DONKERE SCHADUWEN VERLICHT III

Geplaatst op 12 juni 2003 door Robbie Canninga
In dit derde deel van het drieluik wordt de Nederlandse reactie op mensenrechtenschendingen in een tweetal ontwikkelingslanden geanalyseerd.
Inleiding
In dit derde deel van het drieluik wordt de Nederlandse reactie op mensenrechtenschendingen in een tweetal ontwikkelingslanden geanalyseerd. Ook in dergelijke schendingen bestaan gradaties. In deze studie gaat het om de zwaarst mogelijke vorm van humanitaire misdaden: in de betreffende land, Oeganda, was de staat verantwoordelijk voor genocide en massamoord. Zoals historicus Peter Malcontent terecht heeft opgemerkt, is historisch onderzoek naar schendingen van mensenrechten verre van een eenvoudige opgave. De wetenschapper mag zich namelijk aan de ene kant niet laten meeslepen door de emotionele geladenheid van zijn onderwerp; aan de andere kant mag hij of zij evenmin toelaten dat uit het oog wordt verloren dat het in de eerste plaats over mensen gaat. Zeker in een onderzoek waarin politieke besluitvormingsprocessen centraal staan, is vooral het gevaar van een te hoog abstractieniveau geen denkbeeldig probleem.

Wat betreft de spelling van plaats- en eigennamen is in dit werkstuk voor de huidige, correcte spelling geopteerd. Alleen in citaten en in de annotatie kan van deze regel worden afgeweken. Met betrekking tot de waarde van in guldens genoemde bedragen, dient de lezer zich te bedenken dat bij de omwisseling in januari 2002 één euro gelijk werd gesteld aan twee gulden en twintig cent. De totale Nederlandse ontwikkelingshulp bedroeg in 1973 1,15 miljard en was in 1977 gestegen tot ongeveer 3 miljard gulden. Het prijspeil was zodanig dat ongeveer gesteld kan worden dat in het jaar 1976 de gulden evenwel waard was als de euro anno 2002 waard is.

In april 2002, een maand voor de tumultueus verlopen verkiezingen van 15 mei van dat jaar, waarin met name de PvdA een historische verkiezingsnederlaag leed, viel het tweede Paarse kabinet. Deze opnieuw door premier Wim Kok geleide coalitie, bestaande uit PvdA, VVD en D"66, trok de politieke consequentie uit het enkele dagen daarvoor verschenen NIOD-rapport, aangaande de Nederlandse rol in het humanitaire drama rondom de val van de enclave Srebrenica. In de zomer van 1995 waren Nederlandse VN-soldaten verantwoordelijk geweest voor de bescherming van de Bosnische moslims in deze zogenoemde Safe Area in voormalig Joegoslavië. In het verslag werd eens te meer duidelijk dat de onvoldoende bewapende, met een inadequaat mandaat uitgezonden en numeriek veruit in de minderheid zijnde blauwhelmen geen enkel moment in staat waren geweest om het Servische leger onder bevel van generaal Ratko Mladic te weerstaan. In de op de inname van Srebrenica volgende genocide vonden duizenden Moslimmannen de dood. Kok verklaarde met het aftreden van zijn kabinet rekenschap te willen afleggen voor het falen van de internationale gemeenschap in het algemeen en de Nederlandse regering in het bijzonder.

Uit de deelname aan deze VN-missie en zeker aan de val van het kabinet Kok-II bleek wederom die, volgens velen, zo karakteristieke Nederlandse behoefte om vooróp te lopen, wanneer zich de mogelijkheid voordoet om humanitaire onrecht in de wereld te bestrijden. Nederland dat zich zo graag wil profileren als beschermer van de zwakkeren en de rechtelozen in deze wereld. Ons land als zijnde het lichtende voorbeeld voor alle anderen in de wereld. Vooral wanneer er mensenrechten in het geding komen, "lijken Nederlanders een welhaast onuitroeibare drang te hebben om als moderne kruisridders ten strijde te trekken", aldus Malcontent.

Nederland heeft een naam hoog te houden als voorvechter van mensenrechten. De Noorse mensenrechtendeskundige Jan Egeland meende in 1984 zelfs dat ons land van alle staten in de wereld waarschijnlijk het meest effectief was (geweest) in het bevorderen van de mensenrechten. Ons imago van kleine staat aan de ene kant en onze aanzienlijke inspanningen voor het realiseren van een innovatief beleid aan de andere kant, zijn hiervoor verantwoordelijk. Ook de Leidse politicoloog en mensenrechtenkenner P.R. Baehr betoogde dat op dit vlak Nederland een reputatie hoog te houden heeft. Opmerkelijk vond hij dat schrijvers van verschillende politieke kleur de mensenrechten als typisch voor hun eigen partijpolitieke levensbeschouwing hebben opgeëist. Baehr hoopte verder dat regering, parlement, non-gouvernementele organisaties, pers en publiek zich blijven inzetten voor onze goede naam. Die goede naam wordt ondersteund door feiten: de Nederlandse afdeling van "Amnesty International" is relatief gezien de grootste ter wereld, het Internationale Strafhof en het Joegoslaviëtribunaal zijn beiden in Den Haag gevestigd en "onze" blauwhelmen zijn dus uitgezonden naar uiteenlopende politieke brandhaarden als Libanon, Bosnië-Herzegovina, Eritrea en Cambodja.

Dit Nederlandse engagement is niet van vandaag of gisteren. Historici en politicologen zijn het erover eens dat in de eerste helft van de jaren zeventig er definitief ruimte kwam in het buitenlands beleid voor het mensenrechtenvraagstuk. Vanaf het aantreden van de sociaal-democratische ministers Max van der Stoel en Jan Pronk als respectievelijk minister van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking in het kabinet-Den Uyl in 1973 kan er van een volwaardig mensenrechtenbeleid worden gesproken. Het is geen toeval dat de omslag juist toen plaatsvond. Dit decennium was immers een periode waarin de gebeurtenissen en verworvenheden van de roerige jaren zestig het politieke klimaat in Den Haag sterk beïnvloedde. Het geloof in de maakbaarheid van de samenleving, zowel op nationaal als internationaal niveau, was groot. Het engagement met de Derde Wereld was tijdens deze periode van ontspanning tussen Oost en West op zijn hoogtepunt. In juli 1978 zei toenmalig VVD-minister van Buitenlandse Zaken Chris van der Klaauw in een vraaggesprek dat hij ervan overtuigd was dat de democratische landen in de wereld - ook in hun eigen belang - moesten blijven vechten voor een menselijk bestaan van elk individu in andere landen.

Gelet op een dergelijke uitspraak zou men mogen verwachten dat ten aanzien van staten waar een echte staatsterreur heerste, Nederland zich voor honderd procent heeft ingespannen om een dergelijke situatie te verbeteren. Want er bestaan en bestonden landen waar de meest fundamentele burgerrechten stelselmatig met handen en voeten worden getreden. Naties waar de willekeur van de machthebbers zo groot is, dat zelfs mensen die absolute gehoorzaamheid ten toon spreiden, het risico lopen de volgende dag niet meer in leven te zijn. Hebben dit soort landen nu daadwerkelijk de volle aandacht van onze bewindlieden genoten? Het is mijn intentie die vraag in dit werk te beantwoorden.

De Westerse toerist die heden ten dage het Centraal-Afrikaanse Oeganda bezoekt, zal ongetwijfeld worden betoverd door het adembenemende natuurschoon, de vriendelijke bevolking en de fascinerende cultuurschatten. Maar tegelijkertijd zal hem of haar de tragische geschiedenis van deze landen niet kunnen ontgaan. In het klimatologisch zo gunstig gelegen Oeganda, dat met recht de "Parel van Afrika" genoemd wordt, heeft men zijn eigen donkere verleden: met name de regeringsjaren van massamoordenaar Idi Amin (1971-1979) liggen eenieder nog vers in het geheugen. Onder dit regime verloren honderdduizenden mensen het leven.

Ik heb Oeganda onder onze aandacht gebracht, omdat dit land uiterst geschikt zijn om in mijn onderzoek de onmisbare rol van casestudy te vervullen. Onfortuinlijk genoeg voor de bevolking van het land, was er in meer dan voldoende mate sprake van staatsterreur. Daar komt bij dat de duur van de regime Idi Amin voldoende synchroon loopt met de regeerperiode van de kabinetten Den Uyl (1973-1977) en Van Agt-I (1977-1981). Ik wil het door hen gevoerde mensenrechtenbeleid ten aanzien van staatsterreur analyseren. Daarvoor bestaan twee redenen. Ten eerste omdat, zoals al eerder vermeld, er pas vanaf het kabinet Den Uyl van een daadwerkelijk mensenrechtenbeleid gesproken kan worden. Ten tweede omdat alleen archiefstukken met een ouderdom van minimaal twintig jaar mogen worden geraadpleegd. Archiefonderzoek was voor mij een primaire vereiste, niet in de laatste plaats omdat andere informatiebronnen zoals interviews met bewindslieden of uitlatingen voor de pers worden gehinderd door de menselijke eigenschap zaken mooier voor te stellen dan de realiteit eigenlijk zou toelaten.

