MILITAIRE REVOLUTIE EN DE 30-JARIGE OORLOG

Geplaatst op 17 maart 2003
De oorlog begon als een klein conflict tussen de Standen van Bohemen en de Duitse keizer, maar de lokale brand spreidde zich al snel uit over het hele rijk.
In deze tekst zal veel gebruik gemaakt worden van een dagboek van een onbekende soldaat, aangeduid als "onze soldaat", die meegestreden heeft in de Dertigjarige Oorlog.

De these van de militaire revolutie
In 1955 werd er door de historicus Roberts een artikel gepubliceerd waarin hij stelde dat er in de 16e, 17e en 18e eeuw een militaire revolutie had plaatsgevonden. De revolutie had volgens hem ondermeer betrekking op de grootte van de legers, het krachtiger worden van de artillerie en een daarmee gepaarde verandering in de architectuur van vestingen. De legerhervorming van de Zweedse koning Gustav II Adolf in de jaren 1620 kreeg in het artikel van Roberts een groot deel van de eer toegewezen. En niet geheel ten onrechte, want Gustav Adolf was verantwoordelijk voor het massaal in de praktijk brengen van de grote tactische veranderingen die onder prins Maurits in 1590 doorgevoerd waren. Oranje ontwierp een lineaire slagorde in plaats van de oude falanxopstelling. Meer vuurkracht en meer mobiliteit moesten het resultaat zijn van de vernieuwing. Vanuit heel Europa werd er met grote interesse gekeken naar de veranderingen, maar de vernieuwingen werden door het Staatse leger vrijwel niet in praktijk gebracht. Maurits was voorzichtig op zijn leger en vocht slechts één grote veldslag uit: de slag bij Nieuwpoort in 1600. Voor Roberts bleef de Zweedse koning dé grote figuur die de tactiek van de Militaire Revolutie doorvoerde. De militaire historicus Parker daarentegen besteedde meer aandacht aan de pogingen van Maurits en Willem-Lodewijk en de verspreiding van de Militaire Revolutie in het algemeen.

Hoewel het te begrijpen is dat Roberts erg te spreken was over de prestaties van Gustav II Adolf, denk ik dat Roberts hem toch teveel eer toekent. De ideeën van Maurits waren binnen Europa al langer bekend en de veranderingen die Gustav Adolf doorgevoerd had, werden snel en relatief gemakkelijk door de katholieke mogendheden overgenomen. En soms gebeurde er zelfs helemaal niets. Mijn stelling voor dit hoofdstuk is derhalve: wat waren de technische en tactisch/strategische veranderingen die er tijdens de Dertigjarige Oorlog doorgevoerd werden, hoe verhielden deze zich tot de Militaire Revolutie en hoe kunnen de bronnen hieraan informatief bijdragen?

Om deze vraag goed te kunnen beantwoorden zal ik ingaan op de werving van soldaten, de bewapening, de strategische en de tactische veranderingen. Het dagboek van onze soldaat bijvoorbeeld, kan ons helpen extra inzicht te verkrijgen in de militaire gang van zaken.
 
Werving en afdanking van soldaten
"Dessen 1627 gars In Abpril den 3. habe Ich mich vnter den pabpenhemsen Regemendt, zu Vlm, lassen vnterhalten, den Ich bin gans abgeRissen gewessen, fur einen Gefreiten, von daaus, sindt wir auff den musterplatz getzogen, nach die ober Margraffschaff baden, Aldort In qartier gelehgen, gefressen vnd gesoffen, das es gudt heisset".

Het voorgaande citaat is afkomstig van het dagboek van onze soldaat. In deze paar zinnen deed hij verslag van het feit dat hij zich opnieuw liet aanwerven bij een andere legereenheid. Dit maal het regiment van Pappenheim. Al in 1625 was de soldaat toegetreden tot het Venetiaanse leger, maar was daaruit ontslagen. Hoe een man afkomstig uit het midden-westen van Duitsland in Venetië terechtkwam weten we helaas niet omdat het begin van het dagboek ontbreekt. Deze aanwerving was het begin van een lang verblijf van de militair in het regiment van Pappenheim, want ook na de dood van Pappenheim in 1632 bleef de soldaat nog bij het regiment, totdat hij in 1634 door de Zweden gevangen genomen werd. Voor onze soldaat was het normaal dat hij opnieuw dienst nam in een leger. Het leger was zijn thuis en in die omgeving kon hij makkelijk overleven. Hoewel hij ook in het burgerleven in zijn onderhoud kon voorzien, prefereerde hij toch het leger als broodgever.

Achter een enkel zinnetje uit het dagboek ging een gecompliceerde en belangrijke zaak schuil, waar veel geld mee gemoeid was en dus uitgebreide contracten over opgesteld werden. Alleen bij individuele wervingen werden er minder formaliteiten gebruikt. De werving van soldaten kan men bezien vanuit verschillende niveaus. Zo is er het allerhoogste niveau waarbij er een overeenkomst gesloten wordt tussen een vorst en een krijgsheer, of een generaal in dienst van de vorst. Het laagste niveau is dan uiteindelijk het daadwerkelijk aanwerven van soldaten door ronselaars.

Allereerst zal ik ingaan op het hoogste niveau. Een contract tussen de Franse koning en de militaire ondernemer Bernard van Saksen-Weimar (zie bijlage 3.1) kan hierin als goed voorbeeld dienen. Alle aspecten van de onderhandelingen komen aan bod. Fiedler geeft in een klein overzicht weer hoe het aanwerven van troepen formeel ging. Een opvallend gegeven is dat de manier van troepen aanwerven een lange tijd hetzelfde is gebleven. Al tientallen jaren voor de Dertigjarige Oorlog werden troepen aangeworven op de hierna beschreven manier.

Het werven van troepen werd volgens een vaste methode uitgevoerd. In de eerste plaats bekeek een vorst die troepen wilde aanwerven hoeveel manschappen hij wilde. Uiteraard hing dit ten nauwste samen met zijn financiële positie. In het contract tussen de Franse koning en Bernard van Saksen-Weimar wilde de Franse koning een nieuw leger op de been brengen dat door de ondernemer aangeworven moest worden. Het leger mocht 4.000.000 livres kosten. "In return for this, the said duke promises to raise an army of at least 6,000 horse and 12,000 German foot." Hier moest dan ook nog een "train of artillery composed of at least 600 horses with the officers necessary for its proper service" bijkomen. Omdat niet vermeld wordt om wat voor artillerie het gaat, is het helaas niet na te gaan hoeveel stukken de artillerietrein telde. Was het eenmaal duidelijk hoeveel soldaten de vorst wilde en kon betalen, dan werd er een patent uitgevaardigd aan een veldheer. In dit patent stonden de algemene voorwaarden met betrekking tot de gehele organisatie: de totale legersterkte, de opbouw van het leger, de hoogte van de soldij, de voorwaarden die gekoppeld waren aan de dienst en tenslotte de termijn waarin het gehele leger op de been gebracht moest worden. Maar er konden ook zaken in opgenomen worden die betrekking hadden op de soldaten. Zo wilde Christiaan IV, koning van Denemarken "guthen, Mannhaften, tüchtigen und erfahrenen Teutschen Soldaten". Vaak gebeurde het dat de vorst toch veel te weinig geld bleek te hebben en dat de veldheer de aanwervingkosten voor moest schieten. Het systeem van militaire ondernemers begon omstreeks 1500 en vond het hoogtepunt in de Dertigjarige Oorlog met de vrijwel zelfstandige militaire ondernemers, waarvan Wallenstein als de grootste geldt. Wallenstein was echter wel een uitzondering. Door zijn enorme rijkdom was hij in staat om zonder leningen een compleet leger op de been te brengen, maar vaak moesten krijgsheren hun hele bezit verpanden om aan het gewenste geld te komen. Ook Saksen-Weimar was een goed voorbeeld van een dergelijke militaire ondernemer. Hij was overgelopen van de katholieke zijde naar de Fransen en had zelfs al de beschikking over een eigen leger. Dit leger werd nu geheel te huur aangeboden aan de Franse koning. Eventueel zou dit leger nog wat uitgebreid moeten worden, maar in principe kon de Franse vorst het leger gewoon huren. Frankrijk was weliswaar een katholieke mogendheid, maar was zeer fel tegen de machtige (eveneens katholieke) Habsburgers gekant. Vandaar dat het aan de protestantse zijde meevocht.

