DONKERE SCHADUWEN VERLICHT

Geplaatst op 12 juni 2003 door Robbie Canninga
Hoe reageerden de kabinetten Den Uyl en Van Agt op de schendingen in Oeganda en Cambodja? Was er al sprake van het Nederlandse engagement op het gebied van de mensenrechten?
Inleiding
In dit eerste deel van een drieluik wordt de Nederlandse reactie op mensenrechtenschendingen in een tweetal ontwikkelingslanden geanalyseerd. Ook in dergelijke schendingen bestaan gradaties. In deze studie gaat het om de zwaarst mogelijke vorm van humanitaire misdaden: in de betreffende landen, Cambodja en Oeganda, was de staat verantwoordelijk voor genocide en massamoord. Zoals historicus Peter Malcontent terecht heeft opgemerkt, is historisch onderzoek naar schendingen van mensenrechten verre van een eenvoudige opgave. De wetenschapper mag zich namelijk aan de ene kant niet laten meeslepen door de emotionele geladenheid van zijn onderwerp; aan de andere kant mag hij of zij evenmin toelaten dat uit het oog wordt verloren dat het in de eerste plaats over mensen gaat. Zeker in een onderzoek waarin politieke besluitvormingsprocessen centraal staan, is vooral het gevaar van een te hoog abstractieniveau geen denkbeeldig probleem.

Wat betreft de spelling van plaats- en eigennamen is in dit werkstuk voor de huidige, correcte spelling geopteerd. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat consequent voor "Cambodja" in plaats van "Kambodja" is gekozen. Alleen in citaten en in de annotatie kan van deze regel worden afgeweken. Met betrekking tot de waarde van in guldens genoemde bedragen, dient de lezer zich te bedenken dat bij de omwisseling in januari 2002 één euro gelijk werd gesteld aan twee gulden en twintig cent. De totale Nederlandse ontwikkelingshulp bedroeg in 1973 1,15 miljard en was in 1977 gestegen tot ongeveer 3 miljard gulden. Het prijspeil was zodanig dat ongeveer gesteld kan worden dat in het jaar 1976 de gulden evenwel waard was als de euro anno 2002 waard is.

In april 2002, een maand voor de tumultueus verlopen verkiezingen van 15 mei van dat jaar, waarin met name de PvdA een historische verkiezingsnederlaag leed, viel het tweede Paarse kabinet. Deze opnieuw door premier Wim Kok geleide coalitie, bestaande uit PvdA, VVD en D"66, trok de politieke consequentie uit het enkele dagen daarvoor verschenen NIOD-rapport, aangaande de Nederlandse rol in het humanitaire drama rondom de val van de enclave Srebrenica. In de zomer van 1995 waren Nederlandse VN-soldaten verantwoordelijk geweest voor de bescherming van de Bosnische moslims in deze zogenoemde Safe Area in voormalig Joegoslavië. In het verslag werd eens te meer duidelijk dat de onvoldoende bewapende, met een inadequaat mandaat uitgezonden en numeriek veruit in de minderheid zijnde blauwhelmen geen enkel moment in staat waren geweest om het Servische leger onder bevel van generaal Ratko Mladic te weerstaan. In de op de inname van Srebrenica volgende genocide vonden duizenden Moslimmannen de dood. Kok verklaarde met het aftreden van zijn kabinet rekenschap te willen afleggen voor het falen van de internationale gemeenschap in het algemeen en de Nederlandse regering in het bijzonder.

Uit de deelname aan deze VN-missie en zeker aan de val van het kabinet Kok-II bleek wederom die, volgens velen, zo karakteristieke Nederlandse behoefte om vooróp te lopen, wanneer zich de mogelijkheid voordoet om humanitair onrecht in de wereld te bestrijden. Nederland dat zich zo graag wil profileren als beschermer van de zwakkeren en de rechtelozen in deze wereld. Ons land als zijnde het lichtende voorbeeld voor alle anderen in de wereld. Vooral wanneer er mensenrechten in het geding komen, "lijken Nederlanders een welhaast onuitroeibare drang te hebben om als moderne kruisridders ten strijde te trekken", aldus Malcontent.

Nederland heeft een naam hoog te houden als voorvechter van mensenrechten. De Noorse mensenrechtendeskundige Jan Egeland meende in 1984 zelfs dat ons land van alle staten in de wereld waarschijnlijk het meest effectief was (geweest) in het bevorderen van de mensenrechten. Ons imago van kleine staat aan de ene kant en onze aanzienlijke inspanningen voor het realiseren van een innovatief beleid aan de andere kant, zijn hiervoor verantwoordelijk. Ook de Leidse politicoloog en mensenrechtenkenner P.R. Baehr betoogde dat op dit vlak Nederland een reputatie hoog te houden heeft. Opmerkelijk vond hij dat schrijvers van verschillende politieke kleur de mensenrechten als typisch voor hun eigen partijpolitieke levensbeschouwing hebben opgeëist. Baehr hoopte verder dat regering, parlement, non-gouvernementele organisaties, pers en publiek zich blijven inzetten voor onze goede naam. Die goede naam wordt ondersteund door feiten: de Nederlandse afdeling van Amnesty International is relatief gezien de grootste ter wereld, het Internationale Strafhof en het Joegoslaviëtribunaal zijn beiden in Den Haag gevestigd en "onze" blauwhelmen zijn dus uitgezonden naar uiteenlopende politieke brandhaarden als Libanon, Bosnië-Herzegovina, Eritrea en Cambodja.