De centrale vraag betreft dus: "heeft de Nederlandse regering zich tijdens de kabinetten-Den Uyl en -Van Agt-I ten opzichte van de staatsterreur in Oeganda zo opgesteld als van een land met onze reputatie op het humanitaire vlak mag worden verwacht?"
Om de hoofdvraag te beantwoorden zal ik deze in een viertal deelvragen uiteenzetten:
1. Hoe heeft de samenstelling en de politieke signatuur van regering en parlement doorgewerkt in het beleid?
2. In hoeverre was Den Haag op de hoogte van de staatsterreur in Oeganda?
3. Heeft Nederland het mensenrechtenbeleid bilateraal vorm kunnen geven?
4. Op welke manier reageerde de internationale gemeenschap op deze staatsterreur en in welke mate heeft Nederland hieraan bijgedragen?
Voordat we ons echter kunnen richten op het Nederlandse beleid, moet de staatsterreur in de historische context geplaatst worden. Tevens wil ik de lezer een indruk geven van de aard en omvang van de mensenrechtenschendingen in Oeganda.

Alhoewel de al dan niet vermeende Nederlandse reputatie op het humanitair gebied vaak wordt aangehaald en besproken, is er relatief gezien maar weinig over dit onderwerp geschreven. Auteurs die zich wel waagden aan dit onderwerp, moesten vaak pionierswerk verrichten, want het aantal publicaties op dit terrein is beperkt. Dat neemt niet weg dat er enkele prima monografieën over de Nederlandse mensenrechtenpolitiek zijn verschenen. Hierin wordt getracht de veelzijdige problematiek van Nederland en de mensenrechten in zijn geheel te omvatten. Tevens is er een bescheiden aantal casestudies uitgekomen over de relatie van Nederland met een bepaald land of regio. Deze zijn meestal van een beperkte omvang. Onvermijdelijk is er een sterk accent komen te liggen op dan wel de landen waarmee Nederland een bijzondere band onderhield, zoals Zuid-Afrika en Indonesië, dan wel de staten die internationaal veel aandacht genereerden, zoals Cuba en Chili. Zonder iets af te willen doen aan de ernst van de mensenrechtenschendingen in deze landen, valt het mijn ziens te betreuren dat hierdoor de aandacht voor ongekende staatsterreur, zoals in Oeganda, verloren zou gaan.

Wel bestaan er een paar onuitgegeven doctoraalscripties waarin de relatie tussen Nederland enerzijds en Oeganda anderzijds al dan niet zijdelings aan de orde komt. Een goed voorbeeld hiervan is het in 1998 in Utrecht door C. Boskman geschreven werkstuk over Nederland en Oeganda in de jaren zeventig. Hierin ligt het accent echter meer op de bilaterale betrekkingen in zijn algemeenheid en wordt er verhoudingsgewijs veel aandacht besteed aan de opvang van de door Amin in 1972 uitgezette groep Aziatische Oegandezen in ons land. Terwijl mijn onderzoek zich specifiek richt op de opstelling van de beide genoemde regeringen ten opzichte van de staatsterreur in de Derde Wereld met deze staat als casestudies.

Naast het feit dat ik deze lacune in het onderzoek naar het Nederlandse buitenlandse beleid deels wil dichten, is ook de vraag of ons land zijn reputatie op het vlak van de mensenrechten nu eigenlijk wel verdient, van belang. Maarten Kuitenbrouwer veronderstelt dat het bestaan van Nederlandse ontwikkelingshulp en de toename daarvan in de jaren zestig en zeventig in principe verklaard kan worden vanuit humanitaire beweegredenen. Volgens M.C. Castermans geldt voor de Nederlandse activiteiten binnen de Verenigde Naties in deze twee decennia hetzelfde. De Nederlandse politieke cultuur bepaalde dat de ideële componenten van de buitenlandse politiek, waaronder ook de mensenrechten vallen, bovenal humanitair gemotiveerd waren.

De Amerikaanse historicus James Kennedy en de Nederlandse politicoloog Duco Hellema delen met elkaar de opvatting dat het Nederlandse buitenlandse beleid in de eerste plaats neerkomt op de georganiseerde Haagse aanpassingen aan de internationale omstandigheden. De marges van de wereldpolitiek zijn nu eenmaal klein, dus rest ons land weinig meer dan een flexibel anticipatievermogen. Dat houdt in dat het mensenrechtenvraagstuk juist ondergeschikt raakt aan geopolitieke zaken en aan onze positie binnen internationale machts- en economische structuren. Binnenlandse factoren zijn volgens hen van secundaire betekenis.

Malcontent weerlegde in zijn dissertatie, waarin hij de Nederlandse opstelling ten aanzien van de meer "geijkte" ontwikkelingslanden onderzocht, deze beide opvattingen als te weinig genuanceerd. Noch humanitaire overwegingen noch aanpassingen aan externe gebeurtenissen waren aan te wijzen als primaire push- of pullfactor in het Nederlandse optreden ten aanzien van de mensenrechten: meerdere, variabele factoren, zowel binnen- als buitenlandse, bleken het mensenrechtenbeleid vorm te geven. Zo hebben bijvoorbeeld economische belangen, koloniale schuldgevoelens, de Koude Oorlog, pressie van actiegroeperingen, oprechte humanitaire bezorgdheid en politiek-idealistische voorkeuren voor bepaalde ontwikkelingsmodellen allen in één of meerdere kwesties op een geven tijdstip meestal in combinatie met andere oorzaken een rol gespeeld.

Stefan de Boer vroeg zich op zijn beurt echter af of Malcontents constatering dat de uitvoering van het buitenlands beleid niet alleen primair humanitair geïnspireerd is, wel zo verrassend is. Kunnen we van ministers en diplomaten verwachten dat zij bepaalde binnen- en buitenlandse omstandigheden buiten beschouwing laten? Ook "idealistische" maatregelen gaan bijna altijd gepaard met een meer "realistische" component.

{mospagebreak}
"No one can run faster than a bullet".
Idi Amins klassiek geworden antwoord op de vraag van journalisten naar zijn mening over hoe om te gaan met politieke tegenstanders.

Oeganda en de opkomst van Idi Amin
Op de Conferentie van Berlijn in 1890 verdeelden Groot-Brittannië en het keizerlijke Duitsland samen Oost-Afrika. Oeganda werd hierbij aan de Britten toegewezen. In 1894 vestigde de Britse regering een protectoraat over het koninkrijk Boeganda, het voornaamste en grootste van de koninkrijkjes op het grondgebied van het latere Oeganda. Vooral de in Oeganda gelegen bron van de rivier de Nijl was strategisch van belang, omdat hierdoor de controle over Egypte en het Suezkanaal geconsolideerd kon worden. Nadat in 1901 de spoorlijn van de kust van de Indische Oceaan naar het Victoriameer gereed was gekomen, trachtte en slaagde Londen erin 1902 in om dertig stamgebieden aaneen te smelten tot het Britse protectoraat Oeganda.

Deze Britse bemoeienis zou ook na de dekolonisatie in 1962 zijn sporen nalaten. Zo brachten de Britten de christelijke religie naar Oeganda. Een meerderheid van de bevolking zou zich bekeren tot het katholieke of het Anglicaanse geloof. Ook vestigden veel van de Aziatische bouwers van de spoorweg zich permanent in het land. Deze Aziaten, vooral afkomstig uit Brits-Indië, zouden zich opwerken tot de middenstand van Oeganda. Verder kende het koloniale Oeganda een indirect bestuur, waarbij Boeganda en zijn vorst, de Kabaka, een voorkeurspositie innamen. De positie van deze Kabaka als primus inter pares zou nog voor problemen gaan zorgen. Tenslotte was het opmerkelijk dat het blanke kolonisten door de Britse regering werd afgeraden zich te vestigen in het land. De katoenteelt in het land verliep al opmerkelijk voorspoedig zonder meer Europese inmenging. De afwezigheid van een blank kader betekende dat de onafhankelijkheid van Oeganda bijvoorbeeld in vergelijking met Zuid-Rhodesië, het latere Zimbabwe, vrij eenvoudig gerealiseerd zou kunnen worden.

