ZWARTE LEGENDE

Geplaatst op 14 februari 2003
Het beeld van de 30-jarige oorlog is er één van gruweldaden gedaan door soldaten tegen de burgerbevolking.
In deze tekst zal veel gebruik gemaakt worden van een dagboek van een onbekende soldaat, aangeduid als "onze soldaat", die meegestreden heeft in de Dertigjarige Oorlog.

Legendevorming rond de oorlog
De Dertigjarige Oorlog is een oorlog die velen, vooral in het Duitstalige gebied, sterk tot de verbeelding heeft gesproken en de geschiedenis van de oorlog is honderden keren beschreven. Het beeld van de 30-jarige oorlog is er één van gruweldaden gedaan door soldaten tegen de burgerbevolking.

Verhalenschrijvers en historici hebben zich met de oorlogvoering zelf beziggehouden of probeerden de oorlog vanuit een politiek, sociaal of economisch standpunt te verklaren. Er zijn verschillende oplossingen te bedenken om de oorlog in een kader te plaatsen en een verklaring te geven voor het ontstaan van de oorlog en dit is ook veelvuldig gedaan, maar vaak gingen de onderzoekers voorbij aan een heel belangrijk feit; het beeld van de Dertigjarige Oorlog heeft een zeer lange tijd vastgestaan en het duurde tot het einde van de 19e eeuw voordat de wetenschap begon te tornen aan het (foutieve) beeld dat er bestond van de 30-jarige oorlog. Toen de twijfel eenmaal gerezen was binnen de wetenschap over de correcte weergave van de Dertigjarige Oorlog, kwam het onderzoek naar de oorlog in een stroomversnelling. Diverse studies toonden aan dat het beeld over de oorlog inderdaad niet klopte en aan vervanging dan wel verfijning toe was.

Voor mij blijft het echter heel interessant waarom de historici pas na eeuwen hebben getoornd aan het bestaande beeld. In deze tekst zal ik me daarom bezighouden gaan met de volgende vraag: Hoe komt het, dat de beeldvorming over de Dertigjarige Oorlog zo lang heeft kunnen bestaan, zonder dat er wijzigingen in dit beeld werden aangebracht? De totstandkoming, de “heerschappij" en de geleidelijke ontmanteling van het
 
Literaire beeldvorming
De 30-jarige Oorlog heeft de collectieve gedachtevorming over “de" oorlog meer dan drie eeuwen gevormd. De voorwaarden voor een dergelijke omvattende vorming hebben de overlevenden en tijdgenoten van de oorlog al geschapen. Zij hebben het gebeurde, alhoewel veel van de verslaggevers de oorlog nauwelijks van dichtbij hebben meegemaakt, opgevat als iets buitengewoons. Dit is niet alleen gedaan door mensen die er belang bij hadden zoals de hoge heren, maar ook door mensen uit het volk. Geestelijken, boeren en eenvoudige handswerklieden grepen naar de veer om gebeurtenissen op te schrijven zoals de dominee Martin Bötzinger en de boer Hartig Sierk. Deze mensen waren geen uitzondering, want ook in kerkregisters werden regelmatig gebeurtenissen opgetekend die rechtstreeks of zijdelings met de oorlog te maken hadden. Kroniekschrijvers van de oorlog maakten meldingen over troepenverplaatsingen, inkwartieringen, contributies, rantsoeneringen, overvallen, mishandelingen, verkrachtingen, martelingen, verwoestingen en de onzekerheid van het leven in het algemeen. De egodocumenten geven goede indrukken hoe de schrijvers zich gevoeld moeten hebben. Dit gevoel wordt overgebracht door een knappe schrijfstijl en vaak komen de verslagen uit een grensgebied tussen geschiedenis en literatuur. Voor de schrijvers van deze bronnen was de Dertigjarige Oorlog een voordurend noodlot waarin mensen te maken had met veel angst, gevaar en onzekerheid. Zo berichtte de schoenmaker Heberle over de oorlog "das sich einem stein solt erbarmet haben… Dan wir seyen gejagt worden wie das gewildt in wälden. Einer ist ertapt und ubel geschlagen, der ander gehauwen, gestochen, der drit ist gar erschoßen worden, einem sein stückhle brot und kleider abgezogen und genommen worden."

De inhoud van dagboeken werd pas later ontdekt en nog weer veel later begrepen. Dit was niet het geval bij geschriften als bijvoorbeeld gedichten, vlugschriften of literatuur. Goed geschreven gedichten hadden de kans op een zeer grote verspreiding, vooral als deze in het Latijn geschreven waren. Ook buiten het Duitstalige gebied waren de werken dan te lezen. Zo maakte het gedicht van de jezuïet Jakob Balde al tijdens de oorlog grote indruk. De dramatische en krachtige zinnen van het gedicht "Der Janustempel" spraken de mensen sterk aan: "Ja ich gedenke Deiner und weine. Was quälst du das Herz mir? Ich weiß es, daß du kaum Atem holst, Deutschland. – Weiß, du liegest im Blut, zertreten, im Staube…" De krachtige beeldvorming over de 30-jarige oorlog bleef bestaan tot in de moderne tijd. Zo gebruikte Hermann Kasack in de vroege zomer van 1945 delen uit Baldes gedicht om de eigen tijd te vergelijken met die van de Dertigjarige Oorlog.

De vastheid van het beeld over de Dertigjarige Oorlog werd nog eens extra gevormd door de ongewoon lange duur dat het beeld bleef bestaan. En hoe langer het beeld bleef bestaan, hoe vaster het beeld in het collectieve geheugen van de mensen kwam te zitten. Zo ontstond er een cirkel waarin het bestaande beeld in het collectieve geheugen telkens werd bevestigd. Konrad Repgen heeft aangetoond dat de tijdgenoten de 30-jarige oorlog als een uniforme periode hebben opgevat en dat de term "die zeitgenössische Meinung Niederschlag findet, daß dieser Konflikt etwas Besonderes sei, daß sich hier etwas Herausragendes ereigne oder ereignet habe, das den Erfahrungshorizont "normaler" Kriege in Alteuropa überschreite." Toen de oorlog nog niet afgelopen was, herdachten de tijdgenoten regelmatig een vijfjarig jubileum van de oorlog, of een tienjarig. Aan de hand van "Selbstzeugnisse" was Repgen in staat om aan te tonen dat de schrijvers van deze egodocumenten de oorlog aan het einde haast natuurlijk als "dertigjarig" beschouwden en zo gekenmerkt hebben, ongeacht in welke streek zij leefden.

