NEDERLAND EN DE DUITSE EENWORDING

Geplaatst op 9 november 2003 door Jerrol Renfurm
Uit Nederlandse hoek kwam er kritiek op de eenwording. In dit artikel zal de Nederlandse houding tijdens het proces van Duitse hereniging besproken worden.
Inleiding
Op 9 november 1989 besloot de DDR haar grenzen open te stellen. Alle Oost-Duitsers konden voortaan vrij reizen naar de Bondsrepubliek en de Berlijnse Muur werd afgebroken. Daarmee kwam er na 28 jaar een einde aan de tastbare scheiding, die de stad verdeelde in Oost en West. Na de val van de Muur volgden de ontwikkelingen naar de Duitse eenwording elkaar in hoog tempo op. Duitsland kon niet langer uit twee landen bestaan en voor alle Duitsers was het doel de hereniging. Niet alle buurlanden van Duitsland waren het daarmee eens en uitten kritiek op de naderende Duitse eenwording. Helmut Kohl, de bondskanselier van de BRD, zei hierover in zijn memoires, Het einde van de Muur. Persoonlijke herinneringen: “Zij hebben in de loop der jaren de indruk gekregen, dat de Duitsers het doel van eenheid hadden opgegeven. Daarom was het een shock, dat ik dit echt meende en dat mijn talrijke verklaringen over de Duitse eenheid zeker geen loze kreten zijn geweest."

Ook uit Nederlandse hoek kwam er kritiek op de eenwording. In dit artikel zal de Nederlandse houding tijdens het proces van Duitse hereniging besproken worden. Hierin zal bijzondere aandacht worden gewijd aan de botsing tussen de toenmalige Nederlandse premier Ruud Lubbers en bondskanselier Helmut Kohl. Verder zal er geanalyseerd worden hoe het Nederlandse standpunt zich ontwikkelde ten opzichte van de belangrijkste Westerse bondgenoten en in hoeverre het Nederlandse beleid op steun kon rekenen van het parlement en de Nederlandse pers.

Reacties op de val van de Berlijnse Muur
De Verenigde Staten prezen het Oost-Duitse besluit om de grenzen open te stellen. Zij vonden het een positieve verandering in de richting van vreedzame democratische hervormingen. De hervormingen en de liberaliseringen die de Oost-Europese landen meemaakten aan het eind van de jaren tachtig werden voornamelijk mogelijk gemaakt door het optreden van Sovjetleider Michail Gorbatsjov. Hij wilde Glasnost en perestroijka. De twaalf Europese landen die lid waren van de Europese Gemeenschap (EG) juichten de ontwikkelingen in het Oosten ook toe. Frankrijk maakte dat de Europese eenwording onderwerp van gesprek werd en wilde dat er snel besluiten genomen zouden worden ten aanzien van de Europese economische en monetaire unie. Ook Nederland wilde dat de EG zich snel uitbreidde tot een unie. Groot-Brittannië stond huiverig tegenover snelle integratie. De manier waarop de EG-landen nauwer zijn gaan samenwerken, was een van de factoren die van invloed waren op de hervormingsbewegingen in Oost-Europa.

Het plan van Kohl
Op 28 november 1989 presenteerde bondskanselier Kohl zijn "tien punten plan". Dit stond een snelle integratie van Oost-Duitsland in de EG voor en de mogelijkheid tot eenwording van de beide Duitse landen. In haar memoires, The Downing Street years, schrijft Margaret Thatcher hierover: “The tenth point was that his Government was working towards "unity, reunification, the reattainment of German state unity"".

De VS stelden Duitsland vier voorwaarden aan de hereniging: 1. dat het Duitse volk zelf moest beslissen of ze wilde herenigen, 2. dat het proces vreedzaam zou moeten verlopen, 3. de stabiliteit in Europa zou niet geschaad dienen te worden en 4. dat de landsgrenzen onschendbaar zouden blijven.Groot-Brittannië en Frankrijk vonden dat de hereniging niet alleen tot de zelfbeschikking van de Duitsers hoorde, maar dat ook de vier overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog, Frankrijk, de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië en de VS, erbij betrokken moesten worden.
{mospagebreak}
Botsing tussen Lubbers en Kohl
Op 8 en 9 december 1989 vond in Straatsburg een vergadering plaats van de Europese Raad, de regeringsleiders van de 12 lidstaten van de EG en de Franse president Mitterand. Er werd gesproken over de Duitse eenheid. Het was voor het eerst dat de Europese Raad zich positief uitsprak over de eenheid van het Duitse volk. In de slotverklaring van de conferentie werd echter het woord "hereniging" vermeden en het "tien punten plan" van Kohl kwam niet eens op tafel. Dit kwam omdat het een begrip was dat in veel Europese landen niet veel enthousiasme opriep. Tijdens het diner nam Lubbers geen blad voor de mond en confronteerde de bondskanselier met zijn "tien punten plan". “[…] although the Dutch Prime Minister Mr Lubbers said at the heads of government dinner that he thought Chancellor Kohl"s "ten-point" plan would encourage reunification, that there were dangers in talking about self-determination and that it was better not to refer to one "German people". This required some courage", aldus Thatcher in haar memoires.

