DANDY TOT OP HET BOT

Geplaatst op 18 december 2003 door Edwin van der Veldt
Het ligt voor de hand Couperus als dandy te bestempelen: hij droeg zeer verfijnde kleren, praatte in het openbaar met een geforceerde falcetstem en kwam gemaniëreerd over.
“A Dandy is a Clothes-wearing Man, a Man whose trade, office and existence consists in the wearing of Clothes." ~Thomas Carlyle, Sartor Resartus (1833)

Inleiding
De eerste gedachte bij de benaming dandy is een man die er goed gekleed uit ziet. Tè goed, want dandy heeft ook de connotatie van ijdeltuiterij, een verwijfde uitstraling en arrogantie. De beroemdste dandy is ongetwijfeld Oscar Wilde (1854-1900), gevolgd door de minder bekende George Bryan "Beau" Brummel (1778-1840). Tussen Brummel en Wilde speelt de geschiedenis van de dandy zich ongeveer af. De dandy werd gewaardeerd, bewonderd en gevreesd, maar ook uitgelachen, weggehoond en in het gevang gezet. Dandy"s bleven in ieder geval nimmer onopgemerkt. Er werd over hen gepraat, maar – voor historici belangrijker - bovenal veel geschreven. In kranten, procesverslagen, romans en toneelstukken. Hoeveel valt er te schrijven over mannen die zich alleen bezig houden met het dragen van mooie kleren? Weinig, maar de vele geschriften over dandy"s gaan dan ook over het waarom van hun uiterlijk en gedrag. Ze gaan over dandyisme: het geheel aan motieven achter de levensstijl van de dandy en zijn relatie tot zijn omgeving.

In dit essay wordt het dandyisme beschouwd als een cultuur-historisch fenomeen met een eigen ontwikkeling waaraan inmiddels een bescheiden hoeveelheid historische werken is gewijd. Daaruit blijkt dat de overheersende mening is dat de dandy na Oscar Wilde een zachte dood is gestorven. Er zijn natuurlijk nog steeds personen die er dandyesk uitzien, maar hoewel kleren de man maken, maken ze nog geen dandy, zoals uit dit essay zal blijken.

De bekendste Nederlandse dandy is Louis Couperus. Het ligt voor de hand hem als dandy te bestempelen: hij droeg zeer verfijnde kleren, praatte in het openbaar met een geforceerde falcetstem en kwam gemaniëreerd over. In een brochure voor een herenmodemagazijn schreef hij zelfs een "meditatie over het mannelijk toilet": ´Dezen morgen, mij kleedende, bleef ik half steken tusschen mijne aan mij bezige vingers, en verraste ik mijzelven, terwijl ik, beenbekleed en gebreteld, bezig bleef met een weêrstrevend knoopje vast te drukken in mijn boord, in een allerdiepzinnigste meditatie over het mannelijk toilet." Deze eigenschappen, waardoor Louis Couperus als dandy wordt getypeerd, zijn afkomstig uit de gehele geschiedenis van het dandyisme. Wanneer Louis Couperus aan het eind van de negentiende eeuw voor het eerst als dandy wordt aangemerkt is dit begrip dan ook vanwege zijn geschiedenis al buitengewoon veelzijdig en dubbelzinnig.
Aan de typering van Louis Couperus als dandy lijkt zelden een gedegen studie van dandyisme te zijn voorafgegaan. Couperus" tijdgenoten kan dit niet worden aangerekend, maar na zijn dood hebben vooral literatuurwetenschappers het dandyisme van Couperus onderstreept waarbij zij de dandy-eigenschappen veelal buiten hun historische context plaatsten en deze lukraak hebben toegepast. Het willekeurig toeschrijven van deze dandy-eigenschappen verschaft weinig inzicht in zowel het dandyisme van Louis Couperus als in de veelzijdigheid van het begrip. In dit essay worden de vermeende dandyistische eigenschappen van Louis Couperus daarom in hun historische ontstaansperiode besproken.

Sommige eigenschappen van de dandy zijn specifiek verbonden aan personen die in hun tijd het begrip een nieuwe, persoonlijke invulling hebben gegeven. Andere zijn gedurende de gehele ontwikkeling van het fenomeen kenmerkend gebleven voor de dandy. Bij de bespreking van deze kenmerken heb ik de vrijheid genomen om de ontwikkeling van het dandyisme in omgekeerde chronologische volgorde te kunnen vertellen. Daarvoor zijn twee redenen. De eerste is het verwijzende karakter van het dandyisme. Het begrip was ten tijde van Louis Couperus bekend, en de dandy"s van het fin de siècle waren zich veelal bewust van hun voorgangers, die zich weer bewust waren van de dandy"s die hèn waren voorgegaan, enzovoorts. Mede hierdoor is het begrip zo diffuus geworden dat er geen sprake meer kan zijn van één duidelijk omlijnd dandyisme. Het begrip werd gebruikt voor een verzameling historische en contemporaine figuren die ooit het stempel dandy hadden gekregen of zich het hadden toegeeigend. De dandyistische levensstijl was veelal een kwestie van het kopiëren van het gedrag van voorgangers. Om eer te doen aan het terugverwijzende karakter van het deze levensstijl heb ik besloten om de geschiedenis van het dandyisme achteruit vertellen.

De tweede reden is persoonlijk: bij de bestudering van het dandyisme bleek dat de ontwikkeling ervan sinds 1960, toen het boek The Dandy: Brummel to Beerbohm van Ellen Moers verscheen, zo definitief is geschreven, dat een strikte, chronologische herhaling geestdodend werk zou zijn. In alle andere werken wordt het boek van Moers aangehaald en artikelen waarvan ik hoopte dat ze iets zouden toevoegen aan de geschiedenis van het dandyisme bleken na bestudering slechts een selectie te presenteren uit het standaardwerk van Moers. Mijn essay heeft niet de pretentie een nieuw licht op het dandyisme te werpen, maar het leek mij voor het behoud van mijn eigen scherpzinnigheid nuttig een omgekeerd chronologische benadering na te streven.

Was Louis Couperus een echte dandy of niet? Deze vraag is door anderen eerder gesteld, maar is in feite onzinnig. Zij levert namelijk onmiddelijk de nieuwe vraag op wat een èchte dandy is en creëert daarmee het probleem een veranderlijk historisch fenomeen te vangen in een strenge definitie. Interresanter is de vraag waarop de typering van Louis Couperus als dandy werd gebaseerd, want daarmee wordt ook de typering (door tijdgenoten en literatuurwetenschappers) als historisch beschouwd. De vraag die in dit essay centraal staat is dan ook waaraan Louis Couperus zijn typering als dandy dankt en welke plaats deze eigenschappen innemen binnen de historische ontwikkeling van het dandyisme. Die ontwikkeling – waaronder de rol van de dandy in de samenleving – neemt daarom in dit essay een belangrijke plaats in. Aan het einde van deze beschouwing heb ik me echter toch laten verleiden om een antwoord te formuleren op de vraag of de typering van Louis Couperus als dandy na een historische bestudering van het dandyisme nog wel terecht is. In de beantwoording op die vraag is dan ook mijn visie te vinden op wat een "echte dandy" typeert.

Fin de siècle dandyisme (1880-1900)
Toen Louis Couperus in 1923 stierf, was het dandyisme al lang gestorven. De last dandy standing, Sir Max Beerbohm, zou nog tot aan zijn dood in 1956 de levenswijze van de dandy in ere houden, maar ook hij noemde de dandy"s van rond 1900: "a now extinct species, a lost relic of the eighteenth century and of the days before the great Reform Bill of 1832; a leisurely personage, attired with great elaboration, on his way to one of his many clubs; not necessarily interesting in himself; but fraught with external character and point; very satisfactory to those for whom the visible world exists." Beerbohm was een van de eersten die de dandy van het fin de siècle als historisch fenomeen beschouwde en afschreef als een relikwie uit vervlogen tijden. In 1894 had hij al een cynisch essay over Oscar Wilde geschreven dat hij de titel "A Peep into the Past" mee had gegeven. Daarin deed hij zich voor als een student die in de archieven het personage Oscar Wilde had "teruggevonden" en zich afvroeg wat er van hem geworden was. Beerbohm"s schertsende artikel had geen enkele voorspellende waarde. Oscar Wilde geldt nog immer als belangrijkste dandy. Deze tijdgenoot van Louis Couperus belichaamde het dandyisme en stelde al zijn dandy-tijdgenoten in zijn schaduw.


