DULLE GRIET

Geplaatst op 16 januari 2002
Het schilderij Dulle Griet van Pieter Bruegel de Oude is een unicum in de schilderkunst wanneer men kijkt naar de wijze waarop Bruegel deze furie heeft geportretteerd...
Inleiding
Het schilderij Dulle Griet van Pieter Bruegel de Oude is een unicum in de schilderkunst wanneer men kijkt naar de wijze waarop Bruegel deze furie heeft geportretteerd; een laaiende reuzin die uit de hel gebeend komt met haar buit onder de arm, terwijl haar medekrijgsters nog volop in de weer zijn de duivel een loer te draaien.

Het thema zelf, de vrouw die de broek aan heeft, is echter allesbehalve origineel en al vele malen weergegeven. Ik spreek nu zo vlot over "het" thema, maar dat er veel discussie is gevoerd over de eigenlijke betekenis van dit schilderij zal blijken in het vervolg van dit verhaal.

De kern van dit onderzoek is het verband tussen Dulle Griet, of liever gezegd, de afbeeldingen van furieuze dames, en de daadwerkelijke maatschappelijke situatie in de tijd waarin de afbeeldingen gemaakt zijn. Waren laat Middeleeuwse echtgenotes werkelijk de belichaming van de razernij en de gekte, of bestond dat spookbeeld slechts in de geest van een paar gynofobe kamergeleerden? Om daar achter te komen geef ik ten eerste een korte schets van de ontwikkelingen in de maatschappelijke positie van de vrouw vanaf de oudheid tot aan het einde van de 16e eeuw. Vervolgens bespreek ik de literatuur uit deze periode voor zover deze betrekking heeft op vrouwen, en in het bijzonder de misogyne teksten uit literatuur en wetenschap. Iets langer wil ik stil staan bij het verschijnsel "omgekeerde wereld" en de afbeeldingen die gemaakt zijn van vrouwen in dit verband.
Tenslotte kom ik aan bij het kopstuk: Dulle Griet van Pieter Bruegel de Oude.
{mospagebreak}
De positie van de vrouw in de maatschappij
In de klassieke oudheid had de vrouw op papier niets in te brengen. Een vrouw stond onder gezag van haar Pater Familias. Dat kon haar vader zijn, maar ook de vader van haar echtgenoot indien zij in een manushuwelijk met hem verbonden was. Bij de dood van haar Pater Familias werd zij sui iuris; van eigen recht. Toch kon zij zelfstandig nog steeds niets uitrichten; er moest een voogd aangesteld worden die in haar naam rechtshandelingen verrichte. Dit was de theorie, maar in de praktijk bleek deze voogd meestal een jaknikker die voor de show zijn goedkeuring gaf aan transacties van zijn pupil. De vrouw beschikte over een eigen vermogen dat zij kon investeren in alle mogelijke ondernemingen. Dat vermogen kon zij vermaken aan haar kinderen of aan andere gunstelingen zonder dat iemand daar iets tegen in kon brengen. Bovendien had zij vaak een belangrijke stem bij de opvoeding en het kiezen van een echtgenoot voor haar dochters. In de opvoeding van haar zoons had zij minder in te brengen, omdat zij vanaf het 12e levensjaar zelf al handelingsbekwaam waren en door docenten buiten het gezin werden onderwezen. Tenslotte speelde de vrouw een belangrijke rol in de dagelijkse godenverering en vooroudercultus.