Dit is echter de juridisch contractuele zijde; bij de echte werving van een leger kwamen er vaak misstanden voor die tijdens de 17e eeuw heel normaal waren. Kolonels maakten misbruik van hun positie door te weinig goede officieren aan te werven of te weinig goede wapens in te kopen, omdat dit hen weer geld opleverde. Uiteraard wist degene die een leger afhuurde ook van de mogelijkheid van dit bedrog. In het contract werd daar op de volgende manier op gewezen. "The duke further promises that all the troops shall be commanded by good officers, whom he shall choose from among those he knows to be most skilled and experienced in the profession of war; that all the cavalry shall have good mounts, and shall be armed at least with a cuirrass and two pistols; that the infantry shall be of seasoned troops, with the usual armament of good muskets and bandoliers, or with pikes and corselets".

Vaak gebeurde het dat er op belangrijke zaken bezuinigd werd die nu juist van groot belang waren voor het goed functioneren van een leger. Het is daarom niet voor niets dat er expliciet vermeld werd dat het goede officieren moeten zijn die het leger moesten leiden en dat ook de uitrusting van de soldaten van goede kwaliteit moest zijn. Soms kwam het ook voor dat soldaten een goed wapen leenden van een kameraad tijdens de inspectie. Officieren waren bijzonder creatief in het ontduiken van de contracten, zolang hen dit maar geld opleverde. "And since there are usually many kinds of cheating at reviews, on account of the greed of the officers, who try to fill up their companies with passe-volants; on the day of the muster, or whenever it shall be required by the said Commissioners and Intendants of Finance, the army is to be formed up in battle order for a new review to be made", aldus de tekst van het contract. Maar al te vaak kwam het voor dat op de dag van de presentatie de rijen der soldaten opgevuld werden met boeren of andere niet-militairen. Zodra de controleurs dan verdwenen waren, konden ook de voorbijgangers weer gaan, al dan niet met een vergoeding. Het voordeel voor de krijgsheren was dan dat zij een hoop extra geld achter konden houden. Dat hun leger daardoor minder sterk was interesseerde hen weinig. Voor degenen die het leger inhuurden was dit natuurlijk een steen des aanstoots, maar vaak konden zij er weinig aan doen. Het enige was dat zij regelmatig een presentatie van het leger konden verlangen. De Franse koning deed dit ook, acht maal als het leger aan de westelijke zijde van de Rijn was en vier maal als het leger aan de oostelijke zijde van de Rijn was.

Voordat de werving begon, sloot de veldheer overeenkomsten met de kolonels. De kolonels stonden aan het hoofd van een regiment en verhuurden vaak hun gehele regiment aan de veldheer. Het moest dan natuurlijk wel zo zijn dat de kolonel al een compleet regiment tot zijn beschikking had. Was dit niet het geval dan besteedde de kolonel de werving van de troepen weer uit aan de kapitein, het hoofd van de compagnie. Eenmaal aangekomen bij de kapitein, de laatste trap in de hiërarchie, begon het echte werven. In een bepaald gebied werden ronselaars aangesteld die dan met de werftrommel de plaatsen afgingen om het patent bekend te maken. Of de werving een succes was, hing vaak in grote mate af van de algehele economische situatie in een land, maar ook van de tijd van het jaar waarin de werving werd gedaan.

Tot aan het begin van de Dertigjarige oorlog hoefden de wervers zich geen zorgen te maken over een tekort aan rekruten. De bevolking was sinds de Late Middeleeuwen flink gegroeid en de arbeidsmarkt kon niet alle mensen opnemen. Voor de wervers en krijgsheren had dit tevens het grote voordeel dat soldaten niet duur waren, zij kregen een sinds de Late Middeleeuwen gebruikelijke soldij van vier gulden per maand. Maar naarmate de Dertigjarige oorlog vorderde, nam het soldatenpotentieel echter snel af en had men steeds meer moeite om soldaten aan te werven. Deze ontwikkeling is goed te zien aan de hoogte van het handgeld dat aan de soldaten uitgereikt werd: was het voor het begin van de oorlog nog zo dat het handgeld een fractie van de maandsoldij was, al rond 1630 betaalde Gustav II Adolf van Zweden zes Reichstaler, wat overeenkwam met een volledig maandsalaris. Mochten de gewone middelen om rekruten te verkrijgen niet meer helpen, dan kon men altijd nog de toevlucht nemen tot middelen als het dronken voeren van toekomstige soldaten. Dergelijke dwangmethoden konden niet al te vaak worden toegepast, omdat men dan teveel onbetrouwbare soldaten kreeg die, zodra de gelegenheid daar was, deserteerden.

Eenmaal al dan niet vrijwillig, in dienst gekomen werden de soldaten geïnspecteerd. Op de plaats van inspectie werd de soldaten het regimentsreglement voorgelezen. Hierin stonden de rechten en plichten van de soldaten. (Zie voor een gedeelte van een dergelijk reglement bijlage 3.2). Het was echter wel zo dat deze reglementen als leidraad golden. Naarmate de oorlog vorderde en het moeilijker werd om aan soldaten te komen werden ook de disciplinaire maatregelen minder streng. Het zeer reële gevaar kwam bij een te strenge toepassing van de handhaving van de discipline dat de soldaten deserteerden. Vaak werden daarom alleen de ergste misdrijven nog maar bestraft.

Tijdens de inspectie lette men vooral op de bewapening, aangezien dit toch het belangrijkste onderdeel was. Het was echter zo dat de armste soldaten vaak niet over een wapen beschikten. De soldaat kreeg dan een wapen van de superieur ter beschikking gesteld, maar moest deze terugbetalen. Elke maand werd er dan een deel van soldij ingehouden.

Een uitzonderlijke positie namen de Zweden in de werving in. Hoewel ook zij hun legers voor het grootste deel bijeen wierven, zorgde Gustav Adolf voor een vaste kern van Zweden. In 1625 voerde hij het kantonsysteem in Zweden in. De plaatselijke kerkregisters moesten bijhouden welke mannen er in de leeftijdscategorie achttien tot en met veertig jaar bevonden. Een op de tien mannen moest dan voor twintig jaar in het leger dienen, maar er waren uitzonderingen mogelijk. Er was een duidelijke verdeling gemaakt naar sociale afkomst voor de verschillende wapens. Zo waren de soldaten voor het grootste deel afkomstig van het platteland, waren de cavaleristen over het algemeen van adellijke afkomst en werden de matrozen uit de steden gehaald. Via belastingen werden de uitrustingen betaald. Dit kantonsysteem was het eerste in Europa en gaf de Zweedse koning een betrouwbaar leger van ongeveer 40.000 man. Voor een land met een kleine populatie wist Zweden op deze manier een flink leger op de been te brengen, maar het had ook nadelen. Het cumulatief oproepen van soldaten had voor kleine geïsoleerde gemeenschappen ernstige gevolgen. Zo is er van het dorpje Bygdeå bekend dat er van de 230 opgeroepen mannen tussen de 1621 en 1639 215 sneuvelden. Van de vijftien die er terugkwamen waren er nog eens vijf oorlogsinvalide.

Bewapening
"In der stadt habe Ich mich zu Pferdt geMundieret, sadtel vndt zeug, patelir vndt pistolen, den es waren pferdt genug".

Handwapens
In 1633 schafte onze soldaat zich een paard aan met de bijbehorende uitrusting, zoals een zadel, het tuig en een bandelier en pistolen als bewapening. De soldaat had kennelijk gedacht om bij de ruiterij of bij de dragonders (bereden infanterie) te gaan. Van de wapens die er in de Dertigjarige Oorlog gebruikt werden noemt hij alleen de pistolen, maar tijdens de oorlog werden er veel meer wapens gebruikt. Het is daarom wel interessant om eens nader te bekijken wat voor wapens er gebruikt werden. De tactiek van de 17e eeuw werd immers gevormd door de wapens de soldaten bezaten.