Decadentisme en Esthetisme
Louis Couperus ontving naar aanleiding van de Engelse vertaling van Noodlot (1890) een brief van Oscar Wilde waarin deze hem complimenteerde met het boek. Vanuit het dandyisme beschouwd kreeg de leerling complimenten van de grootmeester, want Oscar Wilde fungeerde als centrale figuur in het Europese dandyisme van het fin de siècle. Die Europese context was voor de culturele en maatschappelijke elite van Nederland rond de eeuwwiseling een reeël referentiekader om ontwikkelingen in Nederland mee te vergelijken. De typering dandy heeft Louis Couperus dan ook voor een gedeelte te danken aan de vermeende overeenkomsten tussen zijn levensstijl en die van zijn flamboyante tijdgenoot, Oscar Wilde.

Op het gebied van de kunsten en kunststromingen gaf Frankrijk de toon aan, maar het dandyisme had dankzij Wilde bovenal een Engels karakter. Het dandyisme was verbonden aan een esthetisch-decadente kunstenaarsinstelling. De literatuur over kunstenaars in het fin de siècle wemelt van de -ismen, en termen als decadentisme, esthetisme en dilletantisme worden vaak in één adem genoemd met dandyisme. Een exacte terminologische beschrijving van deze begrippen gaat te ver voor de omvang van dit essay. De termen werden veelal al in het laatste kwart van de negentiende eeuw gebezigd, door vele individuen die ieder weer een eigen invulling van het begrip hanteerden. Er bestond een verschijdenheid aan kunstenaarsopvattingen, maar één ding hadden zij echter gemeen: zij distantieerden zich van de burgerlijke levensstijl.

De esthetisch-decadente levenshouding ging uit van een autonome kunstopvatting waarin de cultus van schoonheid centraal stond. Typisch burgerlijke waarden als ethiek, engagement en nuttigheidsgedachten werden verworpen. Natuurlijke schoonheid moest wijken voor kunstmatige schoonheid. Die schoonheid kon in alles gevonden worden, ook in het duistere, kwade, perverse of morbide en zelfs in lelijkheid. Onderwerpen als de dood en de duivel kregen aldus hun plaats in kunstwerken die niets anders pretendeerden dan kunst te zijn.

Het decadente esthetisme had een plaats in de kunstwereld verworven sinds het proces dat de Amerikaanse schilder James Mc. Neill Whistler in 1878 tegen de criticus John Ruskin had aangespannen. De vage contouren in de Nocturnes van Whistler onlokten Ruskin de uitspraak: "I have seen, and heard, much of Cockney impudence before now, but never expexted to hear a coxcomb ask two hundred guineas for flintering a pot of paint in the public"s face". Whistler liet dit commentaar niet over zijn kant gaan en klaagde Ruskin aan wegens smaad. Centraal in het proces stond de precieze betekenis van de vage contouren van de schilderijen, de tijd die de schilder eraan had besteed en hoe hij tot zijn prijs was gekomen. Het proces werd een botsing van kunstopvattingen. Whistler schreef als voorvechter van het l"art pour l"art principe geen enkele maatschappelijke relevantie toe aan kunstwerken. Ruskin daarentegen zag kunst als een middel om – in zijn geval voornamelijk de werkende klasse – te onderrichten in schoonheid en moraal. Het proces trok bijzonder veel aandacht, met name door het optreden van de excentrieke Whistler. Hij vond 200 guinees helemaal niet teveel gevraagd voor een schilderij waaraan hij twee dagen gewerkt had. “No, I ask it for the knowledge of a lifetime". Whistler kwam als winnaar uit het proces en daarmee werd de rechtszaak het startsein voor een openlijke uiting van het nieuwe decadente esthetisme onder de kunstzinnige elites van Engeland.
Die decadente instelling werd door de burgerij met argwaan bekeken, ook in het in hoge mate burgelijke Nederland. In cultuurstudies worden vaak twee verschillende beelden gebruikt om deze periode gestalte te geven, het nerveuze fin de siècle om een samenleving op de afgrond af te beelden, en het beeld van het belle epogue, een hoogtepunt in het zelfvertrouwen van de burgerij. In Nederland lijkt er eerder sprake te zijn geweest van opgang en constructivisme dan van decadentie en nervositeit. De decadentie-gedachte leefde in Nederland echter wel, voornamelijk in de kunsten. Het decadentisme werd gezien als een gevolg van de samenleving in verval, waarin individuen zich ontrokken aan hun maatschappelijke rol. Voor de burgerij was deze decadentie aanleiding om op te roepen tot meer gemeenschapszin. De kunstenaars echter zagen het decadentisme als een uiting van het verband tussen het verval van de samenleving en de opkomst van de artistieke verfijning. Werkelijke artistieke kunst kon juist enkel worden bereikt door de excentriekeling die zich aan de maatschappij onttrok. De genie-kunstenaar was de last man standing in een ondergaande samenleving. De bloem, die pure schoonheid en nutteloosheid uitstraalt, werd de metafoor voor deze positie van de kunstenaar en symbool van het dandyisme.

In 1884 debuteerde de jonge dichter Louis Couperus met Een lent van vaerzen, met daarin vele personificaties van Couperus als bloem. Hij zou zich in de jaren daarna ontwikkelen tot de bekendste Nederlandse dandy, de "man met de orchidee", en tot voorname Nederlandse vertegenwoordiger van het decadente motief. Het provocerende karakter van het decadentisme van Wilde heeft het Nederlandse decadentisme echter nooit gehad, het was "meer ingehouden, meer doorvoeld".

De rol van de kunstenaar in de burgerlijke samenleving
Het dandyisme van het fin de siècle wordt wel als burgerlijk dandyisme getypeerd, omdat de levensstijl van de dandy door iedereen, ongeacht afkomst, kon worden gekopieerd en geëxploiteerd als onderdeel van het kunstenaarsleven. Deze constatering zegt echter meer over de nieuwe carrièremogelijkheden van kunstenaars dan over het karakter van het dandyisme, dat uiteraard anti-burgerlijk was. Met een stevige sociaal-economische positie had de middenklasse tijd, geld en zelfvertrouwen genoeg om losser om te springen met de (in het geval van Engeland Victoriaanse) gedragsregels. Het bourgeois publiek kon zich permitteren om vermaakt te worden, en dat schiep een gunstige markt voor kunstenaars en andere excentriekelingen. Maar met de verburgerlijking van de kunstmarkt trad ook de commercialisatie de kunstwereld binnen. Talent moest meer dan voorheen verkocht worden door het zoeken van publicitiet en controverse. Het publiek moest bereikt worden via columns, ingezonden brieven, kranten of desnoods via de gratis publiciteit van een rechtszaak. "One really can"t live in London without a lawyer" zou Whistler hebben gezegd. Het opzoeken van de normatieve grens was een taak van de kunstenaars, de taak van de burgerij was hiervan mee te genieten, en de kunstenaar terecht te wijzen wanneer de grens bereikt was. Deze hypocrisie werd in de veilige omgeving van het theater ontmaskerd in een nieuwe theatervorm die voor Nederland het belangrijkste importprodukt uit het Europese amusement genoemd kan worden: het cabaret.