Buiten de klassieke wereld had de vrouw eveneens een belangrijke rol in het dagelijks leven. Zij vormde de schakel tussen het platteland, de buitenwereld en het gezin door haar taken in de landbouw, het huishouden en de opvoeding van de kinderen. Door deze taken had zij overzicht over hoe de verschillende gebieden zich tot elkaar verhielden en hoe zij elkaar beïnvloedden. De uitwerking van bepaalde kruiden van het land op het lichaam zag zij wanneer zij die kruiden bij de voedselbereiding gebruikte. Zij zag hoe de natuur en de mens op elkaar in werkten en leerde daar mee omgaan. Vooral de vroedvrouwen breidden hun kennis snel uit en verspreidden die onder de vele vrouwen bij wie zij kwamen. De man was niet betrokken bij de verzorging van het lichaam en zag alleen de buitenwereld. Daardoor miste hij de mogelijkheid om de fenomenen die zich om hem heen voordeden te verklaren. De magische wereld die de vrouw leerde beheersen bleef een onbegrijpelijk en beangstigend terrein voor de man.
Dat men de wereld bedreigend vond is op zichzelf niet vreemd. De mens werd in de vroege Middeleeuwen geteisterd door allerlei ziektes waarvan men de herkomst niet begreep. Er heersten epidemieën door overbevolking en ondervoeding, kinderen stierven door vitaminegebrek, longziektes, de kou veroorzaakte reuma en de geslachtsziektes tierden welig. Vrouwen leerden daar stap voor stap mee omgaan en ontdekten remedies en pijnstillende middelen. Door hun werk en kennis waren zij onmisbare schakels in het systeem van de familie en het dorp.
Omdat zij ziekten genazen op voor de dorpsgenoten onbegrijpelijke wijze waren de vrouwen geliefd en gevreesd; het gevaar dreigde dat de geneesvrouw het wel eens niet goed voor kon hebben met de patiënt.

Naast de fysieke ellende waren er ook nog vele rationele en irrationele angsten die de mens zijn gemoedsrust ontnamen. De dood was wel het meest lijfelijk aanwezige angstspook; de ziektes, wilde dieren en het weer maakten vaak slachtoffers. De nacht was bij uitstek een periode waarin men zich niet op straat moest wagen, omdat naast de dood allerlei ander gespuis de wegen bevolkte. Menselijke rovers, dieven en klaplopers, maar ook demonen en duivelse wezens. Vrouwen hadden altijd al de zorg gehad voor de relaties met het hogere ( omdat zij op het land werkten kenden zij het weer, zij namen deel aan vruchtbaarheidsrituelen en bovendien leefde in grote gebieden van Europa een moedercultus) en aan hen was dan ook de taak om de zwarte kant van het efemere buiten de deur te houden.
Deze centrale rol van de vrouw in het dagelijks leven werd door geleerden en de kerk totaal genegeerd of liever gezegd, men deed een poging haar dood te zwijgen. De vrouw was voor de kerk een belichaming van de oude magische cultus die ondanks de bloei van het christendom steeds de kop maar op bleef steken. De vrouwen hadden veel macht en invloed in de dorpen. De kerk ervoer hun kennis, kracht en invloed op de dorpelingen als een bedreiging, en poogde dan ook om de vrouw in haar activiteiten zo veel mogelijk aan banden te leggen om een door de man geregeerde samenleving te kunnen bewerkstelligen. Ten eerste door de herinvoering van het Romeinse recht, dat in de Middeleeuwse gemuteerde overgeleverde versie bijzonder vrouwonvriendelijk was; de vrouw werd geacht niet onder de definitie "homo" te vallen, en was om die reden uitgesloten van enige actie in het handelsverkeer. Verder werd het erfrecht grondig bijgesteld zodat slechts een zeer klein percentage van de vrouwen nog in aanmerking kwam voor het verkrijgen van een erfenis. Deze vrouwen werden gewoonlijk het klooster in gestuurd zodat hun vader of broer het land kon innemen. Gewone vrouwen hadden geen vermogen, dat was van hun man of van hun vader, en zij konden dus zelf niets nalaten. Alleen voor dames van adel en weduwen zag het er iets rooskleuriger uit; maar zij waren slechts gering in aantal. Zij hoefden niet op het land te werken en hadden dus tijd om te leren lezen en schrijven en zich te ontwikkelen. De mannen drukten ook deze bedreiging snel de kop in door de ál te slimme dames het klooster in te jagen.

Op het platteland was de situatie van de vrouw in de 11e eeuw reeds duidelijk verslechterd, maar de echte degradatie vond plaats in de steden. Vrouwen hadden daar een groot aandeel in de arbeidsmarkt wegens de opkomende textielhandel. Hun belang voor de economie werd gehonoreerd d.m.v. een betaling aan hun voogd. Alleenstaande vrouwen moesten zelf in hun onderhoud voorzien en werden spinster, weefster, non of hoer. De groep alleenstaande vrouwen was vrij groot en bestond uit weduwen en vrouwen die waren weggelopen bij hun man. De meest assertieve vrouwen namen hun leven in eigen hand en richtten zelfs kloosters op, zoals sommige clarissenordes. Deze kloosters waren echter te arm om alle vrouwen die in wilden treden te onderhouden, en zo ontstonden omstreeks 1300 groepen rondzwervende begijnen. Zij werden vervolgd wegens hoererij, tovenarij etc. Ook de getrouwde vrouwen die in de stad werkten liepen kans voorwerp van verdenking te worden. In het algemeen kan men stellen dat hoe meer de vrouw in de openbaarheid trad en relaties met dorpsgenoten onderhield, des te groter was de kans dat zij door deze dorpsgenoten als heks werd aangewezen.