Vanaf het begin af aan beschouwden de mensen uit de 17e eeuw de oorlogen in het Duitse Rijk als een samenhangend conflict. Dat de 17e eeuwse tijdgenoten de Dertigjarige Oorlog als begrip zo duidelijk in de tijd wisten te plaatsen, kwam vooral omdat het begin- en eindpunt van de oorlog zo duidelijk was. Het werkelijke begin van de oorlog, de "Prager Fenstersturz" werd door de tijdgenoten niet als aanvang van de oorlog beschouwd. Het was veeleer de verschijning van een komeet in november 1618 die de 17e eeuwers zagen als de aankondiging van een grote, dramatische gebeurtenis, namelijk het begin van een oorlog. Ook het einde van de 30-jarige oorlog kende een duidelijk slot met de vrede van Westfalen in 1648. Toen de oorlog eenmaal afgelopen was, verspreidde de term "Dertigjarige Oorlog" zich met grote snelheid door Europa. Van Londen tot Venetië werd de term door de tijdgenoten gebruikt. Al met al blijkt hier dus uit dat de tijdgenoten de oorlog als een uniforme periode beschouwden, terwijl de oorlog naar moderne inzichten onder te verdelen is in meerdere fasen. Aan deze uniformering van de oorlog is een koppeling te maken met het ontstaan van het beeld over de gruwelijke terugblik op de oorlog. Juist door deze uniformering dacht men dat het Duitse Rijk 30 jaar lang in zijn geheel in brand stond, terwijl er maar weinig gebieden waren die continu aan het geweld blootgesteld werden.

Niet alleen gedichten, maar ook vlugschriften gaven een indruk weer, hoe tijdgenoten dachten over de Dertigjarige Oorlog. Vlugschriften uit de vroeg-moderne tijd gaven niet alleen een politieke inhoud weer, maar kenden ook een grote verscheidenheid aan religieuze, moralistische en natuurkundige thema"s. Het vlugschrift werd gebruikt om politieke en religieuze meningen te verkondigen en de publieke opinie, die net op begon te komen, te beïnvloeden. In de geschriften is partijdigheid is vaak duidelijk terug te vinden en soms is er een zichtbaar verschil in de werkelijkheid en de visie van de auteur. Helaas zijn er in de loop der tijd nogal wat bladen verdwenen, zodat er gaten bestaan in onze kennis.

Als historische bron zijn de vlugschriften slechts in zoverre te gebruiken dat ze als kennisbron over meningen en waardenvoorstellingen van een bepaalde tijd te gebruiken zijn. De geschriften vormen een documentatie van een levensgevoel van die tijd. Naast het vlugschrift kwam in de 17e eeuw ook de krant op als verkondiger van meningen. Kranten werden periodiek verkocht aan meestal welgestelde personen. De vlugschriften daarentegen hadden als kenmerk dat ze een groot publiek bereikten door hun prijs en makkelijke manier van verspreiding. Door plaatjes waren de vlugschriften ook voor ongeletterden toegankelijk en ook inhoudelijk wilden de makers van de geschriften een zo groot mogelijk publiek bereiken.

Van veel geschriften is noch de auteur noch de uitgever bekend. De positiebepaling van het vlugschrift is bijna altijd wel te achterhalen door de inhoud van de tekst of de afbeeldingen. Soms werd anonimiteit door schrijvers ook vrijwillig aangenomen, omdat zij vreesden voor vervolgingsmaatregelen door de censuur. Kritische opmerkingen werden daarom niet altijd direct gegeven, maar via een omweg. Zo werd kritiek op de keizer altijd gegeven via kritiek op de jezuïeten, omdat deze een sterke adviserende rol hadden bij de keizer. In deze werken werd de orde vaak als bezitsgierig en bloeddorstig voorgesteld. De jezuïeten kregen zo de kritiek te verduren, maar het was bij de lezers duidelijk dat de keizer bedoeld werd.

Auteurs van vlugschriften gebruikten verschillende soorten vlugschriften om de ideeën over te dragen, zoals dierfabels, rebussen, dialogen of allegorische vormen. Via satires werd de eigen positie duidelijk gemaakt en spanningen konden met een lach opgelost worden. Thema"s in vlugschriften hadden voornamelijk betrekking op enkele belangrijke persoonlijkheden als Tilly, Frederik V en Gustav Adolf, om er maar enkele te noemen, of gebeurtenissen die veel indruk maakten zoals de vernietiging van Maagdenburg. De kosten van veel vlugschriften werden door een partij betaald, aangezien de teksten en afbeeldingen op houtsneden of kopergravures gemaakt moesten worden. De betaling werd gedaan omdat partijen belang hadden bij een positieve afschildering van zichzelf, of een negatieve van de tegenstander. Door het maken van de gravure duurde de productie van een vlugschrift ongeveer twee tot zes weken.

Vaak probeerde de auteur van een vlugschrift angsten op te wekken door te suggereren dat bijvoorbeeld de katholieken/jezuïeten al lange tijd plannen hadden om tegen de protestanten op te treden. Antikatholiek werd gelijkgesteld aan antikeizerlijk. Veel vlugschriften werden vol symboliek gestopt. Zo werd in een vlugschrift regelmatig een beer aangehaald waarmee Beieren bedoeld werd en historische personen werden vaak in dieren omgezet op grond van een etymologische betekenis. De dierallegorieën waren vooral voor eenvoudige mensen bedoeld, omdat op deze manier abstracte dingen als karaktereigenschappen in beeld omgezet konden worden.

Vlugschriften stelden vaak in woord en in beeld een combinatie voor van emblematische, allegorische, typologische of symbolische elementen. De ordening werd geenszins willekeurig gedaan, maar was een opbouw in de intentie van de schrijver en richtte zich naar de criteria die hij aan een doelgroep stelde, zoals bijvoorbeeld de geleerdheid die hij aan de doelgroep toedacht. Personificaties, metaforen of symbolen dienden om bepaalde zaken duidelijker te maken, maar sommige abstracties waren voor de lezer waarschijnlijk zeer moeilijk te ontsluiten.

Maar noch gedichten, noch vlugschriften hebben het beeld van de Dertigjarige Oorlog in de collectieve geest doorslaggevend kunnen vormen. Dit was de "verdienste" van de literatuur. Hans Jacob von Grimmelshausen, Friedrich Schiller, Friedrich Hölderlin, Wilhelm Raabe, Gustav Freytag, Alfred Döblin, Bertolt Brecht en Günter Grass zijn slechts de bekendste schrijvers die over de 30-jarige oorlog hebben geschreven. Arthur Luther heeft in 1943 een overzicht gegeven van romans, vertellingen en novelles over de oorlog. In zijn werk heeft Luther versdichten en drama"s weggelaten, bovendien nam hij alleen werken vanaf het begin van de 19e eeuw op. Desondanks kwam Luther tot een aantal van ongeveer 520 Duitstalige prozawerken. De Dertigjarige Oorlog was voor verhalenschrijvers een onuitputtelijke bron van inspiratie. Verschillende thema's, gebeurtenissen of persoonlijkheden uit de oorlog werden in verhalen uit de doeken gedaan. Het aantal verhalen over de 30-jarige oorlog nam steeds meer in aantal toe: van 1801 tot 1899 verschenen er rond de 150 titels, van 1900 tot 1918 ongeveer 90 en van 1919 tot 1941/42 ongeveer 280.