Shockerend androgyn
Buiten die variétéwereld kon het burgerpubliek echter nog behoorlijk geshockeerd raken. Zowel Wilde als Couperus hebben hun publiciteit deels te danken aan het shockeffect van hun androgynie, het uitdragen van zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken.



Hoe precair een publiek geheim als homoseksualiteit was werd duidelijk door de processen van "s werelds meest beroemde homoseksueel én dandy: Oscar Wilde. Het begon met Wilde"s poging om via een proces de verdachtmakingen omtrent zijn vermeende homoseksualiteit uit de wereld te helpen. In 1895 klaagde hij de vader van zijn vriend Alfred Douglas aan wegens smaad, maar verloor deze rechtszaak wegens gebrek aan bewijs. Vervolgens werd Wilde zelf in de beklaagdenbank gezet, terwijl de geruchten over zijn homoseksuele praktijken reeds in de gehele Londonse society rondgingen. Juist door het eerste proces had Wilde die geruchtenstroom willen afsnijden, maar nu werd hij openlijk geconfronteerd met de regelgeving omtrent deze "tegennatuurlijke" praktijken, die sinds 1885 wettelijk waren verboden in Engeland. Ondanks zijn geniale redevoeringen werd Wilde uiteindelijk veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Wilde had zich vergist in de aard van zijn populariteit. Die had hij te danken aan zijn spot en cynisme, maar juist daarom kon hij op het moment dat hij werd aangepakt niet rekenen op steun van diegenen die hij bespot had. Wilde typeerde zijn vergissing zelf het treffends, toen hij in de gevangenis schreef: "Society turned on me and said, "Have you been living all this time in defiance of my laws, and do you now appeal to these laws for protection? You shall have these laws exercised to the full. You shall abide by what you have appealed for." Wilde"s optreden heeft de fin de siècle dandy een expliciet homoseksueel karakter gegeven, maar de Nederlandse berichtgeving over het proces toont aan hoe delicaat homoseksualiteit werd besproken. Zo hield de Telegraaf van 4 maart de berichtgeving zo algemeen mogelijk; er werd gesproken van "onzedelijkheid, enz.". Het meest expliciet was nog de Amsterdamse Courant die het op 5 april had over "onnoembare tegennatuurlijke misdaden" waarbij de vriend van Wilde was "verleid en bedorven". Het maakt duidelijk dat het androgyne karakter van de dandy getolereerd werd als een excentrische uitwas in de kunstenaarswereld, maar daarbuiten niet werd geaccepteerd. In 1900 stierf Oscar Wilde als gebroken man aan een herseninfarct, vermoedelijk het gevolg van syfilis.

In Nederland was het Couperus die veel stof deed opwaaien door zijn gekunstelde pose. Louis Couperus werd bespot om zijn vrouwelijke ijdelheid, wat door de burgerlijke samenleving werd opgevat als een uiting van onfatsoen en vanwege het openlijke karakter ervan als een provocatie. Couperus was zich hiervan bewust en volhardde juist in deze pose. Hij las zijn werk bij lezingencycli voor met een falsetstem en een bijzonder beklemtoning, die zeer vrouwelijk overkwam. Couperus gebruikte aldus zijn androgynie als decadent motief om de burgermaatschappij te shockeren. In het geval van Couperus is het nooit tot een rechtszaak gekomen. Een echte voorvechter van de emancipatie van homoseksuelen is Couperus ook nooit geweest. Nimmer trad hij in de openbaarheid om zijn eigen mening over androgynie te verkondigen. Hij toonde deze slechts door een rol te spelen. In zijn geschriften speelde androgynie echter een grotere rol en dat heeft hem zijn reputatie als schrijver van ondeugdelijke literatuur bezorgd. Het hoogtepunt van de provocerende rol van androgynie is dan ook te vinden in De Berg van licht. De hoofdfiguur uit dit verhaal is de veertienjarige hermafrodiet Helegabalus, die worstelt met zijn evenwichtige geslacht. Deze "man maagd" is niet "te vrouwelijk, niet te mannelijk, de beide seksen in evenwicht versmolten tot harmonie...". Wanneer hij in het huwelijk treedt (met een man), is hij als bruid "zó door linten ingesnoerd, dat hij als een vrouw schijnt, dat zijn mannelijkheid hem verborgen is in windselen blank, en dat de borsten hem zwellen boven de blanke windselen en uitstaan als die van een maagd." Het boekje vestigde de reputatie van Couperus als "onzedelijke" schrijver.

Franse ernst: de tragische dandy (1850-1880)

Stille cultuurcriticus
De grenzen van het dandyisme werden net als die van de burgerij bepaald door zowel tegenstanders als sympathisanten, maar konden nimmer worden vastgelegd. De burgerij rekende de dandy tot één van de vele uitwassen van de decadentie. Voor vele kunstenaars was het dandyisme echter een serieuze aangelegenheid, een artistieke plaatsbepaling. Na Louis Couperus is de bekendste kunstenaar die min of meer tot de Nederlandse dandy"s gerekend wordt Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm (1864–1952), beter bekent onder zijn pseudoniem Lodewijk van Deyssel. Als tijdgenoot van Louis Couperus en mede-tachtiger heeft van Deyssel zich uitgelaten over het dandyisme als levenshouding. In zijn tweede bundel Verzamelde Opstellen onderscheidt hij twee typen dandy"s: de "sobere" dandy en de "echte" dandy. Deze echte dandy was een levenskunstenaar, maar dan in negeatieve zin. In tegenstelling tot de "sobere dandy" die dichter-kunstenaar was, kreeg de levenskunstenaar door Van Deyssel eigenschappen toebedeeld die meestal uit de woorden van critici van het dandyisme werden opgetekend. Een van deze eigenschappen is het eerder genoemde overdreven netjes gekleed gaan en een androgyne persoonlijkheid. Van Deyssel schaarde Louis Couperus dan ook bij de "echte" dandy"s, en ook Oscar Wilde veroordeelde hij tot deze categorie.

De tegenstrijdigheden in het begrip dandy tonen de noodzaak nuance aan te brengen. De benaming "dandy" werd gebruikt voor individuen die kenmerken vertoonden van de autonome kunstenaar, maar ook van de dilletant, het romantische genie, de sobere cultuurcriticus en de ingeslapen aristocraat. Als enig gemeenschappelijk kenmerk kon eigenlijk het overdreven verzorgde uiterlijk genoemd worden. De scheiding die Van Deyssel aanbracht kwam voort uit zijn persoonlijke afkeer van bepaalde dandy"s, maar de scheiding zou ook in geografisch en historisch opzicht doorgetrokken kunnen worden. Was de decadente levenskunstenaar-dandy uit het fin de siècle voornamelijk een creatie van de Engelse Wilde, de ingetogen, sobere dandy was een eerdere creatie van de Franse cultuurcriticus Charles Baudelaire (1821-1867) die zich daarbij weer grotendeels baseerde op het dandy-handboek uit 1846: Du Dandysme van Barbey d"Aurevilly (1808-1889).
Baudelaire en d"Aurevilly hebben aan het begrip dandy een aantal kenmerken toegeschreven, die ver af lijken te staan van het latere frivole decadente dandyisme van het fin de siecle. Baudelaire"s visie op het dandyisme was een onderdeel van zijn gehele cultuurkritiek, die geniaal, grillig en te complex is om in deze context volledig uit te leggen. Daar komt bij dat Baudelaire"s complexe persoonlijkheid het onmogelijk maakt om hem als dandy pur sang te categoriseren. De uitspraak van zijn vriend Gautier is typerend voor de dubbelzinnigheid van Baudelaire: "One might say he was a dandy lost in Bohemia".