Dit Nederlandse engagement is niet van vandaag of gisteren. Historici en politicologen zijn het erover eens dat in de eerste helft van de jaren zeventig er definitief ruimte kwam in het buitenlands beleid voor het mensenrechtenvraagstuk. Vanaf het aantreden van de sociaal-democratische ministers Max van der Stoel en Jan Pronk als respectievelijk minister van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking in het kabinet-Den Uyl in 1973 kan er van een volwaardig mensenrechtenbeleid worden gesproken. Het is geen toeval dat de omslag juist toen plaatsvond. Dit decennium was immers een periode waarin de gebeurtenissen en verworvenheden van de roerige jaren zestig het politieke klimaat in Den Haag sterk beïnvloedde. Het geloof in de maakbaarheid van de samenleving, zowel op nationaal als internationaal niveau, was groot. Het engagement met de Derde Wereld was tijdens deze periode van ontspanning tussen Oost en West op zijn hoogtepunt. In juli 1978 zei toenmalig VVD-minister van Buitenlandse Zaken Chris van der Klaauw in een vraaggesprek dat hij ervan overtuigd was dat de democratische landen in de wereld - ook in hun eigen belang - moesten blijven vechten voor een menselijk bestaan van elk individu in andere landen. Gelet op een dergelijke uitspraak zou men mogen verwachten dat ten aanzien van staten waar een echte staatsterreur heerste, Nederland zich voor honderd procent heeft ingespannen om een dergelijke situatie te verbeteren. Want er bestaan en bestonden landen waar de meest fundamentele burgerrechten stelselmatig met handen en voeten worden getreden. Naties waar de willekeur van de machthebbers zo groot is, dat zelfs mensen die absolute gehoorzaamheid ten toon spreiden, het risico lopen de volgende dag niet meer in leven te zijn. Hebben dit soort landen nu daadwerkelijk de volle aandacht van onze bewindlieden genoten? Het is mijn intentie die vraag in dit werk te beantwoorden.

De Westerse toerist die heden ten dage Cambodja in Zuid-Oost-Azië of het Centraal- Afrikaanse Oeganda bezoekt, zal ongetwijfeld worden betoverd door het adembenemende natuurschoon, de vriendelijke bevolking en de fascinerende cultuurschatten. Maar tegelijkertijd zal hem of haar de tragische geschiedenis van deze landen niet kunnen ontgaan. De macabere rijen schedels in de strafgevangenis Tuol Sleng zijn inmiddels opgenomen in iedere georganiseerde reis door Cambodja. Ontelbare aantallen mensen werden slachtoffer van de killing fields, zoals de terreur van het bewind van de Rode Khmer (1975-1979) ook wel genoemd wordt. In het klimatologisch zo gunstig gelegen Oeganda, dat met recht de "Parel van Afrika" genoemd wordt, heeft men zijn eigen donkere verleden: met name de regeringsjaren van massamoordenaar Idi Amin (1971-1979) liggen eenieder nog vers in het geheugen. Ook onder dit regime verloren honderdduizenden mensen het leven.

Ik heb Cambodja en Oeganda onder onze aandacht gebracht, omdat deze twee landen uiterst geschikt zijn om in mijn onderzoek de onmisbare rol van casestudy te vervullen. Onfortuinlijk genoeg voor de bevolking van deze landen, was er in meer dan voldoende mate sprake van staatsterreur. Daar komt bij dat de duur van de regimes van Pol Pot en Idi Amin voldoende synchroon loopt met de regeerperiode van de kabinetten Den Uyl (1973-1977) en Van Agt-I (1977-1981). Ik wil het door hen gevoerde mensenrechtenbeleid ten aanzien van staatsterreur analyseren. Daarvoor bestaan twee redenen. Ten eerste omdat, zoals al eerder vermeld, er pas vanaf het kabinet Den Uyl van een daadwerkelijk mensenrechtenbeleid gesproken kan worden. Ten tweede omdat alleen archiefstukken met een ouderdom van minimaal twintig jaar mogen worden geraadpleegd. Archiefonderzoek was voor mij een primaire vereiste, niet in de laatste plaats omdat andere informatiebronnen zoals interviews met bewindslieden of uitlatingen voor de pers worden gehinderd door de menselijke eigenschap zaken mooier voor te stellen dan de realiteit eigenlijk zou toelaten.

De centrale vraag betreft dus: "heeft de Nederlandse regering zich tijdens de kabinetten-Den Uyl en -Van Agt-I ten opzichte van de staatsterreur in Cambodja en Oeganda zo opgesteld als van een land met onze reputatie op het humanitaire vlak mag worden verwacht?"

Alhoewel de al dan niet vermeende Nederlandse reputatie op het humanitair gebied vaak wordt aangehaald en besproken, is er relatief gezien maar weinig over dit onderwerp geschreven. Auteurs die zich wel waagden aan dit onderwerp, moesten vaak pionierswerk verrichten, want het aantal publicaties op dit terrein is beperkt. Dat neemt niet weg dat er enkele prima monografieën over de Nederlandse mensenrechtenpolitiek zijn verschenen. Hierin wordt getracht de veelzijdige problematiek van Nederland en de mensenrechten in zijn geheel te omvatten. Tevens is er een bescheiden aantal casestudies uitgekomen over de relatie van Nederland met een bepaald land of regio. Deze zijn meestal van een beperkte omvang. Onvermijdelijk is er een sterk accent komen te liggen op dan wel de landen waarmee Nederland een bijzondere band onderhield, zoals Zuid-Afrika en Indonesië, dan wel de staten die internationaal veel aandacht genereerden, zoals Cuba en Chili. Zonder iets af te willen doen aan de ernst van de mensenrechtenschendingen in deze landen, valt het mijn ziens te betreuren dat hierdoor de aandacht voor ongekende staatsterreur, zoals in Cambodja en Oeganda, verloren zou gaan.
Wel bestaan er een paar onuitgegeven doctoraalscripties waarin de relatie tussen Nederland enerzijds en Cambodja en Oeganda anderzijds al dan niet zijdelings aan de orde komt. Een goed voorbeeld hiervan is het in 1998 in Utrecht door C. Boskman geschreven werkstuk over Nederland en Oeganda in de jaren zeventig. Hierin ligt het accent echter meer op de bilaterale betrekkingen in zijn algemeenheid en wordt er verhoudingsgewijs veel aandacht besteed aan de opvang van de door Amin in 1972 uitgezette groep Aziatische Oegandezen in ons land. Terwijl mijn onderzoek zich specifiek richt op de opstelling van de beide genoemde regeringen ten opzichte van de staatsterreur in de Derde Wereld met deze twee staten als casestudies.

