kunnen worden; invoegen, dat zy zig door deze onderlinge tzamenvoeginge niet alleen in Staat stelden, om geweld met geweld te keer te gaan; maar zig ook voor allen gedreygden inval en onderdrukkingen konden beveyligen.

Deze zin laat juist het positieve van het evenwicht zien: de sterke landen konden op deze manier hun expansiepolitiek niet zomaar uitoefenen. Volgens de auteur maakte vooral de Habsburgse monarchie zich schuldig aan ongewenste expansie. Hij wilde dit bewijzen door aan de hand van de geschiedenis te laten zien dat al onder Karel V de Habsburgse monarchie probeerde om opperheerschappij te verwerven over de Duitse landen . In dit licht bekeek de pamflettist ook de Pragmatieke Sanctie. Deze werd gesloten uit angst dat de balans door zou slaan naar Frankrijk indien de Habsburgse monarchie niet op grote schaal gesteund zou worden door andere mogendheden. De auteur ging eraan voorbij dat de Pragmatieke Sanctie juist gesloten werd om de erfopvolging voor toekomstige heerser van het Habsburgse huis veilig te stellen en de ondeelbaarheid van gebieden te laten garanderen. Want vele dynastieke gieren zagen de Habsburgse prooi al liggen. Iedereen die meende aanspraak te kunnen maken op de troon zou dat ook gaan doen. Wel was het zo dat daar ook een aantal gebieden bijzaten die door Karel VI geannexeerd waren. Daar had hij dus geen recht op.

De auteur zag in het machtsevenwicht een aantal misbruiken:

Indien nu ook al het Systhema van het evenwigt zyne aanhangers vindt, zoo is het dog evenwel niet vry van misbruiken: Want (1) is hetzelve maar alleenlyk gegrondvest op valsche verbeeldingen, strekkende tot niets anders, als om geheel Europa byna in eene altoos durende onrust te stellen. (2) Word de ongeregtigheid daardoor openbaar ondersteunt, en (3) Het geene omtrent den éénen door het evenwigt herstelt word, dat word by den anderen wederom omverre gestoten.

Dit was de kern van het pamflet met betrekking tot de ideeën over het machtsevenwicht. In een Eerste Propositie wilde de auteur van Bedenkingen dan ook laten zien waarom er geen machtsevenwicht nodig was. Als voorbeeld werd het machtige Rusland genomen, dat met zijn enorme leger Zweden zou kunnen verslaan. Als Zweden argwaan zou koesteren dan zou het land zeker gebruik maken van het evenwichtssysteem. En ook andere van dergelijke situaties kwamen in Europa voor. Zoals de Republiek gebied zou kunnen verliezen aan het expanderende Pruisen dat aanspraak maakte op gebieden van Nassau. Geen van deze landen zochten echter hun steun bij het machtsevenwicht.

Het is, om dat zy het daarvoor houden, dat hetzelve in het onderhouden van eene goede verstandhouding bestaat, en dat de overweging alleen van eene naburige Magt, of derzelver onderneemingen, die in het toekomende tegens hun zouden kunnen geschieden, geene genoegzame reden is, om eene tegenwoordige vreeze by hen te verwekken.

Nadat de pamflettist zijn mening over het machtsevenwicht verkondigd had, wilde hij aantonen dat Frankrijk geen gevaar was voor het evenwicht van Europa. Frankrijk bemiddelde bij plaatsten waar onrust heerste en stond borg voor verscheidene garanties, zoals de vrede van Westfalen. De zeker niet onterechte beschuldiging dat Frankrijk de garanties gebruikte om zich in andermans zaken te mengen deed de auteur af met het feit dat er geen bewijs voor was. Om nog eens aan te tonen dat Frankrijk beslist geen gevaar was voor het evenwicht in Europa besprak de schrijver de grenzen van Frankrijk:

Vrankryk, als zynde, en door de Zee, en de Barriere plaatzen, als mede de Moesel, den Rhyn, de Alpen, en de Pyreneische gebergtens omgeven, zig in zulke natuurlyke en voordeelige grenspalen bevindt, dat het niet eens gedenkt om dezelve verder uyt te zetten.

Dat Frankrijk al voor de uitgave van het pamflet een leger naar de Duitse landen gestuurd had om haar machtspolitiek kracht bij te zetten, daaraan ging de pamflettist voorbij. Opvallend is dat men vrijwel precies dezelfde argumenten vindt om Frankrijk vrij te pleiten in het pamflet Reflexion Impartiale. En aangezien er grote kans is dat Reflexion geschreven was door de Franse ambassadeur De Fénelon, geeft het wel te denken. Frankrijk was dus helemaal geen gevaar voor Europa. Eerder kon men de Habsburgse monarchie zien als een gevaar voor de Duitse landen:

Waaruyt ik besluit, dat Europa wegens den overwegende magt van Frankrijk, weiniger redenen heeft om zig te verontrusten, als het duytsche Ryk te vrezen heeft voor de overheerschende magt van het huys van Oostenrijk.

In de conclusie tenslotte bood de auteur een vervanging voor het machtsevenwicht. Defensieve verbonden zouden veel beter functioneren en ook het aan evenwicht gekoppelde onrecht zal niet meer voorkomen. Toch was de pamflettist hier pessimistisch over want de Habsburgse monarchie zou vast niet mee willen doen, aangezien dit een verzwakking zou betekenen van haar machtspositie.