In de opvattingen van Baudelaire is het dandyisme vooral een uiting van cultuurkritiek. In Le Dandy, het negende deel van zijn Le peintre de la vie moderne (1863), geeft hij zijn perceptie van de dandy. De stylering van het uiterlijk moest gezien worden als een disciplinering van de ziel. Dandyisme was de ultieme zelfcultivering, het gevolg van de wens zich in alles te distantiëren van zijn omgeving. Baudelaire gaf op deze manier een maatschappijkritische inhoud aan de uiterlijke superioriteit van de dandy. Bij Baudelaire is min of meer dezelfde rol voor de dandy te zien als bij de decadente kunstenaars: juist vanwege zijn egoïstische besluit alleen verantwoording af te leggen aan zijn eigen regels was de dandy volgens Baudelaire een aanwinst voor de samenleving. De dandy was de laatste trotse mens, het levende geweten van een verder middelmatige wereld. Baudelaire vond het geen wonder dat de dandy wanhopig melancholisch was; de buitenwereld kòn zijn lijden niet begrijpen. De dandy leed onder het besef van alle vulgariteit om zich heen, hoewel hij dit nooit openlijk zou tonen. De dandy ontleende immers zijn bestaansrecht aan de distantie tot de wereld die hij verachtte. Openlijk lijden zou sympathie wekken, en daarmee de distantie opheffen. Zijn lijden moest verscholen worden achter een uiterlijk van onverschilligheid en minachting: het masker van de dandy.

Deze zelfverkozen ernst, deze introverte houding, dreef de dandy (dit gold in ieder geval voor Baudelaire zelf) tot wanhoop. De dandy was wanhopig door de zelfopgelegde taak van rebellie tegen de middelmatigheid van de wereld waartoe hij was veroordeeld. Hij leed onder zijn tergend, stil en onsuccesvol protest tegen het middelmatige materialisme van het democratische tijdperk.
Baudelaire"s cultuurkritiek moet gezien worden in relatie tot de burgerlijke opvatting over kunstenaars in zijn tijd. De burgerij had de genie-cultus van de gevoelskunstenaar in de tweede helft van de negentiende eeuw overgenomen, waardoor romantische kunstenaars het alleenrecht op "gevoel" als uitgangspunt van kunst waren verloren. De burgerij maakte het burgerlijke gevoel met dezelfde argumenten onderwerp van de (burger)kunsten, en bleek daarbij tevens gevoelig voor de uitzonderlijke individuele positie van de kunstenaars. Zelfs wanneer er geen artistieke produktie was kon een kunstenaar door een bohemien leven te leiden door het burgerlijk publiek worden erkend. De versmelting van deze Bourgeois en Bohemien opvattingen over gevoel en kunstenaarschap zette Baudelaire aan tot zijn verscherping van de kunstenaarspositie als verdediger van schoonheid binnen de samenleving. Baudelaire verafschuwde de burgerlijke vervlakking van de waardering voor talent, waardoor dwepen met burgerlijke sentimenten als kunst kon worden bestempeld. Voordat gevoel tot ware kunst kon worden omgevormd moetst het worden gedisciplineerd, vond Baudelaire. Deze disciplinering maakte het verschil tussen levenskunstenaars en èchte kunstenaars. De disciplinering van het gevoel onderscheidde de dandy dan ook van de bohémien.

Baudelaire was een van de eersten die het vervagen van de scheiding tussen een artistiek talent en artistiek leven waarnam. Hij gaf de dandy binnen deze ontwikkeling een ernstige, tragische rol, die later door anderen zou worden uitgewerkt en in vele romans in verschillende vormen zou verschijnen. De dandy"s van het continent tijdens en na Baudelaire danken hun bestaansrecht aan zijn invulling van het dandyisme. Maar Baudelaire begon niet met niets. Hij gaf invulling aan een cultureel fenomeen dat al meer dan een halve eeuw bestond, zij het in minder uitgewerkte vorm. Hij baseerde zich daarbij op opvattingen uit Barbey d"Aurevilly"s Du Dandysme: een biografie over de oer-dandy Beau Brummel.

Deze biografie kan beschouwd worden als de spil in de ontwikkeling van het dandyisme. Ellen Moers zegt het alsvolgt: "Little that came before it (the memoirs, the novels, the legends of the original Regency tradition ) had escaped Barbey"s attention. (…) Little that came after it (the intellectual dandyism of Baudelaire, (...), the aesthetic dandyism of the English "eighties and "nineties) cannot somehow be traced to Barbey"s Du Dandysme et de Georges Brummel" Moers stelt het belang van deze biografie over Georges Brummel niet in de historische beschrijving van de dandy waarmee het allemaal begon. Du Dandysme is meer een vastlegging van het gedachtengoed over Dandysme anno 1850 dan een correcte beschrijving van het dandyisme van rond 1815. Het idee van de queeste tegen de vulgariteit, de redenen voor de vermeende distantie van de dandy tot zijn wereld zijn allen afkomstig uit de interpretatie van Brummel"s gedrag door Barbey. In Barbey"s werk worden romantische opvattingen gemixt met de geniecultus rond een bohemién leven. Baudelaire werkte vervolgens het tragische, ernstige aspect van de dandy uit. Barbey d"Aurevilly, die Baudelaire ruimschoots zou overleven, zou zich tot zijn dood in 1889 als een dandy gedragen. Een dandy met een geheel eigen stijl vol verwijzingen naar vele voorgangers, maar ook volgelingen die hij op zijn beurt weer nauwkeurig had bestudeerd. Met Baudelaire"s cultuurkritische aanvulling op d"Aurevilly"s Du Dandysme bleek het Franse dandyisme in het derde kwart van de negentiende eeuw intellectueel volwassen te zijn geworden.

Zo zwaar en serieus als Baudelaire en Barbey d"Aurevilly het dandyisme hebben opgevat is in de geschiedenis van het dandyisme niet meer voorgekomen. Typerend is dat, toen Baudelaire op 31 augustus 1862 in Parijs aan syfilis overleed, voornamelijk de herinnering aan zijn vroegere, lichtvoetiger dandyisme voor de geest werd gehaald en niet zijn latere levensinstelling volgens zijn eigen ingewikkelde regels. De Franse intellectuelen lijken de spot – typerend voor het Engelse verschijnsel dat het dandyisme in beginsel was – zoveel serieuze lading te hebben gegeven dat het succes van het luchtigere dandyisme van Oscar Wilde weinig verbazing wekt. D"Aurevilly"s Du Dandyisme had echter het begrip dandyisme definitief van haar onschuld ontdaan. De dandy was hierdoor intellectueel erfgoed geworden en als "volwassen" fenomeen gecultiveerd. Uiteraard was deze intellectuele invulling van het begrip enkel voor de dandy"s zelf relevant, hun tegenstanders hadden er geen enkele boodschap aan. De noodzaak die Lodewijk van Deyssel rond 1900 zag om een scheiding aan te brengen in de benaming dandy is in na bovenstaande uitleg beter te begrijpen. Hij rekende zichzelf tot de kritische kunstenaar, en schaarde mede daarom Couperus resoluut bij de "echte" dandy"s, die geen maatschappijkritische of artistieke rol vervulden.

Maar hoe zag Louis Couperus zijn eigen dandyisme? Heeft hij zelf ooit iets over het dandyisme geschreven, of zijn eigen plaats ten opzichte van dit fenomeen beschreven? Heel weinig. Wanneer hij het woord in de mond neemt, is dit meestal licht-spottend en lijkt hij zich niet aan een programma of invulling van het dandyisme te willen binden. Het eerder aangehaalde citaat “laat ons de glorie van ons dandy-isme stellen in het aantal knoopjes van ons rokvest" is een voorbeeld van zijn lichtvoetige benadering. Couperus heeft zich nooit met dezelfde ernst en inspanning met het dandyisme bezig gehouden als zijn voorgangers Baudelaire of Barbey d"Aurevilly. Hij lijkt de term met dezelfde lading te gebruiken als zijn omgeving die hem op basis van zijn kleding en pose tot de dandy rekende, zonder zich daar zelf al te veel aan te storen.