Naast het feit dat ik deze lacune in het onderzoek naar het Nederlandse buitenlandse beleid deels wil dichten, is ook de vraag of ons land zijn reputatie op het vlak van de mensenrechten nu eigenlijk wel verdient, van belang. Maarten Kuitenbrouwer veronderstelt dat het bestaan van Nederlandse ontwikkelingshulp en de toename daarvan in de jaren zestig en zeventig in principe verklaard kan worden vanuit humanitaire beweegredenen. Volgens M.C. Castermans geldt voor de Nederlandse activiteiten binnen de Verenigde Naties in deze twee decennia hetzelfde. De Nederlandse politieke cultuur bepaalde dat de ideële componenten van de buitenlandse politiek, waaronder ook de mensenrechten vallen, bovenal humanitair gemotiveerd waren.

De Amerikaanse historicus James Kennedy en de Nederlandse politicoloog Duco Hellema delen met elkaar de opvatting dat het Nederlandse buitenlandse beleid in de eerste plaats neerkomt op de georganiseerde Haagse aanpassingen aan de internationale omstandigheden. De marges van de wereldpolitiek zijn nu eenmaal klein, dus rest ons land weinig meer dan een flexibel anticipatievermogen. Dat houdt in dat het mensenrechtenvraagstuk juist ondergeschikt raakt aan geopolitieke zaken en aan onze positie binnen internationale machts- en economische structuren. Binnenlandse factoren zijn volgens hen van secundaire betekenis.

Malcontent weerlegde in zijn dissertatie, waarin hij de Nederlandse opstelling ten aanzien van de meer "geijkte" ontwikkelingslanden onderzocht, deze beide opvattingen als te weinig genuanceerd. Noch humanitaire overwegingen noch aanpassingen aan externe gebeurtenissen waren aan te wijzen als primaire push- of pullfactor in het Nederlandse optreden ten aanzien van de mensenrechten: meerdere, variabele factoren, zowel binnen- als buitenlandse, bleken het mensenrechtenbeleid vorm te geven. Zo hebben bijvoorbeeld economische belangen, koloniale schuldgevoelens, de Koude Oorlog, pressie van actiegroeperingen, oprechte humanitaire bezorgdheid en politiek-idealistische voorkeuren voor bepaalde ontwikkelingsmodellen allen in één of meerdere kwesties op een geven tijdstip meestal in combinatie met andere oorzaken een rol gespeeld.

Stefan de Boer vroeg zich op zijn beurt echter af of Malcontents constatering dat de uitvoering van het buitenlands beleid niet alleen primair humanitair geïnspireerd is, wel zo verrassend is. Kunnen we van ministers en diplomaten verwachten dat zij bepaalde binnen- en buitenlandse omstandigheden buiten beschouwing laten? Ook "idealistische" maatregelen gaan bijna altijd gepaard met een meer "realistische" component.

"Ik durf wel te stellen, dat geen land ter wereld actiever is dan Nederland op het gebied van het opkomen voor de mensenrechten".
Minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel in februari 1975 in de Tweede Kamer
{mospagebreak}
Nederlands mensenrechtenbeleid sinds WO II
In de eerste vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog was er van een actieve Nederlandse opstelling op het gebied van de mensenrechten geen sprake. Zo leverde ons land een geringe bijdrage aan de totstandkoming van de Universele Verklaring van de rechten van de Mens in 1948 en weigerde de regering toe te geven aan verzoeken van de Tweede Kamer, om vormen van geloofsvervolging aan de kaak te stellen bijvoorbeeld in het katholieke Spanje van Franco. Wanneer Den Haag wel reageerde, gebeurde dat vaak niet zozeer vanuit humanitair oogpunt maar op grond van andere beweegredenen. Zo protesteerde de regering Drees heftig tegen het Sovjetrussische neerslaan van de Hongaarse opstand in november 1956. De politie keek evenwel passief toe, toen de afkeer hierover van veel Nederlanders zich ontlaadde op de gebouwen van de CPN in Amsterdam. In dit geval stond de aandacht voor mensenrechten voornamelijk in het kader van anti-communisme.

In de eerste helft van de jaren zestig deden zich drie belangrijke internationale ontwikkelingen voor die het ontstaan van een mensenrechtenbeleid mogelijk zou maken. Ten eerste kwamen Oost en West langzaam nader tot elkaar, waardoor er ruimte ontstond voor andere onderwerpen binnen het buitenlandse beleid. Daarbij was internationaal gezien de belangstelling voor dit onderwerp gestegen. Vooral ook in de Scandinavische landen was de aandacht voor humanitaire kwesties gegroeid. Hierdoor werden de mogelijkheden om effectieve stappen te nemen groter. Ten derde sloot met de overdracht van toenmalig Nederlands Nieuw-Guinea in 1962 ons land definitief het dekolonisatieproces van Indonesië af. Van belang was dat Nederland vanaf dat moment eenvoudiger kritiek kon leveren, omdat men niet langer kon worden aangesproken op het eigen koloniale beleid. Daar kwam bij dat tot 1962 het grootste gedeelte van het geld dat bestemd was voor het Nederlandse ontwikkelingsbeleid naar Nieuw-Guinea ging. Pas in 1965 werd de eerste minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de KVP-er Th.H. Bot, aangesteld. Dat ontwikkelingsgeld een wapen kan zijn in de strijd voor de mensenrechten zal nog blijken.

