DAGELIJKSE REALITEIT TIJDENS DE 30-JARIGE OORLOG

Geplaatst op 1 januari 2005
In de beeldvorming over de 30-jarige oorlog was de relatie tussen soldaten en gewone bevolking een uitgemaakte zaak: de soldaten buitten de mensen uit en misbruikten hen.
In dit artikel zal ik ingaan op de verhoudingen tussen burgers en soldaten.
In deze tekst zal veel gebruik gemaakt worden van een dagboek van een onbekende soldaat, aangeduid als "onze soldaat", die meegestreden heeft in de Dertigjarige Oorlog. Uit dit document bleek dat er wel wat af te dingen viel op het zwarte beeld dat er bestond over de 30jarige oorlog. 

Vraagstelling over bronnen
In de beeldvorming over de 30-jarige oorlog was de relatie tussen soldaten en gewone bevolking een uitgemaakte zaak: de soldaten buitten de mensen uit en misbruikten hen. Een veelzeggend gezegde toont dit aan: in de Dertigjarige Oorlog had een soldaat drie boeren nodig, één voor het voedsel, één voor zijn vrouw en één om zijn plaats in de hel in te nemen. Dit beeld wordt onderschreven door de veelheid aan geschreven bronnen over de misstanden die er door de soldaten tijdens de oorlog werden gepleegd. Zo zijn de bronnen van de geestelijken Bötzinger en Friesenegger een constante klaagzang over de slechte behandeling c.q. mishandeling door de soldaten. Niet alleen de vijandelijke soldaten kunnen op weinig sympathie rekenen, ook de eigen soldaten zag men liever gaan dan komen.

In de oude beeldvorming worden de gewone mensen dus afgebeeld als slachtoffers van de soldaten. Zij hadden op geen enkele manier clementie van de soldaten te verwachten. Burgers werden op alle manieren misbruikt door de soldaten; als de soldaten geen voedsel van de mensen wilden hebben dan was het wel een slaapplaats, en als het geen slaapplaats was dan wilden de militairen wel geld hebben. Geen wonder dat de mensen zich verre hielden van de soldaten en eventueel wegvluchtten als er een leger in de buurt dreigde te komen.

Maar niet alleen eisten de militairen goederen op van de burgers en de boeren, de mensen werden vaak ook nog eens door de soldaten mishandeld. Opnieuw geven de bronnen een onthutsend beeld, deze keer van de martelingen die de soldaten de boeren aandeden. De vraag is dan ook waarom de soldaten zich op een dergelijke manier misdroegen tegenover de boeren en burgers. Om op deze vraag een antwoord te geven zal ik gaan bekijken wat de sociale achtergrond van de soldaten was. Maar ook het sociale leven van de soldaten kan meegespeeld hebben. Waren de mannen door het harde soldatenleven en de omgang met medestrijders misschien helemaal afgestompt en waren gewelddaden voor hen niet meer dan een voortzetting van hun beroep? Een antwoord op deze vraag kan een onderzoek naar de tros geven. In deze tros speelde het grootste deel van het sociale leven van de soldaten zich af. De soldaten hadden in deze tros overduidelijk een eigen leven, zelfs een eigen "maatschappij" en het is wel interessant om te weten hoe de soldaten aankeken tegen het "andere" leven. Een wereld waar zij zelf eens toe behoorden. Wat was de visie van de militairen bijvoorbeeld op de kwestie van het geloof in de Dertigjarige Oorlog? Deze oorlog heette immers een van de laatste godsdienstoorlogen te zijn.

Al deze vragen moeten uiteindelijk een antwoord gaan geven op de vraag: wat was de relatie tussen “gewone" mensen uit de bevolking en de soldaten in de Dertigjarige Oorlog?

Sociale achtergronden van soldaten
De sociale afkomst van de soldaten is een onderwerp dat door de militaire geschiedschrijvers nooit echt goed is behandeld, omdat men de pure militaire geschiedenis dan zou verlaten. Het onderzoek naar de afkomst van soldaten is dan ook een terrein dat zich meer afspeelt op het sociale dan op het militaire gebied. Burschel signaleert tegelijkertijd dat het problematisch gesteld is met het bronnenmateriaal, maar is desondanks van mening dat het toch van belang is om de sociale achtergronden van de militairen uit te zoeken. Ik ben het daarin geheel met hem eens. Het voegt namelijk niet alleen iets toe aan onze kennis over de legers uit de vroegmoderne tijd en beantwoordt daarmee vragen over bijvoorbeeld thema"s als wreedheden, maar het verbetert ook onze kennis over de vroege tijd in het algemeen. Hoewel het met het bronnenmateriaal niet al te geweldig gesteld is, kan men zeker niet stellen dat er te weinig informatie ligt. Het enige probleem is dat veel bronnen nog niet voldoende uitgezocht zijn. Uitgaven van bronnen zoals het soldatendagboek kunnen daarom helpen. Veel informatie over de achtergronden van soldaten ligt gedeeltelijk verscholen in de bronnen: zo geeft Burschel een aantal voorbeelden van militairen met een bijzondere carrière, maar met een voor een militair evenzo bijzondere achtergrond. Wever, schaapherder en varkenshoeder zijn maar enkele van de beroepen die maatschappelijk gezien niet erg hoog stonden aangeschreven. Desondanks bereikten de mannen een hoge militaire rang.

Belangrijke informatie over de achtergronden van soldaten kan men onder andere vinden in compagnielijsten, aanwervingrollen en betalingsregisters. Namen en geboorteplaatsen, leeftijden, eventuele eerdere diensten, of een soldaat getrouwd was en kinderen hadden en vaak ook wat het beroep van de soldaat geweest was, voordat hij het leger inging. Aan de hand van deze gegevens zijn de historici in staat om te bepalen wat de bijvoorbeeld de gemiddelde leeftijd van een soldaat in een bepaald regiment was. Maar natuurlijk ook wat de laagste en de hoogste leeftijd in de eenheid was. Op deze manier kan men soms toch aan opvallende gegevens komen. Zo maakt een overzicht met de leeftijden van de soldaten uit één compagnie duidelijk dat er drie soldaten zijn van onder de 10 jaar en zes soldaten in de leeftijd van 10-15 jaar. Natuurlijk zijn deze jongens als soldaat waardeloos, maar het is heel goed mogelijk dat ze op de lijst zijn gezet door officieren om de rangen aan te vullen en daarvoor geld te ontvangen.

Voor onze vraagstelling over de sociale achtergrond van de soldaten bieden de aanwervingrollen goede informatie, omdat daar de beroepen van de soldaten ook opgetekend werden. Zo komen uit de rollen percentages naar voren van soldaten die een beroep geleerd hadden, variërend van 19% tot 55%. Dit houdt omgekeerd in dat 80% tot 45% géén beroep geleerd had. Deze soldaten waren dus in staat om naast hun dienst ook op andere manieren inkomsten te verkrijgen. Verder kan men stellen dat deze soldaten dus tot de beter gesitueerden zouden moeten behoren omdat zij een beroep geleerd hadden. Onze soldaat zat vermoedelijk ook bij deze groep, want op bladzijde zeven van zijn dagboek meldde hij, nadat hij ontslagen was uit de dienst, "wan Ich von die Wacht kommen bin habe Ich gearbeitet, auff den handtwergk, habe huebs gelde verdienet". Deze soldaten waren veel minder afhankelijk van het leger, omdat zij na eventueel ontslag altijd nog met hun oude beroep geld konden verdienen. Bij degenen die een beroep hadden opgegeven ging het vaak om gezellen van een ambachtsman of om personen die uit een kleine gemeenschap kwamen en waar geen behoefte was aan hun vaardigheden, soms ook om beroepen die zeer makkelijk te leren waren zoals visser. Bij deze aanwervingbronnen moeten de historici echter wel goed oppassen, want het was natuurlijk goed mogelijk dat de soldaten logen over hun werkelijke kwaliteiten; het hoefde dus helemaal niet te betekenen dat iemand een beroep ook werkelijk beheerste.