Fashionable Novels (1830 -1850)
Omdat Couperus nagenoeg niets heeft nagelaten waarin hij zijn positie ten opzichte van het dandyisme bepaalt wordt zijn opvatting vooral ontleend aan de dandyistische personages in zijn romans. Ze worden als (semi)autobiografisch opgevat, waarmee Couperus zichzelf dus in zijn romans als dandy zou presenteren. Het is echter verstandig bij dergelijke besprekingen Couperus" eigen woorden aan te halen. "En al zou ik nu eens schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was: al zou ik die held laten schrijven werken, die verwant aan de mijne waren, de held zou ik niet zijn, zijn kunst niet de mijne en de roman zou een roman blijven, niets dan een roman, en zich nooit realiseren tot een autobiografie." Een goede reden om extra voorzichtig te zijn bij het projecteren van dandy-eigenschappen van zijn romanpersonages op de persoonlijkheid van Couperus zelf.

Bestaansrecht in de literatuur
In de jaren "30 en "40 van de negentiende eeuw – dus vòòrdat Baudelaire de dandy zijn nieuwe intellectuele invulling gaf- was de dandy vooral een literair karakter in zogenaamde Engelse fashionable novels. Het succes van deze romans lag in hun voorbeeldfunctie op het gebied van het uiterlijk in de breedste zin van het woord. Dat uiterlijk speelde in de jaren "30 en "40 een niet te onderschatten rol in de sociale distinctie. In 1830 werd dat als één van de eersten onder woorden gebracht door een toen nog redelijk onbekende journalist, genaamd Honoré de Balzac. In Traité de la vie élégante, een artikel in het tijdschrift La Mode probeerde hij een nieuwe orde te scheppen in de Franse samenleving. Die nieuwe orde was noodzakelijk, want na de revolutie van 1830 was de kans op een serieuze rol voor de aristocratie in de koninklijke monarchie definitief verkeken, en de "oude" aristocratie had geen andere keuze gehad dan zich òf volledig te isoleren, òf zich open te stellen voor de nouveau riches. In Frankrijk leek door revoluties en restauratie geen duidelijke sociale orde meer te bestaan. Balzac constateerde dat de nieuwe indeling gemaakt kon worden op basis van één criterium: toewijding aan l"élegance. Aan de laagste kant van de samenleving stond dan de arbeider, die het woord niet eens kende. Aan de top stond l"oisif, de ijdele man. Balzac plaatste de kunstenaar daar ergens tussenin, want het maakte niet uit hoe de kunstenaar verkoos zich te kleden; zijn distinctie verkreeg hij door zijn artistieke talent, of deze nu werd omkleed door lompen of fijne stoffen.
Balzac"s constatering was meer dan scherts alleen. De dandyficatie van de Parijse society was een reële ontwikkeling in het Frankrijk van Louis Philippe, en zou een terugkerend onderwerp worden in het werk van Honoré de Balzac. Hij beschreef ze allemaal: van de timide provinciaaltjes die dandy werden om hogerop te komen tot het nieuwe slag journalisten dat onder het regime van Louis Phillipe ongestoord in de samenleving kon opstoten. Het was duidelijk: de toekomstige elite onderscheidde zich in deze periode door meer dan talent of afkomst; fashion was het nieuwe criterium. Een samenleving waar men zoveel waarde hechtte aan mode en uiterlijk vertoon was een uitstekend klimaat voor de dandy.

De obsessie met mode leek terug te grijpen naar de periode van vòòr de revolutie, maar de nieuwe mode werd gehaald uit de Engelse fashionable novels. In Frankrijk verscheen dit soort romans nagenoeg niet, maar wel verschenen er ontelbare publicaties, analyses en kritieken over de dandy. De Engelse romans waren in Frankrijk echter buitengewoon populair en werden gelezen als handleiding voor een fashionable bestaan. De hoofdpersoon van de roman moest meestal via allerlei intriges zijn positie in de society waarmaken. De voorstellingen van de gentleman, hogere burger en dandy liepen aldus min of meer door elkaar. Door de invloed van de Engelse Romantiek in de literatuur verschilde het beeld van de dandy in deze romans bovendien weinig van dat van de romantische kunstenaar; de dandy leed aan Weltschmerz, en had Byroniaanse trekken gekregen. De beroemdste van deze populaire romans waren Pelham; or, the Adventures of a Gentleman (1828) van Bulwer-Lytton, en Disreali"s Vivian Grey (1826). In de laatste is de dandy eveneens romanticus, een dandy-eigenschap die de latere Baudelaire zou oppikken om de "ernstige" dandy neer te zetten. De dandy zoals die in Frankrijk bekend werd in de jaren "30 en "40 was aldus bovenal een literaire creatie, die vervolgens in de samenleving werd gepersonificeerd. Buiten de romans werd de term gebruikt als benaming voor de bonte verzameling omlaaggevallen aristocraten, omhooggevallen bourgeois of bohemien kunstenaars die zich allemaal de titel dandy toe-eigenden of kregen toegeschreven, want de modegrillen van de aristocratie werden door de burgerij argwanend bekeken. In de woorden van Moers: "the dandies were not the province of one class, but the amusement of all classes". De invloed van deze romans is moeilijk vast te stellen, maar lijkt toch bijzonder groot te zijn geweest. De personages uit de romans golden als voorbeeld voor het gedrag in het ware leven. In het geval van Louis Couperus is de situatie vaak omgekeerd: zijn personages worden door literatuurwetenschappers gebruikt om het "ware" dandyisme van Couperus te achterhalen. Daarmee gaan ze voorbij aan de opvatting dat een auteur natuurlijk zelf helemaal geen dandy hoeft te zijn om ze te kunnen beschrijven.

De meest aangehaalde dandy"s uit de werken van Louis Couperus zijn de overgevoelige en nerveuze Vincent Vere (Eline Vere, 1889) en de aristocraat Bertie van Maeren (Noodlot, 1891), die met zijn "verwijfde fattigheid" anderen laat verbazen en er zelf schijnbaar onbewogen onder lijkt. In dit essay blijft de romanpersonages een grondig onderzoek naar hun al dan niet dandy zijn bespaard. Diegenen die zich wel aan deze vraag hebben gewaagd komen tot een genuanceerde conclusie die de beperkte relevantie van de vraag duidelijk maakt: de personages blijken dandy-trekken te hebben, maar ook van een bepaalde braafheid of leegheid te getuigen waardoor ze niet geheel als dandy kunnen worden gerekend. Een voorbeeldfunctie zoals in de fashionable novels, of een provocerende rol zoals de androgyne Helebalagus uit Berg van licht, heeft Couperus voor hen in ieder geval niet bedoeld. De personages staan in dienst van de centrale thematiek: het Noodlot, en zijn eerder tragisch dan provocerend, laat staan voorbeeldig.

De immer terugkerende eigenschap waardoor de personages wèl als dandy"s worden getypeerd is hun kleding en hun luie, lome levenshouding. Het is de negatieve typering die gedurende de gehele geschiedenis van het dandyisme is te horen. Het benadrukt hoe uitzonderlijk de populariteit van de dandy"s in Frankrijk van de jaren "30 en "40 is, te meer omdat dezelfde levensstijl in Engeland in die jaren al uit de gratie was geraakt. In 1833, toen in Frankrijk de dandy meer en meer een vaste plaats in de society verwierf, werd in Engeland de kritiek ingezet door Thomas Carlyle, in een hoofdstuk uit Sartor Resartus, getiteld "The Dandical Body". "A Dandy is a Clothes-wearing Man, a Man whose trade, office and existence consists in the wearing of Clothes. Every faculty of his soul, spirit, purse and person is heroically consecrated to this one object, the wearing of Clothes wisely and well: so that as others dress to live, he lives to dress."