Voordat de regering de vrijgekomen ruimte in het buitenlandse beleid ook daadwerkelijk zou gaan gebruiken voor de bevordering van mensenrechten, moest er vanuit de samenleving en het parlement pressie op het kabinet worden uitgeoefend. Die druk zou er in de jaren zeventig komen. Maar waar kwam deze behoefte vandaan? In de jaren zestig vonden grote veranderingen plaats in de Nederlandse maatschappij. Groeiende welvaart en uitgebreidere onderwijsmogelijkheden gaven meer mensen de tijd en gelegenheid om ook kennis te nemen van datgene buiten de eigen gezichtskring. Aan post-materialistische waarden werd een hoger belang gehecht dan voorheen. Verder seculariseerde en ontzuilde Nederland, wat tot gevolg had dat velen het geloof inruilden voor wereldse idealen. Daarnaast democratiseerde ons land, wat ertoe leidde dat meer lagen van de bevolking gingen meebeslissen over beleidsterreinen, bijvoorbeeld over het buitenlands beleid, waarover tot dan toe nauwelijks medezeggenschap had bestaan. Dit alles was voor iedereen tenslotte te volgen dankzij de onstuitbare opkomst van de televisie. In deze omstandigheden kon, wilde en moest de politiek zich gaan profileren op de buitenlandse problematiek. Alfred van Staden vond hiervoor de term "(ver)binnenlandisering van de buitenlandse politiek" uit.

Waarom traden nu met name humanitaire kwesties zo naar voren? Om hierover duidelijkheid te verschaffen, dienen we ons kort te richten op het al enige jaren durende debat onder een aantal Nederlandse historici over de mate waarin de Nederlandse buitenlandse politiek beïnvloed wordt door historische tradities. Net als zijn leermeester J.C. Boogman ziet Joris Voorhoeve in het Nederlandse buitenlandse beleid een internationaal-idealistische traditie. Deze gaat uit een neiging tot pacifisme, legalisme en moralisme. In het midden van de jaren zestig openbaarde deze benadering van de buitenlandse politiek zich in de vorm van een actief beleid ten aanzien van de Verenigde Naties, armoede in de Derde Wereld en het mensen- rechtenvraagstuk. Deze mondiale benadering ziet Nederland als gidsland, een land die het goede voorbeeld geeft aan anderen.

Niet alle deskundigen delen deze opvatting. Zo meent E. Kossmann dat als er al sprake zou zijn van een traditie, het zou gaan om die van het conservatisme. Nederland zou er vooral op gericht zijn de status-quo te handhaven. Van Staden vraagt zich af of datgene wat voor tradities wordt aangezien niet meer verwijst naar de presentatie van het beleid dan naar de uitvoering ervan. Op het zogenoemde declaratoire niveau zou ons land zich graag voorstellen als gidsland, op het "operationele" niveau kunnen we het echter niet waarmaken.

Malcontent sloot zich bij Van Staden aan: in de praktijk van de buitenlandse politiek kon er tot het begin van de jaren zeventig niet of nauwelijks van een internationaal-idealistische benadering worden gesproken. Maar wanneer het om de presentatie van het beleid gaat, dan hebben, al vanaf het midden van de negentiende eeuw, zowel Nederlandse politici als volkenrechtdeskundigen de neiging de gebeurtenissen door een moralistische bril te zien. Volgens hem was het deze typisch Nederlandse neiging tot moraliseren die er vanaf de jaren zestig toe bijdroeg dat de post-materialistische waarde van de mensenrechten zich zo sterk zou manifesteren. Deze moraliserende neiging kan worden verklaard door het feit dat ons land van oudsher een burgermaatschappij is geweest. Ook de Nederlandse afzijdigheid van het Europese politieke machtsspel en onze calvinistische achtergrond speelden hierbij een additionele rol.

Wat gebeurde er internationaal gezien in de tweede helft van de jaren zestig tot en met de jaren zeventig? Op dat moment schenen de anti-Westerse en met name de antikapitalistische krachten in de wereld op hun hoogtepunt. In ontwikkelingslanden waren vele bevrijdingsbewegingen in opmars en binnen de Verenigde Naties en de UNCTAD wilden de ongebonden derdewereldlanden het Westen bewegen tot structurele hervorming van de wereldeconomie. Het prestige van de VS stond onder zware druk, als gevolg van het Amerikaanse optreden in het politieke en militaire wespennest Vietnam. Tegelijkertijd viel er een zekere toenadering tussen het Westen en het Oostblok te bespeuren. Het was in deze atmosfeer van detente dat in de Finse hoofdstad Helsinki in 1975 de Conferentie voor Vrede en Samenwerking in Europa (de CVSE-conferentie) plaats vond. In de binnenlandse politiek waren in West-Europa de sociaal-democratische partijen op het toppunt van hun invloed.