Desondanks kloppen de beelden uit de militaire bronnen wel, want er zijn genoeg andere bronnen die het beeld bevestigen. Zo is het bekend dat als er geworven werd in steden, er vaak gezellen in dienst traden. Vooral voor schoenmaker- en kleermakersgezellen was de dienst aantrekkelijker dan hun oude beroep zo berichtten bronnen van de stad Braunschweig in 1671. De armoede in de steden was zeer hoog: ongeveer 15% tot 20% van de bevolking leefde op de rand van het bestaansminimum. Naarmate de oorlog vorderde traden ook steeds meer mannen in dienst die tot de armsten in de steden behoorden. Vlak boven deze groep bevond zich altijd nog een sociale groep van slecht verdienende beroepen, zoals dagarbeid. Voor deze groep dreigde er altijd het gevaar af te vallen naar de allerarmsten en daarmee een definitieve verwijdering uit de maatschappij. De steden waren lang niet altijd blij met de aantrekkingskracht van het leger op de lager- en laaggeschoolden. Maar al te snel kon er in de zomerseizoenen een tekort ontstaan op arbeidskrachten. En de aantrekkingskracht op de stedelijke arbeidskrachten was vaak erg groot. Een onevenredig groot percentage van 52% van de soldaten kwam uit de steden, terwijl de stedelijke bevolking in de 17e eeuw ongeveer 10% van de totale bevolking uitmaakte. En niet alleen dreigde een tekort aan mankracht, ook de lonen zouden te snel stijgen. Daarom vaardigden steden wel verboden uit om te ronselen onder deze groepen. Deze situatie gold echter niet voor de eerste jaren van de oorlog toen er voornamelijk burgerzonen met de wervers meetrokken. Zij waren op zoek naar avontuur en hoopten dit in het leger te vinden.

De extreme armoede was echter niet alleen een stedelijk fenomeen, ook op het platteland heerste dit probleem. Een van de oorzaken van de armoede op het platteland was de steeds sterker toegenomen bevolking. Dit proces had zich in de tweede helft van de 15e eeuw ingezet en liep door tot in de 30-jarige oorlog. Een gevolg van deze groei was dat het platteland door een groot aantal landloze boeren bevolkt werd. Een grote verhuizing van boeren die wegtrokken uit hun geboortestreek was het gevolg; sommigen trokken bijvoorbeeld naar de Nederlanden om werk te zoeken, anderen waren een makkelijke prooi voor de wervers. Dagloners hadden in de zomer vaak de keuze tussen het werk op het platteland en het in dienst treden. De volksverplaatsingen riepen wederom bij de overheid weerstand op, want hoewel de dagloners in de winter overbodig waren, had men hen in de zomer hard nodig bij de oogst. Veel soldaten waren niet permanent in dienst, maar probeerden de veiligheid van het leger af te wisselen met het verdienen van geld op het platteland. Een van de belangrijkste militaire theoretici van de 17e eeuw, Raimundo Montecuccoli formuleerde deze ontwikkeling als volgt: "Kriegsdienst sei für das Landvolk eine willkommene Gelegenheit die todte Arbeitszeit zu schwänzen". Veel mannen uit de armste lagen van de bevolking kozen voor de financiële zekerheid van het leger om ook in de wintermaanden in ieder geval zeker te zijn van inkomen en zo aan grote financiële problemen te ontsnappen. Ook de twintigste eeuwse historicus Asch is deze mening toegedaan: "The mercenaries of this period may have become soldiers simply to escape starvation".Voor zowel de militairen als de landbouwers was er het grote probleem dat het oorlogsseizoen tegelijk viel met het oogstseizoen. In de winter echter, was er geen werk in het leger en de landbouw. Tussen deze twee bestond daarom altijd een grote spanning. Duidelijk zichtbaar was deze in de hoogte van het handgeld: in de zomer moesten de wervers aanzienlijk meer betalen dan in de winter, soms wel meer dan het dubbele, omdat er geconcurreerd moest worden met de boeren. Hoewel de soldij niet al te hoog was kregen de soldaten wel op een indirecte manier betaling; soldaten hoefden niet te betalen voor hun onderkomen en als dit wel het geval was dan kregen zij daar een extra betaling voor. Het leger bood genoeg mogelijkheden tot bijverdienen. In de vrije uren konden de soldaten zelf opnieuw aan het werk gaan en op die manier hun kas spekken. Vanuit het leger werd dit ook niet tegengehouden, want de hoge militairen waren zich er terdege van bewust dat de soldij eigenlijk te laag was om er goed van in leven te blijven. Een opvallend gegeven is dat de soldaten vaak toch weer teruggingen naar beroepen die zij in het burgerleven ook uitoefenden. Soldaten verhuurden zich regelmatig als als dagloner op het platteland of zij maakten gebruiksgoederen, als bijvoorbeeld meubelen, die op de markt verkocht werden. Ook de vrouwen van de soldaten hielden zich vaak bezig met beroepen die zij in de normale maatschappij zouden doen; het beroep van huishoudster werd door bijna de helft van de soldatenvrouwen bedreven.

De wervers waren goed op de hoogte van de armoede die heerste in de steden en op het platteland. Zij konden met deze kennis goed vaststellen hoe de markt voor de werving lag en zij konden er tevens op inspelen. In economisch slechte tijden hoefden de wervers zelfs geen moeite te doen om aan soldaten te komen, mensen meldden zich wel aan bij het leger. Burschel schreef over deze situatie: "Die Werber wußten: Menschen in Not und Armut lassen sich schon mit ein paar Versprechungen zum Solddienst überreden, sind schon mit einen geringen Handgeld zufrieden, schon durch die Aushändigung einiger Monturstücke als Söldner zu gewinnen. Sie wußten: Menschen am Rande der Gesellschaft sind ohne schützende Verwandtschaft". De wervers kwamen daarom zowel in de steden als op het platteland. Maar de wervers waren ook op zoek naar mannen die door de oorlog alle wortels en bezittingen kwijt waren geraakt en hoopten door in dienst te treden, van de oorlog te kunnen gaan leven. Op het hoogste militaire niveau was dit verschijnsel ook bekend en veelvuldig werden er mensen in dienst genomen die zojuist door de legers alle bezit kwijt waren geraakt. Niettemin was een groot gedeelte van de soldaten vrijwillig. Een onevenredig groot aantal kwam uit drie gebieden: het platteland c.q. de bergen, de steden en de oorlogszone. De voorlanden van de Alpen waren altijd al goede plaatsen geweest voor rekrutering en dit bleef zo tijdens de 17e eeuw.

Het leger bood ook onderdak aan personen die hoopten in het leger anonimiteit te vinden, zoals degenen die iets op hun kerfstok hadden. Allerlei soorten misdadigers vonden onderdak in het leger en ook kwam het wel voor dat veroordeelden het leger verkozen boven een straf. Het kon zelfs gebeuren dat wervers de gevangenissen afgingen om daar te ronselen en soms werden complete afdelingen gevangenen het leger ingestuurd. Van de 25.000 Schotten die in Duitsland voor de Protestantse zaak vochten was een groot deel werkeloos, anderen waren herrieschoppers die de plaatselijke magistraten liever kwijt dan rijk waren. Het is daarmee meteen ook duidelijk hoe minachtend sommige vorsten dachten over het leger en het is niet verwonderlijk dat de soldaten en het leger ook bij de burgers geen hoog aanzien genoten. Deze vorsten gebruikten het leger als disciplinerende maatregel om de samenleving te verschonen van allerlei soorten subversieve elementen waar de maatschappij volgens de toen geldende maatstaven geen behoefte aan had. Bij gewone burgers hadden de soldaten meestal heen hoog aanzien: "Zwischendurch ist es freilich auch vorgekommen, daß sich die Rotte Korah untereinander die Schädel eingeschlagen hat; denn ebenso wie das Liedern und Ludern ist auch das Kaufen und Tauschen unter der Gesellschaft gang und gäbe gewesen, und es soll passiert sein, daß sie dabei sogar ihre Pieken und Musketen sowie ihre Kanonen und Kugelwagen aufs Spiel gesetz haben".

