DONKERE SCHADUWEN VERLICHT II

Geplaatst op 12 juni 2003 door Robbie Canninga
In dit tweede deel van het drieluik wordt de Nederlandse reactie op mensenrechtenschendingen in een tweetal ontwikkelingslanden geanalyseerd.
Inleiding
In dit tweede deel van het drieluik wordt de Nederlandse reactie op mensenrechtenschendingen in een tweetal ontwikkelingslanden geanalyseerd. Ook in dergelijke schendingen bestaan gradaties. In deze studie gaat het om de zwaarst mogelijke vorm van humanitaire misdaden: in de betreffende landen, Cambodja en Oeganda, was de staat verantwoordelijk voor genocide en massamoord. Zoals historicus Peter Malcontent terecht heeft opgemerkt, is historisch onderzoek naar schendingen van mensenrechten verre van een eenvoudige opgave. De wetenschapper mag zich namelijk aan de ene kant niet laten meeslepen door de emotionele geladenheid van zijn onderwerp; aan de andere kant mag hij of zij evenmin toelaten dat uit het oog wordt verloren dat het in de eerste plaats over mensen gaat. Zeker in een onderzoek waarin politieke besluitvormingsprocessen centraal staan, is vooral het gevaar van een te hoog abstractieniveau geen denkbeeldig probleem.

Wat betreft de spelling van plaats- en eigennamen is in dit werkstuk voor de huidige, correcte spelling geopteerd. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat consequent voor "Cambodja" in plaats van "Kambodja" is gekozen. Alleen in citaten en in de annotatie kan van deze regel worden afgeweken. Met betrekking tot de waarde van in guldens genoemde bedragen, dient de lezer zich te bedenken dat bij de omwisseling in januari 2002 één euro gelijk werd gesteld aan twee gulden en twintig cent. De totale Nederlandse ontwikkelingshulp bedroeg in 1973 1,15 miljard en was in 1977 gestegen tot ongeveer 3 miljard gulden. Het prijspeil was zodanig dat ongeveer gesteld kan worden dat in het jaar 1976 de gulden evenwel waard was als de euro anno 2002 waard is.

In april 2002, een maand voor de tumultueus verlopen verkiezingen van 15 mei van dat jaar, waarin met name de PvdA een historische verkiezingsnederlaag leed, viel het tweede Paarse kabinet. Deze opnieuw door premier Wim Kok geleide coalitie, bestaande uit PvdA, VVD en D"66, trok de politieke consequentie uit het enkele dagen daarvoor verschenen NIOD-rapport, aangaande de Nederlandse rol in het humanitaire drama rondom de val van de enclave Srebrenica. In de zomer van 1995 waren Nederlandse VN-soldaten verantwoordelijk geweest voor de bescherming van de Bosnische moslims in deze zogenoemde Safe Area in voormalig Joegoslavië. In het verslag werd eens te meer duidelijk dat de onvoldoende bewapende, met een inadequaat mandaat uitgezonden en numeriek veruit in de minderheid zijnde blauwhelmen geen enkel moment in staat waren geweest om het Servische leger onder bevel van generaal Ratko Mladic te weerstaan. In de op de inname van Srebrenica volgende genocide vonden duizenden Moslimmannen de dood. Kok verklaarde met het aftreden van zijn kabinet rekenschap te willen afleggen voor het falen van de internationale gemeenschap in het algemeen en de Nederlandse regering in het bijzonder.

Uit de deelname aan deze VN-missie en zeker aan de val van het kabinet Kok-II bleek wederom die, volgens velen, zo karakteristieke Nederlandse behoefte om vooróp te lopen, wanneer zich de mogelijkheid voordoet om humanitaire onrecht in de wereld te bestrijden. Nederland dat zich zo graag wil profileren als beschermer van de zwakkeren en de rechtelozen in deze wereld. Ons land als zijnde het lichtende voorbeeld voor alle anderen in de wereld. Vooral wanneer er mensenrechten in het geding komen, "lijken Nederlanders een welhaast onuitroeibare drang te hebben om als moderne kruisridders ten strijde te trekken", aldus Malcontent.

Nederland heeft een naam hoog te houden als voorvechter van mensenrechten. De Noorse mensenrechtendeskundige Jan Egeland meende in 1984 zelfs dat ons land van alle staten in de wereld waarschijnlijk het meest effectief was (geweest) in het bevorderen van de mensenrechten. Ons imago van kleine staat aan de ene kant en onze aanzienlijke inspanningen voor het realiseren van een innovatief beleid aan de andere kant, zijn hiervoor verantwoordelijk. Ook de Leidse politicoloog en mensenrechtenkenner P.R. Baehr betoogde dat op dit vlak Nederland een reputatie hoog te houden heeft. Opmerkelijk vond hij dat schrijvers van verschillende politieke kleur de mensenrechten als typisch voor hun eigen partijpolitieke levensbeschouwing hebben opgeëist. Baehr hoopte verder dat regering, parlement, non-gouvernementele organisaties, pers en publiek zich blijven inzetten voor onze goede naam. Die goede naam wordt ondersteund door feiten: de Nederlandse afdeling van "Amnesty International" is relatief gezien de grootste ter wereld, het Internationale Strafhof en het Joegoslaviëtribunaal zijn beiden in Den Haag gevestigd en "onze" blauwhelmen zijn dus uitgezonden naar uiteenlopende politieke brandhaarden als Libanon, Bosnië-Herzegovina, Eritrea en Cambodja.

Dit Nederlandse engagement is niet van vandaag of gisteren. Historici en politicologen zijn het erover eens dat in de eerste helft van de jaren zeventig er definitief ruimte kwam in het buitenlands beleid voor het mensenrechtenvraagstuk. Vanaf het aantreden van de sociaal-democratische ministers Max van der Stoel en Jan Pronk als respectievelijk minister van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking in het kabinet-Den Uyl in 1973 kan er van een volwaardig mensenrechtenbeleid worden gesproken. Het is geen toeval dat de omslag juist toen plaatsvond. Dit decennium was immers een periode waarin de gebeurtenissen en verworvenheden van de roerige jaren zestig het politieke klimaat in Den Haag sterk beïnvloedde. Het geloof in de maakbaarheid van de samenleving, zowel op nationaal als internationaal niveau, was groot. Het engagement met de Derde Wereld was tijdens deze periode van ontspanning tussen Oost en West op zijn hoogtepunt. In juli 1978 zei toenmalig VVD-minister van Buitenlandse Zaken Chris van der Klaauw in een vraaggesprek dat hij ervan overtuigd was dat de democratische landen in de wereld – ook in hun eigen belang - moesten blijven vechten voor een menselijk bestaan van elk individu in andere landen.

Gelet op een dergelijke uitspraak zou men mogen verwachten dat ten aanzien van staten waar een echte staatsterreur heerste, Nederland zich voor honderd procent heeft ingespannen om een dergelijke situatie te verbeteren. Want er bestaan en bestonden landen waar de meest fundamentele burgerrechten stelselmatig met handen en voeten worden getreden. Naties waar de willekeur van de machthebbers zo groot is, dat zelfs mensen die absolute gehoorzaamheid ten toon spreiden, het risico lopen de volgende dag niet meer in leven te zijn. Hebben dit soort landen nu daadwerkelijk de volle aandacht van onze bewindlieden genoten? Het is mijn intentie die vraag in dit werk te beantwoorden.

De Westerse toerist die heden ten dage Cambodja in Zuid-Oost-Azië bezoekt, zal ongetwijfeld worden betoverd door het adembenemende natuurschoon, de vriendelijke bevolking en de fascinerende cultuurschatten. Maar tegelijkertijd zal hem of haar de tragische geschiedenis van deze landen niet kunnen ontgaan. De macabere rijen schedels in de strafgevangenis Tuol Sleng zijn inmiddels opgenomen in iedere georganiseerde reis door Cambodja. Ontelbare aantallen mensen werden slachtoffer van de killing fields, zoals de terreur van het bewind van de Rode Khmer (1975-1979) ook wel genoemd wordt.

Ik heb Cambodja onder onze aandacht gebracht, omdat dit land uiterst geschikt is om in mijn onderzoek de onmisbare rol van casestudy te vervullen. Onfortuinlijk genoeg voor de bevolking van deze landen, was er in meer dan voldoende mate sprake van staatsterreur. Daar komt bij dat de duur van de regimes van Pol Pot voldoende synchroon loopt met de regeerperiode van de kabinetten Den Uyl (1973-1977) en Van Agt-I (1977-1981). Ik wil het door hen gevoerde mensenrechtenbeleid ten aanzien van staatsterreur analyseren. Daarvoor bestaan twee redenen. Ten eerste omdat, zoals al eerder vermeld, er pas vanaf het kabinet Den Uyl van een daadwerkelijk mensenrechtenbeleid gesproken kan worden. Ten tweede omdat alleen archiefstukken met een ouderdom van minimaal twintig jaar mogen worden geraadpleegd. Archiefonderzoek was voor mij een primaire vereiste, niet in de laatste plaats omdat andere informatiebronnen zoals interviews met bewindslieden of uitlatingen voor de pers worden gehinderd door de menselijke eigenschap zaken mooier voor te stellen dan de realiteit eigenlijk zou toelaten.