{mospagebreak}
Het kabinet-Den Uyl
Ook op het Binnenhof kon men zich niet geheel aan de ontwikkelingen in de wereld onttrekken. Dat de conservatieve KVP-er Joseph Luns, jarenlang de eminente en eigenzinnige minister van Buitenlandse Zaken, bij het aantreden van het centrum-rechtse kabinet-Biesheuvel (1971-1973) uit de vaderlandse politiek was gestapt, was duidelijk een teken aan de wand. Binnen twee jaar maakte deze regering al weer plaats voor het meest progressieve kabinet ooit: het kabinet-Den Uyl. Na zes lange maanden van formatie kwam op 28 mei 1973 een brede coalitie van PvdA, D"66, PPR, KVP en de ARP tot stand. Vele politieke stormbuien lag hen in het verschiet. In willekeurige volgorde passeerde er de Lockheedaffaire, de gijzelingenacties van de Zuid-Molukkers, de Oliecrisis en zware debatten over de abortuskliniek Bloemenhove, het apartheidsvraagstuk en de ontsnapte oorlogsmisdadiger Menten. Ook werd de onafhankelijkheid van Suriname gerealiseerd. Uiteindelijk zou dit, bij uitstek zo gepolariseerde, kabinet in het voorjaar van 1977 vallen over onenigheid over de grondpolitiek.

Voor het eerst in de geschiedenis kregen de linkse partijen de meerderheid van de ministersposten in handen. De PvdA zou op het buitenlandse terrein het voortouw nemen. De socialisten mochten namelijk naast de minister-president ook de ministers van Buitenlandse Zaken, Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking leveren. Tijdens de verkiezingen hadden de PvdA, D"66 en de PPR zichzelf met één verkiezingsprogramma gepresenteerd: "Keerpunt 1972". Een concept dat zowel ambitieus als vooruitstrevend was. Op het internationale vlak diende Nederland in de VN initiatieven te ontplooien die ertoe zou leiden dat de organisatie zich effectiever kon inzetten om de vrede te handhaven, de armoede te overwinnen, imperialisme en rassendiscriminatie uit te roeien en de mensenrechten te beschermen. Verder moest de democratie in landen zoals Spanje, Portugal en Griekenland door middel van politieke en economische druk worden bevorderd. Ook wilde men een economische hervorming van de wereld. Het percentage van het Bruto Nationaal Product besteed aan ontwikkelingshulp moest opgeschroefd worden tot anderhalf. Er werden kanttekeningen geplaatst bij de vanzelfsprekendheid van het NAVO-lidmaatschap en men overwoog zelfs om een "no-first-use" verklaring met betrekking tot kernwapens te tekenen.

In hoeverre heeft "Keerpunt 1972" nu het beleid bepaald? Eigenlijk was deze invloed vrij beperkt. Er waren een drietal krachtige nivellerende factoren. In de eerste plaats behielden de confessionele partijen, KVP en ARP, samen met de andere rechtse partijen in de Tweede Kamer een meerderheid. Daarnaast erkende Dries van Agt vele jaren later, destijds was hij KVP-minister van Justitie en vice-premier, dat er bij zijn partij "het hechte voornemen bestond om het gewicht van de onderbedeelde zes christen-democratische ministers ten uiterste te maximaliseren".

Het tweede punt was dat twee belangrijke socialistische kabinetleden, minister van Defensie Henk Vredeling en minister van Buitenlandse Zaken Van der Stoel, als gematigd golden binnen hun partij. In het buitenlandse beleid zou met name de laatste natuurlijk een centrale rol gaan vervullen. Deze bewindsman was eigenlijk een Atlanticus met een pro-NAVO-houding en beslist niet representatief voor de radicale linkervleugel van de PvdA. In een interview, gegeven na zijn ministerschap, vertelde hij over het regeringsprogramma: ,,ik was me bewust van de spanning die er bestond tussen de wensen van het programma enerzijds en de werkelijkheid anderzijds". Van der Stoel was de man van de quiet diplomacy. Hij was het dan ook vaak oneens met de manier waarop zijn bevlogen maar soms wat ideële partijgenoot Pronk de humanitaire waarden in de wereld wilde verdedigen. Als parlementariër en rapporteur bij de Raad van Europa had hij zich al in de jaren zestig een gedreven en vaak doelgericht voorvechter van mensenrechten getoond. Als minister zou hij deze lijn voort- zetten.
Ten derde waren er nog enkele externe factoren die een al te vooruitstrevend beleid verhinderden. Met name de economische recessie van de jaren zeventig en de al eerder aangehaalde Oliecrisis, die onder meer de schulden van de ontwikkelingslanden enorm deed stijgen, maakte implementatie van de beloofde internationale hervormingen moeilijk.

De regeringsverklaring van premier Den Uyl klonk dan ook niet overdreven vooruitstrevend, maar de aandacht voor mensenrechten in Keerpunt 1972 was er wel degelijk in terug te vinden. Als uitgangspunt voor het buitenlands beleid werd genoemd: "de nauwe samenhang tussen vrede, veiligheid, rechtvaardige verdeling van de welvaart, wereldrechts- orde en respect voor de fundamentele mensenrechten". Hiermee waren de mensenrechten een integraal onderdeel van een buitenlands beleid geworden dat gericht was op "vrede en veiligheid". Verder zou het kabinet zich keren tegen een Europese kernmacht en een nieuw Test Ban Treaty aangaande kernwapens juist ondersteunen. Het Zuid-Afrikaanse apartheidsbewind kon rekenen op een strikter embargo, terwijl de hulp aan ontwikkelingslanden zou worden uitgebreid.