Parker wijst tenslotte nog op het feit dat veel soldaten aangetrokken werden door de zucht naar avontuur, de opwinding van het militaire bedrijf en de mogelijkheden om daarmee snel rijk te worden. Met deze zienswijze probeert hij de scherpe kantjes af te halen van de visie dat soldaten vooral door economische problemen in het leger terecht kwamen.

De tros
Het grootste deel van het sociale leven van de soldaten speelde zich af in het leger en in een gedeelte bestaande uit burgers dat met het leger meetrok. Dit aanhangende gedeelte werd de tros genoemd. De tros was bij de hoge militairen niet erg geliefd, want de omvang van een tros kon aanzwellen tot enkele malen van de grootte van het leger. Deze ongewenste vergroting maakte het leger nog logger dan het al was. Zo werd er in het jaar 1630 een tros gesignaleerd van 66 vrouwen, 78 meisjes, 307 paardenjongens en 24 kinderen, totaal 475 mensen, op een aantal soldaten van 368 ruiters met 600 paarden. Hoewel de bevelhebbers de tros niet graag zagen, pleitten zij niet voor afschaffing van dit onderdeel van het veldleger. Zij beseften immers heel goed dat een leger in de vroegmoderne tijd niet zonder een tros kon bestaan.

De mensen die tot de tros behoorden volgden het leger vrijwel altijd op korte afstand. Oorspronkelijk was de tros bedoeld om het proviand voor het leger mee te nemen en dit bleef ook een van de belangrijkste functies van de tros. Het voedsel werd vervoerd in grote karren waar niet alleen voedsel op mee werd genomen, maar ook materiaal voor de artillerie, belegeringsmateriaal en andere voorwerpen die voor de oorlog gebruikt konden worden. Verder vervoerden de soldaten met de tros alles wat zij mee moesten nemen aan uitrustingsstukken, buit en persoonlijke bezittingen. De troswagens dienden dus vooral voor het vervoer van zaken die van belang waren voor de oorlog. Een van de nadelen was dat het bagagevervoer een logistiek probleem werd voor de militairen. Begin 17e eeuw probeerden de generaals de grote hoeveelheid wagens te reduceren door verordeningen uit te vaardigen hoeveel wagens een compagnie mocht bezitten. Een bijkomend probleem was namelijk dat naarmate het aantal wagens steeg, automatisch het aantal paarden toenam. Maar ook het aantal paardenknechten nam daarmee weer toe. Zonder de bescherming van het leger was de bagage echter zeer kwetsbaar en na een verloren veldslag was het gevaar groot dat de wagens in handen van de vijand vielen. "Als die Reiterei zerstreut und ein gut Teil des Fußvolks verloren war, kamen auch die übrigen Abteilungen in große Gefahr. Sie hatten den größten Teil der Feinde vor sich und hinter sich den brennenden Flecken, in den die Buquoischen (Hongaren in Oostenrijkse dienst. Vert. W.S.) Feuer eingeworfen hatten. So fast war die gesamte Munition mit einem guten Teil des Gepäcks verbrannt oder explodiert".

De tros was niet alleen onmisbaar vanwege de bagagewagens. Een groot aantal wagens behoorde toe aan handelaars die zich bij het leger aangesloten hadden om goederen aan de soldaten te verkopen. Deze vrouwen werden marketentsters genoemd en werkten voor eigen rekening. Zij behoorden daarom niet tot het leger en waren vrijwel onafhankelijk, alhoewel zij wel degelijk te maken hadden met voorschriften van de legerleiding. Het leger daarentegen was in hoge mate voor de voedselvoorziening afhankelijk van de marketentsters. Zij zorgden voor een eigen legereconomie die meetrok met op de marsroute van het leger. Enige concurrentie van kregen de marketentsters van de legerleiding die probeerde zelf ook producten te verkopen, maar een groot succes werd dit tijdens de Dertigjarige Oorlog niet. De legerleiding werkte inefficiënt en niet prijsconcurrerend. Maar de marketentsters moesten hun bedrijfje goed in de gaten houden, want ook voor hen dreigde er het gevaar om bijvoorbeeld overvallen te worden tijdens de reis. De handelaars konden vooral bij een succesvol leger goede zaken doen, omdat er bij de soldaten geld aanwezig was. Waren de legers niet succesvol dan braken ook voor de marketentsters moeilijke tijden aan. De handelslieden waren in het leger echter niet geliefd, omdat zij zo onafhankelijk van het leger waren. Gingen de zaken niet naar wens dan trokken de marketentsters naar een ander leger en lieten de soldaten zitten. Ook werden de handelaars nog wel eens verdacht van spionage. De functie van de handelaars beperkte zich niet alleen tot die van verkoper; hun verkoopplaats ontwikkelde zich voor de soldaten tot een plek waar zij elkaar ontmoetten en de sociale functie was dus ook van groot belang.

Een andere groep handelaars hadden een nog veel grotere sociale rol in het leger te vervullen. De zoetelaars beheerden de gaarkeukens van het leger en verkochten de soldaten maaltijden en drinken. In de winkels van de zoetelaars konden de soldaten eten en vonden zij bescherming tegen regen en koude. Deze plaatsten werden zo een echte ontmoetingsplaats voor de soldaten. De waren van de verkopers werden door de legerautoriteiten goed op kwaliteit gecontroleerd en niet zonder reden, want de zoetelaars hadden de neiging om goedkope waren in te kopen.

Verreweg de grootste groep in de tros was de groep vrouwen en kinderen van de soldaten. Over het algemeen overtroffen zij in aantal de soldaten en dit zorgde voor grote logistieke problemen. De vrouwen waren in de tros voor de gehuwde soldaten het vaste steunpunt. De soldatenvrouwen trokken met hun echtgenoten mee en zorgden voor de spullen van het "huishouden". De vrouwen moesten dan een groot aantal voorwerpen meeslepen met een gewicht van rond de 50 tot 60 pond. Een schrijver van een militairtheoretisch geschrift wist in 1612 over de vrouwen te melden dat "gewohnlich aber tragen sie außer der Kleidung am Leib dem Mann 1 baar Hosen, 1 baar stimpff, 1 baar schuhe, vor sie auch soviel an schuh vnd strimffen, 1 Rock, 2 Hemmeter, 1 Pfanne, 1 Hafen, 1 oder 2 Schüssel, 1 Leilach, 1 Mantel, 1 Zelt, 3 stengel. Darzu kriegt sie kein Holz vß den quartieren zu kochen, so lädet sie es doch vnderwegs vff. Vnd damit sie mehre fastiga erleiden, so führet sie gewohnlich ein Hündlein an dem Strickh oder tregt ihn woh gar in bößem wetter". Dit was echter nog niet alles, want de vrouwen moesten ook nog de kinderen meenemen, in het geval deze er waren. Dit was voor de vrouwen een zeer zwaar leven en het kwam regelmatig voor dat zij zwaar ziek werden of zelfs dood gingen door uitputting. Zeker bij zwangere vrouwen kwam dood door uitputting regelmatig voor. Niet alleen de vrouwen hadden het zwaar, ook de pasgeboren kinderen stierven door uitputting. Het dagboek van onze soldaat geeft een goed inzicht in deze moeilijke situatie. Zo meldde de soldaat dat zijn vrouw op 9 april 1641 bevallen was van een dochter. Drie dagen later trekken hij én zijn vrouw én het kind weer verder met het leger. De pater Drexel zag een vrouw uit de tros voorbijkomen: "Sonderbar anzusehen war eine Frau, die ihr Kind in der Wiege auf dem Kopf trug, weil ihre Hände mit Gepäck beladen waren. Es ist unglaublich, wieviel Last eine solche Soldatenfrau schleppen konnte. Rüken, Kopf und beide Hände waren beladen, dazu beide Hüften mit Bündeln umbunden. Ich sah eine andere, die eine Muskete wie ein Mann vor sich trug und in gleicher Weise ging. Doch weshalb erzähle ich von diesen Absurditäten? Es gibt sie ohne Ende". Na vier jaar getrouwd te zijn, waren alle vier de kinderen én zijn vrouw overleden. Als er één principe naar voren komt uit het dagboek, dan is dat wel de onzekerheid die het leven van de mensen uit de Vroeg-Moderne Tijd beheerste. Onze soldaat laat dat duidelijk zien: het ene moment kan hij in overvloed leven, het andere moment beheerste de honger zijn leven. "Ins himmelreich, dornach in die helle" is dan ook een sprekend citaat voor de soldaat en de Vroeg-Moderne mens in het algemeen.