De centrale vraag betreft dus: "heeft de Nederlandse regering zich tijdens de kabinetten-Den Uyl en -Van Agt-I ten opzichte van de staatsterreur in Cambodja zo opgesteld als van een land met onze reputatie op het humanitaire vlak mag worden verwacht?"
Om de hoofdvraag te beantwoorden zal ik deze in een viertal deelvragen uiteenzetten:
1. Hoe heeft de samenstelling en de politieke signatuur van regering en parlement doorgewerkt in het beleid?
2. In hoeverre was Den Haag op de hoogte van de staatsterreur in Cambodja?
3. Heeft Nederland het mensenrechtenbeleid bilateraal vorm kunnen geven?
4. Op welke manier reageerde de internationale gemeenschap op deze gevallen van staats- terreur en in welke mate heeft Nederland hieraan bijgedragen?
Voordat we ons echter kunnen richten op het Nederlandse beleid, moet de staatsterreur in de historische context geplaatst worden. Tevens wil ik de lezer een indruk geven van de aard en omvang van de mensenrechtenschendingen in Cambodja.

Alhoewel de al dan niet vermeende Nederlandse reputatie op het humanitair gebied vaak wordt aangehaald en besproken, is er relatief gezien maar weinig over dit onderwerp geschreven. Auteurs die zich wel waagden aan dit onderwerp, moesten vaak pionierswerk verrichten, want het aantal publicaties op dit terrein is beperkt. Dat neemt niet weg dat er enkele prima monografieën over de Nederlandse mensenrechtenpolitiek zijn verschenen. Hierin wordt getracht de veelzijdige problematiek van Nederland en de mensenrechten in zijn geheel te omvatten. Tevens is er een bescheiden aantal casestudies uitgekomen over de relatie van Nederland met een bepaald land of regio. Deze zijn meestal van een beperkte omvang. Onvermijdelijk is er een sterk accent komen te liggen op dan wel de landen waarmee Nederland een bijzondere band onderhield, zoals Zuid-Afrika en Indonesië, dan wel de staten die internationaal veel aandacht genereerden, zoals Cuba en Chili. Zonder iets af te willen doen aan de ernst van de mensenrechtenschendingen in deze landen, valt het mijn ziens te betreuren dat hierdoor de aandacht voor ongekende staatsterreur, zoals in Cambodja, verloren zou gaan.

Naast het feit dat ik deze lacune in het onderzoek naar het Nederlandse buitenlandse beleid deels wil dichten, is ook de vraag of ons land zijn reputatie op het vlak van de mensenrechten nu eigenlijk wel verdient, van belang. Maarten Kuitenbrouwer veronderstelt dat het bestaan van Nederlandse ontwikkelingshulp en de toename daarvan in de jaren zestig en zeventig in principe verklaard kan worden vanuit humanitaire beweegredenen. Volgens M.C. Castermans geldt voor de Nederlandse activiteiten binnen de Verenigde Naties in deze twee decennia hetzelfde. De Nederlandse politieke cultuur bepaalde dat de ideële componenten van de buitenlandse politiek, waaronder ook de mensenrechten vallen, bovenal humanitair gemotiveerd waren.

De Amerikaanse historicus James Kennedy en de Nederlandse politicoloog Duco Hellema delen met elkaar de opvatting dat het Nederlandse buitenlandse beleid in de eerste plaats neerkomt op de georganiseerde Haagse aanpassingen aan de internationale omstandigheden. De marges van de wereldpolitiek zijn nu eenmaal klein, dus rest ons land weinig meer dan een flexibel anticipatievermogen. Dat houdt in dat het mensenrechten- vraagstuk juist ondergeschikt raakt aan geopolitieke zaken en aan onze positie binnen internationale machts- en economische structuren. Binnenlandse factoren zijn volgens hen van secundaire betekenis.

Malcontent weerlegde in zijn dissertatie, waarin hij de Nederlandse opstelling ten aanzien van de meer "geijkte" ontwikkelingslanden onderzocht, deze beide opvattingen als te weinig genuanceerd. Noch humanitaire overwegingen noch aanpassingen aan externe gebeurtenissen waren aan te wijzen als primaire push- of pullfactor in het Nederlandse optreden ten aanzien van de mensenrechten: meerdere, variabele factoren, zowel binnen- als buitenlandse, bleken het mensenrechtenbeleid vorm te geven. Zo hebben bijvoorbeeld economische belangen, koloniale schuldgevoelens, de Koude Oorlog, pressie van actiegroeperingen, oprechte humanitaire bezorgdheid en politiek-idealistische voorkeuren voor bepaalde ontwikkelingsmodellen allen in één of meerdere kwesties op een geven tijdstip meestal in combinatie met andere oorzaken een rol gespeeld.

Stefan de Boer vroeg zich op zijn beurt echter af of Malcontents constatering dat de uitvoering van het buitenlands beleid niet alleen primair humanitair geïnspireerd is, wel zo verrassend is. Kunnen we van ministers en diplomaten verwachten dat zij bepaalde binnen- en buitenlandse omstandigheden buiten beschouwing laten? Ook "idealistische" maatregelen gaan bijna altijd gepaard met een meer "realistische" component.
{mospagebreak}
"De Rode Khmer heeft ons land in een zee van lijden doen verdrinken. Cambodja is een berg van botten en een rivier van bloed geworden".
Voormalig, gevlucht volksafgevaardigde van Democratisch Kampuchea in 1978

Geschiedenis van Cambodja na WO II
Tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw was Cambodja een rustige uithoek van de wereld. Met name door een al negentig jaren durend Frans protectoraat was het land zo goed als afgesloten van de wereldpolitiek. Zelfs de formele Japanse machtsovername van Frans Indo-China tijdens de Tweede Wereldoorlog had daar weinig verandering in gebracht. De circa vijf miljoen inwoners leefden op een gebied dat ongeveer 4,5 keer de oppervlakte van Nederland bedroeg. De Cambodjanen waren etnisch en religieus gezien vrij homogeen. Viervijfde behoorde tot de Khmer bevolkingsgroep, die praktisch in zijn geheel het boeddhistische geloof aanhing. In de steden woonden naast Khmer en Fransen vooral Chinezen en Vietnamezen. Op economisch en educatief gebied was het land achtergebleven. Zo telde het middelbaar onderwijs in 1954 slechts 3.000 leerlingen; hoger onderwijs bestond in het geheel niet. 85 procent van de bevolking woonde op het platteland, hiervan was maar liefst 90 procent autarkisch, eentiende van de boeren deelde in de markt met de stedelingen.

In buurland Vietnam was de verzetsbeweging Vietminh, de voorloper van de Vietcong, in 1945 de strijd met de Franse koloniale overheersers aangegaan. De gebeurtenissen in Vietnam, in het bijzonder de Franse nederlaag bij Dien Bien Phu in 1954, zouden hun weerslag hebben op Cambodja. Al in 1941 was, met Franse toestemming, de toen pas negentienjarige prins Norodom Sihanouk in de hoofdstad Phnom Penh tot koning gekroond. Het was het begin van een opmerkelijke carrière. Koning Sihanouk kon zijn verleden als Franse marionet stukje bij beetje inleveren voor een meer op zelfstandigheid en neutraliteit gerichte positie. Tijdens de Geneefse Conferentie in 1954, waar over de toekomst van Indo-China werd onderhandeld, wist hij tenslotte de onafhankelijkheid van Cambodja te bewerkstelligen. Hierbij wist hij de nationalistische verzetsbeweging Samakkum Khmer Issarak (Verenigde Khmer Onafhankelijk- heidsbeweging), welke gedomineerd werd door de communistisch georiënteerde linkervleugel, de Khmer Vietminh, buitenspel te zetten. Ondanks de door de Conferentie opgelegde vrije verkiezingen, wist de partij van de koning, de Sangkum, door middel van fraude en intimidatie deze tot aan 1970 altijd te winnen. Naast democratie was ook eerbiediging van de mensenrechten een onbekend verschijnsel. Toch was "Prins Papa" of Samdech zoals Sihanouk ook wel genoemd werd vrij populair. Op economisch gebied ging het Cambodja dan ook niet slecht af. Dit kwam aan de ene kant door stabiele rijst- en rubberoogsten en de daaraan voor de regering gepaard gaande belastingen en aan de andere kant door financiële steun van de Verenigde Staten. Tevens wist Sihanouk met zijn neutraliteitspolitiek zijn land buiten de zich escalerende Vietnamoorlog te houden.