Hoe beoordeelde dit kabinet zichzelf uiteindelijk op het gevoerde buitenlandse beleid? In een door de overheid zelf uitgegeven overzicht van het tot dan toe gevoerde beleid van het kabinet, uitgegeven in februari 1977, oordeelde men voorzichtig positief over de eigen resultaten. In het hoofdstuk over Buitenlandse Zaken lezen we als volgt: "Het kabinet heeft een actief vredesbeleid gevoerd gericht op het voorkomen en het tot oplossing brengen van conflicten en het tegengaan van onrecht en verdrukking in allerlei vormen." Concreet werd bijvoorbeeld de constructieve Nederlandse bemoeienis met de CVSE-conferentie aangehaald. Een effectieve bijdrage hieraan was de duidelijke clausule in het beginsel over het zelfbeschikkingsrecht, waarvoor Van der Stoel zich had ingezet, welke in de Slotakte van Helsinki werd opgenomen. Naast aanzienlijke financiële steun aan het programma van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen (UNHCR) waren er uit de politieke brandhaarden zoals Vietnam en Chili vluchtelingen opgenomen. De begroting van Ontwikkelingssamenwerking tenslotte was onder Pronk maar liefst verdrievoudigd, zodat ons land in 1975 voor het eerst aan de internationale doelstelling, om 0,7% van het BNP aan zuivere ontwikkelingshulp te bestemmen, voldeed.

In de internationale fora had ons land op het gebied van de mensenrechten een vooraanstaande rol gespeeld. Den Haag had in het kader van de VN actief gestreefd naar het versterken van procedures ter handhaving van de mensenrechten. Ten aanzien van individuele gevallen van mensenrechtenschendingen had men door middel van bilaterale contacten, "vaak aan het oog der openbaarheid onttrokken", tal van activiteiten ontplooid. Met kracht was verder ook voor de instelling van een Hoge Commissaris der VN voor de Rechten van de Mensen gepleit. De Nederlandse reactie op de staatsgreep en het regime van generaal Pinochet in Chili was belangrijk genoeg om specifiek te worden vermeld: meerdere malen stond Den Haag mede aan de basis van resoluties die onderzoek en eventuele bestraffing van humanitaire misstanden aldaar als doelstelling hadden.

De Nederlandse respons ten aanzien van de staatsterreur in Cambodja en Oeganda was in ieder geval niet voldoende om bij name genoemd te worden. Zou het kabinet zijn protesten ten aanzien van deze landen dan, geheel in de stijl van Van der Stoel, "aan het oog van de openbaarheid onttrokken" hebben? Had men in de Verenigde Naties zijn stem laten horen? Voordat we deze vragen kunnen beantwoorden, dienen we eerst het kabinet-Van Agt-I nader te bestuderen.

{mospagebreak}
Kabinet Van Agt-I
Uiteindelijk resulteerde de gepolariseerde verhouding tussen de katholieken en de socialisten in het kabinet-Den Uyl in de val van de regering. In de verkiezingen van mei 1977 kreeg de PvdA er tien zetels bij en kwam daardoor op 53. Het samengaan van KVP, ARP en CHU tot CDA met Van Agt als lijsttrekker had de jarenlange afkalving van het confessionele electoraat tot stilstand gebracht. Het CDA verwierf een zetel meer dan de drie partijen gezamenlijk in 1973 hadden gedaan en kwam uit op 49 zetels. In een gedenkwaardige dan wel beruchte, opmerkelijk openbare en recordbrekend lange formatieperiode overschatten de sociaal-democraten zichzelf. De PvdA wilde én een ministerspost meer én wilde afdwingen dat bepaal- de CDA-ers niet op bepaalde posten zouden komen. Van Agt en de zijnen wilden niet nogmaals tweede viool spelen en gingen uiteindelijk niet in op de pogingen om een tweede kabinet-Den Uyl op de rails te zetten. Dit alles vond zijn verrassende ontknoping aan het eind van het jaar. De toeschietelijke Hans Wiegel, politiek leider van de VVD, slaagde er wel in om met Van Agt zaken te doen in het Haagse restaurant Le Bistroquet.

Het CDA-VVD-kabinet, dat gepresenteerd werd op 19 december 1977, kwam echter te rusten op een uiterst beperkte parlementaire meerderheid; men had 77 van de 150 zetels in handen. Tevens waren er de zes zogenaamde loyalisten aan de linkervleugel van het CDA, die de regering alleen "loyaal" op zijn daden zouden beoordelen. Van een rancuneuze PvdA zou men enkel een bikkelhard oppositiebeleid kunnen verwachten. Velen gaven deze regering dan ook zoveel maanden als men andere kabinetten jaren gaf. Alhoewel dit kabinet minder grote hindernissen zou hoeven te nemen dan zijn voorganger, baarde vooral de economische recessie en de daarmee gepaard gaande werkeloosheid flinke zorgen. Ondanks dit alles en met een ministersgroep die tevens minder krachtige persoonlijkheden telde zou het kabinet Van Agt-I de volle vier jaar wel uitzitten. Nederland kreeg aldus de eerste in een reeks centrum-rechtse coalities die ons land tot 1989 zouden regeren, met uitzondering van het kortstondige kabinet-Van Agt-II in 1981-1982.

Wederom paste deze interne gebeurtenissen precies in het gekeerde tij van de internationale politiek. De veranderingen die zich circa tien jaar geleden hadden aangediend bleken niet te worden doorgezet. Zoals gezegd trof de wereldwijde recessie veel ontwikkelingslanden en communistische staten nog aanmerkelijk harder dan het rijke Westen. Ook de ontspanningspolitiek liep op zijn laatste benen: in de jaren tachtig zouden de VS en de Sovjet-Unie de Koude Oorlog weer hervatten. Op het Nederlandse buitenlandse terrein was er een toenemende neiging tot een conservatief getint pragmatisme te ontwaren. Enkele van de aandachtspunten van het kabinet-Den Uyl, zoals een nieuwe economische orde en vermindering van het defensiebudget, verschoven meer naar de achtergrond. Dat nam niet weg dat de discussies over kernwapens de politieke agenda begin jaren tachtig bleef domineren. CDA-minister van Defensie R.J.H. Kruisinga, zou al in maart 1978 aftreden, omdat hij de verantwoordelijkheid voor de introductie van de zogenoemde neutronenbom niet wenste te dragen.

