VERENIGDE OOSTINDISCHE COMPAGNIE

Geplaatst op 1 januari 2005
Op 20 maart is het VOC-jaar officieel geopend. Ook Histocasa besteed aandacht aan de Verenigde Oostindische Compagnie. In een kort artikel van Wim Schüling wordt uit de doeken gedaan wat de VOC nou eigenlijk was. In dit inleidende stuk wordt ingegaan op het begin van de VOC, het verkrijgen van kapitaal voor ondernemingen en de organisatie van de Compagnie en het bestuur van deze organisatie. Ook thema’s als de uitbreiding van het gebied in Indië, en de handel zullen behandeld worden. Tenslotte zal er gekeken worden naar de eindperiode van de VOC..
Inleiding
In het jaar 2002 viert men het feit dat de VOC (Vereenigde Oost-Indische Compagnie) 400 jaar geleden opgericht werd. Veel mensen weten wel oppervlakkig iets van de VOC, maar echt ver reikt hun kennis niet. Toch is dit niet terecht. De VOC was de eerste multinationale onderneming ter wereld en was tijdens haar bestaan een van de machtigste bedrijven in de Hollandse republiek. Ongeveer gelijk met de Republiek was de Compagnie op het hoogtepunt (1680) van haar macht. Op haar toppunt verschafte de Compagnie werk aan enige tienduizenden mensen, werd een vloot in stand gehouden van meer dan 100 schepen en werden in de periode tussen 1595 en 1795 bijna 4800 reizen naar Azië gemaakt. Tevens had de VOC beschikking over tientallen factorijen in Azië die een heel handelsnetwerk verzorgden in Azië zelf, maar ook betrekkingen onderhielden met Europa. Maar niet alleen factorijen stonden onder controle van de VOC, hele landstreken en eilanden waren het bezit van de VOC. De gebieden die de VOC beheerde waren het begin van de latere Nederlandse kolonie Nederlandsch-Indië.

In dit inleidende stuk zullen we ingaan op het begin van de VOC, het verkrijgen van kapitaal voor ondernemingen en de organisatie van de Compagnie en het bestuur van deze organisatie. Ook thema"s als de uitbreiding van het gebied in Indië, en de handel zullen behandeld worden. Tenslotte zal er gekeken worden naar de eindperiode van de VOC.

Begin van de VOC
De wortels van de VOC zijn voor een belangrijk deel terug te vinden in de problemen die de Hollandse kooplieden ondervonden in de handel in peper. De pepermarkt was voor een groot deel in handen van de Portugezen. De peper werd vanuit Azië aangevoerd en vanuit Portugal verder over Europa verspreid. De aanvoer van peper naar de Hollandse kooplieden begon mede onder invloed van de Opstand op te drogen. De Spaanse kroon wilde de Republiek treffen, door handel met de vijand in te perken en peper viel daar ook onder. De prijs van peper in de Republiek steeg onder andere door deze maatregelen. De prijsstijging was echter een Europees verschijnsel. De aanvoer van peper naar Portugal had ernstig te lijden onder aanvallen van Engelse kapers en na 1592 nam de aanvoer van peper flink af. Deze prijsstijging had tot gevolg dat het voor de Hollandse kooplieden interessant werd om zelf de peperverkoop ter hand te nemen. De mogelijkheden om zelf een expeditie naar Azië te ondernemen waren in de Republiek aanwezig: kapitaal was er in de Noordelijke Nederlanden voldoende aanwezig. Misschien nog wel belangrijker was dat men ook beschikte over de kennis om naar Azië te varen. De cartografie had aan het einde van de 16e eeuw grote sprongen gemaakt en de vaarroutes waren niet meer exclusief in Portugese handen. Ook beschikte men in de Noordelijke Nederlanden over kennis van zeelieden die de reis naar Azië al een keer gemaakt hadden.

In 1594 werd een vloot uitgerust die Azië als bestemming had. Men ging echter via het noorden, aangezien men de Portugezen wilde ontwijken, maar ook omdat men dacht dat de reis via het noorden korter zou zijn. Deze reizen naar het noorden leidden ondermeer tot de bekende overwintering van Barentz op Nova Zembla in 1596, maar waren geen van allen een succes. Intussen was er in april 1595 een kleine, maar zwaar bewapende, vloot van vier schepen, Amsterdam, Duyfken, Hollandia en Mauritius vertrokken via de zuidelijke route en na vijftien maanden bereikte de vloot inderdaad Bantam. Augustus 1597 bereikte de vloot de thuishaven weer. Commercieel gezien was de reis zeker geen groot succes, maar de kooplieden waren enthousiast geworden over het feit dat het mogelijk was om naar Azië te varen.

Direct nadat het nieuws over de terugkeer van de vloot bekend was geworden ontstond er in de Republiek grote activiteit. Kooplieden hoopten op enorme winsten en deden hoge, zeer risicovolle investeringen in compagnieën die vloten naar Azië wilden sturen. In Amsterdam, Middelburg, Rotterdam en Veere werden compagnieën opgericht en de Amsterdamse Oude Compagnie zond al in 1598 een succesvolle vloot van acht schepen naar Azië. Gesterkt door dit succes zonden de voorcompagnieën van de eerder genoemde steden tussen 1595 en 1602 65 schepen uit waarvan er bijna 50 terugkeerden. Binnen een decennium was Portugal naar de tweede rang verwezen en de Portugezen waren ook niet in staat om dit tij te keren.