De rol van de vrouwen was in de tros van groot belang voor de soldaten. Zij namen dus niet alleen het "huishouden" mee en zorgden voor de kinderen, maar ook verzorgden zij hun echtgenoot als deze gewond was, hielpen mee met de plundering van doden op de slagvelden, zochten mee naar buit in het algemeen of stalen die ook wel en droegen via verschillende soorten werk bij aan het levensonderhoud van het soldatengezin. Het grootste deel van het kampleven werd door de soldatenvrouwen bepaald en ingericht. Daarbij werden zij ook regelmatig ingeschakeld om verschansingen te maken en het kamp schoon te houden. Het waren echter niet alleen vrouwen van soldaten die deel namen aan de tros en het kampleven; veel vrouwen werden aangetrokken tot het leger in hoop aan de soldaten te kunnen verdienen of met hen te kunnen trouwen. Meestal waren dit wel vrouwen die zelf een beroep hadden wat in laag aanzien stond zoals dienstmeid of kokkin. De sociale achtergrond van deze vrouwen was vaak net als de soldaten eenvoudig. Het trouwen was voor de vrouwen een van de weinige mogelijkheden om hun sociale positie te verbeteren en deze kans werd met regelmaat aangegrepen.

Kinderen van soldaten werden van jongs af aan in het leger opgenomen. De meisjes moesten hun moeder helpen met het "huishouden", het verplegen van gewonden, het zoeken naar hout enzovoort. De jongens werden als "Junge" of "Troßbube" toegevoegd aan de soldaten en moesten dan de soldaat helpen met de verzorging van het wapen en dienden voor de persoonlijke verzorging van de soldaten. Ook onze soldaat maakt een melding van het feit dat hij een jongen tot zijn beschikking kreeg: "vnter wegens habe // Ich 2 schöne pferdt wieder bekommen, den Ich habe einen gudten gungen gehabt, mit nahmen, bartelt, der hat sie mir alle 2 zu wege gebracht". Uit deze zinsnede blijkt tevens dat een jongen een belangrijke rol speelde voor de soldaat door bijvoorbeeld dit maal twee paarden te "regelen". De trosjongens waren geheel afhankelijk van hun meester en het hing maar net van de soldaat af of de jongen een redelijk leven kon leiden. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat de soldatenjongens regelmatig voor diefstal aangehouden werden, hetzij voor diefstal voor hun meester, hetzij voor henzelf.

Binnen het leger ontwikkelden de soldaten een eigen soort maatschappij; soldaten hadden een speciale, in ieder geval andere dan de burgers, manier van lopen en bijvoorbeeld ook een aparte manier van spreken. In het vlugschrift "Allmodische Discant Geyge" wordt op dit soort aparte kenmerken gewezen. Dit vlugschrift valt onder het type satirische vlugschriften. Men dreef in deze vlugschriften de spot men de verschillende eigenschappen van de soldaten zoals het uiterlijk en de kleding, de opschepperij, de bepaalde manier van lopen en de manier van praten. De soldaten gebruikten veel buitenlandse woorden en op die manier ontstond er een mengeling van Duits en andere talen. De invloed van buitenlandse talen had de oorsprong voor een groot deel in de instroom van soldaten buiten Duitsland. Vooral de Romaanse talen waren sterk vertegenwoordigd in de legers van de Dertigjarige Oorlog. In dit vlugschrift werd op een satirische manier vooral de overdrijving door de soldaten aan de kaak gesteld: "Vnd thut die Seyten so hart zwingen // Biß sie gar von einander springen". En verder: "Wenn mancher kaum vors Thor ist komn // Hat er die Geygen hören brummen // Da geygt er von Scharmützeln auff // Wie er das Volck gesehn zu hauff // Todt liegen auch an seiner Seyt // Vmb kommen viel behertzte Leut".

In dit vlugschrift was het de overdrijving door de soldaten die door de auteurs opgepikt werd, maar uit het feit dat er ook vlugschriften waren die soldatenkleding en uiterlijk, een eigen taal en een eigen manier van lopen aankaartten, blijkt wel dat de tijdgenoten vonden dat de soldaten tot een eigen "maatschappij" behoorden. Een niet onbelangrijk onderdeel binnen de vorming van deze eigen wereld was de handhaving van een eigen strafsysteem. De soldaten moesten zich houden aan de artikelbrieven en werden door eigen rechtsinstituties gestraft. In de artikelbrieven waren artikelen opgenomen van het oorlogsrecht en regelden onder meer de rechtspositie van de soldaten tegenover bijvoorbeeld hun meerderen. Ook zaken als strafvervolging was in de artikelbrieven geregeld. Deze manier van strafvervolging hield wel in dat de burgerlijke rechtbanken moeilijk tegen de soldaten op konden treden en de militairen ontleenden hier een eigen zelfverzekerdheid aan.

Al met al kan men dus vaststellen dat de soldaten uit een laag sociaal milieu kwamen. Het waren meestal toch mensen die financieel in een slechte positie verkeerden en het leger kozen om in ieder geval de zekerheid te krijgen van overleving. En vaak bood het leger niet eens een hele slechte toekomst; soldaten kregen soldij en konden naast het soldatenberoep nog bijverdienen. Ook de vrouwen van soldaten kwamen vaak uit een arm sociaal milieu en dit milieu werd in het kamp of in de tros niet beter gemaakt. Veel mensen in het leger waren ook buitenbeentjes van de maatschappij of er zelfs helemaal buitengevallen. De mensen in het leger waren een harde maatschappij gewend en het is op grond hiervan niet verwonderlijk om te veronderstellen dat de soldaten ook hard tegen de burgers op konden treden.

De Dertigjarige Oorlog als godsdienstoorlog. Ook voor soldaten?
In de geschiedenis staat de Dertigjarige Oorlog bekend als een van de laatste geloofsoorlogen. Geloofskwesties zouden voor soldaten een motivatie kunnen zijn om mee te gaan doen aan de oorlog en de keuze voor een bepaalde partij zou dan al snel voor de hand liggen. In het kader van de vraagstelling naar de relatie tussen burgers en soldaten is het interessant om te kijken of een kwestie als geloof een rol gespeeld kan hebben in de onderlinge relatie. Mocht dit namelijk het geval geweest zijn dan kan dit een (gedeeltelijke) verklaring geven voor de mishandelingen die de soldaten de burgers aandeden. De burgers waren dan immers van het vijandelijke geloof. De twintigste eeuwse bijbelhistoricus en archeoloog Roland de Vaux definieerde een geloofsoorlog als een oorlog die uitgevochten wordt om een religie te verdedigen of te propageren. Ik zal me aan deze definitie houden en toetsen of een dergelijke instelling naar voren kwam bij de soldaten.