In 1953 wilde de Kabaka, koning Frederick Mutesa II, de zelfstandigheid van zijn koninkrijk afdwingen. Dat ging Londen aanvankelijk te snel en te ver: na een gedwongen verblijf van twee jaar in Engeland moest hij genoegen nemen met een federaal Boeganda binnen Brits Oeganda. De nieuwe premier Harold Macmillan (1957-1963) sprak echter van de "wind of change" die over het Afrikaanse continent waaide. Zijn Labour-regering was niet van plan de onafhankelijkheid van de Britse koloniën in de weg te staan. Dit standpunt sprak de net opgerichte politieke bewegingen in Oeganda natuurlijk erg aan. De intellectueel Milton Obote van het Langivolk was bij de oprichting in 1958 leider geworden van de grootste politieke partij van het land, de Uganda"s People Council (UPC). Voornaamste concurrent was de op het initiatief van de katholieke bisschoppen opgerichte Democratic Party (DP). De invloedrijke en protestantse Kabaka besloot bij de verkiezingen in april 1962 zijn eigen partij te verbinden met het UPC. Hierdoor won Obote de verkiezingen en werd hij de eerste minister-president van het land. Hij benoemde de Kabaka tot president. Deze functie was meer symbolisch van aard. Op 9 oktober 1962 werd Oeganda officieel onafhankelijk.

De vooruitzichten voor de nieuwe staat waren relatief rooskleurig. Het begrip democratie was niet geheel onbekend, terwijl de relaties met Londen en andere Gemenebeststaten als zeer hartelijk gekarakteriseerd konden worden. Zowel de ambtelijke instellingen als de gezondheidszorg verkeerden in uitstekende staat. De "Parel van Afrika" lag verder in zijn geheel op ongeveer duizend meter hoogte, hierdoor kende het land een aangenaam klimaat dat uitermate was geschikt voor het verbouwen van gewassen. De export van koffie, thee, katoen, tabak, bananen en suiker was goed voor de helft van het BNP. Oeganda was overigens ongeveer zes keer zo groot als Nederland en telde ongeveer zeven miljoen inwoners. De helft van de bevolking was tot het christendom bekeerd, ongeveer vijf tot tien procent was islamiet en tweevijfde van de inwoners bleef de traditionele, animistische geloven aanhangen. In het weinig geürbaniseerde land was tachtig procent van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw. De officiële taal was het Engels, maar als gangbare handelstaal werd het Swahili gebruikt.

De goede relatie tussen de premier en de president dreigde helaas snel verstoord te raken. De Kabaka wilde zich eigenlijk niet neerleggen bij zijn ondergeschikte functie. Het feit dat in 1964 een aantal omstreden grensgebieden zich bij het koninkrijkje Bungoro en niet bij het Baganda van de Kabaka wilden aansluiten werd de aanleiding voor de verwijdering tussen beide politici. Tegen de zin van de president in weigerde Obote in deze kwestie zijn zijde te kiezen. Er ontstond in de periode 1964-1966 een tweegevecht om de macht, waarbij incidenteel de mensenrechten genegeerd werden. Tegen het aanzien en de status van de Kabaka dreigde de premier het onderspit te delven. Hierdoor moest Obote meer en meer op het leger gaan vertrouwen. Opperbevelhebber generaal Shaban Opolot was echter getrouwd met een lid van de koninklijke familie van Buganda. Obote zag zich hierdoor genoodzaakt samen te werken met de plaatsvervangend commandant generaal-majoor Idi Amin.

Idi Amin Dada werd in 1925 in het dorpje Koboko in Noordwest Oeganda geboren. Hij behoorde tot de Kakwa, één van de kleinere volkeren in het land. Amins ouders behoorden tot de islamitische minderheid in Oeganda. Toen Amin nog een baby was verliet hij met zijn moeder de streek en vertrokken zij naar het zuidelijke Jinja, zodat zijn moeder daar op een suikerplantage kon gaan werken. Met zijn vader zou hij nooit een relatie opbouwen. Zoals zovele Afrikanen was hij niet in staat om meer dan enkele jaren onderwijs te genieten. Hij sprak en las gebrekkig Engels, terwijl hij de eerste taal van Oeganda in het geheel niet kon schrijven. In 1946 voegde hij zich, aanvankelijk als kok, bij de King"s African Rifles. Amin was bij uitstek geschikt om dienst te nemen in het Britse koloniale leger: hij had een atletisch lichaam van bijna twee meter lang, was uitermate gehoorzaam en was weinig politiek bewust. In 1951 veroverde hij tevens de eerste van vele titels als zwaargewicht bokser. Amin was zowel kampioen binnen het leger als van Oeganda. Hij onderscheidde zich, niet in de laatste plaats door zijn wreedheid, tijdens de mislukte Mau-Mau-opstand door het volk van de Kikoejoes van 1952-1954 in buurland Kenia.(Met name Amins ondervragingstechniek was berucht: wanneer een gevangene niets wilde loslaten, sommeerde hij deze persoon zijn geslachtsdeel op tafel te leggen; dit terwijl Amin er naast stond met een slagersmes.)

Gelet op deze omstandigheden behoeft het niet te verbazen dat hij langzaam maar onmiskenbaar in rang steeg. Tijdens het moment van de onafhankelijkheid waren er twee zwarte hoofdofficieren binnen de krijgsmacht. Eén daarvan was Idi Amin.

Oeganda verleende in de jaren kort na de onafhankelijkheid heimelijk steun aan rebellen in het eveneens net zelfstandige Kongo. Premier Obote vertrouwde Amin in 1964 de taak toe deze hulp te coördineren. De opstandelingen vochten tegen het bewind van Moise Tsjombe en zijn stafchef en latere dictator Moboetoe Sese Sekoe. In ruil voor goud en ivoor leverde Amin hen wapens en transportmiddelen. Op papier werd van deze handel niets bijgehouden. Dat maakte het Amin mogelijk zichzelf enorm te verrijken. Al was Oeganda begin 1966 niet langer een volledige rechtsstaat, er dreigde toch een parlementair en justitieel onderzoek naar deze frauduleuze praktijken te worden gestart. De escalatie van de politieke strijd tussen premier en president werd echter zijn redding. Obote meende Amin later nog nodig te hebben en wilde daarnaast verhinderen dat er al te veel aandacht zou uitgaan naar de geheime steun van Oeganda aan de Kongolese rebellen. De premier greep daarom in. Enkele ministers die aan het onderzoek werkten, werden gearresteerd en na een serie valse getuigenissen werd de rechtszaak beëindigd.

Op 22 mei 1966 had Obote een aantal aanhangers van de Kabaka laten oppakken. Boeganda stond nu op het punt zich af te scheiden; Oeganda balanceerde op de rand van een burgeroorlog. De volgende dag gaf de president Amin mondelinge orders om het verderop in de hoofdstad Kampala gelegen paleis van de Kabaka in te nemen. Het paleis werd na enige uren gewapenderhand bezet en geplunderd. De vorst wist te ontkomen en vluchtte later naar Groot-Brittannië. Na deze geslaagde staatsgreep benoemde premier Obote zichzelf ook tot president. Honderden vooraanstaande burgers werden zonder vorm van proces opgesloten. Ook generaal Opolot trof dit lot, waardoor Amin automatisch tot opperbevelhebber werd bevorderd.

Om de orde te kunnen handhaven, bleef jarenlang de staat van beleg van kracht. Obote was vastbesloten Oeganda tot een eenheidsstaat te maken. Niet alleen Boeganda maar ook de andere semi-federale koninkrijkjes werden ontmanteld. Geweld werd hierbij niet geschuwd. Veel van de ministers uit de regering van Obote verrijkten zichzelf ten koste van de gewone burgers van Oeganda. De populariteit van de premier annex president kwam dientengevolge sterk onder druk te staan. Vanwege de toenemende afhankelijkheid van de regering op militaire middelen werd Amin steeds invloedrijker. Vanaf 1968 was het duidelijk dat het op de korte termijn tot een confrontatie tussen Obote en Amin zou komen. Dit gevecht om de macht beperkte zich niet tot politieke intriges: in 1969-1970 werden over en weer aanslagen voorbereid en soms daadwerkelijk uitgevoerd. In oktober 1970 slaagde Obote erin om een reorganisatie in de top van het leger door te voeren, waarbij Amin en zijn getrouwen werden weggepromoveerd. De hoge officieren van het Acholi- en het Langivolk, de volkeren die traditioneel het leger gedomineerd hadden, kregen wederom de prominente posten toegewezen. Obote waande zich nu de overwinnaar in dit conflict.