Het grote aantal compagnieën zorgde echter voor een versplintering van kapitaal en de grote concurrentie tussen de Zeeuwse en Amsterdamse compagnieën had tot gevolg dat de winstmarges daalden. Onder druk van raadspensionaris Van Oldenbarnevelt werden de kooplieden gedwongen om samen te werken. In 1600 sloten zich de Zeeuwse kooplieden aaneen tot de Verenigde Zeeuwse Compagnie en ook in Amsterdam besloten kooplieden om samen te gaan werken. In andere steden stonden echter weer nieuwe compagnieën op het programma, zodat het gevaar van versplintering aanwezig bleef.

Tenslotte werd onder druk van de Staten-Generaal besloten om alle kooplieden die zich richtten op de vaart naar Azië te bundelen in één compagnie. Het "octroy opte vereenige der compagnieën" werd op 20 maart 1602 door de Staten-Generaal aangenomen en was de basis van de VOC. In het octrooi werd bepaald dat de compagnie een monopolie kreeg voor 21 jaar voor de vaart op Azië ten oosten van Kaap de Goede Hoop en door de Straat van Magelhaes. Voorts kreeg de VOC toestemming om in Azië fortificaties te bouwen uit naam van de Staten-Generaal. Ook de verdragen die eventueel gesloten werden golden als door de Staten-Generaal afgesloten.

De voorcompagnieën in de steden Amsterdam, Delft, Enkhuizen, Hoorn, Middelburg en Rotterdam werden omgevormd tot zes kamers die het bestuur van de VOC op zich namen. De verdeelsleutel was als volgt: de Amsterdamse kamer kreeg een bevoegdheid van 50%, de Zeeuwse kamer 25% en de andere vier kamers 6,25%. In de praktijk hield deze verdeling in dat Amsterdam de boventoon voerde, ook al omdat de Amsterdamse kamer meestal meer dan de helft van het benodigde vermogen inbracht. Het kapitaal werd voor de duur van tien jaar ingelegd en de bewindvoerders waren niet in persoon aansprakelijk voor eventueel verlies. Het kapitaal was afkomstig van beleggers die gelokt door de grote winst van de "eerste schipvaart" grote bedragen inlegden. Dit verkregen kapitaal werd na een periode van tien jaar volledig teruggegeven aan de aandeelhouders. De VOC was niet geheel aangewezen op aandeelhouders om kapitaal te verkrijgen. Vrijwel vanaf het begin leende de VOC ook geld op de kapitaalmarkt. Vanaf 1622 gaf de VOC ook obligaties uit voor het geleende geld. Tot 1665 waren dit kortlopende obligaties van zes maanden of later een jaar. Verder waren er nog de "anticipatiepenningen". Deze vorm van krediet hield in dat kooplieden een voorschot gaven op komende veilingen. Deze voorschotten werden dan op rekening van de Compagnie gestort. De kooplieden kregen rente voor hun voorschot en zij verkregen preferentie bij de aankoop van specerijen op de veilingen van de VOC. Het nadeel van deze manier van kredietverschaffing was dat de VOC te kampen had met hoge, snel opeisbare schulden waartegenover geen snel realiseerbare activa gesteld kon worden. De hele 17e eeuw door had de VOC te kampen met schuldenlast waar men niet vanaf kon komen. Weliswaar werden er schulden afgelost, maar net zo snel werden er weer nieuwe schulden gemaakt. In 1672 moest de VOC zelfs de aflossing op de obligaties stopzetten. Dankzij de bescherming van de Staten-Generaal kreeg de Compagnie geen problemen met de schuldeisers, maar zelfs een verruiming van het krediet. In 1685 kwam er een gedeeltelijke aflossing op de schulden. Bij deze gelegenheid werden de participanten voor de keus gesteld; of verzilvering van de obligaties of een omzetting van de obligaties naar een onopeisbare vorm met een laag rentepercentage van 3,5%. Aangezien nogal wat van de obligatiehouders hierop ingingen was de VOC in staat om een permanent eigen vermogen te scheppen. Een voordeel dat de Europese concurrenten lange tijd zouden moeten ontberen.

Vanaf 1630 keerde de Compagnie bijna jaarlijks dividend uit. De hoogte van de vergoeding werd door de Heren XVII rond augustus of september bepaald als de retourvloot binnengekomen was. Echter wel nog voor de verkoop van de lading en het opmaken van de jaarrekening. Het dividend was gebaseerd op de verwachte opbrengst van de verkopen. Dit was mogelijk aangezien het grootste deel van de lading bestond uit specerijen waarvan men vrij goed wist hoe groot de markt was en wat de prijs ervan was. Tevens werd ook de aanvoer van de Engelse en Portugese concurrentie in de gaten gehouden. De uitgifte van dividend werd door de VOC ook wel benut om concurrentie uit de markt te drukken. Tussen 1630 en 1644 werd het dividend uitgekeerd in nagelen om via dumping de Engelsen te benadelen. Na 1644 werd het dividend weer in geld uitbetaald tot de financiële moeilijkheden op de geldmarkten door het "rampjaar" dit niet meer toelieten.