De op leeftijd zijnde monniken Son Ngoc Minh en Tou Somouth hadden begin jaren vijftig de leiding verkregen over de Samakkum Khmer Issarak. Zoals gezegd was Sihanouk erin geslaagd buiten deze beweging om zaken met de Fransen te doen. Door het nemen van een serie repressieve maatregelen zette de koning zijn politieke strijd tegen de Samakkum voort. Son Ngoc Minh en circa eenderde van de leden zochten hun heil in Noord-Vietnam. In 1962 werd Tou Samouth zelfs door de geheime dienst van Sihanouk vermoord. De koning leek te hebben gezegevierd over de oppositie. De communist Pol Pot nam toen de leiding van de beweging over, die na enige naamsveranderingen in 1966 definitief werd omgedoopt in Communist Party of Kampuchea (CPK). Pol Pot zag in dat voor een succesvolle machtsovername de steun van de boerenbevolking onontbeerlijk was. Maar zolang de CPK en de door de boeren geliefde Samdech tegenover elkaar stonden, was dit onmogelijk. De CPK zou later door zijn tegenstanders worden aangeduid en beter bekend worden onder de naam Rode Khmer.

Op 19 mei 1928 was deze Pol Pot als Saloth Sar geboren in plaatsje Kompang Thom. Zijn vader was een gewone boer met zeven kinderen. Hij had evenwel een nichtje die één van de vrouwen van de toenmalige Cambodjaanse koning was. Hierdoor werd Saloth Sar in de gelegenheid gesteld een elitaire opleiding op een katholieke kostschool te volgen. Na zijn middelbare schooltijd wist hij in 1948 een beurs te verwerven, waardoor hij het zich kon veroorloven een technische studie in Frankrijk te gaan volgen. Tot eind 1952 verbleef hij in Parijs. Hoewel de studie mislukte, deed hij veel contacten op in de Cambodjaanse sectie van de Franse communistische partij. Veel van zijn vrienden van toen, onder wie Ieng Sary en Son Senn, zouden de rest van zijn politieke loopbaan aan zijn zijde staan. Terug in Cambodja introduceerde één van zijn broers hem in de gelederen van de Khmer Issarak. Vanaf dat moment zou hij Pol Pot als schuilnaam gaan gebruiken.

In de jaren zestig probeerde Sihanouk tussen Scylla en Charybdis door te varen: hij trachtte zowel de VS als Noord-Vietnam niet tegen zich in het harnas te jagen. In 1963 moest hij echter een keuze maken en verbrak hij de hulprelatie met de VS. Tevens verkreeg Hanoi in het geheim toestemming om in de strijd van Cambodjaans grondgebied gebruik te maken. De rechtervleugel van de Sangkum kon deze beslissingen echter maar matig waarderen. De Samdech, besloot daarop zich weer wat pragmatischer op te stellen. Hij erkende de Amerikaanse bondgenoot Zuid-Vietnam en beloofde Vietcongstrijders in Cambodja aan te pakken. Deze belofte zou hij overigens nalaten. Verder zag de koning zich genoodzaakt de opperbevelhebber van het leger, generaal Lon Nol, een grotere rol in de politiek te geven. Nadat hij de generaal al eens in 1966 premier had gemaakt, gebeurde dat in 1969 wederom. Washington was echter nog steeds niet overtuigd van de ijzeren loyaliteit van Sihanouk. Op aandringen van en met goedkeuring van de VS wist Lon Nol hem in maart 1970 tijdens één van zijn vele reizen als staatshoofd af te zetten. De koning verbleef op dat moment in Peking.

Ook de relatie van Pol Pot met Ho Tsji Minh dreigde te verslechteren. Dit kwam omdat hij weigerde de dominante rol welke Noord-Vietnam zichzelf had toebedacht in Indo-China te accepteren. Niet minder van belang was dat men op ideologische basis van Hanoi verschilde: Pol Pot wilde de Maoïstische weg in plaats van het Sovjetrussische c.q. Vietnamese model inslaan naar een klassenloze heilstaat. Daar kwam de historische vijandschap tussen beide volkeren dan nog eens bovenop. Maar zolang de imperialistische Yankees en hun Indo-Chinese stromannen nog niet waren verslagen, werden deze geschillen tijdelijk gelaten voor wat ze waren en steunde Hanoi Pol Pot door de levering van wapens en voorraden. De Rode Khmer zou overigens de komende overwinning vooral op eigen kracht bevechten.

Sihanouk verspeelde inmiddels geen tijd en begon in China aan de vorming van het Front Uni National de Kampuchea (FUNK). Deze organisatie stelde zich tot doel Sihanouk terug op de troon te brengen. De ex-koning zag zich genoodzaakt de Rode Khmer uit te nodigen om toe te treden en om in de Cambodjaanse jungle de "grondtroepen" van het FUNK te worden. Pol Pot ging op deze uitnodiging in en verwierf toen de belangrijke steun van het overgrote deel van de koningsgezinde boeren. Naast een intellectuele top bestond de beweging aan de basis dus voornamelijk uit ongeletterde, kleine boeren van het platteland. In Cambodja kwam het FUNK vanaf 1972-1973 praktisch overeen met de Rode Khmer. Tegelijkertijd slaagde Pol Pot er door middel van interne zuiveringen in om de regionale autonomie en de binding van velen met Hanoi te breken. Begin jaren zeventig was deze beweging een sterk gecentraliseerde en gehoorzame organisatie, toegewijd aan Pol Pot.

In oktober 1970 was generaal Lon Nol officieel staatshoofd van de Khmer Republiek, zoals Cambodja tot 1975 genoemd zou worden, geworden. Het was een bewind dat gelijk de andere Amerikaanse bondgenoot in de regio, Zuid-Vietnam, niet levensvatbaar zou blijken. Natuurlijk deden het gebrek aan democratie en de overdaad aan corruptie de reputatie van het bewind geen goed. Ook door de al eerder gemelde afzetting van de populaire Sihanouk verspeelde men veel sympathie en steun van de bevolking. Maar vooral de verschrikkingen van de oorlog zouden Lon Nol de das omdoen. Er werd natuurlijk al een weinig succesvolle burgeroorlog tegen het FUNK (Rode Khmer) gevoerd. Maar de acceptatie van Amerikaanse financiële en militaire steun hield in dat Lon Nol moest toestaan dat Cambodja het toneel werd van militaire grondacties van Amerikaanse patrouilles en continue bombardementen gericht op Vietcongstrijders en Noord-Vietnamese soldaten. In augustus 1972 ging het Amerikaanse Congres zich met de oorlog van president Richard Nixon bemoeien en werd verdere inzet van Amerikaanse manschappen en vliegtuigen in en boven de officieel immers neutrale Khmer Republiek verboden. Toch zouden ook nadien nog vele duizenden burgers het slachtoffer worden van de luchtacties van B-52-bommenwerpers. Uiteindelijk verloren hierdoor naar schatting 150.000 Cambodjanen het leven. Naast deze verschrikkingen resulteerde de oorlog ook nog eens in een catastrofaal gedaald rijstaanbod, waardoor de prijs van rijst vertwaalfvoudigde in de periode 1970-1973. Ongeveer 250.000 mensen kwamen om als gevolg van honger en ziektes.

Het was onder deze omstandigheden nauwelijks een verrassing te noemen dat een partij die beloofde een einde te maken aan de oorlog, de honger en buitenlandse bemoeienis de gunst van het volk zou verwerven. Het beloftevolle programma van Pol Pot appelleerde aan de massa van de boerenbevolking alsook aan het kleine aantal stedelijke intellectuelen. De populariteit en het ledenaantal van de Rode Khmer vertoonden beide een sterke groei. Tijdens de vredesbesprekingen over Indo-China in Parijs in 1973 controleerde de door hoe langer hoe meer mensen verwenste Lon Nol nog slechts een kwart van het land. Dat Washington zich na deze Parijse Conferentie definitief uit Indo-China zou terugtrekken, was de nagel aan de doodskist van de Khmer Republiek. Zonder deze hulp moesten de troepen van Lon Nol nog meer terrein prijsgeven. Nadat enige dagen daarvoor Lon Nol het land was uitgevlucht, trokken op 17 april 1975 de eerste triomfantelijke soldaten van de Rode Khmer, namens het FUNK, zegevierend Phnom Penh binnen. Sommige inwoners van de hoofdstad juichden de bevrijders toe. Op dat moment konden ze nog niet bevroeden dat Cambodja op de drempel stond van de meest afschuwwekkende periode uit zijn geschiedenis.