De Franse gentleman (1815-1830)

Permanent aan vervlakking onderhevig
De oversteek van het Kanaal verliep voor de dandy niet geheel zonder kleerscheuren. In 1830 vermeed Balzac in zijn nieuw beschreven orde het woord "dandyisme", omdat aan deze term al teveel smet kleefde. Balzac gebruikte in zijn artikel de benaming centaur, een bijnaam die aangaf hoezeer de dandy zat vastgegroeid aan zijn paard. Deze relatie van de dandy tot zijn paard was een overblijfsel van de eerste kennismaking met de dandy in Frankrijk: de Engelse gentleman officers die in het kielzog van Lord Wellington na de overwinning op Napoleon in Frankrijk de Anglomania tot een hoogtepunt hadden gebracht. Op dat hoogtepunt, ten tijde van Balzac"s publicatie, bevolkten meer dan 14.000 Engelsen Parijs. Het paardrijden (met of zonder wagentje erachter) werd tijdens de Revolutie zeer bekritiseerd en zelfs verboden, maar begon dankzij de Engelsen aan een succesvolle revival. Niet alle Engelsen waren dandy"s, maar de Fransen namen graag àlle Engelse modegrillen over. Het werd voor de Franse dandy"s essentieel om een paard te berijden, erop te wedden en er de hele dag over te praten.

De fijnere distincties binnen de Engelse society werden door de gretige Fransen niet overgenomen. De Fransen vergisten zich door in hun gretigheid de Engelse dandy en de z.g.n Horsey Buck met elkaar te verwarren en ze allebei in het modebeeld op te nemen, met de verbintenis aan het paard als dandy-eigenschap tot gevolg. Die verfijnde verschillen binnen de Engelse society hebben de dandy voortgebracht, zoals uit het komende hoofdstuk zal blijken. De dandy heeft echter zijn voortbestaan aan het enthousiaste onthaal in Frankrijk te danken. In Engeland was zijn rol rond 1830 uitgespeeld. Die rol was groots geweest, dankzij het succes van één man. Eén man die persoonlijk verantwoordelijk gehouden kan worden voor het succes van de dandy, de eerste dandy waaruit alle clichés zijn ontstaan: George Bryan "Beau" Brummel (1778-1840).

De Regency dandy (1800-1830)

Een aristocratische achtergrond
“Den volgenden dag was het 20ste Januari, heur verjaardag. Zij bleef lang te bed, omvangen door de warmte der dekens, in de zacht roode schemering der gordijnen, zonder eenigen lust tot opstaan, zonder eenig verlangen naar heur wandeling". Couperus cultiveerde in zijn werk het beeld van de Hollandse aristocratie die lag te verstoffen in de grote haagse herenhuizen. Dat beeld komt niet overeen met zijn eigen persoonlijkheid. Couperus was naar eigen zeggen een geregelde werker, die bovendien goed moest rekenen om met zijn geld uit te komen. Hij was gewend aan luxe en aanzien in Haagse kringen, maar werkte voor zijn geld. Trots was hij hier niet op, en het paste dan ook geheel niet in het zelfstandige, zorgeloze beeld van de dandy. Zijn beklag over geldzaken deed hij enkel in persoonlijke brieven, die hij overigens graag vernietigd had gezien. "Als ik "beroemd ben", respectievelijk "nog beroemder ben" hoeft men er later geen artikel voor De Gids uit te distilleren.

Nutteloosheid is de vroegste kritiek die de dandy"s over zich heen hebben gekregen. Rond 1800 verschenen de dandy"s voor het eerst flanerend op de trottoirs van het modieuze West End in Londen. Jongemannen van aristocratische afkomst, en jonge mannen met tijd: tijd om gezien te worden, en ook alle tijd om daar rekening mee te houden. Deze gewaardeerde jongeheren werden aangeduid als Bondstreet Loungers of Macaroni"s. Zij introduceerden de kunst van het flaneren, waarvan Louis Couperus later (zonder spot) zou zeggen: "Er is niets interessanters dan te flaneeren langs de straten. Geen boek is zo belangwekkend. Ik pluk mijn indrukken als in een tuin vol bloemen. Flaneeren is een kunst, die niet iedereen kan, en waartoe jarenlang studie behoort".

Deze eerste dandy"s, rijke jongemannen uit de Engelse aristocratie, zonder adellijke verplichtingen, zonder vrouw en zonder een andere duidelijke rol in het publieke leven dan er te zijn en gezien te worden, hadden geen programma, statement of bedoeling. Zij waren er om opgemerkt te worden en daarin slaagden zij volledig. Elegant, koelbloedig en onberispelijk in manieren, leken ze niet deel te nemen aan het leven van de passanten. Ze leken zich niet druk te maken over de revoluties en oorlogen die aan de overkant van het kanaal plaatsvonden en de gehele adellijke levenstijl op haar grondvesten deed schudden, ook in Engeland, ondanks de daar minder starre sociale hiërarchie. De zelfverzekerde houding van deze aristocraten leek onwezenlijk, want de Engelse aristocratie had haar eigen onzekerheden.

De strikte regel van primogenituur, waardoor alleen de oudste zoon uit het geslacht recht had op de adellijke titel en erfgoed, gaf de Engelse aristocratie een zeer diffuus karakter. Dankzij deze regel bleven alle nazaten uit een adellijke familie commoners, behalve de oudste zoon. Bovendien was het normaal dat aristocraten in het huwelijk traden met lieden uit de "hogere bourgeoisie" (upper middle classes). Daarbij kwam dat de laagste adellijke titel (die van Knight) ook niet via overerving verkregen kon worden. Het oudste met aristocratie verbonden bezit, dat van land, was onder invloed van de vroege-industrialisatie al eerder bereikbaar geworden voor industriëlen en handelslieden, de nouveau riches. Met de verwerving van land lag voor iedereen met voldoende fortuin de weg open naar een verkiezing in het Parlement, wat vervolgens weer de kans bood (voor het nageslacht althans) op verheffing in de adelstand.

De waardering die de eerste dandy"s van de Engelse aristocratie kregen is in deze context beter te begrijpen. De dandy"s leken een oud-aristocratisch ideaal te belichamen in tijden dat de keerzijde van de burgerlijke industrialisatie voor het eerst duidelijk zichtbaar werd. Na de triomf van de Napoleontische oorlogen had Engeland met de ene economische crisis na de andere te maken gekregen. Prijsdalingen, overproductie en werkeloosheid toonden de keerzijde van de vroege industrialisatie. Het begin van de negentiende eeuw was echter ook de bloeiperiode van de Romantiek in de kunsten en letteren. De Regency; de laatste negen jaren onder de geestezieke George III (1811-1820) en waarin feitelijk zijn zoon regeerde, was de tijd waarin de dandy voor het eerst opkwam. De prins-regent en latere koning George IV deelde de smaak van de dandy"s en hij schiep de mogelijkheid deze nieuwe levensstijl van de elite volledig te ontplooien.