De wapens zijn op te splitsen in verschillende categorieën. Zo zijn er de hef- en steekwapens, de stangwapens en tenslotte de vuurwapens. De historische wapenkunde heeft de hef- en steekwapens onderverdeeld in: het zwaard, de sabel en het mes. Dit zijn de hefwapens. Bij de steekwapens worden de degen en de dolk ingedeeld. De hef- en steekwapens bestaan uit twee hoofdbestanddelen, een kling en een gevest. De kling bestaat uit een klingblad en een daaraan vastgesmede angel. Het klingblad moest van staal zijn en was het moeilijkste te vervaardigen. Men kan dus ook stellen dat de kwaliteit van de kling verantwoordelijk was voor de kwaliteit van het wapen. Het gevest is het gedeelte van het wapen dat men in de hand houdt. Meestal was de greep van hout en was met leer of stof omwikkeld. Het gevest kon verschillende vormen hebben en diende ook ter bescherming van de hand. Boven aan de greep was een knop bevestigd die het gevest met de kling verbond.

Het zwaard was een evolutie van de dolk en was een aanduiding voor de langere grijpwapens met een lange en een meer dan 3 centimeter brede kling. De kling was een- of tweesnijdend en kon gebruikt worden voor zowel het heffen als het steken. In de Dertigjarige Oorlog werd het zwaard met één hand gebruikt. Het zwaard was vooral bedoeld om te gebruiken tegen de wapenrustig van de tegenstander. De sabel was een echt hefwapen en vooral bedoeld om de minder goed beschermde delen te treffen. Dit dus in tegenstelling tot het zwaard dat vooral de gepantserde delen moest treffen. De, aan een kant snijdende, licht gekromde kling van de sabel was ongeveer 80 centimeter lang en had een breedte van 3-4 centimeter. Dit zorgde voor een snijdende werking die een groot effect had op de tegenstander. Het gevest van de sabel was korfvormig en diende vooral ter bescherming van de hand. De sabel was het klassieke ruiterwapen en was in de vijftiende eeuw via de oorlogen tegen de Turken naar Europa gekomen. De sabel werd in de veldslag altijd door de cavalerie gebruikt tegen de vijandelijke infanterie. Het laatste hefwapen is het mes. Het wapen bezat een kortere kling dan de andere hefwapens, namelijk 40-60 centimeter. Door zijn kleinere reikwijdte was het wapen op het slagveld echter toch van ondergeschikt belang en meer bedoeld als wapen voor in nood.

Van de steekwapens is de degen de belangrijkste. Het wapen was geëvolueerd uit het middeleeuwse stootzwaard en bestond uit een beter gehard en elastischer staal. De kling is veel smaller dan van het zwaard, 2-4 centimeter. Hoewel de degen bedoeld was voor heffen en steken, werd aan het steken de voorkeur gegeven. Was de degen bedoeld voor het heffen, dan kreeg het wapen de naam houwdegen; deze werd vooral gebruikt door de kurassiers (zware ruiterij). De kling was dan ongeveer 100 centimeter lang. Het gevest was korfvormig en moest bescherming bieden aan de hand. Tegen het einde van de 16e eeuw was de degen ook bij de infanterie geïntroduceerd. De dolk was een kort wapen dat geheel op stoten berekend was. Omdat het echter een korte reikwijdte had was het wapen vooral bedoeld als laatste redmiddel.

De stangwapens
Tot in de Dertigjarige Oorlog bleven de stangwapens het klassieke wapen van de infanterie. In deze periode maakten de vuurwapens wel een steeds groter deel uit van de infanterie, maar zeker voor de verdediging waren de stangwapens nog zeer belangrijk. De piek was het belangrijkste stangwapen van de Dertigjarige Oorlog. Het was een verlenging van de lans en bereikte rond 1500 een lengte van 4,5 tot 5 meter. Deze lange spies werd na 1560 aangeduid als piek, van het franse piquer = steken. De schaft van de piek bestond meestal uit essenhout met op de top een ijzeren uiteinde dat verschillende vormen kon hebben, maar meestal een mesvormig einde had. De kortere versie van de lange piek werd ook wel ´halve piek´ of ´kort geweer´ genoemd en was vooral het wapen van de onderofficier. Met dit wapen kon de onderofficier de discipline handhaven tijdens de gevechten en in noodgevallen gebruiken tegen de eigen soldaten. De piek was sinds 1500 het standaardwapen van de infanterie en werd vooral gebruikt voor de verdediging. Ruiters konden op deze manier op afstand gehouden worden evenals de vijandelijke infanterie. In de Dertigjarige Oorlog begon de piek zijn beslissende functie echter steeds meer te verliezen. Tegen vuurwapens konden de piekeniers niets meer uitrichten. Zij vervulden slechts een verdedigende functie tegen de cavalerie, maar toch had de piek nog tot 1632 een spilfunctie in het leger van met name de katholieke legers. Het hele systeem van de Tercios was rond de piek opgebouwd: een kern van piekeniers omringd door musketiers, moest de musketiers beschermen. Na de slag bij Breitenfeld in 1632 werd het echter duidelijk dat deze tactiek niet meer geschikt was om veldslagen te winnen: de piekeniers verloren steeds meer terrein aan de musketiers.

Handvuurwapens
Ortenburg definieert vuurwapens als afstandswapens die een voorwerp met behulp van kruit verschieten. Zijn er meerdere mensen nodig om een vuurwapen te bedienen, dan rekent men het wapen tot het geschut. Vuurwapens waren al in de 13e eeuw bekend, maar werden vooral gebruikt als grote donderbussen, die men inzette bij het belegeren van steden en vestingen. Het kruit werd gemaakt uit salpeter (73,9 %), zuivere koolstof (14,6 %) en zwavel (11,5 %) en moest door omzetting naar gas de kogel uit de loop drijven. De eerste handvuurwapens waren verkleiningen van de al bestaande geschutsstukken. Vooral in de 15e eeuw waren er nog grote verschillen in handvuurwapens. Zo maakte men onderscheid in vuurwapens die lichte, zware en overzware kogels verschoten. Langzaam echter werden de handvuurwapens steeds uniformer.

Het musket maakte een einde aan de grote verscheidenheid van handvuurwapens. Dit wapen was beter geconstrueerd en door een betere productie van kruit was het wapen effectiever dan zijn concurrenten. De vroegste musketten waren weliswaar nog zeer zwaar en hadden een lage vuursnelheid, maar waren altijd nog beter dan de andere geweren. Ook de kogels die verschoten werden waren nog zwaar: het eerste musket schoot een kogel van 46 gram, de arkebus een van 23 gram. Deze wapens waren echter van zichzelf nog zo zwaar dat er een vork nodig was om de loop op te kunnen houden. Een musket woog tot elf kilo en was ongeveer 180 centimeter lang. De Zweden brachten tijdens de Dertigjarige Oorlog een grote verbetering in het musket door het wapen zo licht te maken dat de musketier zonder vork kon schieten. Met een kaliber van 16,9 mm schoot het musket een loden kogel weg over een afstand van 225 meter. Dit was echter de maximale afstand die een musket kon halen, vanaf 75 meter was de trefzekerheid echter nog maar 50%.