Organisatie van de compagnie en het bestuur van de organisatie
De VOC was in de 17e eeuw een ongekend groot bedrijf. De Compagnie kende zelfs al enkele overeenkomsten met moderne bedrijven, zoals een aandelenkapitaal. Het beleid dat gevoerd werd door de Heren Zeventien werd (in theorie) gekenmerkt door een rationele benadering, die losstond van een persoonlijke voorkeur en ook niet door één persoon bepaald kon worden.

Het bestuur van de VOC viel uiteen in twee delen: er was een bestuurlijk gedeelte dat gevestigd was in de Republiek en een gedeelte dat gevestigd was in de Aziatische delen. De basis van de VOC in de Republiek vormden de zes bewindhebberscolleges van de steden waar de voorcompagnieën gevestigd waren. De zes kamers waren de uitvoerders van de besluiten van de Heren XVII. De kamer van Amsterdam telde totaal 20 bewindhebbers die ½ deel van de VOC-activiteiten voor haar rekening nam. De kamer van Zeeland bestond uit 12 bewindhebbers en nam ¼ deel van de VOC-activiteiten voor haar rekening. De kamers van Delft, Enkhuizen, Hoorn en Rotterdam telden allemaal 7 bewindhebbers en verzorgden 1/16e deel van de VOC-activiteiten. De macht van de kamer van Amsterdam springt hier dus duidelijk in het oog. De kamer van Amsterdam concentreerde zich op vier verschillende beleidsterreinen: equipage, hieronder verstond men de bouw, onderhoud en uitrusting van de schepen en het monsteren van matrozen en soldaten voor Azië. Het pakhuis, dit was de administratie van goederen. Verder hield men zich hier bezig met het horen en aannemen van predikanten. De ontvangst hield zich bezig met het toezicht op de kas en het verzorgen van geldmiddelen, zoals het inkopen van edelmetaal voor de handel in Azië. De rekenkamer tenslotte hield toezicht op de boekhouding en de administratie van de actiën.
Vanuit deze kamers werden afgevaardigden gekozen die zitting hadden in de Heren Zeventien. Dit hoogste bestuurscollege van de VOC telde, zoals de naam al aangeeft, zeventien leden. De kamer van Amsterdam leverde acht leden, Zeeland vier leden en de kamers van Delft, Enkhuizen, Hoorn en Rotterdam leverden allemaal één lid. Bij toerbeurt mochten alle kamers behalve Amsterdam nog een extra lid afvaardigen. Op deze manier werd voorkomen dat Amsterdam een oppermachtige positie kon verkrijgen. In de praktijk gebeurde dit vaak wel. Het hoogste college was niet permanent bijeen. Drie maal per jaar, of na 1740 twee maal, werd er een vergadering belegd die afhankelijk van de hoeveelheid onderwerpen één tot vier/vijf weken vergaderde. Deze vergaderingen vonden zes jaar in Amsterdam plaats, daarna werd Middelburg voor twee jaar gekozen als vergaderplaats. Aangezien de Heren XVII zelf geen eigen bestuursapparaat tot de beschikking hadden werd er tijdens vergaderingen gebruik gemaakt van het apparaat van de gaststad. Belangrijke punten die tijdens de vergaderingen behandeld werden waren onder andere: vaststellingen van het tijdstip en de voorwaarden voor de veilingen van de uit Azië ontvangen goederen, het vaststellen van de equipage, dus het aantal uit te zenden schepen, manschappen en de hoeveelheid goederen voor Azië, een voorlopige vaststelling van de waarde van het te exporteren goud en zilver naar Azië, een voorlopige vaststelling van de goederen die men uit Azië wilde ontvangen. Deze punten moesten altijd wel flexibel behandeld worden aangezien men niet precies wist hoe groot de handelsstromen uit Azië precies waren. Ook waren er altijd verzoeken van uit Batavia aanwezig over bijvoorbeeld het sturen van extra soldaten of geld, zodat men daar rekening mee moest houden. Om niet helemaal in het duister te hoeven tasten over bedragen bepaalde men dat de datum van de vergadering gehouden moest worden na aankomst van de retourvloot. Deze kwam vaak rond het einde van augustus, begin september binnen. Sommige vertraagde schepen kwamen echter ook wel rond november binnen. De tweede vergadering vond plaats in februari of maart en hier stonden vooral de rapporten centraal die de opbrengsten van de veilingen aangaven. Op alle vergaderingen werd tevens een opgave gedaan van de financiële situatie van de Compagnie. Op deze financiële verslaggeving is echter vooral in later tijden veel kritiek gekomen, omdat deze te weinig informatie aan de Heren Zeventien zou verschaffen en dus een goed beleid onmogelijk zou maken. Inderdaad kan gesteld worden dat de administratie te wensen overliet, maar dat de beleidsmakers daar voor zover mogelijk goed mee omgingen.
Een zwak punt in de vorming van het beleid was de tijd die verstreek tussen aanvraag bij de Heren XVII en het antwoord dat daarop gegeven werd. Kort nadat de retourvloot binnen was gekomen ging er al weer een vloot op weg naar Azië. Punten die een grote organisatie vroegen, zoals het sturen van soldaten moesten dus wachten tot er een latere vloot wegging, omdat men deze niet tijdig bijeen kon krijgen. Gemiddeld zat er ongeveer 30 maanden tussen een aanvraag en het ontvangen van de toestemming van de Heren Zeventien.
De Heren XVII werden geadviseerd door verschillende commissies, die ook voorbereidend beleidswerk verrichtten voor de Heren Zeventien. De commissies namen de Heren XVII belangrijk werk uit handen waar de heren zelf geen tijd voor hadden, zo was er een commissie voor controle op de boekhouding, het opmaken van de jaarlijkse balans, het bijwonen en controleren van de veilingen en tenslotte het "Haagse Besogne". Dit belangrijke adviescollege behandelde de correspondentie met de Hoge Regering in Azië en andere VOC-bestuurders in Azië.