Lubbers sprak vrijuit over zijn bedenkingen aangaande de hereniging van Oost en West Duitsland. Dit verwoordde hij ook heel duidelijk in de Tweede Kamer op 12 december. De premier zij over Straatsburg; “Er is (lees: ik heb) ook doorgeboord op het begrip "het Duitse volk". Met "doorboren" doel ik op de verheldering, dus op hetgeen het precies betekent".

De reactie van Lubbers tijdens het diner in Straatsburg was voor Kohl reden tot irritatie. In zijn memoires beschrijft Kohl zijn onvrede met de uitspraken van Lubbers. Over de conferentie vertelt Kohl: “Sinds ik bondskanselier ben, heb ik nog nooit zo"n koele sfeer op een EG-top meegemaakt." Kohl was zich ervan bewust dat Duitsers niet geliefd waren in Europa. Hij vertelt verder: “Hoewel ik dit wist, was ik verbaasd over de ondervraging, waarmee ik in Straatsburg werd geconfronteerd. Men (lees: Lubbers) vroeg mij wat ik me eigenlijk bij de presentatie van het Tienpuntenprogramma had voorgesteld, hoe men überhaupt op de gedachte kan komen om zo"n toespraak te houden". De bondskanselier was ontdaan dat zijn streven naar eenheid van het Duitse volk door premier Lubbers verkeerd werd begrepen.

Verscheidene, niet geraadpleegde Europese regeringen toonden zich uitermate bezorgd over de gevolgen van een herenigd Duitsland voor de Europese veiligheid. Met name de Poolse regering had aan de gesprekken willen deelnemen. Kohl weigerde namelijk zich uit te spreken over de Duits-Poolse grens langs de rivieren de Oder en de Neisse. De Bondsrepubliek had in 1975, bij de slotakte van Helsinki, met 33 landen verklaard dat grenzen slechts op vreedzame wijze, met toestemming van alle betrokkenen, kunnen worden gewijzigd. De slotakte was het resultaat van de eerste Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa. De definitieve Westgrens van Polen, zoals vastgelegd in een verdrag tussen Polen en de DDR, kan echter slechts bij een vredesverdrag worden geregeld. De Bondsrepubliek heeft het verdrag tussen Polen en de DDR, waarbij de Oder-Neisse als de grens tussen beide landen werd vastgelegd, nooit erkend. Kohl wilde zich niet uitlaten over de grens met Polen, wat tot opschudding zorgde in Europa. Onder druk van zijn coalitie en het buitenland aanvaardde hij de grens op 28 februari 1990.

Groot-Brittannië was zeer negatief over het proces van de Duitse eenwording. Kohl beschrijft in zijn memoires: “Het voorbehoud was op Downing Street 10 het grootst. Tegen de Duitsers koesterde zij (Thatcher), net als velen van haar generatie, een diep wantrouwen". Voor Thatcher gold: “If there was any hope now of stopping or slowing down reunification it would only come from an Anglo-French initiative". Voor Frankrijk gold aanvankelijk hetzelfde, maar het was al niet meer mogelijk om een blok te vormen tegen de hereniging en bovendien wilde de Franse president dat niet meer. De VS dachten er anders over dan Engeland en Frankrijk. Zij waren voor de hereniging en wilden die ook bespoedigen. “Kortom, wij boften met George Bush", aldus Kohl.
{mospagebreak}
Reacties op de Duitse eenwording
Tijdens een bezoek van Kohl en Hans-Dietrich Genscher, de West-Duitse minister van Buitenlandse Zaken, aan Moskou op 11 en 12 februari 1990, verklaarde president Gorbatsjov dat de Duitsers wat hem betreft zelf over de eenheid mochten beslissen. Hiermee stond de weg naar hereniging open. Op 13 februari bereikten de vier geallieerde overwinnaars uit de Tweede Wereldoorlog en de twee Duitse staten een overeenkomst. Deze staat bekend als zogenaamde twee-plus-vier formule, dat wil zeggen de twee Duitse landen, BRD en DDR, en de vier geallieerden. Dit betrof een kader voor veiligheidsbesprekingen in verband met de op handen zijnde Duitse eenwording. Hiermee accepteerden de mogendheden die Duitsland na de Tweede Wereldoorlog hadden verdeeld de onvermijdelijkheid van een snelle Duitse eenwording. De ministers van Buitenlandse Zaken van de zes landen verklaarden dat zij de externe aspecten van de totstandkoming van de Duitse eenheid, inclusief de veiligheid van de buurlanden, zouden bespreken.