Aan het begin van de oorlog waren er aan zowel aan katholieke als protestantse zijde godsdienstige motivaties om een oorlog te voeren. Het waren niet alleen godsdienstige redenen om een oorlog te beginnen, maar met name de katholieken waren erg bezorgd over de protestantse opstand in Bohemen in 1618. Tot 1627 was de keizer vastbesloten om de katholieke positie te verdedigen en te consolideren. Keizer Ferdinand II beschouwde het zelfs als zijn belangrijkste plicht als heerser om de katholieke kerk te beschermen. Sommige katholieke haviken wilden zelfs weer de akkoorden die tijdens de godsdienstvrede van Augsburg terugdraaien en protestantse gebieden rekatholiseren. Tijdens de 30-jarige oorlog kregen vorsten ook de kans om hun gebied tot een uniform geloof op te leggen, hetzij katholiek, hetzij protestant. Scholen, kerken en andere bezittingen werden gesloten en geconfisqueerd. Mensen die tot een ander geloof behoorden mochten dit slechts in stilte belijden of moesten hun land verlaten. De betrokkenheid van mensen bij de oorlog vanuit een geloofsstandpunt blijkt vooral uit de bronnen die door geestelijken geschreven zijn. Zij trekken duidelijk partij voor de kant die hun geloof verdedigde: "Gewiß, mein Lieber, allbarmherziger Vater oben über den Sternen, du hast den Tieren und Teufeln und den ganzen kaiserlichen Heere bei Lützen den Lohn ausgezahlt, den sie verdienten; - du hast sie geschlagen und von der Höhe ihrer Macht gestürzt und ihnen gezeigt, daß die Welt immer nur nach deinen und nie nach unseren Gesetzen ihre Wege geht". Het is wel logisch dat vooral de geestelijken zich zo bezig hielden met het verloop van de oorlog, want vaak werden zij nog slechter behandeld door de vijand dan de gewone burgers. Na het lezen van het voorgaande citaat, waar het fanatisme afdruipt, is dit ook niet zo vreemd.

Het is dus duidelijk dat er bij de vorsten en geestelijken sprake was van godsdienstige motivaties. Het fanatisme waarmee zij hun ideeën uitvoerden, werd echter steeds minder en rond 1635 was het thema geloof met de vrede van Praag vrijwel geheel naar de achtergrond verschoven. Deze vermindering van fanatisme blijkt uit het volgende citaat afkomstig uit de kroniek van dominee Bartholomäus Dietwar, die de onderhandelingen van de afkoop van een bestorming van zijn stad Kißingen beschreef: "hiegegen wurde versprochen das die Evangelische Religion solt in der Pfarrkirchen geübt werden, die Katholischen aber solten das Heilige Grab oder die Klosterkirchen haben". Ook op het hoogste niveau hielden de vorsten zich vrijwel niet meer dogmatisch vast aan het geloof. Toen Frankrijk mee ging doen in de oorlog in 1635 sloot het land een overeenkomst met Zweden, waarin bepaald werd dat de Zweedse legers bezette katholieke gebieden goed, dat wil zeggen met respectering van de godsdienst, zou behandelen.

Het is mogelijk dat de ernst waarmee vorsten het geloof beleden en de soldaten heeft aangestoken, maar daar is in het soldatendagboek vrijwel niets van te merken. Sterker nog: onze soldaat hield zich in het dagboek niet bezig met geloofszaken. Een van de weinige keren dat er iets in het dagboek werd opgetekend, was een kritische noot over bijgeloof: "In dieser stadt hatt es 72 kirchen vndt klöster, vndt 18 abteigen, es sindt sonst, mehr sachen wol zu sehen, Alhir Als auff den platz stehet eine cabpellen, das brennet tag undt nacht, es sol sagen sie schon 300 gar gebrunnen haben, die selbiege kerdtze, Ist doch nicht verbrendt, Ich lasse es dabei bleiben, glaube wer da wil, Ich glaube es nicht". Ook Fiedler is duidelijk van mening dat de soldaten niets anders wilden dan "Fairer Kampf ohne religiösen Fanatismus". Dat onze soldaat zich niet bezighield met het geloof als onderdeel van de oorlog, wil niet zeggen dat hij zich er niet mee bezighield, want gelovig was hij beslist wel. Zo schreef hij in 1635: "auff leffingen, Alhir, Ist ein gros gewiedter gewessen, doch haben 3 soldaten gespielet vndt sehr ubel gefluchet vndt geschworen, da sindt sie alle 3. von donder erschlagen 2 strag maustodt, der Ander hat noch 3 tage gelebet, danach auch gestorben". En elke keer als een van zijn kinderen stierf kwam daar telkens de zin "godt verleige Ihnen eine fröliche aufferstehung". Bij de militairen was er weinig godsdienstig fanatisme te bespeuren. De legers van de 16e en 17e eeuw waren confessioneel gemengd en de krijgsheren stelden het geloof beslist niet als criterium om aangeworven te worden als soldaat. Soldaten hadden er geen moeite mee als er soldaten van een ander geloof naast hen vochten. Zij gingen uit van de wijsheid die Gruber in pas in 1702 in zijn “Kriegs-Disciplin" opschreef: "Keinen infamen oder henckermäßigen Mann soll kein Werber wissentlich annehmen / der Unterschied aber der Religion muß bey keinem Soldaten nicht angesehen werden / wenn er nur sonst ein ehrlicher mann und capable ist Dienste zu leisten". Dat men in de Dertigjarige Oorlog deze mening ook toegedaan was blijkt wel uit het feit dat men soldaten van een vijandelijk leger gewoon in de eigen rijen opnam. Ik denk dat er gerust de conclusie getrokken mag worden dat de geloofstegenstelling bij de soldaten geen enkele of hooguit een geringe rol gespeeld heeft tijdens de oorlog. Ook de relatie tussen burgers en soldaten zal op dit punt vrijwel niet onder druk gestaan hebben.

Wreedheden en de relatie tussen burgers en soldaten
Toen in 1650 de laatste Zweedse soldaten vertrokken waren uit de keizerlijke stad Rothenburg ob der Tauber, werden de kerkklokken geluid en in de kerk werd een dankprocessie gehouden. Dergelijke gebeurtenissen kwamen overal in Duitsland voor. Maar niet overal, zoals bijvoorbeeld in Linden. Het dorpje was gelegen in een bosachtige omgeving ten noorden van de stad Rothenburg en bestond in 1618 uit negen belastbare boerenhuishoudens en vier landloze boeren. De inwoners hadden geleden onder meerdere financiële contributies, zeker nadat de Zweedse en keizerlijke legers elkaar het gebied begonnen te betwisten. De echte oorlog kwam voor Linden aan het begin van 1634. Twintig Zweedse cavaleristen reden het dorp in en verlangden voedsel en wijn. Deuren werden ingeschopt en de soldaten gingen op zoek naar voorwerpen van waarde en een vrouw werd verkracht. De dorpelingen lieten het hier niet bij zitten. Andere dorpen werden gealarmeerd en de dorpelingen namen de gestolen goederen terug en bemachtigden zelfs enkele van de paarden van de soldaten. De soldaten deden aangifte van diefstal door de dorpelingen en vier boeren werden gearresteerd. Al snel kwam echter de werkelijke situatie naar voren en de soldaten kregen hun straf. Dit maal hadden de dorpelingen geluk gehad. Niet overal werd de tucht gehandhaafd door de officieren.

In 1641 waren er geen inwoners meer van Linden en zo bleef het voor de rest van de oorlog. Hetzelfde jaar hielden ambtenaren van Rothenburg een onderzoek naar de inwoners van de omgeving van de stad. Het gebied dat onder Rothenburg viel telde in 1618 100 dorpen die bevolkt werden door 1503 belastbare boerenhuishoudens. In 1641 waren er nog maar 447 belastbare boeren; een verlies van 70%. 25 kleine gemeenschappen zoals Linden waren geheel ontvolkt. Na de oorlog keerden er weer nieuwe inwoners terug naar de verlaten huizen van Linden en in 1690 was het inwonerstal weer gelijk aan het jaar 1618. Linden had pech gehad met de geografische ligging; het lag dicht bij de marsroutes van de legers en had daarom telkens te lijden van voorbijtrekkende troepenconcentraties.