De oude banden van de vrouw met de religieuze culten werden door de kerkelijke heren dus dankbaar aangegrepen om de mannelijke bevolking duidelijk te maken dat vrouwen een gevaarlijk soort wezens waren waar je je voor moest hoeden. Zij haalden de oude angst voor de genezeres/ tovenares weer op, en voegden daar banden met de duivel aan toe. Dit culmineerde in de 16e en 17e eeuw in geheel Europa in felle heksenvervolgingen. De idee van de vrouw met magische krachten evolueerde door de nieuwe associatie met duivelspraktijken naar een beeld van de vrouw als weerloos slachtoffer van de boze machten. Een slachtoffer, maar daarom niet minder gevaarlijk. De vrouw was vatbaarder voor de verleidingen van het kwaad wegens haar zwakkere aard, haar melancholie en neiging tot hysterie ( hysterion = baarmoeder) die al in werken van Aristoteles wordt aangenomen.

Naast de dreiging voor het christelijke geloof en de kerkelijke macht waren vrouwen ook ordinaire zondebokken in allerlei situaties. De beschuldiging van ketterij en hekserij was voor een aantal mensen een wraakmiddel en een mogelijkheid om voor hen persoonlijk schadelijke personen ( i.e. vrouwen die teveel wisten) uit te schakelen. Vrouwen werden soms ook zonder beschuldiging "gewoon omdat zij vrouw waren" van deelname aan het maatschappelijk verkeer uitgesloten. Een goed voorbeeld is de verordening uit Valenciennes waar de vrouwen in 1548 bij bepaalde feestenniet meer aanwezig mochten zijn. Het voorbereiden en opruimen kwam waarschijnlijk wel voor hun rekening.

Samenvattend kan men stellen dat de vrouw van oudsher een ondergeschikte economische positie bekleedde. Doordat zij echter in het dagelijks leven zowel agrarische als sociale taken vervulde kreeg zij de kans kennis omtrent het menselijk lichaam en andere natuurverschijnselen te doorgronden. Die kennis werd door mannen als bedreigend ervaren.

Voor de christelijke kerk was de vooraanstaande positie van de vrouw op het gebied van de heidense religieuze culten een doorn in het oog; de oude culten beconcurreerden de christelijke kerk en daarmee ook de macht van vertegenwoordigers van de kerk. Zij vonden in de beschuldigingen van hekserij en ketterij een middel om de macht van de vrouw in te tomen.

Ondanks alle angst bleef de vrouw in de laat Middeleeuwse samenleving een onmisbaar kwaad; naast voortbrengster en opvoedster van nageslacht was zij een goedkope arbeidskracht en een actieve deelneemster aan het economisch verkeer. In de opkomende steden met een groeiende en bloeiende handel waren deze extra helpende handen onontbeerlijk, maar de mannen wilden koste wat kost ervoor zorgen dat het bij helpen bleef en dat de vrouw geen kans kreeg zich een gelijkwaardige positie aan te meten.
{mospagebreak}
De vrouw in wetenschap en literatuur
Naast de vrouwenhaat die zich in het dagelijks leven manifesteerde bestond ook in de wetenschap en literatuur een vrouwonvriendelijke tendens.

In de oudste teksten over de relatie tussen man en vrouw is de volgende reeks tegenstellingen te vinden:

Man-Vrouw
Grens-Onbegrensd
Oneven-Even
Een-Meervoudig
Rechts-Links
Vierkant-Langwerpig
Rust-Beweging
Recht-Gebogen
Licht-Donker
Goed-Kwaad

Deze reeks is afkomstig uit een werk van Aristoteles en werd in latere tijden vaak aangehaald om de inferioriteit van de vrouw te bewijzen. In feite is de reeks neutraal en bepaalt de instelling van de lezer hoe hij de verdeling interpreteert. Voor een moderne lezer zouden de begrippen onbegrensd, meervoudigheid en beweging waarschijnlijk een positieve lading hebben, terwijl deze in vroeger tijden als uitgesproken negatief gewaardeerd werden.