{mospagebreak}
Het schrikbewind van de Rode Khmer
Wat voor doelstellingen stond de Rode Khmer in april 1975 met dit verwoeste Cambodja voor ogen? Pol Pot wilde een compleet nieuwe samenleving opbouwen, gebaseerd op de kracht van het collectief en op totale zelfvoorziening. Er moest een volledig communistische maatschappij vanaf de grond af, in één grote sprong voorwaarts, worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling zou vooral gemaakt moeten worden door de bovenmenselijke inspanningen van het gewone volk. De arme, jonge en laag opgeleide boeren van de plattelandsdorpjes vormden de hoop en redding van de nieuwe maatschappij. Zij waren immers zo min mogelijk beïnvloed door "verderfelijke" factoren als kapitalisme, onderwijs en het buitenland. De intellectuele top van de CPK zou hen met straffe hand leiden.

Afwijkend van de marxistisch-leninistische nadruk op ontwikkeling van de zware industrie wilde de Rode Khmer juist zo veel mogelijk aandacht voor de landbouw. Op dit vlak dienden de grootste tradities van het oude, trotse Khmerrijk Angkor tot inspiratie. (Wie als toerist Cambodja bezoekt kan niet om een bezoek aan het tempelcomplex van Angor heen. Deze boeddhistische heiligdommen zijn de stille getuigen van het Khmerrijk. Dit rijk, in 802 gesticht door koning Djayavarman II, kreeg in de tiende eeuw Angor tot centrum. In de twaalfde eeuw beheerste het Khmerrijk van koning Suryavarman II (113-1150) en Djayavarman VII (1181-1201) meer dan tweederde van Zuid-Oost-Azië. Invallen van de Thais en de Vietnamezen zouden halverwege de dertiende eeuw een einde maken aan het Khmerrijk. De herinnering aan dit grootste verleden en vooral aan de rol die de naburige volkeren in deze gespeeld hadden, zouden in Cambodja echter niet vervagen of vergeten worden.) De oude Khmerkoningen uit de twaalfde eeuw hadden namelijk de beschikking gehad over een uiterst efficiënt irrigatiesysteem. Omdat men zichzelf totale autarkie tot doel had gesteld, was het belang van een goede rijstoogst natuurlijk enorm. Maar deze voor een communistische beweging opmerkelijk nationalistische inslag ging veel verder. Vooral het feit dat Angor in zijn hoogtijdagen juist buitenlandse mogendheden de les had gelezen, diende als lichtend voorbeeld voor dit nieuwe Cambodja. Centraal in verwezenlijking van al deze radicale plannen stond de absolute controle van de partij, iedereen sprak altijd van Angkar (dé organisatie), over alles en iedereen.

Na een chaotische eerste maand vond er op 20 mei 1975 een grote vergadering plaats in het oude sportcentrum van de hoofdstad. Voor een gehoor van duizenden partijleden en soldaten maakte Pol Pot een programma bekend dat uitvoering van het radicale gedachtegoed van de Rode Khmer mogelijk zou maken. Allereerst diende de steden te worden geëvacueerd. Markten zouden verdwijnen, de bestaande valuta werd afgeschaft verklaard. Er werd geen nieuw geld uitgegeven. Boeddhistische monniken zouden uit hun ambt worden gezet, veel tempels zouden worden gesloten. Alle "verantwoordelijken" van het Lon Nol-regime zouden worden geëxecuteerd. Dit betrof vrijwel alle kaders van hoog tot laag. Door het hele land zouden landbouwcoöperaties worden opgezet met gemeenschappelijke eetzalen. Tenslotte moest de Vietnamese minderheid het land verlaten en diende de grenzen voortaan streng bewaakt te worden.
In de praktijk was de evacuatie van de steden al bijna voltooid. De twee miljoen inwoners van Phnom Penh, waarvan meer dan de helft er pas sinds enige jaren woonde, diende op 17 april 1975 de stad zo snel mogelijk diende te verlaten. Op bevel van Angkar veranderde de hoofdstad binnen een week in een spookstad. De mensen trokken naar het platteland, waar het zware werk op landbouwcoöperaties op hen wachten. Alleen al ten gevolge van deze overhaaste evacuatie verloren tussen 20.000 en 35.000 mensen, vooral ouderen en zieken, het leven. Nog meer mensen zouden aan de gevolgen van ziekte, honger, vermeend verzet of verraad omkomen. De inwoners van de andere steden wachtte hetzelfde lot. Duizenden soldaten en ambtenaren van het regime van Lon Nol werden ter plaatse neergeschoten. Het tweeledige doel van dit alles was het aantal beschikbare arbeidskrachten in de primaire sector in één keer te verdubbelen en om de steden als bakermat van onbetrouwbare en reactionaire krachten als het ware te elimineren. De exodus van de 250.000-300.000 Vietnamezen ging, net als de ontmanteling van de Boeddhistische tempels en heiligdommen, relatief voorspoedig en zonder al te veel bloedvergieten.

Om een echte revolutionaire herstart mogelijk te maken, moest het land gewoonweg "overnieuw" beginnen. Deze ontwikkeling naar een puriteins ideaalbeeld werd tot in het onvoorstelbare doorgevoerd. Geld, privé-bezit, markten, vrijwel alle scholen, georganiseerde religie, kranten, posterijen en de vrijheid van beweging verdwenen allen. Zelfs huwelijken werden massaceremonies in dienst van de staat. Feitelijk werd Cambodja één groot gevangenkamp. Omdat ook de jaartelling aangepast was, werd Cambodja, voortaan onder de naam Democratisch Kampuchea (DK), letterlijk en figuurlijk weer op nul gezet.

In januari 1976 werd een grondwet opgesteld. Bij de komende verkiezingen in april zou het alleen "trouwe" partijgenoten toegestaan zijn om te stemmen. Pol Pot en de andere mannen in de top, Ieng Sary als vice-premier en minister van Buitenlandse Zaken en Son Senn als minster van Defensie, bleven onbekend voor het gewone volk. In iets mindere mate gold dit voor Khieu Sampan, hij kreeg de erefunctie van president toebedeeld. Men kende de leiding alleen als Angkar. Aan deze doelbewuste mystificatie droeg de Rode Khmer zelf bij: pas in september 1977 werd het bestaan van de CPK over radio Phnom Penh officieel bekend gemaakt, terwijl tot 1979 Pol Pot bleef ontkennen dat hij en Saloth Sar een en dezelfde persoon waren. Ex-koning Sihanouk was overigens teruggekeerd naar zijn land, maar zijn politieke rol was voorlopig uitgespeeld. Ondanks de oprichting van een standbeeld van hem en zijn formele uitroeping tot Grote Patriottische Persoonlijkheid van Cambodja werd de Samdech veroordeeld tot levenslange huisarrest.
Khieu Sampan was naast president ook voorzitter van het presidium van Democratisch Kampuchea, een tweede symbolische functie, geworden. In deze hoedanigheid sprak hij op 11 april 1976 de eerste plenaire vergadering van de volksvertegenwoordiging toe. Het ver- heugde hem dat voor het eerst in de geschiedenis de werkende klasse echt de macht had gegrepen; de aanwezigen hier waren daadwerkelijk de mensen van het volk. Verder wees de president op het belang van de nieuwe grondwet en wilde hij iedereen aansporen deze op de juiste manier te implementeren. Dat deed men, door in overstemming met de instructies van Angkar, prioriteit te verlenen aan de handhaving van de territoriale integriteit van het land en aan de verbetering van de levensstandaard. Het volk moest dus de handen uit de mouwen blijven steken, hetzij in het leger, hetzij op de rijstvelden. ,,Enthusiastically you unite your efforts to edify and to defend your country", aldus de Engelse vertaling. Wat de buitenlandse politiek betreft zag Kampuchea zichzelf nog steeds als lid van de niet-gebonden landen. Hoewel men in principe met iedereen die de integriteit van het Cambodjaanse grondgebied respecteerde vriendschappelijke banden wilde aangaan, zou de strijd tegen imperialisme en (neo-)kolonialisme door gaan. Khieu Sampan sloot af met enkele malen "hoera, hoera" voor het revolutionaire volk en het revolutionaire leger.