Maar niet elk dorp had het zo slecht getroffen als Linden. Dorpen die meer aan de rand van de marsroute lagen waren veel minder getroffen, zoals Oberstetten dat slechts vijf van de 75 huishoudens verloren had. In 1700 telden de ambtenaren van Rothenburg opnieuw 1558 belastbare huishoudens.

De voorgaande anekdote is op grote delen van het Duitsland tijdens de Dertigjarige Oorlog van toepassing en dit soort verhalen hebben mede bijgedragen aan het ontstaan van de zwarte legende over de 30-jarige oorlog zoals die in het eerste hoofdstuk is behandeld. De relatie tussen burgers en soldaten was tijdens de oorlog zeer gespannen; soms konden burgers het goed vinden met soldaten, maar evenzo vaak zag men de militairen liever gaan dan komen: "den 17ten Dezember wurde unsere Salva Guardia abgerufen zur Belagerung der Stadt Landsberg, wodurch uns die größte Hoffnung zuging, nicht nur von den Schweden, sondern auch von unseren Leuthen befreiet zu werden, die den Feind außer Land verfolgen sollten." 

De soldaten werden in de Dertigjarige Oorlog beschouwd als een grote plaag voor de bevolking. Veelvuldig is men ervan uit gegaan dat de bevolkingsvermindering van wel gemiddeld 30% veroorzaakt werd door de militaire acties. Tegenwoordig kijken de historici toch anders tegen deze verliezen aan; ingrijpen door militairen was slechts voor een beperkt deel verantwoordelijk voor het enorme aantal doden. Het waren vooral de indirecte gevolgen van de oorlog, zoals het instorten van de agrarische productie en de handel die zorgden voor bijvoorbeeld hongersnoden. De verspreiding van ziekten door de troepenverplaatsingen en de slechte hygiëne in de steden en de dorpen waar grote hoeveelheden soldaten ingekwartierd waren, zorgde voor veel meer doden dan het brute optreden van soldatenhordes. De slachtoffers van soldaten en ziekten vielen vooral op het platteland, omdat daar weinig bescherming te vinden was tegen de legers. Grote steden kregen op een hele andere manier te maken met de oorlog. De steden draaiden veelvuldig op voor de financiële lasten van de vorsten. Grote steden werden ook lang niet altijd belegerd, omdat de vestingwerken daar veel te uitgebreid voor waren. Het beleg was altijd een langdurige uitputtingsslag voor beide partijen en het kwam regelmatig voor dat een stad besloot om het beleg af te kopen. Het kostte dan wel flink wat geld, maar er werd een hoop schade voorkomen. Hooguit kreeg een stad verder te maken met inkwartieringen van vijandelijke soldaten. Besloot een stad zich toch te verzetten dan waren de 17e eeuwse tijdgenoten ook van mening dat een stad vrij was voor plundering. Een dergelijke plundering duurde meestal maar een korte tijd en was voornamelijk bedoeld om de soldaten tevreden te stellen na de geleden ontberingen. Een plundering als die van Maagdenburg, die eindigde in de complete verwoesting van de stad, was een zeer grote uitzondering en maakte daarom een enorme indruk op de tijdgenoten.

Desondanks is er geen twijfel over het feit dat de soldaten van de 30-jarige oorlog een zeer slechte reputatie genoten waar het hun houding tegenover de gewone mensen betrof. Ook de leidinggevende militairen waren zich hier terdege van bewust. Zo adviseerde de militaire theoreticus Von Wallhausen om geen soldaten in te kwartieren in de eigen dorpen en steden, omdat de soldaten waarschijnlijk alles zouden stelen wat los en vast zat en het overige zouden vernielen. Ook andere militaire theoretici erkenden dat de soldaten vaak als barbaren tekeer gingen. Het is van groot belang dat het juist militairen zijn die benadrukten dat de soldaten een dergelijk slechte reputatie over zich hadden, want we kunnen aannemen dat er geen propagandistische doelstellingen achter deze beweringen scholen.

Toch zijn er pogingen gedaan om de kwalijke reputatie van de soldaten wat te verzachten. Zo hebben historici als Burschel en Kroener gesuggereerd dat de soldaten zelf het slachtoffer waren van de oorlog en geen meedogenloze moordenaars waren, zoals velen hen zagen. De soldaten werden beschouwd als mensen die buiten of bijna buiten de maatschappij stonden, zoals bedelaars: "Der von Historikern so gern konstatierte grundsätzliche Gegensatz zwischen jenen, die auf dem Lande lebten, hier arbeiteten, hier ihr Auskommen finden mußten, und denen, die dieses Land plündernd mit Krieg überzogen, bestand nicht". En verder: "Was hier zum Ausdruck kommt, ist vielmehr die Überheblichkeit derer, die ihre so momentane wie trügerische Stärke, die Potenz der Waffen, mit sozialem Aufstieg verwechselten – und die nur zu gut um die bedrückenden socialen Verhältnisse auf dem Lande gewußt haben werden, denen mancher von ihnen entkommen zu sein glaubte.

Burschel en Kroener raken hier wel een goed punt want ook contemporaine auteurs waren van mening dat een deel van de gepleegde excessen door de soldaten voortkwam uit hun ellende en de slechte betalingen. Het is heel goed mogelijk dat dit klopte, want onder Gustav Adolf waren er relatief weinig misstanden met betrekking tot de discipline. Zo moest de abt Friesenegger constateren dat: "Den 15. Mai hat sich München gegen 300000 Taler, und andere Bedingnisse dem König Gustaph ergeben, und jedermann mußte seine Gelassenheit, und Disciplin bewundern. Denn alles Leben, Eigentum, und Ehre war unter Ihm sicherer als selbst unter der churfürstlichen Garnison." Anderzijds gaat Kroener wel erg ver door te stellen dat de conflicten tussen de landelijke bevolking en soldaten vooral voortkwamen uit pogingen van de officieren en de stedelijke elites om de oorlogslasten af te wentelen op het platteland en de laagste militairen. Het stelt daarmee expliciet dat officieren en elites een bewuste politiek voerden om alleen het platteland financieel en economisch te treffen.

Een interessante these die Asch naar voren haalt en verder gaat op het gedachtegoed van Burschel en Kroener, stelt dat de misdrijven die de soldaten in de oorlog begingen voortkwamen uit het feit dat de soldaten voelden dat zij niet tot de "normale" maatschappij behoorden en via zich martelingen verzetten tegen de dezelfde maatschappij waar zij eens toe behoorden, maar nu uitgestoten waren. Als voorbeeld geeft Asch het afsnijden van bijvoorbeeld de neus van een man. Zoals hij het voorbeeld brengt lijkt het er echter op alsof de soldaten zomaar voor de lol een neus afsnijden zonder enige aanleiding. Het citaat is door Asch uit het verband gehaald: "Bei ihrem Abzug am dritten Tag führten sie Pferd, und Vieh, was sie kriegten, mit sich fort, und hinterließen nichts als Schandtaten. Wehe dem, der sich widersetzte! Zu Pechting töteten sie einen Mann, und anderen schnitten sie nase und Ohren ab." Er was hier wel sprake van een reden voor de soldaten om de man te mishandelen, namelijk dat hij zich verzette tegen de soldaten. De vraag is alleen wat voor nut het had om iemand te verminken. Zelf denk ik dat dit voortkwam uit een minachting voor het leven, waar de soldaten door hun beroep elke dag mee te maken hadden. De militairen waren afgestompt door de hoeveelheid wreedheden, ellende en dood die zij telkens tegenkwamen. Het mishandelen van mensen kon daarom in zekere zin voor de soldaten "normaal" geworden zijn. In het dagboek van onze soldaat komt dit ook duidelijk naar voren. Enerzijds verdringt hij een deel van de ellende die hij te zien krijgt, anderzijds is het echt een normaal onderdeel van het leven geworden. Alleen bijzondere gebeurtenissen worden nog opgetekend. Peters schrijft hierover: "Unserem Soldaten ist grausamkeit nur dann aufzeichnenswert, wenn sie dieser “natürlichen" Zwecksetzung herausfällt." 