Een belangrijke adviesfunctie verrichtte ook de Advocaat. Deze "directiesecretaris" was aanwezig bij vergaderingen van de Heren Zeventien en van de bijeenkomsten van het "Haags Besogne". De Advocaat voerde verscheidene opdrachten uit voor de Heren Zeventien en kon zo een belangrijke stempel drukken op het beleid dat de VOC voerde.

Het bestuur in Azië viel uiteen in twee bestuurslagen. In buitengewesten waar de VOC een territoriaal gezag uitoefende zorgden een Gouverneur en een Raad van Politie voor de uitvoering van het VOC-gezag. In de minder belangrijke nederzettingen zorgden Commandeurs, Gezaghebbers, Residenten, Opperhoofden en de Raad voor de uitvoering van het VOC-gezag. In buitengewesten waar de VOC geen territoriaal gezag voerde waren een Directeur en de Raad verantwoordelijk voor de uitvoering van het VOC-beleid.
Uit deze drie lagen werden dan weer leden benoemd die zitting hadden in de Raad van Indië, die samen met de Gouverneur-Generaal de hoogste bestuurslaag in Azië vormden. Deze bestuurslaag correspondeerde rechtstreeks met de Heren XVII en het "Haags Besogne". Uit deze communicatie werd dan weer het beleid geformuleerd aangaande Azië.

De uitbreiding van het gebied in Azië
In de 17e en 18e eeuw legde de VOC de basis voor het gebied dat later bekend zou worden als Nederlandsch-Indië. Hoewel de VOC bedoeld was als handelsonderneming, veroverde de compagnie grote gebieden. Deze verovering is bijzonder opvallend. Zeker als men in aanmerking neemt dat de grote (technische) overmacht van de Europeanen in de 17e eeuw nog helemaal niet bestond. Weliswaar waren de Europese vuurwapens beter dan de Aziatische wapens, maar te land en in vooral in het woud hadden de vuurwapens een beperkt effect. Ter zee waren de westerse schepen met hun kanonnen wel superieur. Voor de rest waren de Hollanders veel zwakker: mogelijkheden van transport waren niet overvloedig aanwezig, zodat men relatief weinig soldaten aan kon voeren, de Aziatische bevolking was altijd in de meerderheid en veel Europese soldaten stierven aan ziekten. Expedities landinwaarts waren dan ook vrijwel niet mogelijk.

Een botte oorlogspolitiek die gericht was op veroveringen behoorde dan ook niet tot de mogelijkheden. Het primaire doel van de VOC was echter ook niet gericht op het voeren van oorlog tegen Aziaten. De grote vijand was vooral Portugal en de Portugezen waren slechts beperkt aanwezig in Azië. Toch kwamen er al spoedig conflicten met Aziatische tegenstanders. De Portugezen hadden vaak verdragen gesloten met Aziatische bondgenoten of de VOC beschuldigde haar bondgenoten of warenleveranciers ervan zich niet aan de overeenkomsten te houden. Het hing in dergelijke gevallen vaak van de Aziatische staatkundige structuur af of de Compagnie daadkrachtig in kon grijpen. Militair ingrijpen was vaak goed mogelijk in de Indonesische Archipel waar er veel kleine rijkjes waren die in hoge mate afhankelijk waren van de overzeese handel. Deze handel kon in geval van oorlog makkelijk door de maritieme macht van de VOC uitgeschakeld worden. In landen waar een sterkere staatkundige structuur heerste, zoals India en in Perzië kon de VOC minder makkelijk de aanval kiezen. Diplomatiek en behoedzaam optreden was in deze landen een veel betere politiek. In landen waar een ronduit sterke staatsmacht aanwezig was, zoals China en Japan, werd de Compagnie getolereerd maar mee ook niet. De VOC had in deze landen niets te vertellen en moest doen wat er door de machthebbers opgedragen was. De VOC moest zich voegen naar de door de overheid gestelde handelsvoorwaarden. In China en Japan beperkte de aanwezigheid van de VOC zich dus tot zuiver commerciële activiteiten, want meer zat er niet in voor de Compagnie. Nu dient ook gesteld te worden dat de VOC zich primair toelegde op de handel en dat veroveringen vaak een onbedoelde bijkomstigheid waren.