Opvolger van Van der Stoel werd de liberaal Chris van der Klaauw. Deze aimabele maar weinig daadkrachtig overkomende ex-diplomaat was eigenlijk pas de derde keus van Wiegel. Onder het oppositionele spervuur in de Kamer hield de minister zich maar ternauwernood staande. Behalve dit weifelende optreden deed hij enkele erg ongelukkig uitpakkende uitspraken. Zo concludeerde hij in januari 1979 eens over zijn eigen beleid dat na een jaar ministerschap het internationale vertrouwen in Nederland weer was hersteld. Dit impliceerde een evidente afkeuring van het optreden van zijn voorganger; van der Stoels ambtsperiode was nu juist door praktisch alle partijen, ook door de VVD, positief gewaardeerd. Met betrekking tot mensenrechten meende de minister in een vraaggesprek in juli 1978 dat bevordering van deze rechten een uitermate langzaam proces is. Tevens wilde hij gradaties aanbrengen in de toepassing van de mensenrechten. Hij vond dat van het Oostblok en de Latijns-Amerikaanse junta"s meer verwacht kon worden dan van typische ontwikkelingslanden in Afrika. Tegelijkertijd erkende hij openhartig dat hij primair trachtte concreet Nederlandse (bedrijfs)belangen te behartigen.

Misschien ontstaat nu de indruk dat de mensenrechten met name in de Derde Wereld onder deze minister het kind van de rekening dreigden te worden. Een dergelijke gevolgtrekking is echter incorrect. Het was Van der Klaauw die met zijn CDA-collega Jan de Koning als minister voor Ontwikkelingssamenwerking in mei 1979 de beleidsnota De rechten van de mens in het buitenlands beleid presenteerde in de Kamer. In feite werd het beleid van Van der Stoel in deze nota officieel op papier gezet. Deze nota, welke internationaal gezien een van de eersten in zijn soort was, geldt tot op heden als uitgangspunt voor het mensenrechtenbeleid. De regering beschouwde de mensenrechten vanaf toen als "een wezenlijk onderdeel van haar buitenlandse beleid". Wel diende het belang van humanitaire waarden steeds in verband te worden gebracht met andere belangen, waaraan "geen onaanvaardbare schade" mocht worden toegebracht. Naast deze bescherming en continuering van de detente tussen Oost en West wilde Van der Klaauw een zekere garantie over de mate van effectiviteit van bepaalde maatregelen. Tenslotte onderstreepte hij de onmisbare samenwerking met gelijkgestemde landen. Ook Van der Stoel had tijdens zijn ambtsperiode deze aspecten meerdere malen benadrukt.

Op deze voorwaarden bestond bijvoorbeeld van Amnesty International alsook van de linkse oppositie natuurlijk wel kritiek. Deze betreurden het dat eventuele Nederlandse stappen zozeer afhankelijk waren van mitsen en maren. Toch getuigen deze aanvullingen van Van der Klaauw op de nota van een zekere realiteitszin. Lippendienst op declaratoir gebied verlenen aan de mensenrechten op zich is natuurlijk vrij gemakkelijk. Maar juist bewindslieden die daadwerkelijk successen willen boeken, dienen zich te realiseren dat de marges smal zijn en dat er in de internationale betrekkingen vaak keuzes gemaakt moeten worden. Soms vallen deze ten nadele van de humanitaire belangen uit. Zo vroeg de bekende columnist J. L. Heldring zich in 1983 af of het staten eigenlijk wel kan worden verweten dat ze aan politieke doelstellingen als vrede, veiligheid en welvaart meer prioriteit toekennen dan aan rechtvaardiger verhoudingen in de wereld, (waar de mensenrechten onder vallen).

Minister De Koning was minder bevlogen dan Pronk maar toch zette de CDA-er in grote lijnen het beleid van zijn voorganger voort. Ogenschijnlijk legde hij zelfs meer accent op de mensenrechten dan Pronk had gedaan. Naast zijn bijdrage aan de al eerder genoemde nota, scherpte hij namelijk de selectiecriteria van het concentratielandenbeleid aan. Van de landen waarmee Nederland een bilaterale hulprelatie onderhield, werd al verwacht dat zij, uiteraard naast een bepaalde mate van armoede, een beleid voerden gericht op een eerlijke verdeling van de welvaart. Den Haag lette dus al op de eerbiediging van sociaal-economische (mensen)rechten én op burgerlijke en politieke rechten. Onder De Koning werd nu ook expliciet gesteld dat respect voor de fundamentele mensenrechten een vereiste was om een Nederlands concentratieland te worden c.q. te blijven.

Enige ambivalentie was het Nederlandse beleid niet vreemd: in de praktijk werd er meer waarde gehecht aan het armoedecriterium. Eigenlijk waren beide ministers wat huiverig om ontwikkelingsgeld ook daadwerkelijk als sanctiemiddel te gebruiken. Maar voor het argument van De Koning dat hulpverlening gericht diende te zijn op de behoeften van mensen en niet op het gedrag van regeringen valt beslist wat te zeggen.