Wreedheden begaan tegen de burgerbevolking van de vijand werden door de tijdgenoten als iets normaals gezien. De soldaten gedroegen zich tegenover de eigen burgerbevolking echter net zo bruut als tegen de vijandelijke burgers. Voor een deel kan dit voortkomen uit het feit dat een groot deel van de soldaten niet uit het land kwam van het leger waar hij in diende. De eigen bevolking hoefde dus helemaal geen vriendschappelijke bevolking te zijn en waarschijnlijk voelden de soldaten helemaal geen binding met de burgers die zij dienden te beschermen. Binding was er eigenlijk alleen met de kolonel of de bevelhebber van het leger. Maar ook deze was niet al te diep zo getuige de makkelijke overgang van soldaten naar een vijandelijk leger. Juist door gebrek aan binding tussen burgers en soldaten, viel bij de soldaten de noodzaak weg om zich in te houden en waren daarom in staat om hun misdrijven te plegen. Dit zorgde weer voor haatgevoelens bij de bevolking en aldus verslechterde de relatie tussen de burgers/boeren en soldaten steeds verder.

Asch stelt dan ook onomwonden dat er een diepe vijandigheid heerste tussen burgers/boeren en soldaten. Boeren kregen niet vaak de mogelijkheid om zich te verzetten tegen grote aantallen soldaten, maar tegen kleine groepjes of individuele militairen zagen boeren vaak hun kans schoon en namen wraak. Onze soldaat kon ook over dit fenomeen vertellen: "Alhir habe Ich mich den abet ein wenieg bezecht, vndt bin des morgens, einen steinwurff, hinter dem Regemedt, verblieben, wehgen kobpweh, Also sindt 3 Pauren In die hegken gestegket, auff mich dor, wagker, zu schlagen mein Mantel, Ranssen, alles genomen, durch godtes schiegung, sindt sie auff ein mal von mir gesprungen." Onze soldaat had nog geluk dat hij het na kon vertellen, want veel soldaten werden gewoon vermoord. Het verzet van boeren was vrijwel altijd spontaan, maar er zijn verhalen bekend van goed georganiseerde opstanden. Ook is het regelmatig voorgekomen dat een aantal dorpen gezamenlijk verzet organiseerden voor het geval er soldaten langs zouden komen.

Veel makkelijker en minder gevaarlijk was het voor dorpelingen om de bossen in te vluchten. Alle voorwerpen van waarde werden meegenomen en de vluchtelingen wachtten eenvoudig af tot het leger weer weggetrokken was. Dit duurde nooit langer dan een week, aangezien een leger niet zo lang op dezelfde plaats kon blijven. Dominee Bötzinger vluchtte ook regelmatig de bossen in: "Bei der ersten besten Gelegenheit entwischte ich mit meiner Frau und meinen beiden Kindern durchs Tor und floh nach Hellingen zu in den nächsten Wald. Da waren viele, die ebenfalls Fersengeld gezahlt hatten und uns weinend fragten, wie es in der Stadt aussähe und ob ihr Vater noch lebe…" Om zich voor te kunnen bereiden op een eventuele vlucht, waarschuwden de dorpen elkaar in het geval er een leger aankwam. Meestal zagen de dorpsbewoners ook wel of er een troepenmacht aankwam, want de meeste legers moesten zich aan vaste marsroutes houden. Voor de dorpen ontstonden er echter wel grote problemen als er kleine groepjes ruiters aankwamen. Deze verplaatsten zich te snel om ertegen gewaarschuwd te worden.

Het harde optreden van de boeren tegen de soldaten zorgde ook weer voor haat bij de militairen tegen de boeren. Meestal kwam deze haat vooral voor bij de hogere militairen, die vanuit aristocratisch oogpunt neerkeken op de boeren. De Schotse officier Monro beschreef een gelegenheid die de cirkel van geweld duidelijk maakt: "Auf diesem Marsch zur Weserstrom blieb Hauptmann Bothwell hinter dem Regiment zurück und wurde von einer Anzahl schurkischer Boores getötet. Sie sind seit jeher die Feinde des Soldaten, Der Tod dieses Cavaliers wurde von allen beklagt, die ihn gekannt hatten. Da die Boores geflohen waren, wurde ihr Dorpe abgebrannt." Bij onze soldaat is er weinig te merken van aversie tegen boeren. Zelfs toen hij door boeren overvallen was, maakte hij verder geen aantekeningen met verwijten die gericht waren tegen zijn overvallers. Veelmeer krijgt de lezer de indruk dat de soldaat het beschouwde als iets wat elke soldaat kon overkomen en ook de reactie van zijn kameraden wijst in die richting: zij lachten hem uit, in plaats van het ondernemen van wraakacties.

De relaties tussen burgers en soldaten hoefden lang niet altijd slecht te zijn: "Alhir haben wir kein Rindtfleichs mehr wollen essen, sonder es haben must gensse, endten, oder hunner sein, den wo wir vber nacht gelegen sindt, hat der vater must ein Iedtwiedern einen halben taler gehben, aber mit allen guten, weil wir mit Ihm zufrieden sindt // gewessen vndt haben Ihn sein vieh zufrieden gelassen." Vaak was de relatie met de bevolking toch erg gespannen en er hoefde maar weinig te gebeuren of er ontstonden problemen tussen beide groepen. Vooral inkwartieringen vormden een grote spanningsbron tussen burgers en soldaten. Inkwartieringen op het platteland zorgden altijd voor extra problemen, omdat er verhoudingsgewijs veel soldaten bij een kleine bevolking geplaatst werden. De boeren hadden ook weinig tegen de soldaten in te brengen mochten deze voor problemen zorgen. In de stad was dit toch anders. De stad kon als een uniform blok tegen de soldaten optreden via het stadsbestuur. In het geval van onze soldaat ging het goed, maar al te vaak zorgden inkwartieringen voor flinke problemen, waarbij de soldaten meestal als sterkste uit de "strijd" kwamen. De veldheren probeerden te allen tijde te voorkomen dat troepen in het vriendschappelijke gebied gelegerd moest worden. Eventuele spanningen die dan konden ontstaan moesten voorkomen worden, want de militairen waren voor inkwartieringen altijd nog afhankelijk van de burgers. Een feit dat de militairen niet lekker zat maar waar ze weinig aan konden doen.

Conclusie
De verhouding tussen de burgers en de soldaten was tijdens de Dertigjarige Oorlog zeer gecompliceerd. Deze relatie werd in de oorlog sterk gekenmerkt door wederzijdse wreedheden. Vooral soldaten maakten zich schuldig aan misdaden tegen de bevolking. Het is de vraag waarom zij deze misdaden pleegden. De sociale achtergronden van de soldaten zullen in deze relatie ongetwijfeld een grote rol hebben gespeeld. Vrijwel alle soldaten kwamen uit de gewone bevolking voort en deden in de burgermaatschappij meestal het sociaal slechte werk, zoals schoenmaker of varkenshoeder. Van de soldaten die op de aanwervinglijst stonden had ook nog weer de helft of meer van de mannen geen opleiding genoten. Degenen die echter wel een opleiding hadden gehad konden in het leger goed leven: zij kregen soldij en konden zelfgemaakte voorwerpen, zoals meubelen of kleine gebruiksvoorwerpen, verkopen. Ongeschoolde soldaten konden zich als dagarbeider verhuren. We kunnen stellen dat een groot percentage van de soldaten uit de lagere en laagste sociale lagen van de bevolking kwamen. Rekrutering was nooit erg moeilijk uit deze lagen, omdat de armoede deze mensen dwong tot het aannemen van elk soort werk. Het leger bood in ieder geval financiële veiligheid. Slechts in de zomer hadden de wervers moeite om mannen te krijgen, omdat dan de oogsten binnengehaald moesten worden.