Pamfletten onder de loupe: deel II: Raisonnement über den gegenwärtigen Zustand der Balance von Europa.

Evenals het pamflet Bedenkingen over het evenwicht van Europa behandelde dit pamflet de idee over het machtsevenwicht in Europa. Dit is gotisch Duits gepubliceerde pamflet kent een duidelijke, in paragrafen verdeelde, opbouw naar de kern van de tekst: waarschuwing tegen de toenemende overmacht van Frankrijk. Allereerst begon de auteur met de geschiedenis van de strijd tussen Frankrijk en de universele Habsburgse monarchie. Tussen deze twee Europese grootmachten gingen de oorlogen in Europa voornamelijk. Maar beide landen hadden zich wie zwei Waagschaalen in evenwicht gehouden. Dat Frankrijk het tegen de veel grotere Habsburgse monarchie op kon nemen, kwam omdat de Habsburgse gebieden niet aan elkaar gesloten lagen. Frankrijk daarentegen was aaneengesloten en kon op deze manier wel alle reserves mobiliseren tegen de vijand. Volgens de pamflettist was dit feit nooit genoeg ingezien of overwogen geworden. In voorgaande tijden was het machtsevenwicht van Europa eigenlijk niets anders dan een evenwicht tussen de huizen van Habsburg en Bourbon. Maar sinds die tijd waren er veranderingen opgetreden.

Die Spanische Monarchie (hatte) ganze Königreiche und Länder verloren, und (war) endlich in eine veritable Armuth und Bettelen gerathen; Die Österreichische branche in Teutschland auch seit dem dreyßigjährigen Krieg durch allerley Zufälle, die ich nicht berühren mag, an Macht abgenommen, und im gegentheil Frankreich durch gewaltsame Endigung der hugenotten-Kriege, wie auch durch Manufacturen und Commercia seine innerliche Stärke, und durch Conqueten seine äusserliche Macht vermehret hat.

Een duidelijke analyse van de toestand zoals deze heerste in de eerste helft van de achttiende eeuw in Europa. Volgens de schrijver kon men dan ook concluderen dat er geen evenwicht meer was tussen Bourbon en Habsburg, maar tussen Frankrijk en de rest van Europa. Dit werd nog versterkt door het feit dat er ook in Spanje een Bourbon op de troon kwam:

so ist die schon längst überlegene Macht von Frankreich daduch ganz und gar über das Gewicht geschritten, und hat der berühmte P. Daniel in seiner Französischen Historie gar recht von dem Utrechtischen Frieden geurtheilet, daß Frankreich dadurch den allergeringsten theil seiner Conqueten gegen Spanien und West-Indien vertauschet habe.

In paragraaf drie ging de pamflettist in op de oorzaken van de fouten die gemaakt waren. Het toenmalige Engelse ministerie zag de grote zwakte van het Habsburgse huis niet in na de Spaanse Successieoorlog. De vereniging van de Spaanse erflanden met de Duitse landen werd door hen als het grootste gevaar gezien. Dit verbond was in het verleden al niet sterk genoeg om Frankrijk tegen te houden en door de splitsing was het helemaal ontoereikend. Daar kwam nog bij dat de Engelse diplomaten dachten dat het voldoende zou zijn als men in het verdrag van Utrecht vast zou leggen dat beide landen niet onder een kroon zouden mogen komen te vallen. Volgens de auteur was deze gedachtegang echter verkeerd. Het verleden van de Habsburgse universele monarchie had immers bewezen dat een dergelijk groot rijk niet vanuit één kroon te regeren was. Er was altijd wel een regent die zijn eigen weg probeerde te gaan. Via verdeel en heers hoopten de Engelsen de rust te kunnen garanderen. De politiek pakte echter geheel verkeerd uit want:

Betrachtet man nun den Erfolg der Sachen nach der Zeit des Utrechtischen Friendens, so ergiebt sich: 1) Daß Frankreich in weinig Jahren sich von dem in dem letzteren Krieg erlittenen Verlust, und insonderheit von den auf sich geladenen grossen Schulden, dergestalt wieder erholet hat, daß es weder an Mannschafft, noch an den Finanzen, noch in Ansehen der Manufacturen, Commercien und Schiffahrt, den geringsten Abmangel mehr verspühret, sondern in allen diesen Stücken mehr als jemahls florieret und formidable ist; dahingegen alle andere, auch die reichste potenzen, als Engelland und Holland, noch bis diese Stunde unter der von dem vorigen Krieg herrührenden Schulden-Last liegen, und sich derselben wohl noch in einem halben Seculo nicht entledigen werden. Van het uitspelen van de takken van het huis van Bourbon kwam niets terecht en dit maakte Frankrijk nog gevaarlijker aangezien er geen verdragen meer nodig waren om bijstand te kunnen verkrijgen. Bovendien kon Frankrijk zich op deze manier in andermans zaken gaan mengen. De politieke reikwijdte kwam veel verder te liggen. De garanties die Frankrijk aangebood wisten de Franse diplomaten gar listig zu seinem Vortheil zu bedienen.

Bij vrijwel alle garanties die in Europa gesloten waren, was Frankrijk betrokken. Van de vrede van Westfalen tot de garantie die gegeven was na de Poolse oorlog en zelfs in Zweden had Frankrijk een vinger in de pap. Dit argument werd ook aangehaald door de auteur van Bedenkingen die het echter probeerde te ontkrachten. Zoals de pamflettist een opsomming geeft van alle diplomatieke verworvenheden was het logisch dat hij Frankrijk als een gevaar voor het evenwicht in Europa beschouwde. Anderzijds moet men wel stellen dat dit een geweldig staaltje van Franse diplomatie was en dat een aantal landen zich de kaas behoorlijk van het brood hadden laten eten.