Van alle literaire werken met de Dertigjarige Oorlog als achtergrondthema kende Der abenteuerliche Simplicissimus Teutsch van Grimmelshausen (1621/22 – 1676) de meeste verspreiding. Het werk was al tijdens het leven van Grimmelshausen een groot succes. Tussen 1756 en 1976 werden er 200 nieuwe uitgaven gemaakt en nog eens 100 nieuwe oplagen. Slechts een kwart hiervan waren kritische uitgaven. Een veel grotere rol speelden de talrijke bewerkingen met daaronder 40 gecensureerde jeugd- en schoolboekuitgaven. Omdat er geen onderzoek bestaat over de uitwerking van het boek van Grimmelshausen is het niet te peilen wat de uiteindelijke invloed is geweest van het werk. Deze schatting is extra moeilijk te maken, omdat het werk in de 18e eeuw als conversatieonderwerp gebruikt werd, maar daarna lange tijd uit het literaire beeld verdween. Pas in de 19e eeuw werd de Simplicissimus weer ontdekt. Op grond van moderne studies over het werk is echter wel te erkennen dat het boek in de 19e eeuw gezien werd als een levensecht beeld van gruwelen, ellende en kwellingen van de Dertigjarige Oorlog. Dit geschetste beeld diende sinds deze tijd vooral, de oorlog als een ‚historisches Negativexempel" te typeren. Tegen deze zienswijze werd ook wel aanstoot genomen; zo werd er in 1876 in de Pruisische landdag een heftige dicussie gehouden met het boek van Grimmelshausen als onderwerp. De Simplicissimus werd in deze discussie gebruikt om aan te tonen dat Duitse eenheid van groot belang was omdat het land anders zou vervallen in de ellende die Grimmelshausen beschreven had. De discussie ging vooral over het feit dat het boek werd gebruikt om een politieke stellingname te verdedigen en zo tot een politiek item werd gemaakt.

De betrekking van het hoofdwerk van Grimmelshausen in de politiek vanaf het begin van de 19e eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog, heeft er wezenlijk aan bijgedragen dat het paradigma van de verschrikkelijke oorlogservaring aktueel bleef. Er kan dus gesteld worden dat deze politici het beeld over de 30-jarige oorlog helemaal niet wilden veranderen, omdat zij dit beeld konden gebruiken voor eigen (politieke) doeleinden. Maar niet altijd was er kwade politieke opzet in het spel. Soms interpreteerden bijvoorbeeld historici gegevens verkeerd. Een grote fout werd bijvoorbeeld gemaakt met de beoordeling van de Simplicissimus: het boek werd door de lezers en de historici beschouwd als een autobiografie van Grimmelshausen en zelfs als een documentair bericht. Hierdoor stonden de wetenschappers niet kritisch tegenover het boek; zij namen veel feiten uit het boek ten onrechte voor waar aan. In deze beeldvorming over de Simplicissimus is wel een grote verandering opgetreden. Tegenwoordig wordt het boek gelezen als een literair werk en de wetenschap is daardoor in staat er de nodige kanttekeningen bij te plaatsen. Desondanks heeft het werk zijn krachtige beelden niet verloren. Zo schreef de Duitse schrijver Enzensberger over de oorlog in de Balkan in de Frankfurter Allgemeine Zeitung‚"Wer sich von den Plünderungen, Brandschatzungen, Massakern und Greueltaten der serbischen Soldateska ein Bild machen will, sollte nicht auf CNN verlassen, sondern Grimmelshausen lesen."

Maar als we zoeken naar de oorzaak van de blijvende beeldvorming over de Dertigjarige Oorlog, dan moet niet alleen gekeken worden naar de literaire beeldvorming. Ook de mondelinge overlevering speelde een grote rol door onder andere kinderrijmpjes, kinderliedjes, sagen, volksfeesten en herdenkingsmonumenten. Een voorbeeld van een kinderliedje is het volgende:
"Das Schwedenlied"
Die Schweden sind gekommen,
Haben alles mitgenommen,
Haben"s Fenster eingeschlagen,
Haben"s Blei davongetragen,
Haben Kugeln daraus getragen,
Haben Kugeln daraus gegossen,
Und die Bauern erschossen.


Veel van de beeldvorming over de oorlog is in de loop der tijden gevormd en het ontbreken van enige historische kennis over deze oorlog bepaalde de collectieve gedachte over de oorlog. Een onderzoek naar de mening bij de bevolking van het Bundesland Hessen in Duitsland naar de grootste catastrofe leverde in 1962 de volgende peiling op: op een gedeelde eerste plaats stelde men de Dertigjarige Oorlog en de tweede grote pestepidemie uit de 14e eeuw en op de tweede plaats kwam de Duitse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog.

Wetenschappelijk onderzoek
Nu het duidelijk is geworden, dat het beeld van de Dertigjarige Oorlog in sterke mate is gevormd door literaire beschouwingen en mondelinge overleveringen, kunnen we ons afvragen wat de wetenschap heeft gedaan om dit beeld te corrigeren. Historici hebben immers de taak om te onderzoeken of beelden van het verleden overeenkomen met de werkelijkheid.

Allereerst kunnen we stellen dat naast het collectieve beeld ook het historiografisch onderzoek over de Dertigjarige Oorlog een zeer lange tijd heeft stilgestaan. Het beeld van deze oorlog, werd pas na de Tweede Wereldoorlog door de wetenschap aangepast. Het ontstaan van de "Dertigjarige Oorlog" werd als begrip en als voorstelling niet door de beroepshistorici opgetekend, zoals Repgen dit heeft laten zien, maar werd al door tijdgenoten als zodanig bezien en benoemd. Al in de ogen van de tijdgenoten was de oorlog een catastrofe die alle voorgaande oorlogen in de schaduw stelde. Deze blik op de Dertigjarige Oorlog heeft zich in het historisch bewustzijn niet alleen vastgezet, maar heeft zich zelfs uitgebreid tot een oorlog die het gewone leven van de burger totaal beheerste. Het beeld van een catastrofale oorlog die maar niet wilde eindigen, heeft de voorstellingen over de Dertigjarige Oorlog en de projecties daarvan in de geschiedschrijving en de literatuur tot op de dag van vandaag overleefd en gevormd. De spanning tussen het sociale leven en de oorlog was vanuit dit gezichtspunt telkens ingeslepen en heeft zichzelf versterkt. Hoe negatief de tijdgenoten dachten over de Dertigjarige Oorlog blijkt wel uit de volgende periodisering die gemaakt werd:
1) "die Zeit bis 1617/18: "Germania florens et vivida",
2) "die Zeit von 1618 bis 1628: "Germania decrescens et morbida",
3) "die Zeit von 1628 bis 1638: "Germania emarcescens et squalida",
4) "die Zeit von 1638 bis 1648: "Germania agonizans et moribunda,
5) "die Zeit seit 1648: "Germania renascens et pullulans".