Een andere verbetering die in het handvuurwapen doorgevoerd werd, was de verandering van de manier van ontsteking. Lange tijd moest de ontsteking van het kruit via een gloeiende lont gebeuren. Dit was echter een omslachtige manier die daarnaast ook zeer onhandig was; zo werden de paarden schichtig van de brandende lont en was goed richten haast ondoenlijk. Bij vochtig weer waren de vuurwapens ook slecht bruikbaar. Rond 1520 kwam het radslot op. Dit slot zorgde voor een ontsteking van het kruit via een vuursteen. De steen sloeg op de pan en moest via vonken het kruit ontsteken. Maar ook deze methode was nog niet erg betrouwbaar, want de vonk wilde niet altijd komen. Om deze onbetrouwbaarheid weg te werken kwam men het snaphaanslot. Dit slot kende eenzelfde principe als het radslot, maar was veel betrouwbaarder. De vuursteen kwam langs een opstaand stukje metaal dat zorgde voor de vonken. Een groot nadeel van deze manier van ontsteken was echter dat de sloten nauwkeurig gemaakt moesten worden en daardoor duur waren. De snaphaansloten werden daarom voor het merendeel gebruikt voor de ruiterij en bij ruiterpistolen. Pas later in de 17e eeuw werden de snaphaansloten goedkoper en werden ze ook massaal gebruikt voor musketten. Desondanks bleef de grote moeilijkheid bestaan dat het zeer moeilijk was om vuurwapens op paarden te laden en men besloot om tijdens een veldslag nog maar één keer te schieten en daarna met het blanke wapen er op los te gaan.

Om het probleem van het laden en het grote aantal laadhandelingen op te lossen begon men in de tweede helft van de 16e eeuw met het inwikkelen van de vereiste hoeveelheid kruit in papier. Zo werden er patronen gemaakt waar men alleen het papier van af moest scheuren. Door deze verbetering kon het aantal handelingen teruggebracht worden en werd de vuursnelheid weer iets verbeterd. Desondanks bleef men met het probleem zitten dat de voorladers toch nogal wat handelingen vereisten om een schot te kunnen lossen. In een handboek voor musketiers uit de 17e eeuw werden 143 handelingen voorgeschreven. Dit was echter een zeer uitgebreide handleiding. De exercitiecommando"s waren heel wat eenvoudiger, ook al waren deze nog steeds omslachtig.

Tot de uitrusting van een musketier behoorden naast zijn musket, of voor de cavalerie een lichte karabijn, een kruithoorn met grof kruit, een bandelier, die we bij onze soldaat ook al tegen kwamen, met daaraan elf hangende zakjes met een afgemeten hoeveelheid kruit, een leren kogelbuidel met twaalf tot vijftien kogels en hun afdichting, een kruitvermaler en materiaal om vuur te maken, verder nog een vette doek, een doek om schoon te maken, een tinnen flesje met olie, een naald om het zundgat schoon te maken en een hoeveelheid lonten.

De veranderingen die men tijdens de Dertigjarige Oorlog door wist te voeren hadden grote gevolgen voor de manier waarop er gevochten werd. Legers werden beweeglijker, hadden een grotere vuurkracht en een hogere vuursnelheid. De infanterie had een overheersende rol op het slagveld en werd in de loop van de oorlog steeds belangrijker, totdat de voedselschaarste in sommige delen van Duitsland de legers dwong om meer met cavalerie te gaan werken. We kunnen concluderen dat de Militaire Revolutie tijdens de Dertigjarige Oorlog voortgang kon vinden door de technische veranderingen tijdens de oorlog. Het belang van de technische veranderingen moet echter wel in het juiste perspectief geplaatst worden, want de meeste veranderingen waren al in gang gezet vóór het begin van de oorlog.

De Militaire Revolutie

Fortificaties
Het begin van de militaire revolutie lag eind 15e en de vroege 16e eeuw. In deze tijd verbeterde de artillerie snel en de balans tussen verdediging en aanval sloeg door naar het voordeel van de aanvaller. De verbeterde artillerie was in staat om de verticale muren snel kapot te schieten en de verdedigers moesten op zoek naar andere manieren om zichzelf te beschermen. De Franse invasie in Italië in 1494 vormde een breekpunt met de middeleeuwse oorlogvoering; de Franse koning nam 40 stukken geschut mee en kon op deze manier doorbraken forceren. Het aantal van 40 stukken was voor die tijd ongekend hoog. Tussen 1500 en 1600 kwam er een belangrijke verandering in de manier van vestingbouw. De Italiaanse architecten bedachten een nieuw systeem om bescherming te geven aan fortificaties. Allereerst werden de muren lager en dikker, maar men kon echter niet meer naar beneden kijken en dus moest men flankvuur geven om toch bescherming te blijven houden. Dit flankvuur kwam uit vooruitgeschoven verdedigingswerken (bastions) die de vijand tevens op afstand moesten houden. Dit gebastioneerd systeem, waarbij de bastions op de hoeken van de fortificatie de belangrijkste verdedigingswerken vormden, deed het voordeel weer naar de verdediging overgaan. Een brede diepe gracht zorgde ervoor dat de vijandelijke artillerie op afstand bleef en zo aan kracht verloor. Rondom het fort werden steeds meer verdedigingswerken opgericht en zo breidde men de strategische positie van het fort uit tot in de wijde omtrek. Na de renaissance was het militaire systeem van offensief en defensief goed in evenwicht. Voortaan moest de aanvaller met grote voorzichtigheid gaan plannen hoe de vesting aangevallen moest worden. Het beleg van een fort werd een vorm van militaire wetenschap. Nieuwe methoden werden gevonden voor de aanval, maar de architecten anticipeerden op de nieuwe belegeringsmethoden en het gebastioneerd systeem behield zijn waarde. Dit was het eerste onderdeel van de Militaire Revolutie: de artillerie nam in kwantiteit en kwaliteit toe en zorgde voor grote veranderingen in de bouw van de vestingen. Een groot nadeel was dat de kosten voor de aanleg van een vesting zeer sterk stegen. Tijdens de Dertigjarige Oorlog kwamen er geen grote veranderingen met betrekking tot de artillerie. Veel bleef bij het oude en er werden slechts kleine verbeteringen doorgevoerd zoals het lichter maken van de belegeringsartillerie. Deze verbeteringen waren echter marginaal. Ook het gebastioneerd systeem kreeg geen daadwerkelijke nieuwigheden. Men kan dus algemeen stellen dat er een grote mate van continuïteit was in dit deel van de Militaire Revolutie zonder echte veranderingen.

Tactiek en de veranderingen bij de infanterie
Over de juiste inhoud van het begrip tactiek zijn in de literatuur van de voorbijgaande eeuwen verschillen van meningen geweest. Maar over een precieze afgrenzing van het begrip tactiek is men het nooit eens geworden. Een bekend militair lexicon uit de 19e eeuw beschouwde de tactiek als de leer van het leiden van de troepen. Volgens Clausewitz is tactiek de leer van het gebruik van strijdkrachten in het veld en leer van de gevechtsvoering. Ieder gevecht moest een doel hebben en doelloos een slag aangaan was zinloos. Het gevecht moest altijd in het teken van het grote geheel staan. Kern van de tactiek moest de leer van het economische van het gebruik van troepen zijn: het bereiken van het gewenste resultaat bij een minimale inspanning en verliezen. Dit deel van de tactiek is op het exercitieveld te oefenen en noemt men de zuivere tactiek. De belangrijkste onderdelen van de tactiek zijn: de wapenleer, stelling nemen, manoeuvreren en het gevecht, en de landsverdediging door vestingen. Een ander deel van de tactiek is niet te leren: inzicht. Als er verschillende wapens op vreemd terrein tegenover elkaar stonden was het effect ervan slechts in te schatten maar niet te weten. De goede inschatting van de situatie was dan essentieel.