Niet alleen armen zochten hun toevlucht tot het leger; ook misdadigers en andere personen die in de gewone maatschappij niet meer thuishoorden, vonden anonimiteit in het leger. Al met al kunnen we dus de conclusie trekken dat de meeste soldaten uit de laagste bevolkingsklassen kwamen. Het kan meespelen dat deze mannen een aversie hadden tegen de gewone maatschappij die hen niet meer hoefde en dat zij zich daarom misdroegen tegenover de gewone bevolking.

Het sociale leven van de soldaten speelde zich af in het leger zelf en in de tros. Oorspronkelijk was de tros bedoeld om de legerbagage te vervoeren, maar in de loop der tijden groeide de tros steeds verder aan en begon een eigen leven te vormen. Handelaars reisden mee in de tros en zorgden voor voedsel. Soldaten ontmoetten in de tros andere soldaten, maar van getrouwde militairen reisde ook hun vrouw mee. Het leven in de tros was vooral voor deze vrouwen zwaar en soms ook gevaarlijk. Toch waren het vooral deze vrouwen die het leven in de tros mogelijk maakten. Zij verzorgden hun man en onderhielden het "huishouden". De soldatenvrouwen of meereizende vrouwen kwamen zelf, evenals hun man, uit een laag sociaal milieu.

De soldaten vormden in het leger en de tros een eigen maatschappij. Zij ontwikkelden een eigen spraakgebruik en werden ook bevestigd in hun gevoel tot een eigen maatschappij te behoren door bijvoorbeeld een eigen rechtssysteem. De soldaten voelden zich veilig in hun eigen maatschappij, maar tevens heerste er bij hen een ambivalente houding tegenover de burgermaatschappij. Zij keken neer op de burgers, maar wilden er ook toe behoren.

Het geloof was een belangrijk onderdeel bij de militairen. Desondanks heerste bij de soldaten niet het gevoel dat de Dertigjarige Oorlog een godsdienstoorlog was. Soldaten van verschillend geloof stonden naast elkaar in de rijen op het slagveld en beschouwden elkaar als medesoldaten. Ook in de relatie naar burgers toe telde voor de soldaten het geloof niet mee. Een slechte relatie tussen beide groepen kan dan ook niet voortgekomen zijn uit het geloof.

Lange tijd waren historici van mening dat de grote ontvolkingpercentages voortkwamen uit de activiteiten van soldaten. Tegenwoordig weten de onderzoekers dat dit niet het geval was. Vooral ziekten zorgden voor grote aantallen doden onder de burgers. Desondanks zijn er talloze berichten over wreedheden gepleegd door soldaten én burgers. De tijdgenoten, maar ook contemporaine historici zagen/zien een slechte uitbetaling van soldij of gebrek aan voedsel als oorzaak van plunderingen en daaraan gekoppelde wreedheden. Zelf denk ik, dat de soldaten goed wisten dat zij een machtsbasis hadden en op grond daarvan handelden. Hierdoor stelden zij minder terughoudendheid ten toon tegenover de bevolking. Gekoppeld aan hun aversie tegen die "andere" maatschappij pleegden zij waarschijnlijk hun misdrijven. De burgers van hun kant reageerden weer tegen de misdrijven die de soldaten bedreven en zo ontstond er een sfeer van wederzijdse haat.

Over het algemeen kunnen we stellen dat de relatie tussen burgers/boeren en soldaten slecht was. Vooral de relatie tussen soldaten en boeren was erg slecht. Soldaten keken neer op de boeren en beschouwden hen haast als natuurlijke vijanden van de soldaten, zo getuige het citaat van de Schotse officier Monro. De boeren op hun kant zagen de soldaten als dieven en moordenaars en koesterden een diepe haat tegen de soldaten. Naarmate de oorlog vorderde werd deze wederzijdse haat alleen maar dieper.

Literatuur
R. Asch, "Wo der Soldat hinkömbt, da ist alles sein": "Military Violence and Atrocities in the Thirty Years War Re-examined". German History, volume 18 number 3 (Osnabrück 2000)
F. Bedürftig, Taschenlexikon Dreißigjäriger Krieg (München 1999)
M. Beyner-Fröhlich, Selbstzeugnisse aus dem Dreißigjärigen Krieg und dem Barok (Leipzig 1930)
W. Boeheim, Handbuch der Waffenkunde (Leipzig 1890)
M. Bötzinger, Leben und Leiden während des Dreißigjärigen Krieges (Bad Langensalza 2001)
P. Burschel, Söldner im Nordwestdeutschland des 16. und 17. Jahrhunderts (Göttingen 1994)
M. van Creveld, Supplying war. Logistics from Wallenstein to Patton (New York 1977)
C. Duffy, Siege Warfare. The fortress in the early modern world 1494-1660 (Londen 1979)
S. Fiedler, Kriegswesen und Kriegführung im Zeitalter der Landsknechte (Koblenz 1985)
H.J.C. von Grimmelshausen, Der abenteuerliche Simplicissimus Teutsch (Stuttgard 1970)
M.P. Heimers, Krieg, Hunger, Pest und Glaubenszwist (München 1998)
H. Jessen, Der Dreißigjärige Krieg in Augenzeugenberichten (München 1971)
B.R. Kroener und R. Pröve, Krieg und Frieden. Militär und Gesellschaft in der Frühen Neuzeit (Paderborn 1996)
B. von Krusenstjern, Zwischen Alltag und Katastrophe (Göttingen 2001)
H. Langer, Kulturgeschichte des 30järigen Krieges (Leipzig 1978)
W. Mathäser, Maurus Friesenegger, Tagebuch aus dem Dreißigjärigen Krieg (München 1974)
D. Mensing, Die Bauerchronik des Hartig Sierk aus Wrohm (Flensburg 1925)
P. Milger, Der Dreißigjärige Krieg (München 2001)
O. van Nimwegen, De subsistentie van het leger. Logistiek en strategie van het geallieerde en met name het Staatse leger tijdens de Spaanse Successieoorlog in de Nederlanden en het Heilige Roomse Rijk (1701-1712) (Amsterdam 1995)
G. Ortenburg, Waffe und Waffengebrauch im Zeitalter der Landsknechte (Koblenz 1984)
P. Paret, Makers of modern strategy. From Machiavelli to the nuclear age (Princeton 1986)
G. Parker, The military revolution. Military innovation and the rise of the West 1500 – 1800 (Cambridge 1996)
G. Parker, The thirty years war (Londen 1987)
J. Peters, Ein Söldnerleben im Dreißigjärigen Krieg (Berlin 1993)
M. Pfeffer, Flugschriften zum Dreißigjärigen Krieg (Frankfurt am Main 1993)
V. Press, Krieg und Krisen. Deutschland 1600-1715 (München 1991)
T.K. Rabb, The thirty years war. Problems of motive, extent and effect (Boston 1965)
K. Repgen, Krieg und Politik 1618 – 1648 (München 1988)
H.U. Rudolf, Der Dreißigjärige Krieg. Perspektiven und Strukturen (Darmstadt 1977)
S.H. Steinberg, The "Thirty Years War" and the conflict for European hegemony (Londen 1966)
G. Teske, Bürger, Bauern, Söldner und Gesandte (Münster 1998)
C.V. Wedgwood, The thirty years war (London 1938)
E.N. Williams, The ancien régime in Europe. Government and society in the Major States 1648-1789 (London 1999)
G. Zillhardt, Der Dreißigjärige Krieg in Zeitgenössischer Darstellung (Forschungen zur Geschichte der Stadt Ulm) (Ulm 1975)
Bericht geplaatst in: artikel