Tot slot kan geconcludeerd worden dat onder invloed van interne en externe ontwikkelingen in de jaren zestig er zowel in de samenleving als in de politiek ruimte ontstond voor de mensenrechten. Het waren de kabinetten Den Uyl en Van Agt-I in het daarop volgende decennium die Nederland gezicht gaven als prominent maar realistisch en daarmee dus vaak voorzichtig bevorderaar van humanitaire waarden.

{mospagebreak}
Afkortingen
ABZ - Archief Buitenlandse Zaken
ARA - Algemeen Rijksarchief
ASEAN - Association of South East Asia Nations
BNP - Bruto Nationaal Product
BZ - (Ministerie van) Buitenlandse Zaken
CDA - Christen Democratisch Appèl
CHU - Christelijk-Historische Unie
CPK - Communist Party of Kampuchea
CRM - (Ministerie van) Cultuur, Recreatie en maatschappelijk werk
CVSE - Conferentie voor Vrede en Samenwerking in Europa
D"66 - Democraten 1966
DFO - Directie Financieel-Economische Ontwikkelingssamenwerking (BZ)
DGPZ - Directeur / directoraat-generaal Politieke Zaken (BZ)
DIO - Directie Internationale Organisaties (BZ)
DK - Democratisch Kampuchea
DOA - Directie Azië en Oceanië (BZ)
DP - Democratic Party
EG - Europese Gemeenschap
FUNK - Front Uni National de Kampuchea
HTK - Handelingen der Tweede Kamer
KPNLF - Khmer People National Liberation Front
KVP - Katholieke Volkspartij
NAVO - Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
NIOD - Nationaal Instituut voor Oorlogsdocumentatie
PPR - Politieke Partij Radikalen
PSP - Pacifistische Socialistische Partij
PV - Permanente Vertegenwoordiger
PvdA - Partij van de Arbeid
UNCTAD - United Nations Conference on Trade And Development
UNESCO - United Nations Educational, scientific and Cultural Organisation
UNHCR - United Nations High Commissioner for Refugees
UNICEF - United Nations International Children Emergency Fund
UNLF - Uganda National Liberation Front
UNTAC - United Nations Transitorial Authority in Cambodia
UPC - Uganda"s People Council
VN - Verenigde Naties
VS - Verenigde Staten
VVD - Volkspartij voor Vrijheid en Democratie

Geraadpleegde bronnen

Archivalia

Algemeen Rijksarchief (ARA), Den Haag
2.02.05.02 Notulen ministerraad

Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), Den Haag
Archief code 6 en 9
Archief Geheime Stukken (GS)
Archief Verenigde Naties (VN)

Blok 3 1965-1974 (III) en blok 4 1975-1984 (IV)

Gedrukte bronnen

Samenvatting beleid kabinet-Den Uyl (Den Haag 1977)

Literatuur

Baehr, P.R., Mensenrechten (Amsterdam 1999).
Baerh, P.R., Mensenrechten en buitenlands beleid: verenigbare grootheden? (Leiden 1986).
Boer, S. de, "Nederland en de apartheidskwestie, 1948-1990", in: M. Kuitenbrouwer en M. Leenders ed., Geschiedenis van de mensenrechten (Hilversum 1996) 259-280.
Boer, S. de, Van Sharpeville tot Soweto (Amsterdam 1999).
Bootsma, P. en M. Breedveld, De verbeelding aan de macht (Den Haag 1999).

Burgler, R.A., The eyes of the pineapple (Nijmegen 1990).
Castermans-Hollemans, M.C., Het Nederlandse mensenrechtenbeleid in de Verenigde Naties (Den Haag 1992).
Gortzak, W., ed., "Maarten van Traa in gesprek met Max van der Stoel in 1978", in: Kleine stappen van het kabinet-Den Uyl (Deventer 1978).
Heldring, J., "Nederland in de wereld, 1945-1985" in: Van Sas ed., De kracht van Nederland (Haarlem 1991) 232-245.
Hellema, D., Buitenlandse politiek van Nederland (Utrecht 1995).
Hellema, D., Negentienvijfenzestig: de Nederlandse houding ten aanzien van de Hongaarse revolutie en de Suezcrisis (Amsterdam 1990).
Kierman, B., The Pol Pot Regime (Londen en New Haven 1995).
Kuitenbrouwer, M., "Nederland en de mensenrechten, 1795-1995", in: M. Kuitenbrouwer en M. Leenders ed., Geschiedenis van de mensenrechten (Hilversum 1996).
Kuitenbrouwer, M., De ontdekking van de Derde Wereld (Den Haag 1994).
Kyemba, H., Oeganda: staat van bloed en terreur (Londen 1977).
Mabbeth, I. en D. Chandler, The Khmers (Oxford 1995).
Malcontent, P.A.M., "Nederland en de mensenrechten in de Derde Wereld", in: M. Kuitenbrouwer en M. Leenders ed., Geschiedenis van de mensenrechten (Hilversum 1996) 281-308.
Malcontent, P.A.M., Op kruistocht in de Derde Wereld (Hilversum 1998).
Pluvier, J., Vietnam, Laos, Cambodja, om de bevrijding van Indo-China sinds 1850 (Nijmegen 1975).
Postel, A., en P. Boekhoorn, een wereld van verschil, ervaringen van vluchtelingen in Nederland (Nijmegen 1983).
Puchinger, G., In gesprek met het kabinet-Van Agt (Kampen 1980).
Righart, H., De eindeloze jaren zestig (Amsterdam 1995).
Smith, G.I., Ghost of Kampala (Londen 1980).
Staden, A. van, "De rol van Nederland in het Atlantisch bondgenootschap", in: Van Sas ed., De kracht van Nederland (Haarlem 1991).
Voorhoeve, J.J.C., Peace, Profits and Principles (Den Haag en Boston 1979).
Bericht geplaatst in: artikel