De vroege "oorlogspolitiek" van de VOC richtte zich vooral op het breken van de macht van de Portugezen. In dit opzicht was de oorlog tegen de Portugezen een voortzetting van de oorlog tegen Spanje. Portugal maakte in deze tijd deel uit van het Spaanse rijk en de Republiek greep dit gegeven aan om ook in Azië Portugal te bestrijden. De eerste jaren van oorlog tegen Portugese vestigingen in Azië waren echter onsuccesvol en de VOC leed een aantal kostbare nederlagen. Op grond van deze dure lessen besloot men om over te gaan op een andere tactiek: de Heren Zeventien besloten dat er een centraal gezag moest komen, bijgestaan door een Raad. Verder wilde men dat er een plaats moest komen die kon dienen als ontmoetingsplaats voor de schepen en waar er een stapelmarkt ingesteld kon worden. Deze plaats moest tevens gaan dienen als zetel voor het centrale gezag. Als laatste wilden de Heren XVII het monopolie op de specerijen nog meer bij de strijd betrekken om zo een beheersing van de eilanden en waterwegen te verkrijgen.

Na het benoemen van een Gouverneur-Generaal was het voor de VOC in Azië van groot belang om een veilige centrale stapelplaats te verkrijgen. Uiteindelijk verkoos men Batavia op noordkust van Java. Veilig was Batavia echter pas rond 1680. In de tussentijd moest er strijd worden gevoerd met Europese concurrenten en nabije vorstendommen.
Het verkrijgen van een monopoliepositie voor specerijen leverde de VOC nog meer problemen op. De handel voor een product als peper was te groot om deze over te nemen en men had te maken met machtige concurrenten als de Chinezen en minder machtige landen als de Engelsen, Portugezen, Spanjaarden en Aziaten. Had de VOC eenmaal een monopolie verkregen dan kwamen er andere problemen om de hoek kijken. Vaak was de VOC bij lange na niet in staat om zelf te zorgen voor een voldoende hoeveelheid ruilgoederen. Dit had tot gevolg dat de handelspartners van de VOC zich noodgedwongen tot concurrenten moesten wenden. Deze, volgens de VOC, ongeoorloofde handel, werd door de Heren Zeventien met misnoegen aanschouwd en in het geval van de nootmuskaathandel besloot men tot militair ingrijpen. In 1622 werden de Banda-eilanden aangevallen. Onder leiding van Coen werd Banda volledig ontvolkt. Na een nieuwe kolonisatie door de Compagnie kwam de nootmuskaat- en foelieproductie weer op gang. Sinds 1622 had de VOC een volledig monopolie op nootmuskaat en foelie. In andere delen van de Indonesische archipel was de macht van de VOC veel minder sterk aanwezig. Teveel concurrentie en sterkere staten zorgden ervoor dat de Compagnie voorlopig geen overheersende rol in de rest van de Indonesische archipel kon gaan spelen.

De specerijen die de VOC naar Europa aan wilde voeren werden over het algemeen betaald met textiel uit India. De Europese textiel was minder goed van kwaliteit en daar kwam nog bij dat de Europese textiel veel te lijden had van de langen zeereis. De VOC probeerde daarom al snel toegang te krijgen tot de textielmarkt in India om zo aan ruilgoederen te komen. De handelsdoeleinden die de VOC zich hier stelde waren veel minder omvangrijk dan het verkrijgen van een specerijmonopolie in Indië en men besloot daarom minder agressief op te treden dan in de archipel. Het zou bovendien ook heel moeilijk geweest zijn om in dit gebied een succesvolle militaire actie te ondernemen. India kende in het noorden een krachtige heerschappij van de Groot-Mogols en in het zuidwesten van India was rond de stad Cochin de macht van de Portugezen geconcentreerd. Militair gezien was het voor de VOC haast niet mogelijk om met de (beperkte militaire middelen) succesvol in te grijpen en zo een machtspositie te verkrijgen. Ook verder westwaarts had de VOC weinig succes in het stichten van handelsnederzettingen. Hier was er vooral concurrentie van de Engelse EIC. Na enkele mislukte pogingen liet de Compagnie de handel met Perzië verder grotendeels zitten en concentreerde zich vooral op de handel met Indië. De VOC zocht haar steunpunten daarom aan de andere kant van India aan de Coromandel, de oostkust van India. De Compagnie kreeg hier het recht om factorijen te stichten en er werden gunstige handelsovereenkomsten gesloten. In de stad Paleacatte werd een VOC-directie opgezet die de handel met de archipel moest delegeren.