De Nederlandse reactie op de eenwording en het Nederlandse beleid
Nederland was, net als Groot-Brittannië, tegen de Duitse eenwording. Premier Lubbers had dat duidelijk verwoord in zijn toespraak aan de Katholieke Universiteit te Tilburg op 15 januari 1990. Met woorden als expansiedrift, angst en nieuw opkomende repressie zette hij zijn toespraak kracht bij.

Op 25 januari van dat jaar verdedigde Van den Broek, minister van Buitenlandse Zaken, in de Tweede Kamer het Nederlandse beleid ten aanzien van de Duitse eenwording. De eenwording zou niet moeten worden belast met onduidelijkheid op het punt van respect voor de Poolse westgrens. Zij zou op democratische manier moeten geschieden en het herenigde Duitsland zou lid moeten blijven van zowel de NAVO als de EG. Met deze punten was het parlement het eens.

Een maand later gaf de minister te kennen dat de Nederlandse regering het streven naar de Duitse eenwording volledig steunde. Er werden echter door het parlement kanttekeningen geplaatst bij de manier van handelen van minister Genscher. Men vond dat hij Nederland op de hoogte had moeten stellen van de twee-plus-vier gesprekken. Het parlement was de mening toegedaan dat Genscher zijn plannen niet in bondgenootschappelijk overleg had onthuld en dat Nederland daar pas achteraf van op de hoogte kwam. Het parlement was bovendien tegenstander van een neutraal Duitsland, het zou ingebed moeten worden in de NAVO. Verder was men het erover eens dat de kwestie van de Duitse eenwording geen Duitse, maar een Europese kwestie was.
Genscher was zich ervan bewust dat deze sentimenten in Nederland leefden en kwam op 27 februari naar Nederland komen om alle misverstanden weg te nemen. Minister Van de Broek en premier Lubbers maakten het hem knap lastig tijdens zijn bezoek. Genscher schrijft hierover in zijn memoires: “Da ich Hans van den Broek personlich mochte und mag und weil ich ihn, wie Ruud Lubbers, vor allem wegen seiner Professionalitat schatze, fiel mir diese Aufgabe alles andere als schwer".

Reacties van de Nederlandse pers op het beleid
Het NRC-Handelsblad deed op 24 oktober 1989 melding van de mogelijkheid op Duitse eenwording. Er werd gesuggereerd dat Nederland de Duitse eenwording waarschijnlijk niet zou toejuichen. Nederland kon de Bondsrepubliek niet tegenover zich krijgen, dus moest van de Duitse eenwording worden afgezien.

Op 23 januari 1990 meldde het NRC dat de Tweede Kamer een duidelijk standpunt moest innemen in de kwestie van de Duitse eenwording. Het is des te belangrijker voor Nederland dat het positief wordt gewaardeerd door Duitsland. De krant vindt dat Nederland de voorwaarden voor hereniging overneemt zoals die internationaal zijn geformuleerd. Het NRC was voorstander van de Duitse eenwording en vond dat Nederland de economische kansen zou moeten benutten die de eenwording kon bieden.
Conclusie
Na de val van de Berlijnse Muur volgden de ontwikkelingen naar de Duitse eenwording elkaar in snel tempo op. Hierover waren niet alle landen enthousiast. Groot-Brittannië bleef gedurende bijna het hele proces van eenwording tegen. De VS waren voorstander, Frankrijk gematigd en Nederland werd van tegenstander voorstander. In dat proces ontstond een botsing tussen premier Lubbers en bondskanselier Kohl. Lubbers confronteerde hem in Straatsburg met zijn politiek en Kohl raakte daardoor geïrriteerd. Nederland paste uiteindelijk zijn beleid ten opzichte van de Duitse kwestie aan en het parlement kon zich daar wel in vinden, hoewel het niet eens was met de gang van zaken in de internationale politiek. Het NRC-handelsblad was het in eerste instantie niet eens met het Nederlandse beleid. In 1990 kon zij zich daar wel in vinden. Uiteindelijk was Lubbers ook niet meer bang voor een herenigd Duitsland.

Bericht geplaatst in: artikel