Na al deze overzichten waarin de auteur aan wilde tonen dat Frankrijk te sterk was voor Europa, kwam de auteur tenslotte in paragraaf zes tot de conclusie. Vele heersers waren afhankelijk gemaakt van de Franse koning en moesten zich schikken in de Franse politiek. In bijna alle verdragen en aanspraken en rechten had Frankrijk wel iets in te brengen.

Wer will läugnen, daß die Balance von Europa auf dem Punkt steht, verloren zu gehen, da der würckliche Anfang einer Französischen Superiorität und Oberherrschaft sich so empfindlich fühlen läßt, und so augenscheinlich zu Tage legt? Als men niet oppaste en het evenwicht snel herstelde, dan bleibet den Königen und Fürsten von Europa nichts übrig, als Frankreich ihr Gold, Weyhrauch und Myrrhen zu opffern, und Tribut und Geschenke zu bringen.

3. Frankrijk: vriend of vijand? Anti- en pro-Franse pamfletten.
Algemeen overzicht
Frankrijk kwam verzwakt uit de Spaanse Successieoorlog. Door de langdurige strijd had het land grote schulden en in het noorden had het moeten toestaan dat er een gordel van vestigingen en fortificaties opgericht werd. Deze barrière in de Oostenrijkse Nederlanden zou de Republiek der Verenigde Nederlanden bescherming moeten bieden tegen eventuele toekomstige Franse agressie en kwam onder gezamenlijk beheer van de Republiek en de Habsburgse monarchie. Deze manier om Frankrijk in te dammen bestond al geruime tijd, maar kon pas na de overwinning op Frankrijk doorgevoerd worden. Frankrijk bezat ondanks de nederlaag nog steeds een groot economisch en demografisch potentieel. Het land had de grootste bevolking van Europa en had de beschikking over een snel groeiende handel en nijverheid. Militair was Frankrijk eveneens het sterkste land van Europa en alleen een coalitie van landen kon Frankrijk militair in bedwang houden. Maar ook cultureel stond Frankrijk in hoog aanzien. Het Frans was de taal van de elite en de diplomatie en de Franse cultuur was toonaangevend in Europa.
Frankrijk kende echter ook een aantal ernstige problemen. Frankrijk was niet in staat om zowel een groot leger als een krachtige vloot te in stand te houden. Pogingen om de staatsinkomsten te vergroten mislukten door het verzet van geprivilegieerden en de parlementen. Bovendien was in 1715 de Zonnekoning Lodewijk XIV overleden en de opvolger was pas vijf jaar oud. Frankrijk was in de jaren 1720 ondanks al deze problemen opnieuw de sterkste mogendheid van Europa geworden.

De rust in Europa werd gegarandeerd door een samenwerking tussen Engeland, dat bereid was om in te grijpen op het continent, en Frankrijk, dat zijn hegemoniale pogingen had opgegeven. Deze onnatuurlijke samenwerking kende weinig steun van de diplomaten en werd eigenlijk in stand gehouden door de zwakte van beide dynastieën. In de tweede helft van de jaren 1720 waren deze problemen echter weer opgelost. De reden voor samenwerking was nu verdwenen. Daar kwam nog bij dat er een felle concurrentie gaande was na het Franse financiële en economische herstel. Dit gaf Frankrijk de nodige zelfverzekerdheid en onder de anti-Britse en anti-Habsburgse minister van buitenlandse zaken Chauvelin ging Frankrijk steeds meer zijn eigen weg zoeken. Tegelijk keerde Groot-Brittannië onder Walpole terug in een isolationisme en de samenwerking tussen beide machtige landen verdween. De groeiende zelfverzekerdheid van de Fransen hield echter niet in dat het Groot-Brittannië naar de kroon begon te steken. De Habsburgse monarchie werd nog steeds als de echte vijand van Frankrijk gezien. Het tweede verdrag van Wenen (16 maart 1731) werd als een groot gevaar beschouwd voor de veiligheid van Frankrijk en markeerde tevens het einde van de samenwerking tussen Groot-Brittannië en Frankrijk. Voor Frankrijk, dat zich tot dan toe passief en loyaal had opgesteld ten opzichte van de entente was het verdrag onacceptabel, want dit verdrag, dat zowel door Engeland als de Republiek ondertekend werd, dreigde Frankrijk te isoleren.

De Pragmatieke Sanctie was door alle belangrijke Europese machten ondertekend behalve door de Franse koning. Hoewel Frankrijk een vreedzame politiek voerde, wilde het toch toeslaan zodra de tijd daarvoor rijp was. In de jaren 1720 was dit niet mogelijk geweest, omdat de interne situatie dit niet toeliet. Onder kardinaal Fleury en Chauvelin creëerde Frankrijk een diplomatiek blok, met het koninkrijk Beieren als belangrijkste centraal-Duitse staat, tegen de Habsburgse monarchie. Later kwam hier nog Pruisen bij. Maar niet alleen in de Duitse landen trok Fleury de diplomatieke betrekkingen aan. De oude relaties met Denemarken, Zweden, Polen en het Ottomaanse Rijk, die in de zeventiende eeuw gebruikt waren om de macht van de Habsburgers in te perken, werden nieuw leven ingeblazen. Deze keer werden de bondgenoten ook gebruikt om de Habsburgse bondgenoot, Rusland, tegen te houden. Het Franse doel in het Baltische gebied was om zowel Russische als Habsburgse invloed tegen te gaan. De Fransen waren van mening dat deze twee machten Oost - en Noordelijk Europa teveel beheersten. Het wachten was nog slechts op de gebeurtenis die de lont in het kruitvat zou plaatsten. Dit werd de Poolse Successieoorlog (1733 - 1735/38).