Tactisch gezien waren er verschillende mogelijkheden voor een opstelling. De opstelling van de soldaten in vierkanten had tot doel om via het gewicht van de groep en via een aanloop door de tegenstander heen te drukken. Deze opstelling was dus vooral gericht op stootkracht. Meestal werd men opgesteld in een formatie die breder was dan diep. Met het vierkant waren er verschillende tactische opstellingen mogelijk. Men kon de formatie "openen", dat hield in dat de soldaten verder uit elkaar gingen staan. Maar een formatie kon ook "gesloten worden", de soldaten gingen juist dichter bij elkaar staan. Een probleem bleef echter de opstelling: was de formatie diep en dus in colonneopstelling, dan was de stootkracht meestal groter door een sterker moreel en een grotere psychische druk. Een gevaar was dat de formatie sneller te omsingelen was en kwetsbaarder was voor cavalerieaanvallen. De cavaleristen konden zich immers snel verplaatsen en de dunne linies op zo"n manier snel in de zij aanvallen. De Spaanse tercios, oorspronkelijk een derde van het leger, hadden een kern van piekeniers met daaromheen de schutters. Het nadeel van deze opstelling was dat het een defensief ingestelde formatie was en dat een deel van de schutters niet deelnam aan de strijd. Verder zou het kunnen dat de voorste schutters niet meer gedekt werden door de piekeniers. Dat de keizerlijken deze opstelling lang bleven volgen is niet verwonderlijk: in de vele oorlog tegen de Turken bleek deze opstelling juist wel effectief. De Turken werkten veel met lichte cavalerie die om de tercios heenzwermden. Via de tercio-opstelling werd dit gevaar ongedaan gemaakt. Deze blokkenopstelling werd vooral door de katholieke legers en geallieerden gebruikt.

Het startpunt van de nieuwe manier van oorlogvoering was de legerhervorming door Maurits van Nassau in de jaren 1590. Geïnspireerd door de oude Romeinse tactieken zorgde Maurits voor nieuwe manieren om de troepen op te stellen. In plaats van de falanx van piekeniers die veertig tot vijftig man diep was stelde hij zijn troepen op met een diepte van tien man. Deze ondiepe formaties waren breder en zij beschikten hierdoor over een grotere vuurkracht. De verhoging van vuurkracht was het doel waar Oranje naar streefde. Bij de Spanjaarden waren de vuurwapens vooral als begeleidend geheel bedoeld, maar in het Staatse leger was niet minder dan de helft van de soldaten musketier.

Oranje stelde in zijn legerhervorming de schutters naast de piekeniers op. Na het afvuren liepen de musketiers naar achteren tussen de soldaten door onder bescherming van de piekeniers. Eenmaal achteraan gekomen herlaadden zij hun wapen. Meestal had men hier de tijd voor nodig die overeenkwam met de tijd die de andere soldaten nodig hadden om hun wapen af te vuren. De opstelling was open en werd de "kranenmars" genoemd. Deze mars had echter als nadeel dat het systeem defensief ingesteld was en dat men steeds verder van elkaar dreigde te komen. Deze veranderingen zorgden voor een grote omschakeling in de militaire organisatie. Door de verminderde diepte moesten de mannen voorbereid worden op meer man-tegen-man gevechten, de soldaten moesten beschikken over een betere wapenbeheersing, meer discipline en coördinatie. Dit om bijvoorbeeld het salvo goed door te kunnen voeren. Het salvo gaf een constante hagel van kogels. Maar om de kranenmars goed door te kunnen voeren moesten de mannen de handelingen zeer goed beheersen. Daarom herintroduceerde Maurits de trainingsvormen zoals deze door de Romeinen al gebruikt werden. Maar handhaving van de discipline werd niet alleen bereikt via de harde hand, vooral een regelmatige betaling van de soldij zorgde voor een goede discipline.
De veranderingen bleven niet onopgemerkt in Europa. Overal kwamen verzoeken uit Europa vandaan om instructeurs te sturen. De meest invloedrijke volgeling van Maurits was de Zweedse koning Gustav II Adolf. Hij was goed belezen over de veranderingen en had er ook al voorbeelden van gezien. Het systeem van Maurits werd door de Zweedse koning verbeterd door de diepte te verminderen naar zes mannen en daarnaast verhoogde Gustav Adolf de vuurkracht door de toevoeging van vier lichte drie-ponder kanonnen. De Zweedse artillerie kon elke zes minuten kogels van 9 kilogram 1.700 meter ver weg schieten. De musketten konden tot 50 meter accuraat schieten en kenden tot 75 meter een accuratesse van 50%. De Zweden waren verder nog in staat om de defensieve tactiek van de kranenmars offensief in te stellen. In plaats van een beweging achterwaarts moesten de soldaten naar voren oprukken. Gustav Adolf introduceerde ook een nieuwe tactische eenheid, de brigade, die gevormd was uit vier eskadrons of twee veldregimenten die in een pijlvorm opgesteld waren. Het vierde eskadron bleef in reserve en werd ondersteund door negen of meer stukken veldgeschut. Om al deze veranderingen in goede banen te leiden werden er meer (onder)officieren toegevoegd aan het leger. Soms liet Gustav Adolf zelf zien aan rekruten hoe zij de handelingen het beste konden doen. Het grote voordeel van de tercios, de stootkracht, was bij de dunne infanterieopstelling echter niet aanwezig. Integendeel, de op vuurkracht ingestelde linieformaties liepen juist het gevaar om doorbroken te worden.

Om het gevaar van een doorbraak te verhinderen werden de troepen in twee of drie linies opgesteld. De gevechtseenheden waren de "Troup" of bataljon of half-regiment. Deze bestonden uit 5 compagnieën van 135 man. De opstelling had als grote voordeel dat er veel meer gevechtskracht was en dat men op meerdere plaatsen tegelijk aan kon vallen. De grotere gevechtskracht kwam voort uit de vermindering van piekeniers ten opzichte van de musketiers. Maar ook waren deze eenheden door het aantal soldaten sterk genoeg om aanvallen van een overmacht voor een korte tijd te weerstaan. De bedoeling was dat regimenten die op met deze eenheden opgebouwd waren het tegen een drie maal zo sterke tegenstander op konden nemen. De grote zwakte bleef toch het gevaar op instorting door de dunne linies. Als deze eenmaal doorbroken waren, dreigde het grote gevaar dat de hele opstelling instortte. Men loste dit op door de sterkte van de compagnieën te verminderen, maar het aantal bevelhebbers te handhaven. Zo was er een bevelsstructuur gemaakt die sneller op veranderende situaties kon reageren. Bij deze structuur had men de stelregel aangenomen dat de kwaliteit belangrijker was dan de kwantiteit. Ook officieren moesten daarom goed getraind worden.

In de Dertigjarige Oorlog was het gewoon dat soldaten die gevangen werden genomen, overgenomen werden door de vijand. Zo schrijft onze soldaat nadat zijn eenheid verslagen was door de Zweden: "vndt haben vns alle must lassen vnterhalten". De soldaten werden door de Zweden overgenomen om de gaten in de eigen linies weer op te vullen. Evenzo makkelijk werden de soldaten weer in het eigen kamp opgenomen: "Alle die wieder zum Regemendt kommen sindt, ohne schaden gewessen sindt, den nach der schlagt (van Nördlingen in 1634), was beiris, oder keisries, gewessen Ist, vndt hin vndt wieder gefangen Ist worden, sindt wieder zu ihre Regemendtern gegangen". Leest men dit dan doemt de vraag op of de soldaten gezien de grote tactische verschillen opnieuw geïnstrueerd moesten worden. Helaas gaat men nergens in de literatuur op deze vraag in, maar ik ga ervan uit dat de soldaten toch wel op enige wijze instructies kregen voor wat er moest gebeuren. Als dit niet gebeurde, dan zou men tijdens een veldslag met grote problemen komen te zitten door bijvoorbeeld soldaten die niet wisten wat ze moesten doen en daardoor orders verkeerd uitvoerden. In het minst erge geval zou het leiden tot een totale vervlakking van de tactische mogelijkheden die een veldheer tot zijn beschikking stond.

Een van de gevolgen van de hervormingen die doorgevoerd werden op tactisch gebied, was dat de piekeniers tijdens de Dertigjarige Oorlog steeds meer aan betekenis verloren. Grimmelshausen gaf dit ironisch weer: "Und ich meine, wer einen Pikenier niedermacht, den er verschonen könnte, der ermordet einen Unschuldigen und kann einen solchen Totschlag nimmer verantworten. Denn obgleich diese armen >Schiebochsen< creirt sind, ihre Brigaden vor dem Einhauen der Reiter in freiem Feld zu schützen, so tun sie doch für sich selbst niemand ein Leid, und dem geschieht ganz recht, der ja einem von ihnen in seinen langen Spieß rennt. In Summa: ich habe mein Lebtag viel scharfe Actionen gesehen, aber selten wahrgenommen, daß ein Pikenier einen umgebracht hätte." Het kwam in de Dertigjarige Oorlog inderdaad amper meer tot gevechten tussen piekeniers. De musketiers deden het werk. In 1632 vochten de Zweden en Wallenstein bij Nürnberg 10 uur lang tegen elkaar zonder dat de piekeniers een aanval ondernamen.