De doelstellingen op het agrarisch vlak waren echter te hoog gegrepen. De geplande verdriedubbeling van de opbrengst was, zeker onder de gegeven omstandigheden van een verwoest land en zonder de beschikking over moderne machines, niet te realiseren. Toch wierp het harde werken van de Cambodjanen voorzichtige vruchten af. Maar het beperkte succes van productie werd tenietgedaan door de gebrekkig georganiseerde distributie. Van deze mislukking moest iemand de schuld krijgen: zowel binnen de Rode Khmerorganisatie als onder de mensen die op de eindeloze rijstvelden werkten, werden mensen die "gefaald" hadden gestraft. Onder de gewone bevolking waren "verdwijningen" aan de orde van de dag. Veelal werden deze mensen geëxecuteerd of belanden zij in één van de vele gevangenissen. Soms echter werden ze alleen maar in een ander deel van het land te werk gesteld. Maar juist de onzekerheid over hun lot deed de angst voor dat almachtige, onbekende Angkar alleen maar toenemen. "Naar Angkar gaan" werd zelfs een synoniem voor de dood. Op soortgelijke wijze behandelde de Rode Khmer de soldaten van het eigen Revolutionaire Leger. Ook hier werden al dan niet vermeende fouten bestraft met zuiveringen. In deze atmosfeer van continue paranoia was het onvermijdelijk dat mensen verraders, spionnen en saboteurs gingen zien en aangeven, waar ze eigenlijk niet waren.

Om aan de invloed van het internationale politiek-economische systeem te ontsnappen, had DK zich vrijwel hermetisch van de buitenwereld afgesneden. Alleen van China en Noord-Korea werd enige hulp aangenomen. Informatie over de situatie in Cambodja was uiterst schaars, zoals we nog uitgebreid zullen zien. Toch was, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, deze isolatie en de weigering van hulp geen principiële keuze. Eerder was het een middel naar het doel: de blijvende zelfstandigheid van Democratisch Kampuchea. Zoals Ieng Sary op bezoek in Maleisië in maart 1977 verklaarde: ,,An independent policy does not mean living in isolation from international cooperation and refusing all aid."

De wens van de Rode Khmer om zich op het internationale forum vredelievend te presenteren, hield verband met de grensschermutselingen die er met buurlanden Vietnam en Thailand plaatsvonden. Op het diplomatieke vlak werden deze plooien ogenschijnlijk gladgestreken en deed geheel Indo-China zich pacifistisch en legalistisch voor. Maar zoals gezegd zat de vijandschap met Hanoi erg diep. Waar de confrontaties met Bangkok meer het strategisch uittesten van elkaar betrof, waren de militaire confrontaties tussen Vietnam en DK in 1977 de voorbode van een echte oorlog.

Het buurland steunde vanaf toen ieder spoortje van verzet tegen de Rode Khmer. Maar pas begin december 1978 richtte de vrij onbekende Heng Samrin, voormalig lid van de Samakkum, het Kambodjaans Nationaal Verenigd Front voor Nationale Redding (Cambodjaanse acroniem was KNUFS) op. Hanoi omarmde deze redelijk georganiseerde beweging onmiddellijk. Met Vietnamese hulp behoorde het omverwerpen van het Rode Khmerbewind en het vestigen van een socialistische volksrepubliek tot de reële mogelijkheden. Op kerstavond 1978 deden grote aantallen Vietnamese troepen gesteund door eenheden van het KNUFS een massale, bijna frontale aanval op Cambodja. Datgene waarvoor de Rode Khmer nu altijd zo bang was geweest gebeurde. Als een kaartenhuis stortte zowel leger als regime ineen. Het volk had zichzelf van hogerhand nooit mogen bewapenen en kon zichzelf dus niet verdedigen, al hadden de Cambodjanen voor behoud van het weinig geliefde Democratisch Kampuchea waarschijnlijk niet direct de martelaarsdood willen sterven. Phnom Penh werd al op 6 januari 1979 veroverd. Pol Pot en zijn kameraden hadden de wijk genomen naar het Thaise oerwoud en begonnen vanuit daar voor een tweede keer de guerrillaoorlog.

Vietnam installeerde Heng Samrin als nieuwe staatshoofd. Tot 1989 zouden meer dan honderdduizend Vietnamese soldaten Cambodja blijven "beschermen". Het merendeel van de excessieve maatregelen uit de periode 1975-1979 werden teruggedraaid. Cambodja keerde als doorsnee communistische volksrepubliek terug in de twintigste eeuw. Dat wilde beslist niet zegen dat de zorgen en problemen voor het arme Cambodjaanse volk voorbij waren. Het land kreeg voornamelijk ten gevolge van de voortgezette strijd en de sociaal-maatschappelijke erfenis van de Rode Khmer in de eerste jaren na de machtsovername te kampen met extreme hongersnood. Begrippen als democratie en rechtsstaat bleven onbekend.

Hoogst opmerkelijk was dat de Rode Khmer de zetel van Cambodja in de VN behield. Dat was het resultaat van een merkwaardige samenwerking binnen de VN. Amerikanen en Chinezen hadden gezamenlijk succesvol gelobbyd om de inval van Hanoi en alle daaruit voortvloeiende politieke gebeurtenissen veroordeeld te krijgen als strijdig met het internationale recht. Het behoeft weinig betoog dat Washington en Peking machtspolitieke overwegingen zwaarder hadden laten wegen dan ideologische en humanitaire beweegredenen. Nu moet er gezegd worden dat in de nieuwe coalitieregering in ballingschap, officieel het Khmers People National Liberation Front (KPNLF) bestaande uit Rode Khmer en aanhangers van Sihanouk, de Rode Khmer afstand had genomen van het merendeel van hun extreme idealen en ideeën. In de jaren negentig zou ondanks de bemoeienis van de Veiligheidsraad, de aanwezigheid van UNTAC (United Nations Transitional Authority in Cambodia) en meerdere vredesconferenties Cambodja een internationaal zorgenkindje blijven waar corruptie, gewapende strijd en onderhandelingen elkaar zouden afwisselen. Ondanks dat hij door tegenstanders meerdere malen doodverklaard werd, zou Pol Pot leiding blijven geven aan de Rode Khmer. Pas in 1997 werd hij door zijn oude vrienden aan de kant geschoven. In een showproces werd hij veroordeeld tot levenslange huisarrest; deze zou duren tot zijn natuurlijke dood het volgende jaar.

Precieze cijfers, over het aantal slachtoffers dat de Rode Khmer gemaakt had, bestaan niet. Vaak circuleert het cijfer van één á anderhalf miljoen slachtoffers als gevolg van een onnatuurlijke dood in de periode 1975-1979. Deze schatting is waarschijnlijk te hoog. In zijn dissertatie The eyes of the pineapple toont de Nederlander R.A. Burgler aan dat de Rode Khmer verantwoordelijk was voor het nauwelijks minder ongelofelijke aantal van 700.000 tot één miljoen slachtoffers en dit op een bevolkingsaantal van zeven tot zevenhalf miljoen, waarvan 15-30 procent ten gevolge van oorlog en executies.

Resumerend moet worden gezegd dat deze onvoorstelbare cijfers het gevolg zijn van de missie de Rode Khmer zichzelf had opgelegd. Pol Pot en de zijnen wilde Cambodja ten koste van alles en iedereen transformeren in een volkomen onafhankelijke én autarkische staat. Het was de Orwelliaanse wijze waarop men dit doel dacht te kunnen bereiken, waardoor dit regime zijn terechte, misdadige reputatie verwierf. Nu de aard en omvang van het Rode Khmerregime de lezer bekend zijn, kunnen we ons in het derde hoofdstuk richten op de Nederlandse houding ten opzichte van deze staatsterreur.
 
{mospagebreak}
"De belangen van het individu en die van de bevolking lijken geheel ondergeschikt gemaakt te zijn aan de toekomst van het land, zoals de Rode Khmer dat ziet".
Minister van Buitenlandse Zaken Van der Klaauw in het Jaarboek van het Departement van Buitenlandse Zaken 1977-1978.

Informatie door een Rode bril
Tijdens de jaren van het Lon Nolregime had Den Haag geen ambassadeur ter plaatse. Toch was Buitenlandse Zaken, via een informant in Phnom Penh van de Nederlandse ambassadeur in Maleisië, opmerkelijk goed op de hoogte van de gebeurtenissen in Cambodja. Op 16 april 1975 kwam er een einde aan de wekelijkse informatiestroom vanuit Kuala Lumpur, omdat de informant zich gezien de militaire ontwikkelingen genoodzaakt zag de hoofdstad te ontvluchten. De waas van geheimzinnigheid rond de Rode Khmer gecombineerd met het feit dat geheel Cambodja van het buitenland zou worden afgesloten, zou het Van der Stoel niet eenvoudig maken om betrouwbare kennis te vergaren.