In Ceylon had de VOC veel succes in het verkrijgen van een handelsmonopolie door middel van geweld. Ceylon was het belangrijkste kaneeleiland, maar werd beheerst door de Portugezen. In 1637 besloot de VOC mee te doen in een oorlog tegen de Portugezen die door de koning van Kandy begonnen was om van de Portugezen af te komen. Na aanvankelijke successen tegen Portugal stelde de VOC echter dusdanig onmogelijke voorwaarden aan de koning van Kandy dat er tussen de koning en de VOC een oorlog uitbrak die door de VOC gewonnen werd. Tegen 1660 was Ceylon stap voor stap veroverd en bezat de VOC een monopolie op de handel in kaneel en ook had men een belangrijk deel van de pepermarkt in handen gekregen. Niet alleen had men belangrijke handelsgebieden verkregen, maar ook strategisch had de VOC een sterke positie ingenomen. De Straat van Malakka was in het bezit van de VOC gekomen en men kon concurrenten de toegang tot deze gebieden ontzeggen. Zelf kon de VOC een directe handel op gaan zetten met de archipel en zo een ruilhandel verzorgen die zo hard nodig was om de handel met de Republiek aan de gang te houden.
Veel minder succes had de VOC in het Verre Oosten waar men probeerde een gunstige handel op te zetten met China en Japan. Na aanvankelijke successen in China liep de handel steeds verder terug en de Compagnie trok zich van het Chinese vasteland terug op Formosa. Het handelsvolume en de winstmarges waren echter te klein en de VOC liet de handel met China over aan de traditionele jonkenhandel. In Japan werd de VOC door de Japanners slechts geduld. Door de krachtige regering was het voor de VOC niet mogelijk om in de Japanse binnenlandse situatie in te grijpen. Zelfs was de VOC niet in staat om voorwaarden te stellen. Integendeel, het was de Japanse regering die de voorwaarden aan de VOC dicteerde. Zo kon het gebeuren dat de VOC-dienaren in 1641 op het kleine eilandje Deshima geplaatst werden en volledig afgezonderd werden van de Japanse bevolking. De VOC kon zich echter gelukkig prijzen want andere handelscompagnieën werden helemaal niet toegestaan door de Japanners.

Kerngebied van de VOC bleef echter de Indonesische archipel waar de VOC krachtig aanwezig bleef. Waar de VOC in andere gebieden in de loop van de 18e eeuw toch meer terrein begon te verliezen aan concurrenten of gebied verloor aan inlandse vorsten, bleef de VOC in Indië krachtig aanwezig. Via interventies bij onderlinge ruzies was de VOC vaak zelfs in staat om haar gebied nog weer uit te breiden. Dit ging vaak niet volgens een bedoeld plan. De Compagnie had rust nodig aan haar grenzen en kon daarom niet toestaan dat er oorlogen uitgevochten werden die de handel konden destabiliseren. Men kan in dit geval ook wel spreken van "reluctant imperialism", het onvrijwillige imperialisme. Het zou echter te ver gaan om er vanuit te gaan dat alle veroveringen toevallig waren. Tegen de Portugezen werd een doelbewuste politiek gevoerd en ook in andere gevallen voerde de VOC een bewuste veroveringspolitiek.
 
Handel van de VOC
De handel van de VOC bestond in Azië uit een aantal handelsstromen die elkaar in stand hielden. Deze stromen stonden uiteindelijk echter allemaal in dienst van de handelsstroom naar de Republiek die de echte winsten moest brengen.

De VOC was in Azië een nieuw onderdeel in de handel, maar waarschijnlijk was het wel zo dat de Compagnie een plaats veroverde in een al bestaande handelsstroom. Een wezenlijk nieuw element was de VOC dus niet. Wel voerde de VOC noviteiten in die de handel in Azië veranderden. De stapelmarkt kan hier als voorbeeld dienen. Door haar uitgebreide handelsnetwerk was de VOC ook in staat om de verschillende prijzen in verschillende gebieden te vergelijken. Hier moet gelijk wel een kanttekening bij geplaatst worden. De grote afstanden maakten de markt alsnog zeer ondoorzichtig en het kon voorkomen dat bepaalde prijzen intussen veranderd waren, maar ondanks deze essentiële problemen was de Compagnie de concurrentie op dit gebied toch ver voor.

Vanuit de Republiek voeren in de 17e eeuw de schepen met bestemming Indië twee keer per jaar uit. De eerste keer was rond Pasen en de tweede keer rond de Kerst. Het vertrek in kerst bracht als voordeel voor de reis dat men over nog redelijk vers voedsel kon beschikken. Verder waren er meer zeelieden beschikbaar omdat andere zeeroutes stillagen. Tenslotte hadden de kerstschepen het voordeel dat ze bij de evenaar in het gunstige seizoen aankwamen. De paasschepen misten dit laatste voordeel. Daartegen stond echter wel weer dat de kerstschepen het nadeel hadden dat ze in het stormachtige seizoen de Noordzee en de Atlantische Oceaan op moesten. Vanaf 1636 kwam er een derde vloot bij. Deze schepen vertrokken al in september of oktober en moesten naar Batavia om tijdig berichten door te kunnen geven. Ook hadden de schepen goederen bij zich die naar de factorijen in India, China en Japan moesten. Naarmate de 17e eeuw vorderde, voeren er steeds meer schepen uit buiten de drie reguliere periodes en in de 18e eeuw voeren de schepen naar Azië af en aan.