Het onderzoek en de projectie van de oorlog door de historici die leefden na de oorlog sloot bij de beelden aan die al in de 17e eeuw geprojecteerd waren. Maar onderzoekers bleven niet alleen bij het oude beeld stilstaan; er kwamen nieuwe dimensies bij naar andere terreinen, zoals bijvoorbeeld het thema van de juridische Rijksgeschiedenis. Deze invalshoek kwam in de 18e eeuw op onder invloed van een Verlicht perspectief waarin de historici vast bleven houden aan het belang van de juridische herschikking die door de Dertigjarige Oorlog tot stand was gebracht. Zo vroeg een professor uit Göttingen zich af "ob's denn aber auch gut gewesen seyn würde, wenn ein solcher tobender und alle Kräfte bewegerder Sturm gekommen wäre". 

Een belangrijk historiografisch keerpunt bereikte Friedrich Schiller in 1791/93 met zijn succesvolle Geschichte des Dreißigjärigen Krieges. In dit werk werd de oorlog vanuit een protestants gezichtpunt bekeken, maar met een speciale bijgedachte: de 30-jarige oorlog gold voor Schiller als een beslissende stap op weg naar de individuele en nationale vrijheid in een Europees kader. De zware strijd van het protestantisme tegen de katholieke universele macht en juist de Westfaalse vrede als roemrijk einde, was voor de protestanten een beslissende stap.

Een opvallend historiografisch verschijnsel deed zich in de 19e eeuw voor. In plaats van dat de wetenschap meer afstand van de oorlog nam, begonnen geïnteresseerde historici zich meer met de oorlog bezig te houden. Zo schreef de historicus Erdmannsdörfer in 1865 "Wir sind den Tagen Ferdinands II. und Gustav Adolfs wieder um etliche Menschenalter ferner gerückt, als jene ruhigen Betrachter im 18. Jahrhundert; aber die größere Entfernung hat hier nicht ihre gewöhnliche mildernde und versöhnende Wirkung geübt… Es ist in der That so: jene leidenschaftslose Ruhe eines mittleren Urteils über die Ereignisse des Dreißigjärigen Krieges scheint für uns unmöglich geworden zu sein". Hoewel de Dertigjarige Oorlog al ruim 200 jaar voorbij was, waren de Duitse historici nog steeds niet in staat om een morele afstand tot de oorlog te nemen. Eenzelfde verschijnsel doet zich heden ten dage voor bij bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog; ook bij deze oorlog is het vrijwel niet mogelijk om er emotioneel onbevooroordeeld naar te kijken

In de 19e eeuw namen de voorstellingen over de Dertigjarige Oorlog een uitgesproken controversieel karakter aan. De historici stelden niet de 30-jarige oorlog als breukpunt in de vroegmoderne tijd centraal, maar bestreden in een confessioneel gekleurde strijd de waardering van de oorlog en de Westfaalse vrede met als achtergrond de vertraagde nationale eenheid van Duitsland. De personen van Gustav Adolf, Wallenstein en Tilly werden een deel van de discussie over de onvoltooide Duitse eenheid. Thema"s uit de Dertigjarige Oorlog werden geprojecteerd op het politiek onverenigde Duitsland totdat de eenheid in 1871 bereikt werd. Vooral het confessionele gezichtveld speelde een belangrijke rol. De oorlog werd door de protestantse historici bezien als een katholiek-barbaarse tegenreformatie. Gustav Adolf werd door de protestanten verheven tot een religieus-politieke "cultusleider" van een protestantse politieke natie. De katholieken daarentegen beschouwden de oorlog zuiver als een conflict om de Rijksconstitutie. De strijd was volgens hen een protestantse poging om deze constitutie door middel van een burgeroorlog te ondermijnen.

In de tweede helft van de 19e eeuw werd de geschiedschrijving over Dertigjarige Oorlog deels geseculariseerd en verwetenschappelijkt. Twee nieuwe paradigma"s traden op de voorgrond. Het ene paradigma stelde de oorlog vanuit het perspectief van de politieke rijksgeschiedenis voor. Dit paradigma probeerde de oorlog te verklaren vanuit een Europees perspectief. De strijd vormde onderdeel van de toenemende vervlechting van de Europese machten. Deze onderzoeksrichting stelde de 30-jarige oorlog voor als een conflict van de Rijksstanden met de keizer om de macht in het Duitse Rijk. Het probleem vond plaats in samenhang met de Europese machtsverschuivingen. Deze onderzoeksrichting kreeg haar voortzetting in de 20ste eeuw met werken van onder andere Volker Press en Konrad Repgen. Bij Press is bijvoorbeeld zeer duidelijk in zijn werkopzet en tekst te zien dat hij de Dertigjarige Oorlog bekijkt vanuit het Europese perspectief. Zo neemt hij de Nederlandse oorlog mee als onderdeel van de oorlog, wat een logisch geheel vormde, maar tevens komen ook de Spaanse en de Franse problemen en deelnames aan de orde. Dit zorgt weliswaar voor een compleet overzicht, maar het heeft als nadeel dat Press nergens echt de diepte in kan; het werk van Press krijgt daarom de vorm van een overzichtswerk. Press probeerde in zijn werk door de koppeling met het Europese perspectief afstand te scheppen van de historici die de Dertigjarige Oorlog vooral in een nationaal kader plaatsen. Want hoewel minder sterk, bleef de "nationale school" ook in de twintigste eeuw eeuw krachtig aanwezig.