In de vroege 16e eeuw verschenen de zogeheten topoi- boeken zoals het werk De legibus Connubialibus van Tiraqueau. Dit in 1513 geschreven boek omvat maar liefst 50 folia met gemeenplaatsen uit de theologie, medische wetenschap, ethiek, antieke literatuur en rechtswetenschap. Een groot aantal van deze gemeenplaatsen handelt volgens Maclean over de vrouw, maar aangezien hij geen directe voorbeelden geeft is het moeilijk zijn stelling direct aan te nemen. In zijn hoofdstuk over theologie is hij wel helder en controleerbaar.

Naast vele uitspraken van theologen over de superioriteit van de man omdat Adam het eerst is geschapen en Eva uit hem, dus als onderdeel en niet als op zichzelf staand wezen, geeft hij enkele citaten die blijk geven van een meer positieve waardering van de vrouw. Die wil ik hier even noemen alvorens het beeld ontstaat dat alle theologen vrouwenhaters waren.

Antoninus Forciglioni durf ik echter zonder voorbehoud een misogynist te noemen. Hij publiceerde een alfabet van vrouwelijke ondeugden. Opvallend in zijn werk is dat hij bepaalde ondeugden van mannen bovendien als deugden bij vrouwen beschouwt. Montecatini doet hetzelfde in zijn Ethica. Zachtmoedigheid, verdraagzaamheid en lijdzaamheid zijn voor vrouwen en oude mannen eigenschappen die hen sieren.
Anderen trekken uit deze verschillende deugden voor de verschillende geslachten de conclusie dat voor de twee geslachten dan ook andere taken zijn weggelegd.

Tasso is gematigder en schrijft dat man en vrouw ieder bepaalde dominante deugden hebben, maar dat het hen zeker tot eer strekt om ook de deugden van het andere geslacht te praktiseren. Prinsessen beschouwt Tasso als mannen. Door hun hoge geboorte hebben zij een leidende functie, en de hoogste deugden die door prinsessen nagestreefd moeten worden zijn dan ook moed, kracht, besluitvaardigheid en rechtvaardigheid. Buiten het hof moesten alle vrouwen echter gewoon hun taak als gehoorzame werkkracht en voortbrengster van nageslacht vervullen.

In de rechtswetenschap hebben vele juristen zich sinds de oudheid het hoofd gebroken of de vrouw nu voor moord vervolgd kon worden. Dit komt voor ons bijna lachwekkend over, maar in de wetstekst stond immers " als een man een andere man doodt…", en een vrouw is geen man. In de Romeinse jurisprudentie was dit probleem snel opgelost, d.m.v. een zoveelste fictie was de vrouw tijdens het proces een man, maar in de Middeleeuwen stond het vraagstuk opnieuw ter discussie. Johannes Goeddaeus schreef in zijn De Verborum Significatione ( 1604) dat een vrouw een mens was, maar dat zij niettemin ondergeschikt was aan de man omdat de man haar "geestelijk maker" was.

Ik kan mij geen voorstelling maken van wat hij met het laatste bedoelde. In het staats- en bestuursrecht vreesde men de vrouwen meer dan in het privaatrecht. Zij konden werken, handel drijven en een herberg beheren, dat was immers alleen maar in het voordeel van de mannen. Zodra echter de macht over een bepaald gebied ter sprake kwam werden de vrouwen zoveel mogelijk uit de buurt gehouden. Op grond van de onstandvastigheid van de vrouwelijke geest ( donna e mobile…) vreesde men dat een vrouwelijke vorst wel eens een huwelijk kon sluiten tegen staatsbelang in. In mijn ogen is die vrees slechts een voorwendsel om de macht aan zichzelf te houden, omdat vele voorbeelden van vorstinnen en regentessen reeds in die tijd bewezen dat bestuur door een vrouw het land echt niet te gronde zou richten.