Hij besloot zich te concentreren op zijn plan om Oeganda - analoog aan het Egypte van president Gamaal Abdel Nasser - een socialistisch aanzien te geven. In een "Move to the Left" zouden binnen- en buitenlandse bedrijven genationaliseerd worden. Het was de bedoeling dat de bevolking hiervan ook zou profiteren. In Oeganda waren relatief veel Britse en Israëlische investeerders. Londen en Jeruzalem waren natuurlijk niet te spreken over de manier waarop hun multinationals behandeld dreigden te worden. De verhouding met de voormalige kolonisator werd er niet beter op toen Oeganda, gelijk veel andere Aziatische en Afrikaanse Gemenebestlanden, scherpe kritiek uitte op de hernieuwde Brits-Zuid-Afrikaanse handelsbetrekkingen. Om de relaties van de nieuwe Conservatieve regering Heath met het apartheidsregime te bespreken, zou er in januari 1971 in Singapore worden beraadslaagd. Ook Obote zou hierbij aanwezig zijn.

Amin had echter de vlag nog niet gestreken. Hij had zichzelf namelijk verzekerd van de onvoorwaardelijke steun van "zijn" Nubiërs. Voor de burgeroorlog in Kongo waren destijds veel Soedanezen gerekruteerd. Deze mensen, ook wel Nubiërs genoemd, waren eigenlijk huurlingen, die de rebellen in Kongo moesten ondersteunen. Maar gaandeweg opereerden zij steeds meer als Amins privé-legerkorps. Terwijl Obote de Gemenebestconferentie attendeerde, greep Amin zijn kans. Een opmerkelijke hoofdrol in de coup van 24-25 januari werd gespeeld door de minister van Defensie en secretaris-generaal van de UPC Felix Onama. Onama was ook ondernemer en daardoor een tegenstander van de "Move to the Left" en was tevens de oom van Idi Amin. Toen de Nubische en Kakwa soldaten in de avond van 24 januari de centrale punten in Kampala bezetten, waren veel legerofficieren niet bij hun eenheden. De minister had ze, vanwege nog onbetaald overwerk dat de minister van Financiën niet wilde uitbetalen, verplicht met verlof gestuurd. Zo verraste de matig georganiseerde staatsgreep van Amin Obote"s volgelingen. De president haastte zich terug, maar vanuit zijn toevluchtsoord Tanzania moest Obote erkennen dat Amin nu aan het roer stond in Oeganda. De relatie met buurland Tanzania geraakte hierdoor uitermate gespannen. Vanuit Tanzania ondernam Obote in 1972 een mislukte invasie. De OAU (Organisation of African Unity) veroordeelde president Julius Nyerere voor de Tanzaniaanse medewerking. Uiteindelijk zou de animositeit tussen Amin en Nyerere zelfs uitlopen op een echte oorlog.

{mospagebreak}
Amins bewind
Na de coup vierde het hele land voor meerdere weken aaneen feest. Er werd amnestie afge- kondigd voor alle politieke gevangen. Het lichaam van de in ballingschap overleden, maar nog altijd populaire, Kabaka zou met veel pracht en praal worden herbegraven in Oeganda. Amin stelde een zakenkabinet samen met zichzelf als de nieuwe president, waarin de volkeren en de religies van Oeganda evenredig waren vertegenwoordigd. Per helikopter reisde hij het land door om zich onder de feestende mensen te begeven. De Britten en Israëliërs waren tevreden dat Oeganda nu afzag van het socialistische ideaal van Obote. Zowel de bevolking als de internationale pers was geamuseerd door én gecharmeerd van deze nieuwe leider, die altijd mee danste en vaak één van de twee liedjes die hij op zijn accordeon kon spelen ten gehore bracht. Amin verkreeg al snel de liefkozende bijnaam Big Daddy.

Maar de eerste tekenen aan de wand lieten niet lang op zich wachten. Op de eerste kabinetsvergadering beëdigde Amin zijn voornamelijk burgerministers allen als cadet - geen van hen zou ooit een hogere rang bereiken - en stak ze in militair tenue. Via de radio verkondigde hij op 22 februari dat zijn regering voor vijf jaar aan zou blijven. Veel vergaderd zou er overigens niet worden: Amin reisde veel rond en beloofde in zijn geïmproviseerde toespraken zijn gehoor standaard en onmiddellijk de hemel op aarde. Zijn al dan niet meegereisde ministers kregen de opdracht datgene wat Amin zojuist toegezegd had te realiseren. Hij wist echter totaal geen maat te houden met het doen van deze beloftes. Regeren deed Big Daddy overigens voornamelijk via de radio. Op deze wijze vernamen zowel volk als ministers de "kabinetsbesluiten". Het parlement werd naar huis gestuurd en politieke activiteiten werden verboden. In de zomer van 1971 vonden in het geheim de eerste moorden plaats. Zowel het leger als de politie werd gezuiverd van mensen van het Langivolk en in iets mindere mate de Acholi. Het feit dat Obote, zelf een Langi, zijn macht aan deze groepen had ontleend was voldoende reden voor deze moordpartijen. Het ging al snel om honderden mensen.

Een tweetal gebeurtenissen deden Oeganda snel verder afglijden in een spiraal van geweld. Het eerste incident was de mislukte invasie van Obote"s (guerrilla)troepen vanuit Tanzania in september 1972. Door een gebrek aan communicatiemiddelen merkten veel Oegandezen de aanval aanvankelijk niet eens op en kwam er van de door Obote geplande volksopstand niets terecht. Amin trad hierna keihard op tegen vermeende guerrilla"s. Executies en martelingen werden voortaan ook in het openbaar voltrokken. In maart 1974 ondernamen officieren van het Lugbaravolk, net als Amin afkomstig uit het Westen van Oeganda, een tweede poging tot een coup d"etat. Zij beoogden hiermee de verdere toestroom van Soedanezen naar de top van het leger te verhinderen. Ook deze machtsovername liep op een fiasco uit. Maar Amin was geschokt dat juist militairen van de stamverwante Lugbara hem verraden hadden. Hij vertrouwde toen helemaal niemand meer en benoemde nog meer Nubiërs op hoge posten.

Amin bleek ook onvoorstelbaar onkundig. Op de plaats van de gezuiverde officieren benoemde hij volstrekt inadequate personen. Tank- en vrachtwagenchauffeurs konden de volgende dag majoor of kolonel zijn bij de inlichtingendienst. Omdat het leger een centrale rol in het land speelde, betekende dit dat Oeganda grotendeels bestuurd werd door onervaren onderofficieren. Niet minder problematisch was dat de competente burgerministers opgezadeld werden met de onmogelijke verwezenlijking van Amins beloftes. Zij die faalden werden ontslagen, gevangen gezet of omgebracht. Zijn manier om over de radio te regeren, zorgde daarbij ook nog eens voor verwarring en fraude.

Eén van Amins grootste tekortkomingen was ongetwijfeld zijn complete gebrek aan economisch inzicht. Voor alle grote ambitieuze projecten, bijvoorbeeld de "Veldmaarschalk Idi Amin Luchtmachtbasis" met ondergrondse bunkers voor alle 24 vliegtuigen van de luchtmacht, ontbrak eigenlijk de begroting. Big Daddy was evenmin bekend met het begrip inflatie: wetende dat centrale banken zelf geld drukken, vond hij dan ook dat als het geld opraakte, er gewoon nieuw gemaakt moest worden. Obote liet zijn land achter met een staatsschuld van 700 miljoen shilling, dat was ongeveer 80 miljoen dollar. Onder Amin liep het binnen acht jaar op tot drie miljard shilling. Dankzij zijn ministers was de stijging nog enigszins te overzien.

Behalve op binnenlands terrein kende Amin ook op het buitenlands terrein geen loyaliteit of scrupules. Dat bleek vooral in de relatie met Israël. Nog in de zomer van 1971 vroeg hij de hulp van minister van Defensie generaal Mosje Dayan bij het "platbombarderen" van de Tanzaniaanse hoofdstad Dar es Salaam. Maar naast wat meer genuanceerde diplomatieke uitspraken wilde Jeruzalem ook graag contante betaling voor de geavanceerde wapens die het Oeganda leverde. Na tevergeefs ook bij de Britten en de West-Duitsers te hebben aangeklopt, zocht Amin in februari 1972 onverwachts zijn geluk bij de Arabische wereld. Het Libië van Muammar al-Khadaffi bleek wel bereid hem financieel bij te staan. In ruil voor het Libische oliegeld transformeerde Amin zijn land, waar dus nog geen eentiende van de bevolking overtuigd islamiet was, in een moslimstaat. Vanzelfsprekend stelde Oeganda zich voortaan ook fel anti-Israël op. Hierdoor kwamen overigens alle infrastructurele projecten waar Israëlische maatschappijen aan werkten stil te liggen. Het was ook Khadaffi die hem aanraadde meer grip op de binnenlandse economie te verkrijgen. In Libië hadden de Italianen moeten vertrekken; in Oeganda zou de Aziatische gemeenschap het land dienen te verlaten.