In 1732 gingen de mogendheden zich bezig houden met de opvolging van de Poolse koning. Deze keurvorst-koning was al oud en opvolging moest geregeld worden. Een van de kandidaten was aangetrouwde familie van de Franse koning en dus lag steun voor de hand. Deze situatie was echter ook een uitstekende gelegenheid om de Russisch-Habsburgse dominantie in Oostelijk Europa aan te vallen. De door Frankrijk gesteunde kandidaat werd inderdaad gekozen, maar Rusland en de Habsburgse monarchie gingen niet akkoord met deze kandidaat. Men was bang voor een Franse vazalstaat in het oosten. Russische troepen vielen daarom Polen binnen en bewerkstelligden zo een nieuw koning. De oorlog die losbrak was er voornamelijk een van herbevestiging van de opkomst van Frankrijk. De oorlog tussen Frankrijk en de Habsburgse monarchie duurde twee jaar en in oktober 1735 werd er een voorlopig verdrag getekend. Frankrijk zou rechten krijgen op Lotharingen en in ruil daarvoor de Pragmatieke Sanctie erkennen. Echte vrede kwam er met het derde verdrag van Wenen dat in 1738 gesloten werd. Men kan dus concluderen dat een goede Franse diplomatie, gecombineerd met geringe militaire inzet tot grote successen leidden. Het toekomstige bezit van Lotharingen zou de oostgrens versterken en de vanaf 1648 gevoerde diplomatie voltooien.

De Habsburgse monarchie was verzwakt en de expansie van het Habsburgse rijk was gestopt en een lid van de Bourbonfamilie kwam in Napels op de troon. De Franse politiek was tot 1740 zeer succesvol geweest en Frankrijk was naar de woorden van Frederik II van Pruisen weer de arbiter van Europa.

Voor de Republiek hield de hernieuwde Frans-Habsburgse tegenstelling in dat de oude strategische gevaren met betrekking tot de Oostenrijkse Nederlanden weer opdoemden. In de Poolse Successieoorlog had het al tot een conflict met Frankrijk kunnen komen, ware het niet dat de Fransen de Republiek aanboden om de Zuidelijke Nederlanden te sparen in geval van oorlog met de Habsburgse monarchie. Als tegenprestatie zou de Republiek neutraal moeten blijven. De Staatse regenten, die allang blij waren dat zij buiten de strijd konden blijven, gingen hiermee akkoord en in november 1733 werd een neutraliteitsverdrag gesloten tussen Frankrijk en de Republiek. Hoewel de Republiek in deze jaren aanmerkelijk zwakker was dan twintig jaar daarvoor, genoot de Republiek in de perceptie van het buitenland toch nog veel aanzien. Als dit niet zo zijn geweest, dan zouden de Fransen niet zoveel belang hebben gehecht aan de Staatse neutraliteit. Groot-Brittannië volgde na enige aarzeling de Republiek. Men was bang dat als Engeland in oorlog zou geraken, de Staatse kooplieden van hun neutraliteitspositie konden profiteren ten koste van de Engelse kooplieden. Het Vrij schip, vrij goed verdrag van 1674 was nog altijd geldig.

Al met al is het niet verwonderlijk dat de Staatse regenten met argwaan naar Frankrijk keken. De machtige diplomatie, die gesteund werd door een al even machtig leger, deed het doen voorkomen als regeerde Frankrijk inderdaad over Europa. In de volgende pamfletten zullen we zien hoe men dacht over Frankrijk. Voor- en tegenstanders van Frankrijk zullen hun licht laten schijnen over de situatie in Europa en de positie die de Republiek in moest nemen tegenover Frankrijk en de positie in de Oostenrijkse Successieoorlog. Het in het hoofdstuk over machtsverval behandelde pamflet Raisonnement über den gegenwärtigen Zustand der Balance von Europa was ook gericht tegen de te sterke macht van Frankrijk, maar bekeek vooral de machtspolitieke situatie. De anti-Franse pamfletten die in dit hoofdstuk behandeld zullen worden, bekeken de situatie veel meer vanuit het perspectief van de Republiek. Dit hield in dat men meer gericht was op de interne toestanden die er in Frankrijk heersten, zoals de onvrijheid van religie. Verder keek men vooral naar de gevaren die Frankrijk op zou kunnen leveren voor de Republiek zelf. Het is dan ook duidelijk te zien dat het pamflet Raisonnement afkomstig was uit de Duitse landen, terwijl de andere anti-Franse pamfletten afkomstig waren uit de Republiek. Een groot verschil in benadering dus.

Pamfletten onder de loupe: deel III: Vertalinge van zeker geschrift in het Fransch uitgegeven, onder den naam van Reflexion impartiale.