De supreme dandy : Beau Brummel (1778-1840)

Een salontijger in zijn sociale biotoop
Alle clichés over dandy"s stammen af van Beau Brummel, en het dandyisme van Louis Couperus kan daarom niet uitgelegd worden zonder een bespreking van deze oer-dandy. De vele anekdotes over Brummel zijn amusant naverteld in romans en memoires, ten tonele gebracht in succesvolle theaterstukken en zelfs verfilmd, maar zijn vaak in historisch opzicht van geen enkele waarde. Brummel trok tijdens zijn studie op het prestieuze Eton al de aandacht door zijn onberispelijke uiterlijk. Door een toevallige ontmoeting werd hij in 1794 opgenomen in het tiende regiment huzaren, waarvan de prins regent (de latere George IV) legeraanvoerder was. De bijnaam voor de officieren van dit legertje was Elegant Extracts, vanwege hun verwijfde uitstraling. De prins regent schijnt zich voornamelijk bezig te hebben gehouden met het ontwerpen van verfijnde uniformen. Maar hoe mooi deze misschien ook waren, toen het regiment in 1798 naar de onaantrekkelijke industriestad Manchester zou vertrekken, reageerde Beau ontsteld: "Denkt u zich eens in, hoogheid", Manchester!", waarna hij het regiment verliet en zijn openbare leven als full-time dandy begon, dat tot 1816 zou duren. In Londen werd hij als persoonlijke vriend van de prins regent onmiddelijk toegelaten tot White"s en Brooks, de belangrijkste clubs van de hogere society. Hoewel hij een bescheiden erfenis van zijn vader op zak had, is het niet geheel duidelijk waarvan hij zijn dure leven kon betalen. Niemand echter, in het bijzonder zijn kleermakers niet, trok de validiteit van een kennis uit de kring van de prins in twijfel. Vanuit Londen startte Brummel zijn opmars binnen de hoogste kringen van de aristocratie, waarvan hij de strakke regels door en door leerde kennen, ze tot in perfectie nastreefde, om ze vervolgens naar zijn hand te zetten.

Perfectie in kleding
Beau perfectioneerde het kostuum en was in eerste instantie een autoriteit op het gebied van mode. Hij ging gekleed in een blauwe linnen jas die de taille omsloot en waarvan de panden net tot de knieën vielen. Zijn handelsmerk werd de halsdoek, door Beau met stijfsel bewerkt en drie keer per dag vervangen zodat deze er altijd hagelwit uitzag. Deze "perfecte" halsdoek is wereldberoemd geworden en is onder andere verbonden aan de bekende anekdote dat Brummel"s assistent met een stapel linnen de trap afliep omdat dat zijn "mislukkingen" waren. Toch was Brummel"s kostuum niet opzienbarend nieuw of excentriek. Het was meer zijn uitstraling dan zijn modieus ensemble waarmee hij indruk maakte. "Geen parfum, maar uitstekend linnengoed en veel degelijke wasbeurten" maakten naar eigen zeggen het wezen uit van zijn verschijning.

Deze nuance is veel navolgelingen van Brummel ontschoten. Brummel"s extreem verzorgde uiterlijk heeft de dandy gemaakt. De algehele goedgekleedheid van het dandyisme, en daarmee ook de kleding van Louis Couperus en zijn er een rechtstreekse afstamming van. Zijn verschijing is steevast het eerste bewijst dat wordt aangedragen voor het dandyisme van Couperus. En schreef Couperus niet zelf in zijn Meditatie over het mannelijk toilet, "laat ons de glorie van ons dandy-isme stellen in het aantal knoopjes van ons rokvest, (...)? Een onderdeel van het onberispelijke uiterlijk van de dandy is de moeite die hij heeft met het lichamelijk verval die het ouder worden met zich meebrengt, iets dat ook bij Couperus wordt geconstateerd. De in veel van zijn werken aanwezige tragiek van het ouder worden en de verloren eeuwige jeugd wordt bijvoorbeeld door Els Eweg aangehaald om Couperus" dandy-zijn te onderschrijven. In zijn werk liet Couperus bijvoorbeeld zijn romanpersonage Paul Löwe uit De boeken der kleine zielen (1902) worstelen met deze problematiek van de ouder wordende dandy. Was de jonge Paul een obsessief collecteur van dassen, op oudere leeftijd is het een brave burgerman, die nog enkel zijn beklag kan doen. Voor Couperus zou het ouder worden een gevoelig punt blijven. Pas op zeer late leeftijd lijkt Couperus op een meer ontspannen manier met zijn kleding om te gaan.

In tegenstelling tot Beau Brummel heeft Couperus echter nooit een sociaal statement willen maken met zijn kleding. Brummel hield door zijn perfecte -maar duidelijk gestileerde- pose zijn omgeving continu een spiegel voor. Hij stelde zich op als "first among equals", door zijn omgeving in iets ogenschijnlijk futiels als kleding in perfectie te overtreffen. Brummel dankt zijn reputatie dan ook niet alleen aan zijn kleding. Zijn autoriteit op het gebied van kleding gaf hem de sociale positie van waaruit hij zijn omgeving bleef bekritiseren, en die specifieke rol lag ten grondslag aan zijn legendarische carrière.

Spottend vanuit een superieur zelfbewustzijn
Niet alleen met kleding, maar vooral met woorden stelde Brummel zich altijd superieur op ten opzichte van zijn omgeving, die bovenal uit personen bestond die sociaal toch zijn meerdere waren. Brummel werd geliefd en gevreesd om zijn schertsen. Disreali schreef in een van zijn romans over een duidelijk op Brummel geinspireerd dandy-figuur “He was too powerful not to dread, too dexterous not to admire, too superior to hate". Brummel toonde de grenzen van de absurde omgangsregels binnen de top van de aristocratie aan door deze met een glimlach te overschrijden. Dat onderscheidt hem dan ook van de dandy"s vòòr hem, die zonder Brummel waarschijnlijk niets anders teweeg zouden hebben gebracht dan een kortstondig excentriek modebeeld, dat als laatste stuiptrekking van een stervende aristocratie zou worden getypeerd.

Het succes van Brummel raakt de essentie van het dandyisme. Het is de opmerkelijke keuze van Brummel zich niet te conformeren aan de spelregels van zijn sociaal superieuren, maar deze regels om te buigen. Nog opmerkelijker is wellicht dat Brummel hiervoor beloond werd met sociale promotie, namelijk opname in de gelederen van zijn sociaal superieuren, om daar zijn beschimpende rol verder uit te kunnen oefenen. Dat hij zich zeer bewust was van zijn rol als "nar" van de aristocratie blijkt uit uitspraken als "If the world is so silly to admire my absurdities, you and I may know better, but what does that signify?".

Het succes van dandy"s na Brummel zou afhangen van hun vermogen deze zelfbewuste rol uit te oefenen en zò aan hun omgeving aan te passen dat hetzelfde succes bereikt werd. Voor Brummel was die omgeving de strakke Regency-aristocratie, voor Wilde de laat-Victoriaanse, burgerlijke samenleving, en voor Louis Couperus de Nederlandse hoogburgerlijke samenleving van Den Haag en Amsterdam. De welbespraakte bespotting van zijn omgeving was de basis van het succes van de dandy.