De legers van de Dertigjarige Oorlog groeiden tot aan 1632 naar grote aantallen. Karel VIII van Frankrijk viel aan het begin van de Militaire Revolutie Italië binnen met 18.000 man. Tijdens de slag bij Nördlingen van 1634 telde het veldleger van de katholieke mogendheden al meer dan 33.000 man. Bijna een verdubbeling aan manschappen. Deze geweldige groei vond voor een belangrijk deel tijdens de Dertigjarige Oorlog plaats. Ik trek dan ook de conclusie dat de oorlog een belangrijke rol heeft gespeeld in dit deel van de Militaire Revolutie. Al tijdens de oorlog namen de legers in aantal toe, maar door de verwoestingen die het land aangedaan waren moesten de legers verkleind worden. De generaals zagen dat zij tegen een logistieke grens opliepen. Juist door het erkennen van deze grens was men in latere tijden in staat om de legers nog verder uit te bouwen naar bijvoorbeeld wel 400.000 man Franse troepen tegen het einde van de 17e eeuw.

Cavalerie
De cavalerie had door de piekeniers aan betekenis ingeboet, maar tijdens de Dertigjarige Oorlog won de ruiterij weer aan betekenis. De ruiters kregen de beschikking over vuurwapens en de opstelling werd, net als de infanterie, ook steeds dunner om zoveel mogelijk vuurwapens tegelijk in de strijd te betrekken. Dit hield in dat ook de cavalerie zich goed moest gaan oefenen, zoals ook de infanterie dit al moest doen. Er kwamen handleidingen voor de cavalerie hoe zij om moest gaan met de wapens en het laden tijdens het rijden. Voor het exerceren had men 22 beelden nodig om het laden te illustreren. De ruiterij werd opgesteld in zes gelederen. Men hanteerde een speciale tactiek voor de cavalerieaanval: het caracoleren. Nadat de vuurwapens afgeschoten waren, zwenkte men af, de ruitereenheid hergroepeerde zich en viel de vijand met het blanke wapen aan. De eenheden van de cavalerie werden door Wallhausen als volgt ingedeeld: de lanseniers telden 64 man in een compagnie, de kurassiers 100 man, de bandelierruiters 64 man en de als infanterie geldende dragonders 200 man. Iedere tak van de cavalerie had een eigen manier van optreden. De lanseniers vochten in kleine eenheden van ongeveer 20 man in twee gelederen, de kurassiers vochten in gesloten vierkanten en waren gericht op stootkracht, de bandelierruiters tenslotte hadden verschillende manieren van vechten als naar gelang de situatie dat vereiste. Een Zweeds eskadron telde tussen de 200 en 300 paarden en de keizerlijke eskadrons telden meestal meer paarden.

De Zweedse koning Gustav Adolf verbood het caracoleren volledig. Alleen het eerste gelid moest de vuurwapens gebruiken en daarna met het blanke wapen er op los gaan. Omdat de ruiters hierdoor minder gebruik konden maken van de handvuurwapens en dus minder weerstand konden bieden werden er bij de opstelling groepen musketiers tussen hen geplaatst.

Een speciale rol speelden de dragonders. De paarden waren alleen voor het transport, en tijdens het gevecht stegen de dragonders af en vochten als infanterie verder. De paarden werden tijdens het gevecht in een grote groep achter het front verzameld. Voor de bescherming werden de dragonders ingedeeld bij de piekeniers en bij gevaar trokken zij zich terug achter piekeniers of musketiers.

Aanvallen van de cavalerie hadden echter meestal alleen zin als de vijandelijke infanterieopstelling door de eigen infanterie of door het geschut al kapot geschoten was. Pas als de opstelling doorbroken was kon de cavalerie in actie komen. Als de opstelling nog intact was kwam de cavalerie er niet doorheen. Anderzijds was het ook heel moeilijk om de ruiterij uit te schakelen, omdat deze te snel was. Alleen de eigen cavalerie was hiertoe echt goed in staat. Tijdens de Dertigjarige Oorlog kreeg de cavalerie wel weer een belangrijke rol te vervullen: door de dunne linies werd de infanterie weer veel kwetsbaarder tegen de ruiterij. De Zweden konden weliswaar omschakelen naar een andere formatie, maar dit duurde toch wel een tijd. Om het gevaar van een flankaanval door de cavalerie te voorkomen werden ruitereenheden op de flanken geplaatst.

In de laatste jaren van de Dertigjarige oorlog verloor de cavalerie steeds meer aan kwaliteit en men kon daardoor niet meer de oorspronkelijke tactiek van de degenaanval volhouden. Zo nam bij de ruiterij de betekenis van het vuurwapen weer toe. Ook het aantal ruiters nam tijdens de Dertigjarige Oorlog weer toe. Zeker naar het einde van de oorlog toe is deze ontwikkeling duidelijk te zien. Deze toename kwam door de grote verwoestingen die in het land aangericht waren. Snelle acties om bevoorradingsproblemen te ontlopen werden daarom steeds belangrijker. In 1620 had de Liga 5500 ruiters op 24500 infanteristen. In 1630 waren er 11400 ruiters op 31500 infanteristen en bij bepaalde corpsen zoals dat van Pappenheim waren er 2700 ruiters op 5500 infanteristen.

Artillerie
De artillerie werd aan het begin van de Dertigjarige Oorlog vrijwel niet tactisch ingezet. De veldartillerie had een vaste positie op het slagveld en werd tijdens een veldslag onder één leiding tot batterijen samengevoegd. Verder waren er geen voorschriften voor batterijen gemaakt, zodat men naar eigen inzicht handelde. De grotere stukken geschut waren te zwaar om tijdens de slag nog van positie te wisselen en vormden daarom de positieartillerie. De artillerie werd dan flankerend en liefst op hoger gelegen terrein opgesteld. Door haar grote logheid liep de artillerie het gevaar om tijdens de slag in handen te vallen van de vijand en daarom speelde de artillerie bij veldslagen meestal een ondergeschikte rol. Pas onder de Zweden kwamen er lichtere stukken die als ´mobiele´ veldartillerie konden dienen. De stukken verschoten kartetsgranaten en hagel naar de vijandelijke infanterie.

De Zweden zorgden voor een sterke toename van artillerie op het slagveld. Aan het begin van de jaren 1630 stonden de Zweden, mede door de invoering van de regimentsstukken, met 60 kanonnen tegenover 21 keizerlijke stukken geschut. De vergroting van vuurkracht door artillerie is een belangrijk onderdeel van de Militaire Revolutie. Tijdens de Dertigjarige Oorlog werd er een lijn van verhoging van de vuurkracht doorgezet die al voor de oorlog begonnen was. Spectaculaire vernieuwingen vonden er gedurende de oorlog niet plaats.

Het grote verschil tussen de Nederlandse en Zweedse "militaire revoluties" lag niet zozeer in innovaties, maar in de toepassing en de schaalgrootte. Maurits vocht zelden een veldslag uit en als hij dat al deed was het leger zelden groter dan 10.000 man. Dit kwam omdat hij opereerde in een terrein dat gedomineerd werd door fortificaties die grote veldslagen irrelevant maakten. De steden moesten na een eventuele veldslag nog altijd belegerd worden. Grote legers hadden dus lang niet altijd nut. De Zweedse legers daarentegen werden door Gustav Adolf steeds verder uitgebreid en de tegenstander paste zich daaraan aan. Veldlegers die drie keer groter waren dan die van Maurits waren daarom geen uitzondering.