Dit uit het Frans vertaalde pamflet dient met enige reserve te worden bekeken. Het is hier niet onomstotelijk te bewijzen, maar het is zeer wel mogelijk dat dit pamflet geschreven was door de Franse ambassadeur in de Republiek, markies De Fénelon. Diens doel zou kunnen zijn, om via dit werk de Republiek buiten de Oostenrijkse Successieoorlog te houden. De titel van het pamflet, overpeinzingen over onpartijdigheid, zou hier al op kunnen wijzen. In het hoofdstuk over het machtsevenwicht konden we zien dat een van de voorbereidingen op oorlog het voeren van diplomatiek offensief was. Als het mogelijk zou zijn om op een dergelijke manier de Republiek buiten een oorlog te houden, net als in 1733 gebeurde, dan was dit voor de Franse diplomatie een groot succes.

In het begin van het pamflet hield de schrijver van het pamflet, die zich ook wel ons Hollanders noemde, zich bezig met de kwestie van de legeruitbreiding. Hoewel er al zeer veel standpunten ingenomen waren, had de auteur toch nog een nieuw gezichtspunt gevonden. De pamflettist is tegen de uitbreiding naar tachtigduizend man, omdat de financiële situatie veel slechter zou maken. De auteur zat echter veel meer met de vraag of na de uitbreiding er ook weer een reductie plaats zal gaan vinden. Bovendien was de augmentatie helemaal niet nodig: Dit is geen Project van eene Vermeerdering der Troepen die haaren oorsprong uit de noodzaakelykheid van de algemeene bescherming haalt. Was er gevaar, zouden er zoo veele debatten niet zyn, en de stemmen waren al overlange vereenigd. Men bespeurt geene Vyanden tegens de Republyk, maar men waant dat zy er moogelyk zou konnen krygen, en dat om iets uit te vinden dat ons opwekt. De auteur ging eraan voorbij dat de besluitvorming in de Republiek altijd op een dergelijke trage manier voortgang vond. De gevaren waren volgens de pamflettist gewoon verzinsels, want er waren amper vijandelijke troepen in de buurt en aan de grenzen. Ook Frankrijk was geen vijand van de Republiek, want het had een vriendschapsverdrag aan de Republiek aangeboden. Dit was echter afgewezen. Hoewel er twee legers naar de Duitse landen gestuurd waren, hadden deze de Republiek niet tot doel en in het zuiden was er geen sprake van opbouw van troepen. Op deze manier probeerde de schrijver van het pamflet de argwaan tegen Frankrijk weg te nemen. Zijn argumenten waren echter niet overtuigend. Hij wees alleen op het feit dat er geen troepen direct aan de grenzen stonden. Maar via het alliantiesysteem zou er heel snel wel een oorlog met de Fransen kunnen ontstaan.

Na deze poging wilde de auteur de uitbreiding van troepen weer aan de kaak stellen. Hetzelfde argument werd gebruikt, zou er wel een reductie plaatsvinden als er geen troepen meer nodig waren? De schrijver dacht van niet: Die genen die het te boven zullen gekomen zyn om de Troepen van tyd tot tyd te verdubbelen, en de Promotie van Generaals noodzaakelyk te maaken, zullen by dat groot Militair Corps als zyne Patroonen aangemerkt worden. Zullen zy hun werk gaarne verydeld zien, en er al de vrucht van verliezen? De eventuele reductie zou kunnen leiden tot factiestrijd en men zou valse argumenten aanvoeren om toch een zo groot mogelijk leger aan te houden. Men was in het verleden al zo vaak bedrogen, ook door Engeland. Dit lijken allemaal vergezochte argumenten. Het verleden wees uit dat er wel degelijk reducties waren doorgevoerd. Zo ver zelfs dat er eigenlijk veel te weinig troepen waren ter verdediging van de Republiek. In plaats van een legeraugmentatie had de pamflettist liever een uitbreiding van de militie gehad. Deze voorkeur zou misschien wel zijn, omdat de militie veel minder goed getraind was dan volwaardige troepen. In de achttiende eeuw stond militie over het algemeen niet erg hoog aangeschreven.

Tot slot wilde de pamflettist zijn bezwaren wel laten gaan als hij antwoord zou krijgen op twee vragen, die eigenlijk weer een herhaling waren van zijn eerdere argumenten. 1) Wat zou er moeten gebeuren als zoveel volk de wapens zou krijgen en de bevelvoerders niet zou gehoorzamen? 2) Wat te doen met het gevaar dat de Republiek niet van de troepen af zou kunnen komen? Dit overziende had de auteur dus zeer weinig argumenten om de troepenuitbreiding tegen te houden. De argumenten die hij had waren weliswaar een aanvulling op de bestaande discussie, maar zijn mijns inziens bijzonder zwak. Tot slot kan men misschien wel stellen dat de Fransen in het jaar 1742 inderdaad nog geen aanval wilden doen op de Republiek. Vandaar toch de verwoede poging om te bewijzen dat Frankrijk niets kwaads in de zin had. Anderzijds deed de poging om de legeraugmentatie in een slecht daglicht te stellen weer zo gekunsteld aan dat men kan gaan twijfelen of Frankrijk inderdaad van een dergelijke goede wil was. Ditzelfde argument kwam ook naar voren in het pamflet Aanmerkingen op het pamflet:

Maar het is meer als waarschynlyk dat se dienen sullen, ter uytvoeringe van een Plan, dat aan ons onbekendt is, en terwelker Executie gevolglyk een grooter vereenigde Magt vereyscht wordt, als tot het gene reeds is uytgevoerd. Want Vrankryk vermeerdert niet alleen haere Militie, maer sy doet ook nieuwe Troupes nae Duytsland trekken. Het gene ons in die gedachten versterkt, is de Zorge en Moeyte die men sig geeft, om ons van de Augmentatie van de onse te detourneeren.