In de literatuur zijn vrouwen even vaak bezongen als vervloekt. Als zij bezongen werden, was dat in de 13e en 14e eeuw vaak ook nog vanwege hun mannelijke deugden. Boccaccio schreef in 1380 De Mulieribus Claris; over beroemde vrouwen uit de Klassieke oudheid die uitblonken in moed, standvastigheid, kuisheid en kracht. Ook Cornelius Agrippa van Nettesheim declameerde anderhalve eeuw later de vrouw. Hij verwees weer naar de schepping en dat Eva als laatste schepsel de kroon op Gods werk zou zijn.

Van vrouwelijke auteurs is weinig werk bekend uit deze periode, en nog spaarzamer zijn de voorbeelden waarin zij vragen stellen omtrent de relatie tussen man en vrouw. Zo"n zeldzaam voorbeeld is Christine de Pisan, hofbiografe van koning Karel. In 1405 schreef zij Stad van de Vrouwen. Daar stelt zij dat de misogynie te wijten is aan de man. Hij gaf de vrouw geen toegang tot opvoeding, scholing en economische onafhankelijkheid zodat de vrouw geen kans kreeg zich te ontwikkelen. Dat de vrouwen inferieur waren aan de man nam Christine dus aan, maar met de toevoeging dat als vrouwen dezelfde kansen zouden krijgen als mannen, zij zeker zo goed of misschien wel beter zouden presteren. Van de misogyne literatuur is Rabelais misschien wel het meest aangehaalde voorbeeld. Screech poogt echter te bewijzen dat Rabelais positief stond tegenover het huwelijk en de vrouw in het algemeen. Hij benadrukt in zijn betoog dat Rabelais goed doorkneed was in de retorische trucjes om een tekst te doen leven. De meest belangrijke truc uit het repertoire was die van de overdrijving en omkering. Rabelais past dit toe in zijn Querelle des Femmes door vrouwen te karikaturiseren tot woedende redeloze wezens die elkaar te lijf gaan om het minste of geringste. Deze krijsende feeksen kunnen zowel een omkering als een overdrijving zijn. In de tijd van Rabelais was er veel agressie op straat, blijkens de vele verordeningen omtrent en de zware boetes op het dragen van wapens, openbaar dronkenschap, kroegbeheer etc.

Dit liederlijke gedrag van voornamelijk mannen zou Rabelais hier aan de kaak kunnen stellen door vrouwen weer te geven die zich aan deze schandelijke praktijken schuldig maken. De tweede optie is dat Rabelais de gefrustreerde kibbelende huisvrouwen tot in het absurde trekt door hen op oorlogspad te laten gaan. Gibson noemt als voorbeelden van literaire uitingen van misogynie enkele 16e eeuwse Nederlandse spreekwoorden, toneelstukken van Hans Sachs, een Duits gedicht, Goedthals spreekwoordenboek, Rabelais" Querelle des Femmes en Het Leenhof der Ghilden van Jan van den Berghe. Van het laatste boek heb ik geen exemplaar weten te bemachtigen, zodat ik niet kan instaan voor Gibsons beweringen over het misogyne gehalte van de tekst.

De vrouw als heerseres
Natuurlijk zijn er naast vele teksten over vrouwen en mannen en omkeringen van hun relatie ( deze zal ik hier verder buiten beschouwing laten) ook afbeeldingen te vinden waarop de vrouw is afgebeeld in de positie van een man, d.w.z. waar zij zich gedraagt als een brallend, brassend en redeloos wezen dat rooft en muit, de baas speelt en zich vooral niets gelegen laat liggen aan wat de andere sekse vindt. De meest bekende zijn de prenten waarop de vrouw "de broek aan heeft" en waar zij de man een pak op zijn billen geeft. In de bijlage heb ik enkele exemplaren toegevoegd. Op alle prenten die ik heb gevonden is de vrouw afgebeeld met een duidelijk ontstemde gelaatsuitdrukking. Zij fronst haar wenkbrauwen, trekt haar mondhoeken naar beneden en knijpt haar ogen samen. Zo kijkt ook Dulle Griet op het schilderij van Pieter Bruegel.
{mospagebreak}
Interpretaties van het schilderij Dulle Griet van Pieter Bruegel
Over het schilderij Dulle Griet is reeds veel gepubliceerd. Er wordt getwist over de datering , maar vooral staat het thema van het schilderij ter discussie. Ik wil de meest opvallende meningen hier kort uiteenzetten om een beeld te geven van de mogelijkheden die dit werk biedt. Allereerst schets ik de iconografie om ter verduidelijking van de volgende besprekingen. In de bijlage is ook een afbeelding van het schilderij opgenomen.
Op de voorgrond staat een vrouw op een brug. Zij is meer dan levensgroot gezien de gebouwen, bomen en andere figuren om haar heen. Zij wendt zich van de hel af die zich op de achtergrond bevindt. In haar rechterhand draagt zij een lang zwaard, in de linker een zak, een ketel en een mand waaruit allerlei voorwerpen puilen. Op haar hoofd draagt zij een helm en zij heeft een borstkuras. Griet heeft een woeste blik in de ogen, haar mond is geopend en haar neus opvallend rood. Aan haar voeten zitten enkele composietmonstertjes met ronde lichamen bij een open ei.
 