Het paradigma van de "nationale school" ontstond eveneens in de tweede helf van de 19e eeuw en was succesvoller dan het eerste. De Dertigjarige Oorlog werd gesteld tegen de achtergrond van een staatsvormingsproces. De oorlog was volgens het paradigma een conflict tussen de ontluikende vorstelijke territoriale staten en kende daarom ongekende verwoestingen. De vorsten wilden immers allemaal hun gebied uitbreiden en oorlogen werden met grote felheid gevoerd. In het kader van dit paradigma werd de vraag naar de omvang van de oorlogsverwoestingen en de gevolgen van groot belang. De meest invloedrijke richting was de Pruisisch-Duitse interpretatievorm. Deze school benutte de catastrofale voorstelling van de 30-jarige Oorlog, om een absoluut dieptepunt in de historische ontwikkeling te construeren, van waaruit de opgang van Brandenburg-Pruisen en vandaar uit weer Pruisen-Duitsland een natuurlijk gevolg was. In deze school werd dus heel duidelijk het zwarte beeld van de Dertigjarige Oorlog gekoesterd om op die manier de eigen legitimatie te verkrijgen. Tekenend is dan ook dat de belangrijkste vertegenwoordiger van de stroming geen historicus was, maar een schrijver. In 1859 publiceerde Gustav Freytag hij zijn werk Bildern aus der deutschen Vergangenheit waarin hij als historicus optrad, maar tevens een nationaal-pedagogische doelstelling hanteerde. In zijn Bildern werd de Dertigjarige Oorlog geschetst als een grote ramp, een dieptepunt van de menselijke beschaving en als een noodlottig verwoestende natuurramp. Het volgende citaat is daar een goed voorbeeld van: "Die Verwüstung der Landschaft rächte sich furchtbar an den Heeren selbst, das Gespenst des Hungers, Vorbote der Pest, schlich durch die Lagergassen". En ook "Das Volk erreichte die letzte Tiefe des Unglücks: ein dumpfes apathisches Brüten wurde algemein… Man hatte in den Dörfern das Schreiben, ja fast die laute Klage verlernt. Wo ein Heer verwüstet hatte, und den Hunger wüthete, fraßen Menschen und Hunde von demselben Leichnam, Kinder wurden aufgefangen und geschlachtet." Volgens Freytag kon het na het einde van de oorlog alleen nog maar beter gaan met Duitsland. De verschuivingen die plaatsgevonden hadden door de oorlog, zoals de verminderde macht van de Habsburgse keizer, moesten leiden tot een nationale staat onder protestantse leiding. Freytag maakte in zijn voorstelling van zaken echter een fout die door veel historici gemaakt is; hij kende het verloop van de oorlog en de nasleep ervan. Deze kennis gebruikte hij om naar een einddoel toe te redeneren. In dit geval de Duitse eenheid. Freytag bereikte een speciaal realiteitseffect door op een manier te schrijven die sterk leek op de taal van een egodocument. Onbewust appelleerden de Bildern op het vooruitgangsgeloof dat er in de 19e eeuw heerste, door de Dertigjarige Oorlog voor te stellen als een nationaal nulpunt. Bildern aus der deutschen Vergangenheit vonden een breed historisch geïnteresseerd publiek en bleven tot in de twintigste eeuw hun aantrekkingskracht behouden. Bij andere historici stuitte het werk echter op scepsis en het leidde tot een tweedeling binnen de Duitse historische wereld. Zo werd het werk van Freytag bijvoorbeeld ondersteund door Heinrich von Treitschke. Hij was in zijn Deutsche Geschichte im 19. Jahrhundert van mening dat de oorlog vooral tot een rampzalig nationaal dieptepunt leidde, door het ingrijpen van vijandelijke buitenlandse machten.

Het boek van Freytag zorgde, juist door zijn populariteit, dat de toch al sceptische historici, eens goed gingen kijken naar het boek. Dit leidde tot onderzoeken naar het catastrofale beeld dat tot die tijd de Dertigjarige Oorlog bepaald had. Aan het einde van de 19e eeuw begonnen Duitstalige historici methodisch steeds meer afstand te nemen van de overdrijving van de ellende van de oorlog zoals Freytag dat gedaan had. Zij probeerden de verhalen over dood en verwoesting in een meer wetenschappelijk kader te plaatsen. De historici begonnen ijverig te zoeken naar regionale en lokale wetenschappelijke publicaties om te zien of het algemene beeld van de Dertigjarige Oorlog wel klopte.

Vooral het economische perspectief kreeg in de jaren na de Eerste Wereldoorlog een grote belangstelling. Via regionale en lokale geschiedschrijvingen probeerden de onderzoekers om de gevolgen van de Dertigjarige Oorlog op de economie en de demografie voor enkele regio"s te achterhalen. Karakteristiek voor veel van deze onderzoeken was de evenwichtige zienswijze op de oorlog. Het onderzoek werd zeer systematisch gedaan: allereerst verzamelden de wetenschappers grote hoeveelheden bronnen over de economische en demografische toestand van de regio. Deze bronnen werden uitgesplitst in beschrijvingen van het begin van de oorlog en bronnen die het einde van de oorlog beschreven. Deze bronnen werden met elkaar vergeleken en de historici maakten een balans op van de schade die er tijdens de oorlog plaatsgevonden zou moeten hebben. De "War disaster school" maakte in deze tijden een sterke opkomst. Deze school ging ervan uit dat Duitsland voor de Dertigjarige Oorlog floreerde, maar door de oorlog geheel verwoest werd. De bronnen leken het meest in die richting te wijzen. Het probleem voor de historici was echter dat zij vaak verschillende uitkomsten kregen per regio. Uiteindelijk bleek er dus toch nog geen duidelijke uitkomst verkregen te zijn. De historicus Brandi vatte het probleem in 1930 bondig samen: "Über nichts ist so oft gestritten worden und so schwer ein reines Urteil zu gewinnen, wie über die wirtschaftlichen Folgen des großen Krieges. Früher weit überschätzt, wurde es eine Zeitlang zur Mode, sie erheblich zu unterschätzen". Theodore Rabb kwam met een van de weinige specifiek historiografische werken die er over de Dertigjarige Oorlog verschenen zijn. Hij onderzocht in een artikel de talrijke lokale en regionale publicaties over de oorlog over de periode 1900 – 1955. Via dit onderzoek was hij in staat om tegenstand te bieden aan de "War disaster school". Hiermee gaf Rabb een krachtige impuls aan de "Earlier decline school". Deze school ging ervan uit dat al voor het begin van de Dertigjarige Oorlog een verval was ingetreden op economisch, cultureel en politiek gebied. Al deze regionale onderzoeken stelden echter niet de vraag of het totale beeld van de 30-jarige oorlog met betrekking tot de grote ellende nu wel klopte. De discussie ging er vooral over, wanneer de grote moeilijkheden nu eigenlijk begonnen waren. De Dertigjarige Oorlog als tijd van rampspoed bleef bestaan. Zo stelde de Duitse publicist en historicus Fritz Kaphahn in 1919 een vergelijking op tussen de Eerste Wereldoorlog en de "grote ramp": "Wir müssen in die traurigsten Abschnittte deutscher Geschichte zurückblicken, wenn wir Maßstäbe für die gegenwart gewinnen wollen. Es ist die Zeit des Dreißigjärigen Krieges, deren Bild mit harter Deutlichkeit in uns aufsteigt". Dat de Duitsers de 30-jarige oorlog nog steeds als de grootste oorlogsramp tot dan toe beschouwde, kwam vooral door het feit dat de burgerbevolking tijdens de Eerste Wereldoorlog niet direct met de oorlog geconfronteerd was. Alle ellende aan het front was weliswaar doorgedrongen tot de bevolking, maar er was geen collectieve gedachte van grote oorlogsellende bij de Duitse bevolking. Dit was wel het geval geweest tijdens de Dertigjarige Oorlog.