Pamfletten onder de loupe: deel IV: Deel twee: Aanmerkinge op seker geschrift onder de naam van Reflexion Impartiale

Dit pamflet was een reactie op het pamflet Reflexion Impartiale. De auteur van dit stuk wilde in zijn pamflet de misstanden die gemaakt waren in het Franse pamflet ophelderen of tegenspreken. Dit heeft als negatief gevolg dat er weinig structuur in de tekst zit, omdat de auteur telkens andere punten aanstipte.

Het pamflet Reflexion Impartiale was sterk gekant tegen uitbreiding van de Staatse troepen, maar deze auteur was beslist vóór de augmentatie. Want

dat sedert de Vreede van Utrecht, waar mede Godt het Land nu den tyt van agt en twintig Jaaren heeft gelieven te zeegenen, voor de Republiek sig niet opgedaan hebben sulke duistere Wolken als tegenwoordig.

Na deze beschouwing over de precaire situatie gaat de pamflettist in op de inhoud van Reflexion Impartiale. Er is in het commentaar op de Franse pamflet een zekere schampere toon te proeven.

Hij houd onse Vreese en Bekommeringe voor Verdigtselen en Harsen Schimmen. Hij beschuldigt die geene, die voor s lands sekerheit waeken, dat se vyanden imagineeren om stoffe te hebben, om oproer te maeken.

En een bladzijde verder: t gemelde Geschrift word onder de hand omgedeelt. Men heeft het niet doen drukken, waarschynlyk uyt vreese dat het mogte in handen komen van die genen die daar van de Swakheyt en Valsheyt souden konnen en durven aantoonen. De auteur schynt het Project van de Augmentatie als belaggelyk te willen doe voorkoomen.

Niet alleen op zijn tijd schamper, maar zelfs argwanend staat de auteur van dit pamflet tegenover Reflexion Impartiale: De Consideratie welke boven alle anderen aan den Auteur van de Reflexion Impartiale het kragtigste voorkomt, en waar van hy egter geen Mentie heeft hooren maeken, omdat deselve niet is geallegeert geweest, berust op faiten door denselven geavanceert, niet alleen sonder Bewys, maar zelfs ook met geen de minste grond van Waarschynlykheit. Hier werd de auteur van Reflexion Impartiale dus gewoon voor fantast uitgemaakt. Een belangrijk element dat ook bij het Pamflet Samenspraak tussen een burger-man en een deftig regent naar voren zal komen is het punt van de religie. De angst dat Frankrijk de Republiek zal overwinnen en daarmee een einde zal maken aan de vrijheid en de vrijheid van godsdienst.

Geen Zaak is populairder hier te Lande, als het Maintien van Vryheyt en van Religie. Voor geene saak heeft onze Natie meer afschrik, als voor Slaverny, Vervolging en al het gene een Weg daar toe soude konnen baanen.

Daarom beschouwde de auteur de veiligheid van de staat als van het grootste belang. De plicht van de regering was om hier voor te zorgen. Het was daarom een ongehoorde Onbeschaamtheyt om de goede Trouwe onder de populaire Vooroordeelen te reekenen. En juist daarom moest de augmentatie doorgaan. Anders zou men zijn vrijheid wel eens kunnen verliezen. Daarom moest de Republiek vasthouden aan het oude systema, want dit gaf de Republiek de vrijheid en dit was de reden dat het aanbod van Frankrijk voor neutraliteit is afgewezen. Bovendien:

t Is in die vaste Overtuyginge, dat het beeter is eens voor al te bezien, of men (Frankrijk) de oude Tractaaten zal nakoomen, als sig te verwarren in nieuwe Propositien van een Tractaat of Conventie, waar men sig eeven soo weynig als aan de voorige zoude behouden.

Er heerste dus een groot wantrouwen tegenover Frankrijk dat voortkwam uit eerdere verbroken beloftes van Franse koningen.

Tot slot ging de auteur nog in op de vragen van de schrijver van Reflexion Impartiale. Al aan het begin van deze eeuw had de Republiek beschikking over grote hoeveelheden troepen. Dit grote aantal troepen leidde vrijwel nooit tot grote gewelddadige problemen en toen de oorlog afgelopen was zijn deze alle zonder problemen afgedankt. Men had ook belangen bij het afdanken van de troepen als deze niet meer nodig zouden zijn, aangezien de financiën er toch al niet goed voorstonden.

Al deze aanmerkingen beschouwende kan men stellen dat er nogal wat rammelende argumenten in het pamflet Reflexion Impartiale voorkwamen. Op een scherpe, maar ook wel bekwame wijze zijn veel van de punten in de Aanmerkingen aangekaart en weerlegd.

Pamfletten onder de loupe: deel V Samenspraak tussen een burger-man en een deftig regent

Dit pamflet is, zoals de titel al doet vermoeden een dialoog tussen een burger en een regent. De dialoogvorm werd wel vaker gebruikt in pamfletten, omdat dit de mogelijkheid bood standpunten te laten zien vanuit twee verschillende perspectieven. Dit pamflet was geschreven vanuit het gezicht van de burger, die koopman was, en zich ernstig zorgen maakte over de situatie in Europa en voornamelijk voor de Republiek:

Tot t jaar veertig toe heb ik redelyk gerust geweest. Maar sedert dien tyt ben ik hoe langer hoe zwaarhoofdiger geworden. Ik lees alle dagen de Courant, en zie daar in dat we als omringt zyn van Vreemde Krygsbenden; dat er Verbonden gemaakt worden om landen daar men geen regt op heeft onder malkander te verdeelen, en dat Moorden en Branden de middelen zyn die men in t werk stelt om dat godloos oogmerk te bereiken.