Op 5 augustus 1972 maakte Amin in het openbaar bekend dat alle zestigduizend Aziaten, waarvan één op de drie in het bezit van een Oegandees paspoort was, binnen negentig dagen het land verlaten dienden te hebben. De president was onvermurwbaar en wilde van geen uitstel horen. Begin november herinnerde alleen nog de huizenhoog opgeslagen eigendommen op het vliegveld en de verlaten winkels en huizen aan de Aziaten. Nadat Amin eerst zichzelf een aanzienlijke hoeveelheid van deze goederen en onroerend goed had toegeëigend, stelde hij commissies samen die zich zouden ontfermen over de taxatie en toewijzing van deze bezittingen. De leden van deze commissies wezen meestal zichzelf aan als nieuwe eigenaar. De middenstand geraakte bijna letterlijk van de ene op de andere dag in handen van personen enkel gericht op persoonlijke verrijking en opererend zonder opleiding of verstand van zaken. Dit was een garantie voor chaos en problemen. Vanaf het voorjaar van 1973 ontstond er een chronisch tekort aan allerlei levensmiddelen zoals zout, suiker, brood, kaas en zeep. Ook technische apparatuur zoals radio"s en auto"s was alleen nog tegen exorbitante prijzen te verkrijgen op de zwarte markt.

Niet minder ernstig waren de externe gevolgen van deze handelswijze van Amin. In het buitenland maakte deze zo openlijk bedreven racistische en corrupte handelswijze een zeer negatieve indruk. Vooral de analogie met de Shoah deed erg veel sympathie ontstaan voor de Aziatische vluchtelingen. Vooral Groot-Brittannië kon de vluchtelingen, waarvan een groot gedeelte ook de Britse nationaliteit bezat, niet in de steek laten. Londen veroordeelde deze actie van Amin scherp en riep tevens de ambassadeur terug naar huis. Kampala nationaliseerde als reactie op die beslissing de Britse bezittingen. Ook Nederland behoorde tot de groep landen die Amin deze handelswijze scherp aanrekende. Aan het eind van 1972 was hierdoor vrijwel alle Westerse hulp stopgezet.

Vanaf 1973-1974 werd de situatie in het land nog problematischer en hierdoor gevaarlijker. De deplorabele staat waarin de Oegandese maatschappij verkeerde kon Amin voor zichzelf en voor het volk alleen nog maar "verklaren" door middel van leugens, ontvoeringen en zuiveringen. Behalve in het leger meende Amin nu ook verraders en fraudeurs in andere sociale groepen te moeten uitschakelen. In de juridische wereld, in de georganiseerde christelijke organisaties, in de zakenwereld en in de ambtenarij waren verdwijningen aan de orde van de dag. De beroemde Makerere Universiteit in Kampala leek meer op een kazerne dan op een universiteit. Naast hun zoektocht naar macht waren Amin en zijn drie gevreesde veiligheidsdiensten ook permanent op jacht naar geld en luxegoederen. Ook hierbij werden mensenrechten volkomen genegeerd. In plaats van honderden ging het inmiddels om duizenden slachtoffers. Hun lichamen werden vaak in de rivier achtergelaten. De krokodillen van de Owen Falls waren waarschijnlijk de best gevoede dieren van het continent. Al met al zouden naar schatting 250.000 mensen op een inwoneraantal van gemiddeld 10 miljoen omkomen ten gevolge van de terreur van Idi Amin. Bovendien verloor Oeganda veel capabele, goed opgeleide mensen omdat deze mensen op grote schaal het land ontvluchtten, zodra zij daar de gelegenheid toe hadden.

{mospagebreak}
De ondergang van Big Daddy
In de zomer van 1976 kaapten Palestijnse terroristen een vliegtuig van Air France met aan boord voornamelijk Israëliërs. De kapers dwongen het toestel te landen op de internationale luchthaven van Oeganda Entebbe Airport. De Joodse passagiers werden met steun van Amin vastgehouden en hij was zelfs actief betrokken bij de onderhandelingen tussen de Palestijnen en Jeruzalem. Na enkele dagen maakte Israëlische commando"s vanuit de lucht in een spectaculaire reddingsactie een einde aan de gijzeling. Amin werd op eigen terrein vernederd. De dictator verwerkte zijn frustratie onder meer met de dood van een tijdelijk in een ziekenhuis van Kampala opgenomen Britse vrouwelijke passagier. Groot-Brittannië bracht hierop de diplomatieke betrekkingen terug tot het absolute minimum. Toch zou het tot de geslaagde aanslag op aartsbisschop Janani Luwum in februari 1977 duren voordat de buitenlandse druk echt gemobiliseerd werd. Londen verbrak nu definitief de verhoudingen; Washington en vele andere staten volgden dit voorbeeld. Ook op binnenlands terrein kreeg Amin te kampen met tegenslagen. In april 1978 kreeg hij een ernstig conflict met vice-president en zwager Mustafa Adrisi. De dood van een familielid van Adrisi ten gevolge van dubieuze handelspraktijken mocht van Amin namelijk niet worden onderzocht. Omdat zoals gezegd ook de binnenlandse sociaal-economische omstandigheden niet erg florissant waren, was Big Daddy naarstig op zoek naar afleiding van deze problematiek.

Nadat Amin eerder grensgeschillen met Soedan had opgerakeld en aanspraak maakte op delen van Kenia, richtte hij zijn blik in oktober 1978 weer op Tanzania. Via de radio betichtte hij president Julius Nyerere ervan met Cubaanse steun een oorlog tegen zijn land te willen beginnen. Op 27 oktober waren er zelfs al aanvallen uitgevoerd op Oegandees grondgebied. In het kader van "zelfverdediging" bezette een brigade Nubiërs de grensprovincie Kagera. De streek werd geplunderd en de bevolking deels uitgemoord. Amin probeerde van deze militaire overwinning zoveel mogelijk publicitair te profiteren. Hij noemde zijn zojuist geboren dochter "Kagera" en stelde voor dit geschil te beslechten met een bokswedstrijd tussen de beide presidenten, zodat de gewone soldaat niet hoefde op te draaien voor een ruzie tussen staatshoofden. Muhammed Ali zou een goede scheidsrechter voor die match zijn, voegde hij hier nog aan toe.

De Organisation of African Unity (OAE), de organisatie die zichzelf zag als de Afrikaanse tegenhanger van de EG, en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Vance maanden Oeganda zich terug te trekken uit Tanzania. Amin wilde aan deze oproep wel gehoor geven, op voorwaarde dat president Nyerere openlijk erkende Oeganda nooit meer binnen te vallen. Deze weigerde want hij zag nu zijn kans schoon om de instabiele factor Amin uit de weg te ruimen. Obote was zijn goede vriend en nu opnieuw kandidaat voor het presidentschap, maar de ex-president had wel veel van zijn sympathie verspeeld gedurende zijn bewind. Eind maart 1979 werd op Tanzaniaanse instigatie door Oegandese oppositiepartijen een conferentie in de stad Moshi gehouden. Hier werd het Uganda National Liberation Front (UNLF) opgericht. Voorzitter werd ex-hoogleraar van de Makerere Universiteit Joseph Lule terwijl Yoweri Museveni, een veteraan van de mislukte invasie van 1972, tot militaire commandant werd benoemd. Na enkele dagen ging het Tanzaniaanse leger gesteund door troepen van het UNFL tot de tegenaanval over. De Oegandese soldaten bleken in discipline en professionaliteit ernstig tekort te schieten. Na een korte militaire campagne werd op 11 april 1979 de hoofdstad ingenomen. Amin vluchtte naar Libië en vanuit daar naar Saoedi-Arabië. In het land van de oliesjeiks wachtte de voormalige dictator nog een flink aantal niet geheel onaangename jaren aan de rand van menig luxueus zwembad. Amin leeft anno 2002 nog steeds in Saoedi-Arabië. Hij is zelfs erkend als geadopteerde zoon van de koning.

Na acht lange jaren zou de schaduw die Amin op Oeganda had doen neerkomen kunnen worden opgelicht. Maar er pakten zich al snel nieuwe donkere wolken samen. Achter de schermen bepaalden de leiders van de oude politieke partijen DP en UPC namelijk gezamenlijk de toekomst van het land. Na een tweetal staatsgrepen had interim-president Lule, eind 1979 plaats gemaakt voor een junta voorgezeten door UPC-voorman Paulo Muwanga. De eerlijk verlopen verkiezingen van december 1980 dreigde een overwinning op te leveren voor de katholieke DP. Muwanga ontnam hierop de kiescommissie haar bevoegdheden. Obote die nog steeds aan de touwtjes trok bij het UPC, werd door de junta voor een tweede keer tot president van Oeganda uitgeroepen. Pas nadat Obote weer stevig in het zadel zat, vertrok de Tanzaniaanse bezettingsmacht.