Op de brug zelf zijn kleine vrouwen bezig duivels te bestrijden. Een ervan wordt op een kussen gebonden. De vrouwen scheppen zakken vol met broden en ander huiswaar, en bestormen een hellepoort met lansen en ladders. In het water aan weerszijden van de brug zijn weer composietmonstertjes te zien voor waterpoorten in de vorm van gezichten. De linkerpoort wordt bevolkt door geharnaste figuurtjes, de rechter door monstertjes.
Over het poortgebouw bij de brug stapt een tweede reusachtige figuur. Hij heeft een mannelijke fysionomie, maar is gehuld in vrouwenkleding. Hij draagt een schip met feestende figuurtjes op zijn schouder en schept ondertussen geld uit zijn eivormige achterste. Het helse landsschap dat zich achter hem aftekent is tamelijk leeg, afgezien van enkele stenen gebouwen, een waterrad, een eivormige schaal waar een harp uitsteekt en die bekroond wordt met een hertenkooi, een maansikkel waar een glazen bol aan hangt, een gebouwtje onder een glazen stolp en een enorme aardewerken kruik. Uiterst links wordt voor een brandende lucht een wimpel in een scheepsmast gehesen. In de lucht vliegt een visachtig wezen met flaporen en een vlag in zijn poten..

De oudst bekende kunsthistorische tekst die betrekking heeft op dit schilderij is die van Karel Van Mander. Door zijn toedoen heeft het schilderij de naam Dulle Griet gekregen. Grauls neemt de tekst van Van Mander letterlijk en beschrijft uitgebreid hoe deze dolle Mina avant la lettre is ontstaan uit de figuur van de heilige Margaretha. Verder bespreekt Grauls het verband met Zwarte Griet uit de Vlaamse sprookjeswereld en werkt hij het spreekwoord "een roof voor de helle doen" uit. De specialistische kennis van deze Germanist werd door vele kunsthistorici vol dankbaarheid aangenomen. Zo niet Margaret Sullivan.

Sullivan verwerpt Grauls op denigrerende wijze in een voetnoot door zijn uitgebreide werk te vergelijken met enkele losse artikelen waarin Griet afwisselend wordt geïnterpreteerd als symbool van ketterij, blijk van onderdrukt geweld of personificatie van de menselijke ondeugden. Zij vindt dat Griet tot nu toe geïsoleerd werd onderzocht van de rest van het schilderij, en in haar opinie ligt de sleutel tot het ontraadselen van de betekenis juist in het geheel. Sullivan gelooft in een overkoepelend programma, waarin Griet symbool staat voor Madness en de figuur op de achtergrond met het schip op de schouders voor Folly. Vertrouwenwekkend schrijft zij dat " this analysis will be based entirely on literature and imagery of proved interest to the humanists in Antwerp in the 1560"s." Zij geeft hier aan dat zij Bruegel rekent tot de Antwerpse humanisten, net zoals haar landgenoot Meadow dat doet.
Vervolgens gaat zij in op de overeenkomsten tussen Bruegels prent Ira en Dulle Griet. De formele overeenkomsten zijn in mijn ogen niet bijzonder duidelijk waarneembaar, maar de gevolgtrekking van Sullivan dat Dulle Griet "dus" ook een allegorie is kan ik absoluut niet onderschrijven; formele en materiële continuïteit hoeven lang niet altijd samen te gaan.
Zij versterkt haar stelling o.a. met een tekst uit het Enchiridion van Erasmus die gaat over het verband tussen woede en gekte, en dat de scheidslijn tussen beide soms moeilijk te trekken is. Nu zij een link met Erasmus heeft aangetoond kunnen ook de humanisten als Plantin ten tonele verschijnen met hun embleemboeken, zinnebeeldige prenten en klassieke teksten over woede en gekte die in Antwerpen in die dagen verkrijgbaar waren. Horatius noemt drie uiterlijk waarneembare kenmerken van een gek, namelijk hebzucht, eerzucht en spilzucht. De eerste twee zijn te zien in Griet ( of Madness): ze draagt haar buit onder de arm en is groot ( grootheidswaan; eerzucht).