De reden voor de zwaarhoofdigheid van de burger is de Oostenrijkse Successieoorlog en hij is bang dat de oorlog over zal slaan naar de Republiek. In verschillende boeken had de burger gelezen over Nederlandse geschiedenis en de slechte behandeling die geloofsgenoten in Frankrijk kregen. Men kan dus stellen dat de koopman protestant was en op bladzijde vier werd dit bevestigd: zijn kinderen hadden belijdenis gedaan. Angst overheerste hem dat hij zijn godsdienst, die hij zeer lief had, zou moeten verzwijgen.

Onze kerken zullen eerst geslooten en daar na tot een ander gebruik besteed worden, en de grootste gunst die wy zullen erlangen, zal bestaan in t bedriegelyk verlof van andere Kerken te bouwen: maar nauwelyks zal t werk half volbragt zyn, of wy zullen t moeten staaken, gelyk in Vrankryk geschied is, want waarom zou een overwonne Volk zagter behandelt worden, als Onderdaanen voorheen behandelt zyn.

Een ander feit wat we over de burger te weten komen, is dat hij geen orangist was. Ik heb de grootste Hoogagting voor veele deftige Regenten, zonder welke t met ons Land al gedaan was, en ik bezwyk als ik denk dat zulke Mannen, die t waggelend gebouw van onzen Staat nog ondersteunen, van ouderdom of van Hartzeer konnen koomen te sterven. De zinsnede van het waggelend gebouw is voor ons van groot belang. Kennelijk zag deze auteur dat de Republiek sterk verzwakt was. Dit is de eerste uiting in een pamflet waarin over een vorm van machtsverval wordt gerept.

De zorgen van de koopman werden tenslotte zo groot, dat hij besloot naar een buurman te gaan, een oud, eerlijk regent. . De burger-man vroeg aan de regent: Maar mijn ernstig versoek is van u te moogen weeten wat ik van ons Land denken moet, en of ik wel zou doen my na elders te begeeven, zoo lang er nog middel is om t naakende gevaar te ontvluchten? De regent weet het antwoord niet: wat zal ik zeggen buurman? Omdat de regent bleef zwijgen stelde de burger enkele andere vragen en op deze manier opende de schrijver mogelijkheden voor verdere dialogen. Waarom gebeuren er zaken die niet goed zijn voor het behoud van de Republiek en hoe komt het dat men in de steden openlijk spreekt over een vertrouwen op Frankrijk? Dit zal inhouden dat we onze bondgenoten in de steek moeten laten. De regent gaf hierop als antwoord dat de goede regenten werden gedwarsboomd door onkundige regenten, maar ook door regenten die factiebelang vóór landsbelang lieten gaan. Zij lieten zelfs het belang van Frankrijk gelden boven dat van de bondgenoten. Zo werden de landgenoten alvast gewend gemaakt aan het idee van slavernij. De auteur was zeer duidelijk anti-Frans. Het voorstel van Frankrijk om neutraal te blijven in de Oostenrijkse Successieoorlog noemde hij een trouweloose propositie. Dit waren volgens de auteur verraderlijke regenten die de mensen verkeerde dingen voorspiegelden. Bovendien was dit type regenten zo trouweloos dat hun voorgangers in de oorlog van 1665 zich om lieten kopen om hun land te verraden. En bovendien nog voor een schandalig lage prijs! De valse regenten waren gemakkelijk te herkennen aan hun onvaderlandslievende houding.

Wanneer iemant je als verdagt voorkomt, spreekt maer van de Edelmoedigheid onzer Voorouderen, van de Liefde die men aan zyn Vaderland Schuldig is; zeg dat t woord, t enkel woord van Slaverny, je doet Sidderen en beeven, en zo uwe agterdogt wel gegrond is, zal hy zig misgenoegt en gebelgt toonen.

De auteur schreef hier erg goed en plaatste op deze manier de onbewuste lezer achter zich door zo duidelijk te refereren aan de vaderlandsliefde.

Na dit gesprek over verraderlijke regenten, ging het gesprek verder over Frankrijk. De burger-man vond het een schande dat de regenten het land juist aan Frankrijk probeerden te verraden. Toen hij jong was mocht hij van zijn vader een reis door Spanje en Frankrijk ondernemen. Hieruit kan men concluderen dat de burger beslist uit een goed milieu kwam. Wat de burger in Frankrijk gezien had bepaalde zijn anti-Franse houding:

Ik heb in die Landen daar de geest van Vervolging en de onbepaalde magt een yzere Scepter zwayen, over al de Armoe en de slaaverny zien wandelen hand in hand. Ik heb Menschen, die geen andere misdaad begaan hadden als in t stuk van gods-dienst de eige denkbeelden niet te hebben als een deel onkundige en wreede monnikken, na een tienjarige gevankenis, levendig zien verbranden. Ik heb myne geloofsgenooten, om dat ze, verraden zynde, betrapt waaren Gods woord met malkander Lezende, zien tot galey-boeven maaken en onmenschelyker handelen als de snoodste booswichten.