Strategie
De Dertigjarige Oorlog zorgde voor veranderingen op strategisch gebied. Deze waren echter lang niet zo radicaal als bij de tactiek: zoals ook in voorgaande tijden speelden de veldslagen in de strategie van de Dertigjarige Oorlog geen beslissende rol. Bij gelijke krachten verbruikte de overwinnaar net zoveel kracht als de verliezer. De kostbare legers moesten daarom voorzichtig ingezet worden en legers moesten zich in de eerste plaats vooral met zichzelf bezighouden. De soldaten voeden, onderkomen regelen en soldij verschaffen gaf de krijgsheren al de grootste moeite, maar het was essentieel om het leger levend te houden. Snelle veldtochten werden altijd afgeremd door een groot aantal versterkte vestingen die eerst genomen moesten worden. In het laatste, derde deel van de oorlog, toen Frankrijk mee ging doen, kwamen de veldtochten weer sneller in beweging en gingen de tochten weer over grote gebieden. Dit is duidelijk te zien aan de marsen die onze soldaat aflegde na 1635. Van de veldtochten tot 1648 waren er slechts drie korter dan 1000 kilometer per jaar. Vaak waren de troepen echter toch te zwak om een beslissende klap uit te delen aan de tegenpartij. Men kwam wel eens tot de poorten van de tegenstander, maar altijd kwam er een leger waardoor men het beleg af moest breken, of was men zelf niet tot een beleg in staat. De legers van de Dertigjarige Oorlog hebben de ruimtes snel overwonnen, maar konden de ruimte niet beheersen. De veldtochten dienden vooral tot het verkrijgen van verzorgingsgebieden en steunpunten. Deze gebieden konden niet in handen van de vijand vallen en de tegenstander had dan minder buit. Bruikbare (winter)kwartieren waren in de meermaals doortrokken landstreken met moeite te vinden en de vereniging van troepen was een uiterste gecompliceerde zaak. Daarom stelde Golo Mann zelfs: "das wichtigste Ziel aller Strategie war, sich gute Winterquartiere zu sichern". Het was daarom de kunst om met overleg te manoeuvreren en het kwam daarbij vooral aan op de strategische kracht van de veldheren. De legeraanvoerders en vorsten schraapten telkens weer hun reserves bijeen in de hoop via die ene beslissende slag een einde te maken aan de oorlog. De hoge operatieve bewegelijkheid van de kleinere legers werd vooral duidelijk in de veranderingen bij de cavalerie en de opbouw in structuur van de cavalerie. De arkebussiers verdrongen de kurassiers, waren lichter bewapend en minder gepantserd en het aandeel van de cavalerie steeg steeds sterker ten opzichte van de infanterie.

Strategisch was de situatie tijdens de Dertigjarige Oorlog zeer onoverzichtelijk. Het theater van de oorlog droeg zelf veel bij aan de grote strategische moeilijkheden. De oorlog speelde zich in het Heilige Roomse Rijk af, maar het waren geen gebieden die tegen elkaar bestreden, veeleer coalities. Deze coalities veranderden steeds weer van vorm en waren over het hele Duitse Rijk verspreid. Tussen de coalities waren er ook nog landen en gebieden die neutraal wilden blijven. Tenslotte kwamen er ook nog buitenlandse machten die hun invloed in Duitsland uit wilden breiden. Via aanvallen op tegenstanders was men ook in staat om ergens anders verlichting aan de bondgenoten te geven. Telkens doemden er weer nieuwe tegenstanders op waarvan men het bestaan amper kende. Zelfs na beslissende slagen of vredesverdragen kwamen er weer nieuwe tegenstanders. Door deze buitengewoon complexe en onoverzichtelijke situatie bleef de oorlog doorgaan en leek er geen einde aan te komen.

Logistiek
De buik is het fundament van het leger, schreef Frederik de Grote in 1747 aan zijn generaals en de belangrijkste taak van een legeraanvoerder is om ervoor te zorgen dat de soldaten geen honger lijden. Het probleem van de logistiek is er een dat de generaals van de Dertigjarige Oorlog constant bezighield en hen vaak ook beperkte in hun bewegingsvrijheid. Er waren geen goede en doelmatige instituties die de veldheren konden helpen met de voedselvoorziening en de aanvoer van goederen. De tijd van 1560-1660 wordt door de militaire historici logistiek gezien als het begin van een omwenteling. Deze tijd was de wieg van de massalegers. Tot 1560 waren de veldlegers nauwelijks groter dan 10.000 man. Voor deze legers was de "verzorging" geen probleem, want de soldaten waren in aantal te weinig om voor grote voedselproblemen te zorgen. Het steeds groter worden van de legers is een belangrijk aspect van de Militaire Revolutie. De Dertigjarige Oorlog liet met de uitbreiding van de legers een duidelijke doorgroei zien van een ontwikkeling die al langere tijd aan de gang was en door zou blijven gaan. De 30-jarige oorlog was het startpunt voor de snelle groei die vanaf 1660 de legers in Europa zou kenmerken. Vorsten waren financieel sterker geworden en konden grotere legers veroorloven. Bovendien werden de legers "goedkoper" door ze van het land te laten leven of door het systeem van brandschattingen. Bij de kleine legers konden de soldaten voor zichzelf zorgen en dit blijkt uit het systeem van beloning: De soldaten kregen hun soldij en moesten daarvan in hun levensonderhoud voorzien. Voedsel en andere benodigdheden konden de soldaten bij kooplieden verkrijgen. De kooplieden hadden wel te maken met regels die door de legeraanvoerder werd gesteld en er werd ook controle uitgevoerd op de kooplieden. Maar aan verzorging door de krijgsheer was niet gedacht. Het wagenpark dat de legers volgde vervoerde de spullen van de officieren, munitie en spullen voor de artillerie, werktuigen om de schansen aan te leggen en belegeringswerktuigen, maar geen voedsel. Ging het echter echt fout met de logistiek, dan betekende dit voor de soldaten meteen ook een ramp. Zo noteerde de legerchirurg Geiger in zijn dagboek: "allein von der bayrischen Armada bis in die 20.000 Menschen tot geblieben, der meiste Teil gestorben, teils wegen Mangel an Proviant, teils vor Ungemach, da man auf dem Marsch nach Prag bei Schnee und grimmiger Kälte auf dem freien Feld kampieren mußte, wobei eine Menge der schönsten Pferde erfroren sind".

Toen de legers in de Dertigjarige Oorlog gingen groeien namen ook de problemen toe. Staten kregen een zware financiële last te verduren. Dit probleem was echter na verloop van tijd op te lossen door het heffen van extra belastingen en het aangaan van leningen. Mochten de soldaten hun geld of voedsel niet op tijd ontvangen dan namen zij het meestal wel van de bevolking. Onze soldaat berichtte hier het volgende over: "da habe Ich In Waldt schaffe angetroffen, die haben wir fordtgetrieben wie wir sie auff der eben gebrach, haben sie anfangen schreigen vndt blegken, da sindt alle die schaffe, die es gehöret aus dem walt zugelauffen, Also das auff 2000 schaffe zusamenkommen sindt mir angst vndt bange gewessen Ist, doch sindt wir den leger zu Alda hat das gansse lehger, schaffe gnug gehabt, Ich fur meine perschon, habe .2. genommen, vndt geschlagtet". Deze plunderingen veroorzaakten grote schade bij de bevolking en putten het platteland uit. De keizerlijke veldheer Wallenstein herintroduceerde het systeem van "contributies". De bevolking, soms complete landstreken, betaalde dan een overeengekomen bedrag aan het leger. Het doel was dat de "burgers en de boeren naast de soldaten konden bestaan". De betalingen moesten in geld geschieden waarmee Wallenstein de lopende rekeningen betaalde, die hij echter zelf voorschoot en op een gunstig moment afloste als de geldmiddelen krap waren. Aangezien het onderworpen vijandelijke gebied verder geen rekeningen indiende, maakten de plaatselijke commandanten grote winst. Door de invoering van het stelsel van contributies was er wel enige verbetering opgetreden en verdwenen de ongecontroleerde rooftochten. Toch had dit stelsel rampzalige gevolgen met zich mee gebracht. Naarmate de oorlog voortduurde, werden de brandschattingen steeds meer in natura geïnd. En aangezien alleen gebruik werd gemaakt van de lokale voedselvoorraad, waren na verloop van tijd de getroffen landstreken uitgeput geraakt. Uiteindelijk was de beste mogelijkheid toch om door het land te trekken.