Ook in de tijd tot 1945 was de wetenschap niet in staat om het negatieve beeld van de oorlog te veranderen. Sommigen wilden dit zelfs helemaal niet. Zo publiceerde Günther Frank in 1940 Der Dreißigjärige Krieg und das deutsche Volk, waarin hij een sociaal-historische voorstelling van de oorlog gaf. In dit boek werkte Franz ook met regionale en lokale bronnen maar selecteerde deze in het kader van de Nationaal-Socialistische volksgeschiedenis. We kunnen zelfs stellen dat Franz de Dertigjarige Oorlog als het ware in dienst nam. De schrijver gaf een voorstelling van de oorlog als een door boeren gevormd "Volkslichaam" (lees: maatschappij), dat gekenmerkt werd door "een wil om te leven" en een "wil tot prestatie". Deze maatschappij werd bedreigd door een extreme oorlogssituatie. De geschiedenis van de Dertigjarige Oorlog werd door Franz ook gekoppeld aan de periode 1914-1939, de "Zweite Dreißigjärige Krieg". Hoewel een historica als C.V. Wedgwood geen politieke doelen had om de beeldvorming van de Dertigjarige Oorlog te behouden, deed zij toch mee aan het behoud van het beeld: zij gebruikte de beeldvorming van de 30-jarige oorlog om aan te tonen dat oorlog in het algemeen doelloos is.

Na de Tweede Wereldoorlog had de Duitse bevolking collectief wel oorlogservaring opgedaan en de oorlogsellende ondervonden. Door de laatste oorlog hadden de historici veel minder oog voor de 30-jarige oorlog en de thema"s waar de historici zich mee bezig hadden gehouden verloren aan relevantie. Nieuwe dingen waren te onderzoeken. Hoewel de geschiedschrijvers zich minder met de Dertigjarige Oorlog bezig gingen houden bleef buiten de wetenschap om nog steeds de eerder geschetste collectieve gedachte over de oorlog bestaan. De wetenschap publiceerde tot aan het einde van de jaren "70 geen grote totaaloverzichten van de Dertigjarige Oorlog. Als historisch brandpunt was de oorlog even uit het zicht van de Duitstalige historici verdwenen; zij wilden zich in de jaren "50 en "60 niet meer bezighouden met het oorlogsgeweld, de verwoestingen en de oorlogsellende. De grote vragen die de historici zich stelden over de Tweede Wereldoorlog ontnamen de aandacht voor de Dertigjarige Oorlog. Duitsland had met de Tweede Wereldoorlog een oorlog te verduren gehad die alle voorgaande oorlogen overtrof.

De afstand die de vakhistorici namen van de Dertigjarige Oorlog, gaf echter ook weer nieuwe mogelijkheden om de oorlog na verloop van tijd met een frisse blik te bekijken. Buiten het Duitstalige gebied zagen historici deze mogelijkheden vroeger dan in Duitsland zelf. Steinberg publiceerde in 1966 een controversieel boek dat gebaseerd was op het conventionele uitgangspunt van politiek en macht. Steinberg relativeerde ten eerste de term "Dertigjarige Oorlog", omdat hij van mening was dat de oorlog geen uniform geheel was, maar plaatste de oorlog ook in het perspectief van een algemeen Europees evenwichtsdenken. Steinberg ging hierin zelfs nog verder: het historische proces met de catastrofale structurele gevolgen van de oorlog was volgens Steinberg "never exclusively, or even primarily, a German affair but concerned the whole of Europe." Volgens Repgen spreken er twee zaken tegen de interpretatie van Steinberg. Ten eerste heeft het evenwichtsdenken nooit een centrale rol gespeeld in de machtpolitiek tijdens de Dertigjarige Oorlog. De term "hegemonie" werd door de Spanjaarden en de Duitse keizer nooit als programma opgenomen. Ten tweede beargumenteerde Repgen dat de realiteit van de internationale betrekkingen in Europa en de rol van de Dertigjarige Oorlog daarin veel gecompliceerder was dan alleen een zaak van universele monarchie tegen de anti-universele monarchisten. Het begrip evenwichtspolitiek werd door de Fransen alleen maar gebruikt als instrument in de oorlog tegen de Spanjaarden. Repgen dient hier volgens mij wel genuanceerd te worden, want een van de redenen voor Frankrijk om mee te gaan doen aan de Dertigjarige Oorlog was nu juist de Habsburgse omsingeling die de Fransen wilden doorbreken. Overigens was het voor de Fransen natuurlijk wel een mooie legitimatie. En ook het eerste punt van Repgen is niet waterdicht; het feit dat de hegemonie niet in een programma werd opgenomen, wil niet zeggen dat het niet door de Habsburgers nagestreefd kon worden.

Ook de Duitse historicus Roeck heeft kritiek op Steinberg; vooral het feit dat Steinberg beargumenteerde dat alles niet zo erg was tijdens de oorlog moet volgens hem verworpen worden. In plaats daarvan is Roeck van mening dat het onderzoek regionaal moet gaan differentiëren om een beter overzicht te verkrijgen. Roeck stelt terecht dat er gebieden waren die bijzonder zwaar getroffen waren door de oorlog, maar tevens waren er landstreken die vrijwel niet door de oorlog aangetast waren. Mijn kritiek op het punt van Roeck is echter wel dat er ruimte moet zijn voor het etaleren van de ellende; het mag mijns inziens niet zo zijn dat de wetenschap helemaal naar de andere kant doorslaat en de ellende van de Dertigjarige Oorlog gaat verzachten of zelfs ontkennen. Steinberg was niet de enige die de 30-jarige oorlog plaatste in het kader van een algemeen Europees perspectief. In 1958 beargumenteerde de Tsjecho-Slowaakse historicus Polisenský dat de oorlog een Europees karakter had. Daarmee ging ook hij in tegen de stelling dat de Dertigjarige Oorlog vooral een Duitse oorlog was.

Dezelfde tijd kwam er onder invloed van Hobsbawm en Trevor-Roper een discussie op gang over de "General crisis of the 17th century". Deze Engelse historici waren van mening dat de Dertigjarige Oorlog paste in een groter geheel van een algemene Europese crisis die in het Europa van de 17e eeuw heerste. Zij stelden dat deze crisis op tal van terreinen betrekking zou hebben, zoals het economische, politieke, sociale en cultureel-religieuze vlak. Hobsbawm en Trevor-Roper gingen dus uit van een algemene geschiedenis en wilden af van de nauwe politieke geschiedenis, zoals die al eerder geschreven was. Daarnaast wilden zij de Dertigjarige Oorlog als gebeurtenis in een Europees geheel plaatsen. Repgen is echter van mening dat de oorlog geen rol heeft gespeeld in deze discussie. Zelfs terecht naar hij meent, want de discussie biedt geen verklaringsmodel voor maatschappelijke vragen. Bovendien beschouwt Repgen het begrip "crisis" zelf, als moeilijk te definiëren.