In de ogen van de pamflettist moest Frankrijk wel het land van de barbaren zijn. De tirade tegen de Fransen maakte dit pamflet heel anders dan de pamfletten Aanmerkinge en Raisonnement. In dit pamflet werd Frankrijk als het ware persoonlijk aangevallen. En met zulk een land zou de Republiek in vrede moeten leven! Vreede, antwoorde de Regent, is een groot goed, en moet t doelwit zyn van alle wyze Regeringen: Maar men moet zig in dit gewigtig stuk niet door een uiterlyke schyn laaten misleiden. Vreede met een heerszuchtige Moogentheid, die opentlyk te kennen geeft dat ze niet meer nog langer aan verbonden gehouden is als t met haar belangen overeenkomt, is geen Vreede. De oorlog werd door de regent ook beschouwd als een ramp, maar: daar zyn rampen die niet begroot konnen worden als by voorbeeld, slaaverny: dwang van gewisse, en dat nog meer is, trouweloosheid. Er waren dus erger dingen mogelijk dan oorlog, te meer daar de handel van de Republiek altijd goed had kunnen profiteren van oorlogen. Daarom zou een machtsblok tegen Frankrijk niet onwelkom zijn. Zo kan de Staatse vrijheid behouden worden. Anders zag de toekomst er somber uit:

Alles, tot de ellendige troost, van een Provincie van Vrankryk te zyn, zal ons ontnomen worden.

{mospagebreak}
4. Steun aan de Habsburgse monarchie ?

Algemeen overzicht
Het Duitse Rijk, hoewel in naam nog een eenheid, was in de achttiende eeuw een lappendeken van verschillende staatjes, die zich allemaal als zijnde soeverein gedroegen. De Habsburgers leverden al sinds de vijftiende eeuw de keizer van het Heilige Roomse Rijk zoals de Duitse landen officieel heetten. Hoewel er geen vrijwel geen materiële voordelen aan verbonden waren, waren er wel verplichtingen aan gekoppeld, zoals het vertegenwoordigen van een grote en daardoor dure staat. Tevens was de keizer de beschermheer van de Duitse staten. In theorie was de Roomse keizer de belangrijkste seculiere heerser, maar na 1648 was daar verandering in gekomen.

De Fransen konden door de grote verdeeldheid die er heerste in de Duitse landen een verdeel- en heerspolitiek voeren. Al sinds vroege tijden zetten de Fransen Duitse staatjes op tegen de keizer. Vooral Beieren kon zich verheugen over grote Franse belangstelling. Het vorstendom lag zeer strategisch ten opzichte van de Habsburgse monarchie. Het vormde een wig in de aaneengesloten Habsburgse gebieden en Beieren als vijand was altijd een groot gevaar voor de Weense monarchen. De Habsburgse kernlandenwaren in werkelijkheid een samenvoeging van een groot aantal culturen, talen en regeringen gelegen in het midden van Europa. Dit gebrek aan eenheid maakte de bestuurbaarheid van het rijk moeilijk en de volle potentie van de gebieden kon niet geheel benut worden. Naast de kernlanden waren er ook nog andere gebieden zoals Napels en de, na de vrede van Utrecht, Oostenrijkse Nederlanden. Hoewel in oppervlakte dus zeer groot, kampte de Habsburgse monarch vrijwel altijd met schulden en grenzen die door hun lengte onverdedigbaar waren. Slechts Bohemen en Silezië beschikten over een krachtig economisch potentieel.

Om al deze verschillende gebieden tot een dynastieke eenheid te smeden, vaardigde Karel VI in 1713 de Pragmatieke Sanctie uit. Deze sanctie maakte de Habsburgse erflanden tot één geheel en voegde op deze manier ook gebieden aan de kroon toe die eigenlijk in rijksleen waren gegeven. De erflanden konden overgedragen worden in zowel de mannelijk als de vrouwelijke lijn. Om te garanderen dat de sanctie inderdaad nageleefd zou worden, sloot Karel VI verdragen met Spanje (1725), Pruisen (1728), Groot-Brittannië (1731), de Republiek (1732) en aartsvijand Frankrijk (1738). Deze machten erkenden door de ondertekening Maria Theresia als wettige erfgenaam van de Habsburgse gebieden. Alleen Beieren ondertekende de Pragmatieke Sanctie niet.

Volgens het in 1732 ondertekende verdrag was de Republiek dus gedwongen om de Habsburgse monarchie in tijden van nood steun te verlenen. Deze hulp kwam echter zeer langzaam op gang toen de Oostenrijkse Successieoorlog eenmaal uitgebroken was. Interne verdeeldheid tussen de gewesten lag daaraan ten grondslag. Een aantal gewesten was voor het sturen van hulp aan Maria Theresia. Het liefste stuurde men alleen financiële hulp, maar als het moest ook militaire hulp. Hierover kon men echter geen consensus bereiken. Uiteindelijk besloten de Staten-Generaal wel direct de vijfduizend man te sturen, die volgens het verdrag verplicht waren.

Een andere reden voor het trage reageren van de Republiek, was van buitenlands politieke aard. Men was er niet zeker van welke houding aangenomen moest worden tegenover de oorlogvoerende partijen. Een te pro-Habsburgse houding zou problemen met Frankrijk op kunnen leveren. Het sturen van troepen die volgens het verdrag verplicht waren, was
Bericht geplaatst in: artikel