De VOC-schepen voeren volgens vastgelegde routes naar Indië. De schepen zeilden door het Kanaal of achter Engeland om de Atlantische Oceaan op. Eenmaal bij de evenaar aangekomen moesten de schepen nauwkeurig een uitgestippelde route volgen om niet in de Bocht van Guinee terecht te komen of anderzijds bij een te westelijke koers naar het noorden af te drijven. Was dit lastige punt eenmaal gepasseerd voeren de schepen met een grote boog langs de Zuid-Amerikaanse kust naar Kaap de Goede Hoop. Na dit verplichte verversingsstation koersten de schepen richting Australië en konden gebruik maken van de goede winden rond de 40ste breedtegraad. Eenmaal in de buurt van Australië aangekomen zette men koers naar het noorden naar Batavia. Na acht tot negen maanden kwamen de schepen in Indië aan. De retourschepen konden door gunstige winden een directere route nemen en vertrokken rond december of januari. Eenmaal bij Kaap de Goede Hoop aangekomen namen de retourschepen dezelfde route als de schepen die naar Indië gingen. Op de Noordzee werden de schepen opgewacht door kruisers van de Compagnie en oorlogsschepen die bescherming konden bieden aan de vloot.

De schepen die vanuit de Republiek naar Azië vertrokken waren voor een deel altijd leeg. Europese goederen waren in Azië niet erg gewild of waren gewoon te duur en de schepen moesten vaak grote hoeveelheden goud en zilver meenemen om de onevenwichtige handelsbalans recht te trekken. De VOC probeerde daarom edelmetaal in Azië zelf te verwerven, maar dit bleek niet mogelijk. Het aangevoerde metaal werd omgesmolten tot Spaanse realen die in heel Azië gangbaar waren. Door de grote vraag ontstond er een tekort aan realen en de VOC besloot daarom om zelf munten te slaan. Goud werd vooral meegegeven aan schepen die op Ceylon voeren. Van het goud kocht men op de zuidkust van India vooral textiel dat voor de handel bedoeld was. Ook werd er baar zilver naar Indië verscheept alwaar het omgesmolten werd tot lokale munten. Eigen VOC-munten werden in de Republiek geslagen en men kan stellen dat het overgrote deel van de kleine munten die in de Republiek geslagen werden in de 18e eeuw voor de VOC bestemd waren. De bepaling waarde van het edelmetaal zorgde echter voor grote boekhoudkundige problemen binnen de VOC. De waarde van het metaal was in de Republiek anders dan in Azië en de twee plekken hadden hun eigen boekwaarde. Op deze manier waren de beide boekhoudingen niet meer met elkaar te vergelijken.

Het is echter niet zo dat de schepen die naar Azië voeren alleen maar edelmetaal bij zich hadden. Grote bulkgoederen als textiel verkochten in Azië niet goed, omdat de Aziatische textiel van betere kwaliteit was, maar Laken werd verkocht in Japan en Perzië. Ook zaken als kwikzilver, vermiljoen en barnsteen waren bestemd voor de Aziatische markt. Daarnaast namen de schepen uit Europa nog veel goederen mee die voor eigen gebruik bestemd waren. Gereedschappen, materiaal voor schepen en bewapening en administratiebenodigdheden zijn maar enkele voorbeelden van goederen die meegenomen werden.

Vanuit Azië werden er vooral specerijen meegenomen waarvan peper de belangrijkste was. Verkoop van peper gebeurde tot 1640 per contract aan een aantal groothandelaren, maar om de winst te verhogen werd na 1640 de peper per opbod verkocht. De VOC had door de uitschakeling van de Portugezen een sterke positie op de Europese markt verkregen, maar ook een politiek die het voeren van lagere prijzen dan de concurrentie stimuleerde, zorgde voor deze sterke positie. Toch had de VOC te maken met hevige concurrentie van de Engelse EIC en de politiek van een gematigde dumping op de Europese markt bleek moeilijk te realiseren. De Engelsen lieten zich moeilijker uit de markt concurreren dan de Portugezen en de VOC beschikte niet over een monopolie op peper.

Dit monopolie had de VOC wel op de specerijproducten foelie, kaneel, kruidnagel en nootmuskaat. Problematisch van de goederen was echter weer dat de Heren XVII bang waren voor aantasting van hun monopolie door eventuele prijsstijgingen. Dit maakte het voor mogelijke concurrentie aantrekkelijker om te proberen de markt open te breken. Eenzelfde ontwikkeling die geleid had tot de oprichting van de VOC. De Heren Zeventien probeerden daarom angstvallig de prijzen stabiel laag te houden, zoals we al bij de peperhandel gezien hebben. Met veel manoeuvreren lukte het de VOC echter wel om de prijzen voor deze producten te stabiliseren.

Hoewel specerijen het merendeel van de scheepsruimte in beslag nam, waren er ook nog andere goederen die de VOC naar Europa transporteerde. Thee en koffie werden aangevoerd, maar de VOC bezat geen sterke positie op deze markten en had veel te verduren van Europese concurrentie. Verder was er Indiase textiel, salpeter en tin dat door de VOC opgekocht werd. Over het algemeen kan men stellen dat het handelsvolume van deze producten niet groot was maar dat de winst behoorlijk was.

Een belangrijk onderdeel van de handel van de VOC was de intra-Aziatische handel. Deze handel was erop gericht om de retourvloten mogelijk te maken.