In de eerste helft van de jaren tachtig was het lot van de Oegandese bevolking nauwelijks minder zwaar dan dat in het vorige decennium. Van Obote"s "Move to the Left" werd niets meer vernomen; de nationalisaties werden teruggedraaid. Oeganda werd een trouwe bondgenoot van het Westen. Hierdoor wist Obote, die in opportunisme niet onderdeed voor Amin, veel buitenlandse hulp te vergaren, bijvoorbeeld van het IMF, de Wereldbank en de EG. Dit ondanks dat in de strijd tegen rebellen er op grote schaal mensenrechten geschonden werden, in een dergelijke mate zelfs dat Obote er in slaagde het aantal slachtoffers van Amin te overtreffen. Vooral het door ex-Obote aanhanger Museveni aangevoerde guerrillaleger vormde een ernstige bedreiging voor Obote. De thuisbasis van deze krijgsheer, de zogenoemde Luwerodriehoek ten noordwesten van Kampala, werd door regeringstroepen feitelijk ontvolkt. Dit kostte circa 300.000 mensen het leven. Naar schatting driekwart miljoen Oegandezen raakten ontheemd in de eerste helft van de jaren tachtig.

In 1985 wist Museveni de burgeroorlog in zijn voordeel te beslissen. In februari 1986 benoemde de voormalige legercommandant zichzelf tot president. In de periferie van het land bleven rebellerende groeperingen actief. Deze werden door Museveni vrij succesvol aangepakt, waardoor het land in rustiger politiek vaarwater terechtkwam. Geleidelijk introduceerde de president een merkwaardige vorm van democratie: de "Geenpartijendemocratie". Volgens Museveni werkten de partijen destabiliserend omdat de politieke partijen voornamelijk een etnische en religieuze achterban hebben. In Oeganda werd en is tot op de dag van vandaag elke vorm van politieke organisatie daarom verboden, mensen kunnen zich alleen individueel kandidaat stellen voor het parlement of presidentsschap. Hierbij dienden enige niet-democratische machtsmiddelen, zoals bijvoorbeeld het recht van de zittende president een aantal parlementsleden te benoemen, in beschouwing te worden genomen.

Idi Amin Dada werd en wordt in het Westen nog altijd vaak beschouwd als het schoolvoorbeeld van de onontwikkelde, op macht- en geldbeluste en verder alleen wat wrede Afrikaanse variant van de Zuid-Amerikaanse operettegeneraal. Deze karikatuur was niet zozeer onjuist, maar onvolledig. Want deze massamoordende dictator was ook sluw, bezat veel mensenkennis en was tegelijkertijd humoristisch, sportief en charismatisch. Een continue speurtocht naar absolute controle en ongekende rijkdom ontketende een atmosfeer van paranoia en meedogenloosheid waarin honderdduizenden Oegandezen het leven lieten. In het volgende hoofdstuk zal gekeken worden hoe de kabinetten Den Uyl en Van Agt om gingen met deze staatsterreur.

{mospagebreak}
"De mensenrechtensituatie in Oeganda vormt sedert jaren een kwestie van zorg."
Minister Van der Stoel in een codebericht van januari 1977 aan de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger bij de Mensenrechtencommissie te Genève Van der Klaauw.

Nederland en Idi Amin. Proloog: 1971-1973
Na de machtsovername van Amin wilde minister Luns niet dat de Nederlandse consul de beëdigingplechtigheden zou bezoeken. Van zijn aanwezigheid zou namelijk erkenning van het regime uitgaan. Luns wilde hiermee wachten totdat ook enige landen uit de regio hiertoe waren overgaan. Na een telefoongesprek met DGPZ mocht de consul echter alsnog ter receptie gaan, op voorwaarde dat hij een expliciet beleefdheidsbezoek zou brengen. Eventuele vragen over Nederlandse erkenning moesten met "no comment" worden afgedaan. Van de Westerse landen gaven onder andere vertegenwoordigers van Groot-Brittannië, de VS, West-Duitsland en Israël acte de presente bij de beëdiging van Amin. In de zomer van 1971 werd voor het eerst melding gemaakt van zuiveringen in het leger onder de Acholi en Langi. Nog onder Luns wist Den Haag dus al van mensenrechtenschendingen onder Amin. Tegelijkertijd kon aan de reislust van de president worden afgeleid hoe vast Big Daddy al in het zadel zat.

Na zijn breuk met Jeruzalem in september 1972 verklaarde Amin in het openbaar onder meer dat Adolf Hitler tot de Holocaust had besloten omdat hij tot de juiste conclusie was gekomen dat Joden geen mensen waren. Naar aanleiding van deze overduidelijke antisemitische uitlatingen wilden de Kamerleden E.C.Visser (D"66), J.J. Voogd en Relus ter Beek (beiden PvdA) van minister van Buitenlandse Zaken W.K.N. Schmelzer (KVP) weten in hoeverre ons land dergelijke uitspraken veroordeelde. Ondanks het feit dat Nederland zeker in deze periode als pro-Israëlisch beschouwd kon worden, oordeelde de minister, op advies van DIO, toch niet al te hard. DIO vreesde namelijk een onbeheerste actie van Amin tegen de circa vierhonderd in Oeganda verblijvende Nederlandse staatsburgers. Deze mensen, onder wie zich ook een aantal geestelijken bevond, waren vooral werkzaam in ontwikkelingsprojecten. Schmelzer hield zijn evidente afkeer over deze uitspraken dus gematigd. Het zou niet de laatste keer zijn dat deze landgenoten een factor van betekenis bleken in de relatie met Kampala.

In 1967 was toenmalig minister voor Ontwikkelingssamenwerking B.J. Udink (CHU) overgegaan tot de instelling van het zogenaamde concentratielandenbeleid. De Nederlandse bilaterale hulp werd gecentreerd rond een elftal ontwikkelingslanden; in Afrika hoorde naast Tanzania en Kenia ook Oeganda tot deze groep. Het was de bedoeling dat ons land met deze derdewereldlanden een meer langdurige hulprelatie zou opbouwen. Hierdoor konden er structurele resultaten geboekt worden. Zo verstrekte Den Haag in 1969 en 1971 Oeganda twee keer een lening van 3,6 miljoen gulden. Dit geld mocht overigens niet geheel naar eigen inzicht besteed worden. Het was gebonden hulp, dat wilde zeggen dat de ontvangende partij een fors gedeelte ervan in Nederland diende uit te geven. Oeganda schafte zichzelf melkvee, ziekenhuisapparatuur en zenders aan. De zenders waren bijvoorbeeld door Philips gefabriceerd.
Nederland was van plan deze steun te continueren en het kabinet-Biesheuvel stelde zelfs voor dit bedrag voor de jaren 1972-1975 fors te verhogen.

Het aan de macht komen van Amin veranderde de welwillende Nederlandse houding niet op stel en sprong, maar het zou niet lang duren. De afgedwongen exodus van de Aziaten in de zomer van 1972 had namelijk veel internationale belangstelling gegenereerd. Deze flagrante en zo openlijke schending van mensenrechten ontging ook de ARP-er C. Boertien, die in 1971 Udink was opgevolgd, niet. Zonder dat er in de ministerraad al te veel woorden aan werden vuilgemaakt, schrapte de minister in oktober de "Parel van Afrika" van het lijstje van concentratielanden. In overleg en met goedkeuring van zijn partijgenoot en premier Barend Biesheuvel besloot Boertien in november ook een al toegezegde lening van elf miljoen gulden tot nader order uit te stellen. Ook annuleerden zij de bestelling van een radiozender. Men vreesde dat het instrument door Amin als propagandazender zou worden gebruikt. Zo kwam er nog voordat het kabinet-Den Uyl ten tonele verscheen een vroegtijdig einde aan alle bilaterale hulp aan Oeganda. Een cesuur in de Nederlandse buitenlandse politiek aangezien voor het eerst ontwikkelingsgeld als wapen werd ingezet in een humanitair vraagstuk.

Dit politieke signaal van Den Haag leidde wel tot hernieuwde bezorgdheid over represailles van de kant van Amin aan het adres van de in Oeganda verblijvende Nederlanders. Het kabinet gaf de Nederlandse ambassadeur in Kenia, die tevens geaccrediteerd was voor Oeganda, daarom de volmacht om in een noodsituatie deze mensen met klem te adviseren het land te verlaten. In Nederland mocht er, om paniek te voorkomen, aan deze kwestie geen ruchtbaarheid worden gegeven. Tot een volledige evacuatie zou het niet komen, maar na enige weken gaf de diplomaat wel de vrouwen en kinderen het stringente advies te vertrekken. Naast deze mensen zou ook het Nederlandse bedrijfsleven in de moeilijkheden kunnen geraken. Ambassadeur J. Polderman kreeg daarom de opdracht deze kwestie vooral niet ter sprake te brengen en indien er toch vragen gesteld zouden worden, te veinzen alsof de regering ook hem in onwetendheid hield.