De spilzucht komt tot uitdrukking in Folly die geld met een lepel uit zijn achterste schept en in de losse gordel ( losse zeden) en rode neus ( drankzucht) van Griet. Het schip dat Folly op zijn rug draagt interpreteert Sullivan als het befaamde Narrenschip dat Brant als eerste hanteerde om alle zotternijen tentoon te spreiden en maakt dus deel uit van Folly. Nu koppelt zij ook de "kleine Grietjes" aan Madness en maakt hen tot een versterking van het hoofdthema. Sullivan besluit met een samenvatting waarin zij Bruegel poneert als een van de grootste allegorieënmakers van de 16e eeuw. Hij bekritiseerde volgens haar de idiotie van zijn tijdgenoten en in het bijzonder van zijn stadgenoten ( Griet is immers een grote figuur; zij zinspeelt op de reus van Antwerpen die Pieter Coecke 30 jaar eerder had ontworpen) met dit schilderij.

De schilder Rosoman ziet het schilderij Dulle Griet als een allegorie van de strijd tussen goed en kwaad. Hij vergelijkt het met werken van Ensor, Fuseli en Goya en legt de nadruk op de waanzin die eruit spreekt. Vervolgens plaatst hij Bruegel in de traditie van Bosch ( waarbij hij overigens de ideeën van Fränger moeiteloos overneemt) en stelt hij dat het programma van Dulle Griet niet uit te leggen is op een rationele manier. Dulle Griet zelf ziet hij als een goede gek die om onduidelijke redenen vecht tegen de duivels in de hel.

Een recent proefschrift van L. Milne plaatst Bruegel in de rederijkerssfeer. Zij neemt het spreekwoord "Een roof voor de helle doen" van Grauls over en maakt het tot uitgangspunt van het schilderij. Milne verklaart niet alle losse elementen van de voorstelling, zij maakt zich er van af door te zeggen dat het allerlei " topical allusions to lost cliches, proverbs and town customs" zijn. De attributen van Griet, met name de pan, verklaart zij aan de hand van oude heksenverhalen en keukenmagie.
Zij stelt dus dat het uitgangspunt de figuur Dulle Griet is, afkomstig uit de folklore zoals de prent die Bruegel maakte van de heks van Malleghem. Milne maakt een excurs naar de "nachtwandelaars", vrouwen die "s nachts over de wegen zwierven en vertelden over alle vreemde dingen die zij hadden meegemaakt. Deze vrouwen werden gevreesd net zoals de heksen, omdat zij deel hadden aan twee werelden, die van de duivel en de aarde. De brug waar Dulle Griet over heen loopt zou een doorwerking van dit volksgeloof in het schilderij van Pieter Bruegel zijn. Tenslotte alludeert Milne even aan de vrouwenfeesten met carnaval, waar vrouwen de baas speelden en mannen vrouwenkleding aantrokken. Die travestie komt hier tot uitdrukking in de figuur met het schip op de schouder, die een blauw waas over zijn kin heeft maar wel vrouwenkleding draagt. Tenslotte verbindt zij het geld schijten van deze figuur met zowel de koopmansmentaliteit als de gierigheid in het Antwerpen van de 16e eeuw.

Zelf ben ik van mening dat Grauls de essentie van het schilderij geraakt heeft met zijn uitleg van de figuur van Griet en "een roof voor de helle doen". De "kleine Grietjes" helpen grote Griet de buit binnen te halen en de duivel te bedwingen door hem o.a. op het kussen te binden. De brug die Griet oversteekt is de scheiding tussen de hel en de aarde.