Een leger dat op doortocht was, was afhankelijk van plaatselijke markten, maar deze konden niet voorzien in de behoefte van de soldaten. De kooplieden konden verlichting brengen, maar ook zij hadden geen onuitputtelijke voorraden. In vriendschappelijk gebied konden er commissarissen vooruitgestuurd worden die magazijnen aan konden leggen zodat de eigen bevolking niet teveel te lijden had van het doortrekkende leger; dit scheelde ook in de belastingopbrengsten. Een andere manier om het leger van voedsel te voorzien was het inkwartieren. Het probleem werd dan doorgeschoven naar de bevolking want een van de grootste logistieke problemen ontstond nadat men de soldaten voor de winter in moest kwartieren. Het langdurige verblijf van de soldaten op één plek ging het voedselvoorzienende vermogen van de bevolking ver te boven. Honger en koude troffen de burgers en soldaten in gelijke mate "und es machte keinen Unterschied mehr aus, ob man Freund oder Feind im Hause hatte", zo schreef abt Friesenegger in zijn dagboek op. De noodzakelijkheid om een winterkwartier te betrekken veranderde het grondkarakter van de oorlog. Om de kosten voor werving uit te sparen hield men de legers permanent aan en dit was het begin van de staande legers.

De generaals moesten tijdens Dertigjarige Oorlog rekening houden met de vele vestingen in Duitsland waren. Deze vestingen gaven een specifiek karakter aan de logistieke strategie in het Duitse land. De oorlog draaide door deze vestingen uit op een serie eindeloze belegeringen. Voor een beleg was het heel belangrijk om te weten hoe het zat met de aanvoer van voedsel en goederen. Een stad die al een verwoest omringend land had was vrijwel immuun voor belegeringen. Men was dan eenvoudig niet in staat om de belegeringstroepen te voeden. En als het omringende land nog niet kaal was dan gebeurde dit waarschijnlijk wel door het beleg. Een langdurig beleg kon dan alleen gehouden worden als de aanvoer zeer goed geregeld was. Het beste was toch als er in de buurt rivieren waren zodat het voedsel met schepen aangevoerd kon worden.

Het was bijna niet mogelijk om legers in de Dertigjarige Oorlog van hun aanvoerlijnen af te snijden: de legers hielden weinig contact met de basis en waren er ook niet afhankelijk van. Voedsel en de rekruteringsgebieden waren de enige strategische beperkingen. Bovenal werden de veldtochten bepaald door de maag. Een uitgesproken richting en een duidelijk doel werd er op deze manier niet verkregen. De strategische vrijheid die verkregen werd door van het land te leven, werd weer teniet gedaan doordat de legers de loop van de rivieren moesten volgen en de vrijheid vormde dus tegelijk weer een beperking. Het oversteken van waterwegen was geen probleem, maar men was juist afhankelijk van de rivieren door de aanvoer van goederen. Op deze manier aanvoeren was veel makkelijker dan aanvoer over land. Paradoxaal gesteld: hoe beter een commandant zijn aanvoer voor elkaar had, hoe meer hij afhankelijk was van de waterwegen. Want schepen konden veel meer vervoeren dan karren die door paarden getrokken moesten worden over slechte wegen. Zo heeft men in de 17e eeuw berekend dat 100 lasten meel en 300 lasten paardenvoer vervoerd konden worden door 9 schepen, maar dat er niet minder dan 600 wagens nodig waren. Maar ook de artillerie was vrijwel gebonden aan waterwegen. Vervoer geschiedde in grote boten: "zu Wasser die Oder hinauf mit 8 großen Prahmen, in jeden vier halbe Kartaunen.", zo kon een ooggetuige melden. De zwaarste stukken, de kartouwen, wogen 5500 kilo en moesten voor vervoer uit elkaar gehaald worden. Zelfs op deze manier hadden de kanonnen 30 paarden nodig waarvan 20-30% stierf door uitputting. Een kleine artillerietrein van 6 halve-kartouwen met elk 100 kogels had 250 paarden nodig om de kanonnen, munitie, kruit en gereedschappen te vervoeren. Bovendien had de artillerie het dubbele van de tijd nodig om dezelfde afstand af te leggen als de infanterie. Een van de oplossingen was het lichter maken van de artillerie. De Zweden maakten hierin grote progressie. Gustav Adolf schafte de zeer zware murbräcker af, liet bij de andere kanonnen de loop inkorten en de dikte van het kanon verminderen. Tenslotte liet hij zelfs een lederen kanon maken dat door ijzeren banden omgeven was. Op deze manier werd het aantal paarden en wagens met de helft verminderd, maar het maakte hem niet strategisch vrij om overal te manoeuvreren. De koning bleef gebonden aan zijn aanvoerlijnen die via het water moesten lopen, omdat er anders niet genoeg aangevoerd kon worden. De route van de veldtocht van Gustav Adolf werd dus ook beslist door het volgen van waterwegen.

Maar niet alleen door waterwegen en dus het transport van de artillerie werd de strategie beslist. De voedselvoorziening bleef de belangrijkste motivatie en het kon gebeuren dat men de politieke en militaire doelen uit het oog verloor of terzijde moest schuiven. (Voor een overzicht van de hoeveelheden en kosten van proviand zie bijlage 3.4). De lange mars van Gustav Adolf kan als een dergelijke actie worden gezien. De koning volgde zijn buik, ofwel die van zijn paard. De Franse kardinaal Richelieu schreef in zijn politieke testament: "History knows many more armies ruined by want and disorder than by the efforts of their enemies, and I have witnessed how all the enterprises which were embarked on in my day were lacking for that reason alone." In de laatste fase van de Dertigjarige Oorlog was het land van centraal Europa zo verwoest dat het geen grote legers meer kon verdragen. Men kon geen grotere legers meer op één punt concentreren dan 15.000 man. De oorlog verviel in een serie van diepe cavalerieaanvallen in het vijandelijke gebied. Deze verwoestingen waren onderdeel geworden van een heuse strategie om de vijand zoveel mogelijk fouragegebieden te ontzeggen. Het volgende bericht van een ooggetuige uit Praag gaf weer hoe dit geschiedde: "Mit brennen, plündern, Verheeren und Umkehren der Dörfer und Flecken sind die Schwedischen unter dem General Banér um Prag und in selbiger Land fortgefahren, wie sie sich dann des ganzen Saazer Kreises bemächtigt und nicht allein in Frücht samt dem übrigen, was zu Unterhaltung menschlichen Lebens befunden worden, nach Leitmeritz verschafft, sondern auch alle Erden- Gewächs und fruchtbare Bäume aus dem Grund verderbt und umgehauen".

Het probleem van de logistiek lag vooral in het feit dat de hoeveelheden voedsel zeer groot waren. De totale broodconsumptie van een leger lag veel hoger dan de werkelijke sterkte van het leger: korporaals, sergeanten en (onder)officieren mochten meer dan een rantsoen opeisen voor hun knechten en jongens. Volgens de Franse maréchal général des logis De Puységur bedroeg de totale broodbehoefte van een leger de helft meer dan de totale sterkte van het leger. Een leger van 60.000 man had dus 90.000 rantsoenen per dag nodig. De Puységur wist tevens dat er 340 gram meel nodig was om een pond brood te maken. Bij een veronderstelde dagelijkse consumptie per hoofd per dag van twee pond brood had men over 10 dagen dus 600 ton meel nodig - een hoeveelheid die door de plaatselijke bevolking nooit op te brengen was. Brood bleef tijdens de zomer zes tot acht dagen goed en in de herfst acht tot tien dagen. De tijdspanne was bovendien nog weer afhankelijk van de temperatuur van het water waarmee het meel was gemengd, de hoeveelheid zuurdee
Bericht geplaatst in: artikel