De uitgewezen Aziaten vertrokken, zoals eerder vermeld, voor het grootste deel naar Groot-Brittannië, maar daarmee was nog niet voor alle vluchtelingen onderdak gevonden. Op 8 september vergaderde de regering over de mogelijke opname van driehonderd Oegandezen in Nederland. Een paar ministers probeerden zowel financiële obstakels als eventuele integratie- problemen op te werpen, maar Biesheuvel meende dat Den Haag, wanneer de Hoge Commissaris van de UNHCR een beroep zou doen op Nederland, een dergelijk verhoudingsgewijs klein aantal mensen onmogelijk kon weigeren. De wil van de minister-president triomfeerde. Op 20 oktober kwam het verzoek en een week later besloot het kabinet om vijftig staatsloze gezinnen op te nemen én om de UNHCR drie ton, circa 135.000 euro, te schenken. In december werd aan alle van de in totaal 252 Oegandezen de A-status verleend, waarna ze in een tweetal vakantieparken opgevangen werden. Later werden deze vluchtelingen geografisch over Nederland verspreid. Een tweede verzoek van de Hoge Commissaris in april 1973 werd echter afgewezen: Nederland had zijn bijdrage nu wel geleverd, het beschikbare geld was op en de integratie van de Oegandezen verliep vanwege de taalbarrière en bepaalde Nederlandse handelsvoorschriften vooralsnog stroef.

De opschorting van de ontwikkelingssteun en de opname van Aziaten kunnen op het eerste gezicht worden beschouwd als humanitaire weldaad. Ten aanzien van de opvang van deze vluchtelingen moet er niettemin worden geconcludeerd dat premier Biesheuvel zijn beslissing door de kabinetsvergadering heen gedrukt had, omdat hij ervan overtuigd was dat Nederland eigenlijk niet onder deze gastvrijheid uit kon. Van een tweede opname was dan ook geen sprake.

{mospagebreak}
Handjevol kritische Kamerleden
Zoals aangegeven in hoofdstuk 4 was Amin een op de voorgrond tredende leider, die weinig moeite deed het repressieve karakter van zijn regime te verdoezelen. Tegelijkertijd werd hij door zijn gedrag ten onrechte niet serieus genoeg genomen door het Westen. De houding van ons land vormde hierop geen uitzondering. Hoewel het kabinet-Den Uyl al in 1973 was aangetreden, duurde het tot oktober 1975 voordat er vanuit het parlement vragen werden gesteld over Oeganda. Het Kamerlid Honig van der Bossche (Boerenpartij) sprak toen Van der Stoel aan op het, wat hij noemde, verzwijgen van het despotische en tirannieke bewind van Amin, dit vooral in vergelijking met het breed uitmeten in de pers en op televisie van andere racistische en fascistische regimes. De minister antwoordde hierop door enkel te zeggen dat de Nederlandse regering zich bewust was van de aard van het Amin-regime.

De Boerenpartij bleef alert. Naar aanleiding van de mogelijke medewerking van Amin aan de kaping van het Air France-toestel op Entebbe stelden Kamerleden H. Koekoek en De Koning in juli 1976 vragen over de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking in relatie tot Oeganda. Van der Stoel en Pronk reageerden hierop met een ondubbelzinnige afkeuring van dergelijke terroristische activiteiten en door in herinnering te roepen dat Nederland bilateraal alle steun had opgezegd. Alleen via particuliere organisaties werden op kleine schaal enkele ontwikkelingsprogramma"s ondersteund.

PvdA-Kamerlid Arie van der Hek wilde op 9 februari 1977 van de bewindsman weten hoe de kwestie Oeganda paste in de door de EG beloofde hulpverlening aan Afrikaanse landen zoals overeengekomen in de Lomé-overeenkomst van 1975. (Deze in 1975 in de hoofdstad van Togo gesloten verklaring had tot doel de handelsbelemmeringen tussen een grote groep landen uit Afrika, het Caribische gebied en de Pacific enerzijds en de EG anderzijds deels op te heffen.) Op 4 maart zei de minister: ,,zelfs de laagste aantallen slachtoffers doen bij ons allen gevoelens van afgrijzen en diepe deernis rijzen" en hij erkende dat er zich spanningen konden voordoen tussen (EG)hulpverlening en de interne omstandigheden in een bepaald land. De regering bleef naar een beleid streven dat bijdroeg aan herstel of continuering van eerbiediging van mensenrechten, maar opschorting van de middelen van het Europese Ontwikkelingsfonds zou hier niet aan bijdragen, want de hulpactiviteiten vonden plaats op kleine schaal en kwamen alleen de bevolking ten goede. Bovendien moesten aan een dergelijke boycotactie alle EG- én alle niet-Europese Lomé-landen meewerken en dat was geen haalbare kaart. Deze verklaring is legitiem, maar men mag aannemen dat de in tegenstelling tot de EG-hulp wel opgeschorte Nederlandse ontwikkelingshulp ook primair bedoeld was geweest voor de bevolking.

Zoals in het vorige hoofdstuk even is aangestipt, had de moord op aartsbisschop Luwum in februari 1977 de internationale gemeenschap nogmaals flink wakker geschud ten aanzien van het bewind van Big Daddy. Ook de Kamerleden Van Heel-Kasteel (KVP), J.N. Scholten (ARP) en de inmiddels bekende Kruisinga deelden deze verontrusting. Zij dienden op 21 februari 1977 vragen in over de consequenties van de dood van deze geestelijke leider voor de houding van ons land. Ging Nederland zich nog beraden op politiek-juridische stappen? Op 4 maart volgde het antwoord: Nederland steunde, net als vele andere staten, het pleidooi van de Internationale Commissie van Juristen (ICJ) voor het houden van een onpartijdig feitenonderzoek naar de aanslag. Tevens was de situatie in Oeganda een onderwerp van gesprek in de Mensenrechtencommissie van de VN. Ons land was op dat moment geen lid, maar was waarnemend vertegenwoordiger en stond als zodanig in voordurend contact met landen die wel zitting in de commissie hadden. Den Haag bleef op dat moment dus niet geheel passief, maar liep ook niet vooruit op de rest van West-Europa.

Net als in het geval van Cambodja moet de interesse van de Tweede Kamer voor de misdaden van Amin verhoudingsgewijs worden beoordeeld. Net als in het geval van de Rode Khmer openbaart zich een discrepantie tussen de ernst van de mensenrechtenschendingen en de mate van verontrusting bij onze parlementariërs. Wederom waren het met name rechtse Kamerleden die de spaarzame vragen stelden over Amin. Waarschijnlijk lag het veroordelen van een zwarte tiran voor de progressieve linkse volksvertegenwoordigers gevoeliger. Overigens mag niet alle blaam op de parlementariërs worden geschoven: er bestaat een grote mate van interactie tussen de politiek en de maatschappij en ook aan de kant van het Nederlandse volk bleef het opmerkelijk stil rondom Oeganda. In de jaren zeventig was het politieke bewustzijn van veel Nederlanders op een hoogtepunt, toch heeft dit humanitaire drama niet veel tongen losgemaakt. Actiegroeperingen schoten als paddestoelen uit de grond, maar het repressieve bewind van Amin heeft nooit op een geëngageerde tegenbeweging kunnen rekenen.

{mospagebreak}
De Nederlandse ambassadeurs
In de regeerperiode van Amin had ons land een drietal ambassadeurs geaccrediteerd voor Kenia en Oeganda, zetelend in Nairobi: J. Polderman (1971-1974), R.H. Fein (1974-1977) en R.J. van Schaik (vanaf eind 1977). Op 11 september 1974 overhandigde de nieuwe ambassadeur Fein zijn geloofsbrieven aan Amin. Net als zijn voorganger werd ook hij officieel en uiterst vriendelijk ontvangen, maar deze keer waren ook nog eens alle ceremoniële egards uit de kast getrokken: er was een opmerkelijk grote erewacht en het tweemaal gespeelde Wilhelmus klonk zoals het hoorde. De diplomaat sprak uitgebreid met zowel de president als zijn minister van Buitenlandse Zaken, Elisabeth Bagaaya, prinses van Toro. Al stipte zowel de gastheer en vrouw nog even de uitblijvende Nederlandse lening aan, de sfeer bleef zeer hartelijk; er werd getoost op koningin Juliana en op Amin zelf. Fein rapporteerde over deze ontvangst dat Amin misschien had inzien dat hij met gedrag conform de diplomatieke mores meer bereikte dan met zijn meer gebruikelijke gedrag en taalgebruik.