Het scheepvaartverkeer in Azië werd vanuit de stad Batavia georganiseerd. Bij de stad waren grote scheepswerven en magazijnen waar de schepen voor onderhoud terecht konden. Schepen werden er niet in Azië gebouwd aangezien men dit te duur en te omslachtig beschouwde wegens gebrek aan vakkundige krachten. In Azië was Batavia het ontmoetingspunt voor de schepen. De stad was voor dit doel zeer goed geschikt omdat de stad in alle seizoenen te bereiken was. De moessons zorgden slechts sporadische voor oponthoudt. Vanuit Batavia hield men ook de Aziatische VOC-scheepvaart in de gaten. Het handelsverkeer dat niet via Batavia liep werd opgetekend in de "negotieboeken" van Batavia om zo een goed beeld te verkrijgen van het Aziatische scheepvaartverkeer. Een belangrijke handelsstroom was die van India naar de Indonesische archipel. In India werd textiel opgekocht om te worden verscheept naar Indië. Daar werd de textiel verkocht en van deze opbrengst werden er weer specerijen gekocht. De textiel werd betaald met edelmetaal dat vanuit de Republiek aangevoerd werd. Naarmate de VOC haar handelsnetwerk uitbreidde kwamen er ook steeds meer intra-Aziatische handelslijnen te lopen die echter nog steeds in dienst stonden van de retourvloten. Soms belandde de VOC op heel aparte handelsgebieden die geheel buiten haar oorspronkelijke specialiteit lagen. Als voorbeeld kan dienen dat de VOC olifanten inkocht op Ceylon om die te verkopen aan de Indiase vorsten.

Na 1680 werd het onderhoud van het handelssysteem steeds moeilijker. De handel op Japan liep in omvang steeds verder terug en de handel op China moest zelfs geheel verlaten worden. Ook de Europese concurrentie werd op sommige gebieden sterker zodat naar alternatieven gezocht moest worden.

Tot ongeveer 1690 was de VOC in staat om in Azië winst te draaien op de intra-Aziatische handel, maar na 1690 werd er verlies gemaakt. Gedurende de hele 18e eeuw zou de VOC niet meer in staat zijn om winst te maken in Azië. De oorzaak van dit verlies kan gezocht worden in het feit dat de uitgaven veel sterker gingen stijgen bij gelijke inkomsten. Hoewel de Hoge Regering probeerde de uitgaven omlaag te krijgen lukte dit niet. Het verlies dat in Azië gedraaid werd kon echter wel gecompenseerd worden door de winsten die gemaakt werden door de verkoop van de Aziatische producten in de Republiek.

Einde van de VOC
In de 18e eeuw ging het langzaam bergafwaarts met de VOC. De financiële resultaten lieten vaak te wensen over en de Compagnie was niet in staat om de verliescijfers om te zetten in winst. Deze slechte situatie kon lange tijd doorgaan omdat de Staten-Generaal nauwelijks enige controle uitoefende op het bestuur en financiën van de VOC. Pas in 1740 eiste de Staten-Generaal meer inzicht in de financiële positie van de Compagnie. Toenemende geruchten over corruptie onder VOC-dienaren en continue verliezen deden de Staten-Generaal deze stap zetten. Hoewel de Staten-Generaal probeerden meer controle op het VOC-bestuur uit te oefenen werd de financiële situatie echter niet beter. De grote klap voor de Compagnie kwam in 1780 toen de vierde Engels-Nederlandse oorlog uitbrak. Vele kostbare retourvloten vielen in Engelse handen en Negapatnam aan de Coromandel viel in Engelse handen. Bescherming van de vloten door onder neutrale vlag te varen mislukte zodat een deel van de handel stil kwam te liggen. Deze verliezen zouden waarschijnlijk nog wel te dragen zijn geweest ware het niet dat de VOC nog steeds met kortlopende kredieten werkte om reizen naar Azië uit te rusten. Aldus was de VOC niet meer in staat om de korte schulden af te betalen en de Heren XVII moesten in 1781 uitstel van betaling aanvragen bij de Staten-Generaal. Dit uitstel werd verleend, maar een jaar later was de situatie nog steeds niet verbeterd. De Staten-Generaal stelden zich garant voor de rentebetaling en de VOC kreeg de beschikking over korte leningen. Deze maatregelen waren echter noodmiddelen die niet tot gevolg hadden dat de VOC weer gezond werd. Alleen krachtige financiële injecties zouden de VOC nog gezond kunnen maken. De kapitaalinjecties zouden er ook niet komen en opgezette bezuinigingsplannen werden niet uitgevoerd.

De noodlijdende Compagnie bleef tot 1795 tobben tot de Bataafse Revolutie een einde maakte aan de Heren XVII. Op 24 december 1975 werd het "Decreet tot vernietiging van het tegenwoordig bewind der VOC" aangenomen. Op 1 maart 1796 werd het decreet uitgevoerd en moesten de bewindhebbers plaatsmaken voor het "Committé tot de zaken van de Oostindische Handel en Bezittingen". Met deze zet was de VOC niet opgeheven maar genationaliseerd. Deze stap was ook niet in staat om de VOC van de definitieve ondergang te redden. Een schuldenlast van 219 miljoen gulden en het feit dat de Engelsen de zee beheersten, maakten het voor de VOC een onmogelijke opgave om verder te gaan. Na twee eeuwen succesvol koopmanschap ging de Compagnie op 31 december 1799 definitief ten onder.
Bericht geplaatst in: artikel