Het zou opmerkelijk lang duren voordat de nieuwe machtshebbers in Phnom Penh iets van zich lieten horen, ondanks dat ons land al na enige maanden contact had gezocht. Op 20 april 1976 ontving Van der Stoel, via de Nederlandse ambassade te Peking, een Engelstalig communiqué van het ministerie van Inlichtingen en Propaganda van DK. Het betrof de aankondiging van de komende plechtigheden bij de viering van de eerste gedenkdag van de revolutie op 15, 16 en 17 april. In bombastisch taalgebruik maar met relatief weinig marxistisch-leninistische terminologie werd de grote overwinning op de imperialistisch lakei Lon Nol in herinnering gebracht. Ook werd de verwoesting van het land door de Amerikaanse luchtmacht nog even aangestipt. De bevolking zette zich met hart en ziel in om de zelfvoorziening van het Cambodjaanse volk te garanderen. Van de wijze waarop dat gebeurde, werd geen melding gemaakt. Aan de manier waarop de ambtenaren en soldaten van het regime van Lon Nol waren behandeld, noch aan de vernietiging van de moderne samenleving in al zijn facetten werden woorden vuil gemaakt.

Een tweede perscommuniqué lichtte Den Haag in over de eerste plenaire zitting van de volksvertegenwoordigers van Democratisch Kampuchea. Eind april 1976 had de Nederlandse afgevaardigde bij de VN de minister dit Franstalige rapport doen toekomen. Naast een herhaling van de blijdschap over de overwinning op het vorige regime werd bekend gemaakt dat de afgevaardigden van het volk tot de volgende staatsrechtelijke besluiten waren gekomen:
1. de verkiezingen voor dit orgaan van 20 maart jl. zijn eerlijk verlopen.
2. de volksvertegenwoordigers zijn het vlees en bloed van het volk en daarom blijven ze op de velden en in de fabrieken werken, maar deze mensen zijn tevens parttime volksvertegen- woordiger.
3. er moet ieder jaar een plenaire vergadering gehouden worden.
4. er zal een erepresidium worden samengesteld voorgezeten door Khieu Sampan.
5. er wordt een permanente, uitvoerende regering van vijftien ministeries met Pol Pot als minister-president ingesteld.
6. het verzoek tot pensioen ingediend door ex-koning Sihanouk wordt hem toegestaan.

Op 22 mei 1976 zou de minister in Den Haag de nieuwsbrief van de ambassade van DK in Peking doorgestuurd krijgen. Ondanks het nog steeds niet opgeloste irrigatieprobleem werd de te verwachten wereldoogst toegejuicht. De landarbeiders waren verenigd in staatscoöperaties en konden dus niet langer worden uitgebuit door de landeigenaren. Concrete cijfers werden nergens genoemd. De gevolgen voor de bevolking van de revolutionaire plannen van de Rode Khmer kwamen wederom niet aan bod.

In juli 1976 kwam Van der Stoel een interview met premier Pol Pot, afgenomen door een Vietnamese journalist, onder ogen. Een opmerkelijk gesprek omdat de leider van de Rode Khmer aan het woord kwam én omdat hij de prestaties van Vietnam meerdere malen prees en het bestaan van "eeuwenoude vriendschapsbanden" benadrukte. In zijn commentaar verbaasde ook de tijdelijk zaakgelastigde in Vietnam zich over deze omslag in de Cambodjaanse politiek. Niet minder verrast was de diplomaat over de getoonde bescheidenheid aangaande de behaalde resultaten in landbouw en onderwijs. In de kantlijn schreef hij: ,,Is het Kambodjaanse regime wellicht weer bij haar verstand of kan men zich dit veroorloven na een periode van niets ontziende terreur?"

Tenslotte verstrekte ook de Vriendschapsvereniging Nederland-Cambodja informatie over Democratisch Kampuchea. Volgens deze in 1974 in Nijmegen opgerichte, extreem-linkse solidariteitsbeweging werd het op Lon Nol veroverde gebied nu eindelijk "demokraties" bestuurd. De geëngageerde vereniging stelde zich in het algemeen ten doel de Nederlandse bevolking te informeren over Cambodja en meer in het bijzonder bewust te maken van de vrijheidsstrijd van het Cambodjaanse volk. Zo wist Khieu Sampan in zijn artikel "Over de vrede" te vertellen dat het FUNK 99,5 % van de totale bevolking achter zich wist. Het artikel kon, net als een jaarkalender met een fraaie kleurenfoto van het Cambodjaanse berglandschap, voor de speciale prijs van één gulden vijftig bij de organisatie worden besteld.

In april 1975 hadden de vrienden van het Cambodjaanse volk minister Pronk aangeschreven of de beweging misschien in aanmerking kwam voor subsidie. De minister liet weten veel waardering te hebben voor een organisatie die zich inzette voor de wederopbouw en ontwikkeling van Cambodja, maar zegde geen concrete ondersteuning toe. Pronk wilde eerst meer weten van de vereniging. Na een klein onderzoek adviseerde DFO (Directie Financieel-economische Ontwikkelingssamenwerking. Dit minder bekende onderdeel van het ministerie van BZ hield zich bezig met de financiële uitvoering van het beleid van Ontwikkelingssamenwerking) om af te zien van een financiële ondersteuning door Ontwikkelingssamenwerking. De Vriendschapsvereniging ontbeerde namelijk zowel de status als het kaliber van een beweging als het Medisch Comité Vietnam. Niet minder belangrijk was dat de beweging geen humanitaire, maar juist zuiver politieke motieven had. Motieven die bovendien nog fel anti-Amerikaans van aard waren. De bewindsman zou dit advies niet in de wind slaan. Toch waren vooral in 1975 en 1976 de linkse intellectuelen uit Nijmegen op kleine schaal erg actief. Maar het zo geïsoleerde Cambodja verloor snel zijn aantrekkingskracht. Zeker nadat stukje bij beetje duidelijk werd dat het de Rode Khmer geheel ontbrak aan respect voor mensenlevens, werd het allengs stiller rond de beweging. Een bron van informatie voor de overheid is de beweging nooit geweest. Een maatschappelijke factor van betekenis, zoals sommige andere solidariteitsbewegingen waren, zou de Vriendschapsvereniging ook nooit worden.

Is het achteraf gezien merkwaardig dat er een Nederlandse beweging is geweest die feitelijk het bewind van de Rode Khmer gepromoot heeft? Wie deze organisatie wil begrijpen, mag de toenmalige context niet uit het oog verliezen: er waren 150.000 slachtoffers gevallen ten gevolge van Amerikaanse bombardementen, het bewind van Lon Nol was ondemocratisch en corrupt van aard geweest en op papier oogden de plannen van de Rode Khmer niet extreem radicaal. In Nederland zelf was de maatschappij van de jaren zeventig erg gepolariseerd en het enthousiasme van de leden kon deels ook aan jeugdige onbezonnenheid worden toegeschreven.
{mospagebreak}
Nederlandse verontrusting na onafhankelijke waarnemingen?
Dat de Rode Khmer in de schaarse, officiële berichten niets losliet over het mensen- rechtenvraagstuk behoeft niet te verbazen. De opmerking van de tijdelijk zaakgelastigde verraadt al dat de Nederlandse diplomatieke dienst niet alles voor zoete koek aannam. Voor het oordeel van Van der Stoel waren de "eigen" waarnemingen van de ambassades in het Verre Oosten en de verhalen van gevluchte Cambodjanen in de internationale pers van groter belang. Al moet hierbij worden aangetekend dat de ambassadeurs in Peking en Bangkok hun informatie grotendeels baseerden op dezelfde media. Het ministerie kreeg overigens opmerkelijk veel van dit soort informatie, dat wil zeggen vele tientallen berichten. In deze paragraaf zal zoveel mogelijk op chronologische basis de berichtgeving uit Azië en de daarmee samenhangende reacties in Den Haag worden bekeken.

Het liberale Tweede Kamerlid C. Berkhouwer was de eerste die zich officieel zorgen maakte over de berichten uit Cambodja na de val van Phnom Penh. De VVD-parlementariër had op 10 juli 1975 een artikel in de International Herald Tribun gelezen waarin werd gesproken over de mogelijke dood van twee miljoen mensen door uitputting, honger en epidemieën in Cambodja na de machtsovername van de Rode Khmer. Op 14 juli eiste het kamerlid in de Tweede Kamer opheldering van de minister over de geheimzinnigheid rond deze eventuele volkerenmoord. Kon deze genocide worden veroordeeld en beëindigd door daartoe in aanmerking komende instanties als de VN? Vier dagen later had Berkhouwer tevens de hand kunnen leggen op een verslag van een gevluchte brigadegeneraal uit het leger van Lon Nol. Het parlementslid deed dit schrijven aan het ministerie toekomen. De generaal beschreef de ontvolking van de steden en de misere waarmee deze deportaties gepaard waren gegaan. Daarnaast werd melding gemaakt van talloze executies. Deze officier typeerde de machtsovername van de Rode Khmer uitstekend: ,,La revolution Khmère est une revolution qui revêt un caractère à la fois fanatique, mystique et élémentaire".