In de late jaren "80 verschenen er nieuwe verzamelwerken die zorgden voor een nieuw begin van de politieke geschiedenis. De kracht van deze geschiedschrijving is, dat zij de oorspronkelijke sociaal-economische en politiek-historische thema"s samenvoegen. Deze historici probeerden structuur- en sociale geschiedenis in een politiek kader te plaatsen. De nieuwe interpretaties beschouwen de oorlog als een verscherpte fase van een strijd om politieke competenties en een machtsstrijd tussen confessionele en religieuze groepen. Maar bovenal was het een strijd om economisch-financiële middelen die zich afspeelde in het proces van staatsvorming in de vroegmoderne tijd. Dit proces trad tegen het einde van de 16e eeuw in een beslissende fase. Zelf ben ik het niet eens met de bewering dat al tegen het einde van de 16e eeuw het staatsvormingsproces in een beslissende fase kwam; eerder ben ik van mening dat deze fase zich pas na het einde van de oorlog afspeelde. In de periode was er nog een felle strijd gaande tussen vorsten en belangengroepen van edelen over de verdeling van het geld en de macht. De Dertigjarige Oorlog kreeg bij deze interpretatievorm het karakter van een verdelingsconflict tussen statelijk-militaire belangengroepen en maatschappelijke groepen van onderdanen. Het was geen oorlog tussen staten onderling, maar een "Staatsbildungskrieg", zoals de Duitse historicus Burkhardt het formuleerde.

Uit deze richting kwam een verfijning voort. Historici van deze richting probeerden om het sociale en het dagelijkse verleden van de Dertigjarige Oorlog uit het perspectief van een nieuwe lokale en regionale geschiedenis of vanuit een microgeschiedenis te benaderen. Dorpen, steden en regio"s worden om de loep genomen en vergaand onderzocht. De studies kiezen voor een perspectief van nabij. De blik wordt tijdens het onderzoek heel scherp gefocust op een begrenst onderzoeksveld van een lokale of regionale maatschappij. Door keuze van de bronnen als bijvoorbeeld levensgeschiedenissen wordt het mogelijk de oorlog "menselijk" te maken; een oorlog die door mensen gemaakt was en een door mensen ervaren fenomeen werd. Tegelijk kunnen de historici laten zien via onderzoek van handelingen, structuren en gebeurtenissen dat de oorlog per plaats en per regio een verschillende werking had, maar ook dat er omvattende samenhang was tussen de verschillende onderzochte gebieden. Deze methode van onderzoek heeft wel positieve gevolgen voor de breedte van het onderzoek. Omdat de onderzoekers gedwongen worden de oorlog als een alles omvattend fenomeen te bezien, wordt het ook voor het onderzoek van de Dertigjarige Oorlog "van dichtbij" mogelijk, om de microgeschiedenis te incorporeren in de makro-historische perspectieven. Een geschiedenis van "klein naar groot" behoort dan tot de mogelijkheden. Het soldatendagboek zoals dat door Peters is uitgegeven is een van de voorbeelden van deze richting. Het boek geeft een geschiedenis van alledag, met een goed inzicht in het leven tijdens de Dertigjarige Oorlog. Een van de verdiensten van deze richting is dat de historici in staat waren het beeld van de Dertigjarige Oorlog bij te stellen zonder dat men in het andere uiterste verviel. Deze historici lijken een middenweg gevonden te hebben die de werkelijkheid van de oorlog weergeeft, zonder afbreuk te doen aan de ellende die er tijdens de oorlog plaatsgevonden heeft.

Conclusie
De beeldvorming over de Dertigjarige Oorlog ontstond tijdens de oorlog zelf. Het begin van de oorlog had in de ogen van de tijdgenoten een duidelijk signaal met de komeet die er in november 1618 gezien werd. Vooral de literaire werken hebben in sterke mate bijgedragen aan het ontstaan van de kern van het beeld van de Dertigjarige Oorlog; een inktzwarte legende over een langdurige oorlog, waarin er series van gruwelen begaan werden door de soldaten. Literaire werken zoals de Simplicissimus Teutsch van Grimmelshausen werden lange tijd beschouwd als historische werkelijkheid. Maar niet alleen daardoor werd het boek veelvuldig gelezen: de grote kracht van de schrijfstijl bleef mensen aanspreken en een wijde kring van lezers las over de avonturen van Simplicissimus.

Maar niet alleen de literatuur verkondigde een zwarte sfeer van de Dertigjarige Oorlog, ook andere teksten zoals kinderliedjes, gedichten en vlugschriften toonden de ellende van de oorlog. Het beeld over de Dertigjarige Oorlog is dus al tijdens de oorlog zelf ontstaan en heeft zich daarna een lange tijd weten te handhaven.

Het feit dat het beeld van de Dertigjarige Oorlog zo lang stand heeft weten te houden heeft een tweeledige oorsprong. Allereerst kunnen we stellen dat er inderdaad veel ellende heerste tijdens de Dertigjarige Oorlog. Velen hebben beslist het duistere beeld aan den lijve ervaren en hebben niet voor niets aantekeningen gemaakt over hun ellende. De overleveringen van deze mensen waren sterk blijven hangen en werden gecombineerd met de literaire overleveringen. Bij veel mensen heerste er een grote onwetendheid over de Dertigjarige Oorlog en deze lacune in hun kennis werd een zeer lange tijd niet door de wetenschap aangepast.

Ten tweede kunnen we stellen dat velen, vooral in de politiek, belang hadden bij het handhaven van het beeld zoals dat bestond. Al tijdens de oorlog was dit begonnen: verwoestingen, plunderingen en andere misdrijven werden door de ene partij sterk overtrokken om de tegenstander zwart te maken. Dit was niet altijd het overheersende doel om sommige ellende te overdrijven; er konden ook economische motieven aan ten grondslag liggen. Hoe meer verwoestingen er aangericht werden, hoe meer geld steden of standen konden vragen aan hun heerser. Niet alleen economische redenen lagen ten grondslag aan de koestering van het beeld. Zo stelde Schiller de Dertigjarige Oorlog in het teken van de strijd van de protestanten tegen het katholicisme. Na een zware, heroïsche strijd hadden de protestanten de weg vrijgemaakt voor een nieuw Duitsland, dat een krachtige toekomst tegemoed ging. Ook gebruikten politici de oorlog in het kader van de vertraagde nationale Duitse eenheid en opnieuw legden historici de nadruk op de strijd tussen bij confessies. De Pruisisch-Duitse School hield met alle macht vast aan het beeld van de 30-jarige oorlog voor een eigen legitimatie. Pruisische vakhistorici schetsten de catastrofale voorstelling van de oorlog, om een absoluut dieptepunt in de historische ontwikkeling te construeren, van waaruit de opgang van Brandenburg-Pruisen en vandaar uit weer Pruisen-Duitsland een natuurlijk gevolg was. Zonder Dertigjarige Oorlog, zo redeneerden zij, was er nooit een nieuw Duitsland mogelijk geweest.