Ik geloof dat de figuur Griet verband houdt met de carnavaleske traditie van de omgekeerde wereld en ook dat zij een karikatuur is van de vrouw in die tijd, zoals bij Rabelais zowel de zotternij van de vechtende mannen als de absurditeit van militante vrouwen op de hak genomen wordt. Bruegel zal waarschijnlijk zijn voorbeelden gevonden hebben in de volksverhalen, prenten, kluchten en optochten die zich onder zijn handbereik bevonden en afspeelden.

Bruegels diepste bedoeling met zijn keuze voor het thema van de absurde zottin die voor de duvel nog niet bang is, is natuurlijk nooit meer te achterhalen. Uit de iconografie durf ik wel op te maken dat Bruegel met opzet een bespottelijke situatie weergeeft, die misschien wel een vorm van kritiek op de dagelijkse gang van zaken in de wereld impliceert, maar die zeker ook als vermakelijk tafereel is weergegeven voor het plezier van de toeschouwer. Zoals de boerentaferelen van Bruegel altijd een glimlach opwekken, zo wekt ook de aanblik van deze dame, door het dolle heen, marcherend met haar potten en pannen, een glimlach op. Ik denk niet dat er voor elk detail een plausibele verklaring te vinden is, Bruegel poogde een zo afschuwwekkend beeld van de hel te schetsen en daarvoor gebruikte hij al zijn fantasie en de opgeslagen beelden uit zijn geheugen. Dat daarbij verschillende zonden te zien zijn lijkt mij niet meer dan vanzelfsprekend; om in dit schilderij een allegorie op de hoofdzonden te zien gaat te ver. Ook een politieke lading zou ik, in tegenstelling tot Gibson, Dulle Griet niet mee willen geven. Hij stelt maatschappelijke toestanden ten toon, zoals hij doet in zijn strijd van de spaarpotten en de kluizen, maar hij parodieert geen vooraanstaande figuren in het bestuur van de staat. De vrouw was in de praktijk een redelijk zelfstandig wezen dat zowel geliefd als gevreesd was vanwege respectievelijk haar werkkracht en scherpe tong, in ieder geval iemand om rekening mee te houden. Dulle Griet is geen "foto" van een Vlaamse burgeres in de tijd van Bruegel, maar zij vertoont gemeenschappelijke trekjes met haar die in het absurde doorgevoerd worden. De figuur op de achtergrond met het schip is wellicht een karikatuur van de Vlaamse burgervader - in ieder geval kan in mijn ogen aan Pieter Bruegel geen misogynie verweten worden.
{mospagebreak}
Conclusie
De maatschappelijke positie van de vrouw was zelfs in de 16e eeuw nog zwak, mede door toedoen van de kerk die vreesde dat zij haar macht zou verliezen. Om de vrouwen in te tomen gebruikte men beschuldigingen van ketterij en hekserij, die berustten op onwetendheid en angst. In de dagelijkse handel hadden vrouwen toch een groot aandeel. Men regelde dat niet door het recht te veranderen, maar door te doen alsof de vrouw een man was.
In de wetenschappelijke sector blijkt dat veel mannen een uitgesproken negatief vrouwbeeld hadden, met name in de rechtsgeleerde geschriften komt de vrouw er bekaaid af. In de literatuur is dat iets minder, al wordt vaak gesteld dat juist in de literaire traditie een uitgebreid misogyn bestand aanwezig is. Dit misverstand is waarschijnlijk ontstaan door het genre van de omkering en de overdrijving. Als men teksten waarin retorische trucs zijn gebruikt letterlijk opvat kan de oorspronkelijke betekenis volledig verdraaid worden.
Er zijn vrij veel afbeeldingen van vrouwen die mannen overheersen die meestal uit de carnavaleske omgekeerde wereld traditie stammen. De vrouw is meestal militant gekleed en heeft een boze gelaatsuitdrukking. Het schilderij Dulle Griet wordt door verschillende kunsthistorici geïnterpreteerd als allegorie of symbool. Ik ben van mening dat Dulle Griet veeleer een figuur uit de volkstraditie is die hier gebruikt wordt om op komische wijze de vrouw, maar ook de man, weer te geven.

Bericht geplaatst in: artikel