Aangezien het kabinet met zomerreces was gegaan, werd Van der Stoel vervangen door PPR-minister Harry van Doorn, eigenlijk minister van CRM. Deze antwoordde namens Van der Stoel op 4 augustus: ,,Er is reden tot ernstige verontrusting, maar verificatie is onmogelijk, aangezien het contact met de buitenwereld nog niet hersteld is. Wanneer het vermoeden tot genocide is gewettigd, zal de regering via de geijkte kanalen onverwijld actie ondernemen." Van Doorn etaleerde tevens een beperkt vertrouwen in de internationale rechtsorde: in de kladversie van zijn antwoord schreef hij dat: ,,van eventuele acties mag niet al te veel verwacht worden". Chef DIO meende op zijn beurt dat de bevindingen van het rapport van een gedeserteerde brigadegeneraal een onvoldoende basis vormden voor Den Haag met betrekking tot het nemen van bepaalde acties.

Op 6 oktober 1976 stelde het CHU-kamerlid Kruisinga, de latere CDA-minister, Kamervragen over Cambodja. Zijn verontrusting was ontstaan naar aanleiding van een artikel, in het blad Kruistochten, waarin melding werd gemaakt van de vervolging van christenen door de Rode Khmer. Van der Stoel antwoordde dat hij de publicatie ook had gelezen, maar dat zolang Cambodja afgesloten bleef van de wereld, dergelijke berichten niet gecontroleerd konden worden. Nederland was door Phnom Penh niet in de gelegenheid gesteld om betrekkingen aan te knopen. Zoals bekend voerde Den Haag in de daarvoor bestemde internationale organen een actieve politiek. Opmerkelijk was trouwens wel dat deze volksvertegenwoordiger pas in actie kwam toen er christelijke slachtoffers dreigde te gaan vallen.

Kruisinga moet worden nagegeven dat hij het er niet bij zou laten zitten. Eind maart 1977 wilde hij tijdens het vragenuurtje weten of er al meer bekend was, over wat hij nu de meest gruwelijke terreur uit de geschiedenis noemde. Zou de minister de situatie aan de Commissie voor de Mensenrechten van de VN willen voorleggen? - Deze VN-commissie, toen bestaande uit 40 leden, zetelt nog steeds in Genève. In de Human Rights Commission kunnen in principe alle VN-lidstaten gekozen worden. Dit orgaan kampt en kampte wel met het probleem dat de Commissie niet beschikt over de mogelijkheden om aangenomen moties bij de desbetreffende natiestaten af te dwingen. - Op 31 maart erkende Van de Stoel voor het eerst dat: ,,Men moet vrezen dat het proces van radicale omvorming gepaard is gegaan met de ernstigste beproevingen voor het Kambodjaanse volk. Eigen waarneming blijft onmogelijk zolang diplomatieke betrekkingen uitblijven." Op korte termijn zag hij weinig mogelijkheden om via de Commissie stappen te ondernemen, aangezien deze pas in februari 1978 weer bijeen zou komen en Nederland op dat moment ook geen zitting in het desbetreffende orgaan had. Overigens was begin 1977 de Rode Khmer inmiddels wel erkend als zijnde het wettige gezag. De totstandkoming van deze erkenning wordt in de volgende paragraaf behandeld.

Behalve verontruste Kamerleden was er ook een gealarmeerde familie uit Heerlen. Zij stuurde in oktober 1975 een briefkaart naar premier Den Uyl met daaraan vastgeplakt krantenberichten uit niet bij name genoemde Nederlandse kranten over de tragedie in Cambodja. Deze briefkaart belandde bij de Chef DOA Hij meldde de Limburgse familie dat de verontrusting werd gedeeld, maar dat de juistheid van de berichten niet was vast te stellen. Dat de mensen uit Heerlen volhouders waren, bleek toen ze in april 1976 een soortgelijk artikel uit de Volkskrant van 13 april 1976 naar Van der Stoel opstuurde. Deze schreef ze toen persoonlijk terug dat Cambodja nog steeds van de buitenwereld was afgesloten en dat de Rode Khmer ons land nog niet in de gelegenheid had gesteld diplomatieke betrekkingen aan te knopen. Maar dit gemis aan bilaterale contacten werd vergoed doordat Nederland in de VN al het mogelijke deed om tot een gezamenlijke oplossing te komen. In de vierde paragraaf zal overigens op de rol van de internationale gemeenschap worden ingegaan.

Het is van eminent belang om zowel de twee parlementariërs als deze ene Limburgse familie in een vergelijkend perspectief te plaatsen. Zo had in 1983 S. Rozemond het aantal Kamervragen in de jaren zeventig over Zuid-Afrika aan de ene kant en Oeganda en Cambodja aan de andere kant eens met elkaar vergeleken. Er waren meer dan tien maal zoveel schriftelijke vragen over de apartheid gesteld dan over Idi Amin en Pol Pot bij elkaar opgeteld. Hetzelfde geldt voor het aantal hartenkreten lijkend op de briefkaart van het gezin uit Heerlen: dat zal aangaande landen als Chili en Zuid-Afrika vele tientallen stuks betreffen. Dit hing ook samen met het schitteren door afwezigheid van anti-Rode Khmer solidariteitsbewegingen. Veroordeling van een communistisch land als Democratisch Kampuchea was voor deze vooral linkse intellectuelen weinig "aantrekkelijk". Gedemonstreerd of geprotesteerd werd er evenmin voor het ongelukkige Cambodjaanse volk. De redenen voor deze weinig geëngageerde houding van de Nederlandse politiek en bevolking worden in de afsluitende paragraaf belicht.

Het was het Quai d"Orsai dat Den Haag in april 1976 bekend maakte met een comité dat zich inzette voor de slachtoffers van de Rode Khmer. Geleid door voormalige Lon Nol-premier Sim Var wilde het "Comité provisoire d"Information et de Défense des Victimes de l"Opression au Cambodge" dat de wereld kennis nam van de ontwikkelingen in hun thuisland. Behalve dat er al meer dan 800.000 slachtoffers gevallen waren, werd de gehele geschiedenis en cultuur van het Khmervolk met de totale ondergang bedreigd. Het comité wilde hulp van onder andere de VN, UNESCO en "Amnesty International". Tenslotte diende te zijner tijd een commissie die de verantwoordelijken zou berechten. Deze oproep werd later dus ook aan deze organisaties gestuurd.

Op 10 mei 1976 ontving Van der Stoel uit Thailand een krantenartikel uit de "Bangkok Post", waarin een overgelopen piloot van de Rode Khmer een Thaise journalist vertelde over zijn ervaringen. Hij wist te vertellen dat de mensen die de lakens uitdeelden in Cambodja verenigd waren in een, door de communist Saloth Sar geleide, groep die Angkar genoemd werd. De verkiezingen van 20 maart 1976 waren doorgestoken kaart geweest. Op de vraag van zijn interviewer of er minstens een half miljoen mensen vermoord was, antwoordde de vliegenier: ,,misschien". Wel herinnerde hij zich talloze opgestapelde lichamen in Phnom Penh tijdens de evacuatie. Tenslotte vermeldde hij de afwezigheid van geld en het feit dat alle scholen en restaurants gesloten waren.

De volgende maand had de Nederlandse ambassadeur in Thailand zelf een vrij uitgebreid en overzichtelijk verslag opgesteld. Dit rapport was gebaseerd op een combinatie van de verhalen van vluchtelingen uit Democratisch Kampuchea, op de staatsradio van de Rode Khmer, op de beweringen van buitenlandse vissers en smokkelaars die de kusten aandeden en op de schaarse internationale contacten. Er stond bijgeschreven: ,,niet volledig betrouwbaar dus". Cambodja werd geregeerd door een extreem hard regime; naast de hoofd- stad waren ook alle andere grote steden met dwang ontruimd. Om een nieuwe maatschappij vanaf het nulpunt op te kunnen bouwen, waren alle sociale structuren verbroken. Er had een fysieke uitroeiing van al dan niet vermeende vijanden plaatsgevonden. Deze tegenstanders bestonden uit soldaten en (onder-)officieren van het oude leger, de gegoede klasse van landeigenaren, ambtenaren, intellectuelen, monniken, maar ook ongeletterde leiders uit boerengemeenschappen. Geld, onderwijsinstellingen en privé-eigendom waren afgeschaft, zelfs het kookgerei was gemeenschappelijk bezit geworden. Bij de verkiezingen had men slechts op één lijst kunnen stemmen. Geleid door secretaris-generaal Saloth Sar regeerde de Rode Khmer vooral door middel van de angst die er voor de beweging heerste.