Op 25 januari 1975 zou het feit dat Amin op dat moment vier jaar aan het bewind was feestelijk gevierd worden. Ook Nederland was uitgenodigd voor deze heugelijke dag. Chef DAM maakte enige weken van tevoren al duidelijk dat Fein niet in eigen persoon mocht verschijnen: het betrof geen viering van onafhankelijkheid maar de memoratie aan een staats- greep. Toen de plaatsvervanger van Fein ziek werd, werd de eerste secretaris, dat wilde zeggen de derde man in de hiërarchie op de ambassade, aangewezen om Nederland te vertegenwoordigen. Ook in deze veranderde situatie hield Den Haag vol dat bij deze festiviteiten, ter ere van een onwettige machtsovername, ons land niet gerepresenteerd mocht worden door de gebruikelijke functionaris. Hiermee werd dus op discrete wijze aangegeven dat Nederland ondanks de vriendelijkheid van de dictator niet anders was gaan denken over zijn regime.

Geen van de ambassadeurs was voorstander van een al te hoog geheven vingertje van de Nederlandse regering en meerdere malen werd bepleit dat de veiligheid van de Nederlanders en andere buitenlanders hierdoor gevaar zou lopen. Ergo: zowel op individuele basis als in samenwerking met andere staten moest ons land zoveel mogelijk afzien van kritiek op Kampala. Zo bereikte Van der Stoel in september 1977 het volgende advies: ,,Europa doet er beter aan zich niet tot deze psychopathische moordenaar te richten, zolang onze eigen belangen en met name het welzijn van onze mensen in het geding zijn." Zolang het volk altijd nog zichzelf weet te voeden, zullen dergelijke maatregelen bijna geen negatieve invloed op het Amin-bewind hebben. De militaire structuur zal dankzij Libië of anders de Sovjet-Unie intact blijven. Het was zelfs zo dat: ,,de laatste restjes Westelijke beschaving en onze kansen op invloed zouden aldus op zeer korte termijn en wellicht voorgoed uit het land worden weggevaagd."

Stelden onze ambassadeurs zich wellicht niet té voorzichtig op? Amin heeft zich immers niet laten verleiden tot acties tegen Nederlandse onderdanen of bedrijven. Maar dat konden deze heren natuurlijk niet op voorhand weten. De moord op de Britse passagier na de kaping op Entebbe bewees dat Big Daddy in principe niet zou terugdeinzen voor dergelijke acties. Daarbij heeft ongetwijfeld in hun achterhoofd meegespeeld dat zij natuurlijk als eerste zouden worden aangesproken op stappen van de Nederlandse regering. Zo klaagde bij het afscheidsbezoek van ambassadeur Polderman in mei 1974 zowel Amin persoonlijk als minister van Buitenlandse Zaken Bagaaya over de voor hen onbegrepen Nederlandse handelswijze. Zij verlangden naar hervatting van ontwikkelingsgelden. In oktober 1978 wees onderminister van Buitenlandse Zaken Lugeba Van Schaik nogmaals op eerdere toezeggingen vanuit Den Haag. Veel meer dan enige sussende woorden spreken en de Oegandese onvrede mededelen konden de ambassadeurs niet doen.

Tot de dood van aartsbisschop Luwum in februari 1977 had Amin nog respect getoond voor de Kerk. Maar met deze moord bleek dat niemand in Oeganda zijn leven echt zeker was. Uit veiligheidsredenen werd in april 1977 door het ministerie besloten dat de uitzending van Nederlandse deskundigen, zoals artsen en technici, zou worden stopgezet. Nederland liep met deze beslissing enigszins achter bij de andere Westerse landen, aangezien de meeste EG-lidstaten hiertoe al in 1972 waren overgegaan. De Nederlanders in Oeganda werden niet teruggehaald; zolang hun levens niet in direct gevaar waren, zag Den Haag hier de noodzaak niet van in. Ondanks zijn eerder getoonde bezorgdheid stond ook Fein achter deze beslissing. Hij adviseerde zelfs medefinancieringprojecten meer te bevorderen, zodat goedwillende elementen in de samenleving een hart onder de riem werd gestoken.

Dit laatste advies hield ongetwijfeld verband met de goede relatie die Fein had opgebouwd met onderminister Lugeba. Tijdens het afscheidsbezoek van Fein vertelde deze de ambassadeur zelfs in een gesprek, met een zeer persoonlijk karakter, dat het Westen er verkeerd aan deed zich af te keren van Oeganda. De geringe diplomatieke aanwezigheid, de beperkte economische relaties en eventuele maatregelen tegen Oeganda zorgden ervoor dat Amin zich wel eens kon keren naar de Sovjet-Unie. Juist de Britten, die Amin "gecreëerd" hadden, lieten het Oegandese volk met de gebakken peren zitten. Fein liet nogmaals weten dat het mensenrechtenvraagstuk in Oeganda debet was aan de Westerse houding. De ambassadeur rapporteerde DAM dat hij dacht dat Lugeba insinueerde ook namens anderen deze meer dan opmerkelijke boodschap te willen meegeven.

Hun verantwoordelijkheid als Nederlandse ambassadeur over de in Oeganda verblijvende landgenoten zorgde ervoor dat de excellenties Polderman, Fein en Van Schaik Den Haag afremden in eventuele stappen tegen Oeganda. Daar kwam bij dat zij meenden dat zolang er genoeg te eten was, er van een volksopstand niets zou komen en dat acties van Nederland enkel een boemerangeffect zouden bewerkstelligen. De eerste opvatting lijkt mij beslist een kern van waarheid te bezitten, maar aan de hand van bijvoorbeeld de opstand van de officieren van het Lugbaravolk in 1974 hadden de ambassadeurs kunnen afleiden dat er wel degelijk Oegandezen waren die Amin uit de weg wilden ruimen. De staatsgreep van Amin zelf bewees dat een massale volksopstand geen vereiste hoefde te zijn voor een succesvolle machtsovername. Belangrijker was echter de tweede opvatting: maatregelen werken averechts. Het opgeschorte ontwikkelingsgeld werd door het Amin-bewind wel degelijk gemist. Niet voor niets werd er steeds aan de ambassadeur om hervatting van de steun gevraagd. Het dilemma van het lot van de Nederlanders in Oeganda versus protest tegen Amin blijft ook achteraf onopgelost. Tenslotte moet worden toegegeven dat sancties inderdaad niet van doorslaggevende aard zouden zijn geweest, zoals in de volgende paragrafen nog duidelijk zal worden.

{mospagebreak}
Economische zaken
Het Nederlandse bedrijfsleven had Oeganda niet gemeden na de onafhankelijkheid. Koninklijke Shell, Philips, Twentsche Overzeese Maatschappij en koploper Unilever hadden eind 1972 allen enige miljoenen guldens, variërend van drie tot zes miljoen, in "de Parel van Afrika" geïnvesteerd. Het vroegtijdige einde van Obote"s socialistische plannen kwam deze Nederlandse multinationals niet ongelegen, maar het onkundige en corrupte bewind van Amin, gekenmerkt door gierende inflatiecijfers en een chaotisch bankwezen, bracht geen verbetering.

Na de uitzetting van de Aziaten kregen ook deze bedrijven te kampen met alle problemen samenhangend met het sociaal-maatschappelijk vacuüm in Oeganda. Fein was in maart 1976 een week op dienstreis geweest in Oeganda. Hij rapporteerde dat de economische situatie slecht was en slechter dreigde te worden. Het incompetente beleid van de president en zijn naaste medewerkers was hiervoor verantwoordelijk. Het feit dat er geen hongersnood heerste, was alleen te danken aan de vruchtbare grond en het gunstige klimaat. Wel schreef Fein: ,,Het schijnt dat de frequentie van zotte maatregelen iets begint af te nemen". Zo had Amin het Westen de laatste tijd niet om oorlogstuig maar om economische adviseurs gevraagd. De rode draad in de boodschap van de ambassadeur veranderde evenwel niet. Eind 1977 waarschuwde ook zijn opvolger van Schaik nog maar eens: ,,Ik zou het Nederlandse bedrijfsleven willen waarschuwen tegen de schijnwelvaart in Oeganda. Eventuele leningen uitsluitend [verstrekken] tegen cash vooruitbetaald, onder geen beding [het doen van] investeringen."

In juni 1978 voerde Van Schaik een gesprek met een vooraanstaande adviseur van Amin, de Pakistaan Ahmed Riazubbin. Behalve dat deze raadgever een hernieuwde groei van de koffie-export verwachtte, hoopte hij
Bericht geplaatst in: artikel