In de tweede helft van de 19e eeuw verdween het confessionele strijdpunt naar de achtergrond, maar een gekleurde beeldvorming bleef bestaan. Schrijvers als Freytag bleven de Dertigjarige Oorlog gebruiken voor eigen doelstellingen. Maar juist de populariteit van Freytags Bildern zorgde ervoor dat historici gingen onderzoeken of het beeld dat Freytag geschetst had wel echt was. Dit was het begin van de afbraak van de negatieve beeldvorming over de oorlog.

Deze afbraak ging echter langzaam. De zwarte legende bleef zeer sterk op de voorgrond en slechts in wetenschappelijke kringen kon de beeldvorming bijgesteld worden. Het duurde echter tot na de Tweede Wereldoorlog voordat de wetenschap doordrongen was van het feit dat de oude beeldvorming niet klopte. Want ook in de tussentijd was het thema van de gruwelen van de Dertigjarige Oorlog gebruikt om eigen doeleinden na te streven. Soms met goede motieven, zoals Wedgwood, die op de nutteloosheid van de oorlog wilde wijzen, maar ook doelstellingen in dienst van een politiek regime, zoals Günther Frank. Na de Tweede Wereldoorlog hadden de Duitse historici kortstondig geen oog meer voor de 30-jarige oorlog. De wereldoorlog eiste de aandacht op van zowel de Duitse als de buitenlandse onderzoekers. De afstand die de historici namen van de oorlog zorgde ervoor dat er weer frisse ideeën konden ontstaan. Toen het onderzoek weer ter hand werd genomen had het gebroken met delen van de oude beeldvorming.

Tegen het einde van de twintigste eeuw werd er definitief een einde gemaakt aan het bestaan van de oude beeldvorming. Nieuwe onderzoeksmethoden zoals de microgeschiedenis lieten zien dat de delen van het oude beeld wel klopten, maar slechts op lokaal niveau en lang niet altijd op grote schaal. Verwoestingen, plunderingen en andere oorlogsellende veroorzaakten veel menselijk leed, maar dit gebeurde in elke oorlog en de Dertigjarige Oorlog was hierin geen uitzondering. De wetenschappers hebben een nieuw, verbeterd beeld van de 30-jarige oorlog kunnen maken. Aan hen is het de taak om het nieuwe tijdsbeeld door te laten dringen naar het historisch geïnteresseerde publiek.

Literatuur
R. Asch, "Wo der Soldat hinkömbt, da ist alles sein": "Military Violence and Atrocities in the Thirty Years War Re-examined". German History, volume 18 number 3 (Osnabrück 2000)
F. Bedürftig, Taschenlexikon Dreißigjäriger Krieg (München 1999)
M. Beyner-Fröhlich, Selbstzeugnisse aus dem Dreißigjärigen Krieg und dem Barok (Leipzig 1930)
W. Boeheim, Handbuch der Waffenkunde (Leipzig 1890)
M. Bötzinger, Leben und Leiden während des Dreißigjärigen Krieges (Bad Langensalza 2001)
P. Burschel, Söldner im Nordwestdeutschland des 16. und 17. Jahrhunderts (Göttingen 1994)
M. van Creveld, Supplying war. Logistics from Wallenstein to Patton (New York 1977)
C. Duffy, Siege Warfare. The fortress in the early modern world 1494-1660 (Londen 1979)
S. Fiedler, Kriegswesen und Kriegführung im Zeitalter der Landsknechte (Koblenz 1985)
H.J.C. von Grimmelshausen, Der abenteuerliche Simplicissimus Teutsch (Stuttgard 1970)
M.P. Heimers, Krieg, Hunger, Pest und Glaubenszwist (München 1998)
H. Jessen, Der Dreißigjärige Krieg in Augenzeugenberichten (München 1971)
B.R. Kroener und R. Pröve, Krieg und Frieden.
Militär und Gesellschaft in der Frühen Neuzeit(Paderborn 1996)
B. von Krusenstjern, Zwischen Alltag und Katastrophe (Göttingen 2001)
H. Langer, Kulturgeschichte des 30järigen Krieges (Leipzig 1978)
W. Mathäser, Maurus Friesenegger, Tagebuch aus dem Dreißigjärigen Krieg (München 1974)
D. Mensing, Die Bauerchronik des Hartig Sierk aus Wrohm (Flensburg 1925) 
P. Milger, Der Dreißigjärige Krieg (München 2001)
O. van Nimwegen, De subsistentie van het leger. Logistiek en strategie van het geallieerde en met name het Staatse leger tijdens de Spaanse Successieoorlog in de Nederlanden en het Heilige Roomse Rijk (1701-1712) (Amsterdam 1995)
G. Ortenburg, Waffe und Waffengebrauch im Zeitalter der Landsknechte (Koblenz 1984)
P. Paret, Makers of modern strategy.
From Machiavelli to the nuclear age (Princeton 1986)
G. Parker, The military revolution. Military innovation and the rise of the West 1500 – 1800 (Cambridge 1996)
G. Parker, The thirty years war (Londen 1987)
J. Peters, Ein Söldnerleben im Dreißigjärigen Krieg (Berlin 1993)
M. Pfeffer, Flugschriften zum Dreißigjärigen Krieg (Frankfurt am Main 1993)
V. Press, Krieg und Krisen. Deutschland 1600-1715 (München 1991)
T.K. Rabb, The thirty years war. Problems of motive, extent and effect (Boston 1965)
K. Repgen, Krieg und Politik 1618 – 1648 (München 1988)
H.U. Rudolf, Der Dreißigjärige Krieg. Perspektiven und Strukturen (Darmstadt 1977)
S.H. Steinberg, The "Thirty Years War" and the conflict for European hegemony (Londen 1966)
G. Teske, Bürger, Bauern, Söldner und Gesandte (Münster 1998)
C.V. Wedgwood, The thirty years war (London 1938)
E.N. Williams, The ancien régime in Europe. Government and society in the Major States 1648-1789(London 1999)
G. Zillhardt, Der Dreißigjärige Krieg in Zeitgenössischer Darstellung (Forschungen zur Geschichte der Stadt Ulm) (Ulm 1975)

Bericht geplaatst in: artikel