Resumerend kan gesteld worden dat Van der Stoel zich al vrij gauw zorgen maakte over de situatie in Cambodja. Al was het alleen maar omdat onzekerheid op zichzelf ook een reden was voor verontrusting. Deze bange voorgevoelens konden echter alleen bevestigd worden door bronnen waarvan de betrouwbaarheid niet onomstreden was. De bewindsman wilde eigenlijk niet afgaan op berichten van overlopers, tegenstanders en passsanten. De veelzijdige en continue stroom van berichten - met name het uitgebreide rapport van de Nederlandse ambassadeur in Thailand van juni 1976 - kon echter steeds moeilijker terzijde worden geschoven. Van der Stoel zou in maart 1977 toegeven dat er zeer waarschijnlijk sprake was (geweest) van staatsterreur in Cambodja. Zolang de Rode Khmer echter geen betrekkingen wilde aanknopen, kon ons land alleen via de VN stappen ondernemen om mede een einde aan deze staatsterreur te maken.

Dat de parlementariërs die kamervragen stelden beide politiek gezien rechts waren, lag in de lijn der verwachting. Kampuchea was immers een communistische staat. De Tweede Kamer blonk in deze gepolariseerde jaren zeventig uit in selectieve verontwaardiging. Mensenrechtenschendingen in rechtse dictaturen zoals Chili en Zuid-Afrika konden bijvoorbeeld steevast rekenen op kamervragen van linkse politici. Wat meer opvalt was het geringe aantal kamerleden dat zich voor deze materie interesseerde. Zeker in vergelijking met de grotere aandacht voor de relatief lichtere humanitaire misstanden in andere linkse dictaturen zoals Cuba en buurland Vietnam, kwam Cambodja er in hoge mate bekaaid vanaf.
{mospagebreak}
Erkenning van de Rode Khmer?
Zolang Nederland de Rode Khmer niet erkende, kon Den Haag het bewind in Phnom Penh bilateraal ook niet aanspreken op humanitaire misstanden. Het uitblijven van erkenning had in ieder geval niet aan de PSP, PPR en de CPN gelegen. Deze linkse partijen hadden op 5 maart 1975 al als enige een motie van het PSP-kamerlid Van der Spek gesteund, waarin om erkenning van de FUNK werd gevraagd. De motie sneuvelde in de Tweede Kamer. In mei 1975 berichtte de Nederlandse ambassadeur in China dat Democratisch Kampuchea op zich diplomatieke en economische betrekkingen wilde aanknopen met het buitenland. Onder de nadrukkelijke voorwaarde dat de soevereiniteit van Cambodja gegarandeerd werd. Het was en is een belangrijke volkenrechtelijke vuistregel dat na een effectieve machtsovername een nieuw bewind in principe erkend wordt door de internationale gemeenschap. Al in maart 1975 had de Nederlandse ambassadeur te Kuala Lumpur gevraagd of ons land de erkenning van de Khmerrepubliek in ieder geval al wilde beëindigen. Gezien de voorzichtige aard van de minister voelde Van der Stoel er niets voor om voor de definitieve val van de hoofdstad een dergelijke stap te ondernemen.

Maar op 15 april concludeerde een memorandum van DOA: ,,Zodra er een effectief bewind in Phnom Penh zal zijn gevestigd, is voor ons de kous af". Van der Stoel had de woorden "effectief bewind" duidelijk onderstreept. De minister draalde niet lang. In dezelfde week werd op zijn voorstel in de regering besloten betrekkingen met de FUNK aan te knopen. Op 18 april liet hij de Nederlandse ambassadeur in China weten dat deze, wanneer dat mogelijk werd, naar Cambodja zou moeten reizen om de nodige contacten te leggen. Nadat de situatie aldaar na enige maanden enigszins was gestabiliseerd, had deze ambassadeur Phnom Penh op de hoogte gesteld van dit Nederlandse voornemen. Pas op 3 november 1976, dus na circa zestien maanden, verwaardigde de Rode Khmer het zich te antwoorden. Ieng Sary liet namens de regering van DK weten akkoord te gaan. In het Jaarboek van het ministerie van Buitenlandse Zaken 1976-1977 werd dan ook melding van gemaakt van het feit dat Nederland en Cambodja, met ingang van 3 januari 1977, diplomatieke betrekkingen op het niveau van ambassadeur met elkaar waren aangaan.

Het al eerder vermeldde Kamerlid Berkhouwer stelde op 12 januari 1977 kamervragen over deze erkenning. Hij begreep niet dat Nederland een land erkende waar mensonterende toestanden heersen en mensenrechten totaal genegeerd worden. Op 24 januari vertelde Van der Stoel hem dat ons land al vanaf de machtsovername diplomatieke betrekkingen had willen aanknopen. De minister erkende dat de ernstige verontrusting over wat er zich afspeelde in Cambodja niet was weggenomen, ondanks zijn indruk dat de eerder gesignaleerde wreedheden in kracht waren afgenomen. Hij betoogde echter dat ons land juist op deze wijze mogelijk iets aan deze verschrikkingen zou kunnen doen. Hij legde uit: ,,Het onderhouden van betrekkingen houdt geen erkenning in voor het beleid van de regering in kwestie. Diplomatieke relaties zijn vaak het enige kanaal om met regeringen op elk gewenst moment in contact te treden. Tenslotte schept eventuele accreditatie de mogelijkheid tot eigen waarneming ter plaatste. Indien er geen volledige bewegingsvrijheid wordt verleend, mag van dat laatste alleen niet al te veel verwacht worden".

Berkhouwer vroeg zich ook af of Nederland Europees gezien in de pas liep met deze behoefte aan erkenning. Hoe had de rest van de Europese Gemeenschap zich opgesteld ten aanzien van de erkenning van Democratisch Kampuchea? Van der Stoel antwoordde dat de EG, op dat moment bestaande uit tien landen, niet tot een gezamenlijk standpunt was gekomen. Denemarken, Italië, Groot-Brittannië en België waren individueel wel tot erkenning overgegaan. Landen als Frankrijk en West-Duitsland hadden deze stap niet gezet.

In een overzicht van augustus 1977, opgesteld door de Nederlandse ambassadeur in China, werd duidelijk dat erkenning niet automatisch leidde tot het ontstaan van bilaterale betrekkingen. Brussel had een agrement aangevraagd voor de in Peking residerende Belgische ambassadeur. Maar daar was nog niet op gereageerd. Denemarken en Groot-Brittannië hadden een maand geleden wel een positieve reactie gehad, maar Kopenhagen en Londen hadden met deze toestemming niets ondernomen. De Italianen waren nog steeds bezig met het vinden van een geschikte locatie voor hun ambassade. Er bestond dus een zekere aarzeling bij de EG-lidstaten om al te voortvarend met het aanknopen van diplomatieke betrekkingen van start te gaan.

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) had al vanaf april 1975 tevergeefs geprobeerd contact op te nemen met Phnom Penh met betrekking tot de financiële verplichtingen van de Khmerrepubliek. Niet geheel onverwacht voelde de Rode Khmer er weinig voor om de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de nog openstaande schulden van Lon Nol. In januari 1977 verzocht het IMF het Nederlandse ministerie van Financiën na te gaan of ons land, gezien de gewijzigde diplomatieke situatie, hierin geen bemiddelende rol kon spelen. Op BZ reageerde men uiterst terughoudend. DOA begreep dat Nederland zich als boodschapper van slecht nieuws in een weinig te benijde positie zou manoeuvreren. Als extra argument werd aangevoerd dat de accreditatie nog niet geheel rond was. Van der Klaauw voegde aan het document de zin toe: ,,Is Zweden met een ambassadeur ter plaatse niet beter geschikt?" Het IMF zou het in deze dus zonder Nederlandse hulp moeten stellen.

In februari 1978 vond tussen de minister en de Nederlandse ambassade te Peking enige discussie plaats over de suggestie om de Nederlandse ambassadeur te Bangkok mede te accrediteren voor Cambodja. De ambassadeur liet echter weten dat zijn collega uit Kampuchea had laten doorschemeren dat Phnom Penh dat eigenlijk te "min" zou vinden. Op zijn beurt verzekerde de diplomaat Van der Klaauw dat hij duidelijk had gemaakt dat eventuele accreditatie niet inhield dat Nederland zich geen zorgen meer maakte over de binnenlandse ontwikkelingen. Evenmin koos Nederland partij in het sluimerende Vietnamees-Cambodjaanse
Bericht geplaatst in: artikel