Natuurlijk was dat succes afhankelijk van de tolerantie die de omgeving van de dandy kon opbrengen. Bij Wilde is dat overduidelijk gebleken in het proces over zijn vermeende homoseksuele praktijken, waarin de maatschappij zich tegen hem keert. Bij Brummel is zijn uiteindelijke val toegeschreven aan een anekdote waarin hij de grens van het toelaatbare duidelijk overschreed. Op een avond in 1811, in het huis van de toen nog nèt prins regent, zou Brummel de fout hebben begaan de prins van Wales als mindere te hebben behandeld door hem te commanderen de bel voor de bediende te rinkelen met de woorden: "Wales, ring the bell!" . Een opmerking die alle sociale protocollen te buiten ging. Brummel"s verdediging op deze al dan niet waar gebeurde misser is net zo befaamd geworden als de uitspraak zelf, en lijkt bovendien de waarheid nog het meest te benaderen. “I was on such intimate terms with the prince, that if we had been alone I could have asked him to ring the bell without offence; but with a third person in the room I should never have done so, I knew the regent too well". Het is kortzichtig de "val van Brummel" alleen toe te schrijven aan dit hoogst discutabele voorval. Het is niet alleen onwaarschijnlijk dat de zelfbewuste Brummel zo"n fout zou maken, maar dat Brummel"s hele reputatie hierdoor in één keer teniet zou kunnen worden gedaan. De oorzaken moeten dan ook meer in de omstandigheden worden gezocht. Waarschijnlijk was er geen plaats meer voor de flamboyante Brummel binnen de kring van aristocraten toen de prins regent als koning George IV een serieuzere rol moest gaan spelen. Brummel zou zich in de hofhouding van een koning een bescheidener rol moeten aanmeten om zich staande te houden, en het was zeer de vraag of hij dit zou gaan doen. Het was de absolute weigering zich aan te passen, zelfs wanneer dat ten koste zou gaan van zichzelf waarmee Brummel wederom zijn reputatie bevestigde. Na zijn verbanninge uit de aristocratische elite moest hij door schulden op 16 mei 1816 naar Calais vluchten, waar hij nog immer een gerespecteerd man was. In Frankrijk had hij zijn respect vooral te danken aan de vele anekdotes over hem uit zijn Regency periode. Hij diende als voorbeeld voor menig fashionable novel en werd de levende karikatuur van de dandy zoals hij die zelf had vormgegeven. Terwijl Brummel in Frankrijk verbleef, stierf de flamboyante Regency aristocratie een zachte dood en in 1832 maakte de Reform Bill een einde aan haar laatste voorrechten. Brummel kreeg in datzelfde jaar nog een baan als consul van de plaats Caen aangeboden, maar hield met de weigering van dit "nutteloze ambt" wederom zijn eer hoog en wist daarmee nog eenmaal zijn standgenoten aan de overkant van het kanaal een spiegel voor te houden. Met het verval van de Engelse adel nam ook de status van Brummel in Engeland af. In het latere Victoriaanse tijdperk was helemaal geen plaats meer voor aristocratische uitwassen als Brummel. Beau Brummel werd als het levende bewijs aangehaald van het gezegde "hoogmoed komt ten val", maar voor de dandy"s op het vasteland bleef hij een held en inspirator voor het dandyisme dat op het continent wist te overleven. Op 30 Maart 1840, in een sanatorium even buiten Caen, stierf George Bryan "Beau" Brummel als een oude, seniele man.

De essentie van dandyisme
Uit het voorgaande blijkt dat Louis Couperus een scala aan dandy-eigenschappen bezat, die allemaal hun oorsprong vinden in een bepaalde periode uit de ruim honderd jaar waarin het dandyisme bestond. De overdreven aandacht voor het uiterlijk lijkt daarvan de enige eigenschap die niet context-afhankelijk is. Maar zowel Brummel, Barbey d"Aurevilly en Baudelaire als vele schrijvers na hen hebben erop gewezen dat de kleding en andere attributen van de dandy volstrekt van ondergeschikte betekenis zijn. Deze kenmerken maken echter wel een essentieel deel uit van het standaard dandy-imago zoals dat nu nog steeds stand houdt, en waardoor sommige auteurs nog immer dandy"s menen te kunnen waarnemen.

Maar maken alle hierboven genoemde dandy-eske eigenschappen van Louis Couperus hem nu tot een dandy? Aan die vraag gaat een vraag naar de essentie van de dandy vooraf. Tussen grofweg de Franse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog pendelde het dandyisme tussen Engeland en Frankrijk en bestond het soms als marginaal verschijnsel binnen een exclusieve groep en dan weer als een openbaar cultureel fenomeen dat in alle lagen van de samenleving bekend was. Is er wel een lijn te trekken tussen de dandy"s vanaf 1800, via die uit de fashionable novels, de ernst van Baudelaire naar de openbare spot van Wilde?
De belgische taalwetenschapper Luc Dirikx heeft een dappere poging ondernomen de essentie van het dandyisme bloot te leggen. Hij stelt ten eerste dat het bestaan en de aard van de dandy worden gedetermineerd door de context waarin zij voorkwamen, en dat is zoals gebleken een gezonde historische instelling. Zijn indeling in meer of minder "dandy-vriendelijke" perioden doet echter weer af aan het persoonlijke karakter van het dandyisme. Brummel, Baudelaire en Wilde waren geniale personen, die een bestaande dandyistische levensstijl met eigen creativiteit een nieuwe vitaliteit wisten te geven. Die persoonlijke reactie is dan ook veel belangrijker en wordt gelukkig ook door Dirikx erkend. "De paradoxale interactie tussen de sociale biotoop en de persoon van de dandy bepaalt de eigenaardigheden van het dandyisme." De essentie van de dandy lag aldus in zijn positie ten opzichte van zijn omgeving. Die positie bepaalde hij zelf, en kan beschreven worden als absolute suprioriteit volgens zijn eigen regels. Zijn eigen regels waren echter altijd een overdrijving of verscherping van die van zijn omgeving, zodat deze de waarde ervan nog wel kon erkennen.

De superioriteit van de dandy vereiste echter een absolute onafhankelijkheid. Die onafhankelijk is keer op keer te zien, bijvoorbeeld in financieel opzicht: de dandy lijkt altijd genoeg geld te hebben, of zich daar in ieder geval geen zorgen over te maken. Maar de onafhankelijkheid van de dandy bleek ook uit zijn a-politieke instelling (politiek was een burgerlijke bezigheid), zijn gebrek aan passie (geen dandy zou zich overgeven aan de liefde, en zeker niet aan de liefde van een vrouw) en zijn gebrek aan moraal of godsdienst. Misschien leek de dandy zich iets aan te trekken van conventie en etiquette, maar dat was schijn: hij maakte deze belachelijk door ze in perfectie uit te voeren, te overdrijven, of ze naar zijn eigen hand te zetten.

Omdat de omgeving van de dandy de waarde van diens zelfgestelde regels inzag, tolereerde zij de dandy, en ging daarmee impliciet akkoord met de kritiek die de dandy uitoefende door zijn openlijke superioriteit. Afhankelijk van het zelfbewustzijn van de mensen die de dandy tolereerden zou je kunnen spreken van afgedwongen culturele zelfkritiek.

Met het bovenstaande is naar mijn mening de werking van het dandyisme op het socio-psychologische vlak redelijk beschreven, maar is een belangrijke motivatie van de dandy buiten beschouwing gelaten. De dandy wist zijn positie te benutten en zijn situatie praktisch uit te buiten, zonder zijn identiteit te verliezen. De geijkte manier om hogerop te klimmen in een sociale hierarchie was het zorgvuldig naleven van alle geschreven en ongeschreven gedragscodes van de groep die hoger op de sociale ladder stond. Dat gold zeker ten tijde van het Ancien Regime en in de nadagen daarvan. Alleen met een enorme inspanning kon gewonnen worden wat als de genade van de superieuren werd gezien: acceptatie binnen de gelederen. De dandy leek de spot te drijven met deze regels van sociale mobiliteit. Hij maakte (sociale) carrière op een geheel eigen, schijnbaar onmogelijke manier.
Beau Brummel"s carrière is zo succesvol verlopen omdat hij zich juist niet aan deze regels hield. Daarom sprak Brummel zo tot te verbeelding. Zijn carriere wekte de hoop dat sociale erkenning te verkrijgen was zonder zich helemaal te hoeven conformeren aan de daarvoor bestaande regels. Daardoor sloot het dandyisme ook zo goed aan bij de exclusiviteit van de bohemièn kunstenaar. In het fin de siecle leek het burgerpubliek voor een dergelijke voorstelling zelfs geld te willen betalen.

Het dandyisme bood aldus een aanlokkelijke alternatieve manier voor sociale stijging en dit was wellicht de reden voor langdurige succes van het dandyisme. Het ondanks alle tegenwerking ophouden van een alternatief waardensysteem vergt echter net zoveel, zo niet meer inspanning en talent als de "klassieke" methode van sociale stijging. De vele personen die er uit zagen als een dandy, maar de gaven misten om meer te zijn dan een navolger van een modeverschijnsel hebben dit aan den lijve ondervonden. De meeste dandy"s in navolging van Brummel zijn dan ook enkel beloond met hoon, in plaats van sociale promotie. Zij namen de verschijning van Brummel over als succesformule, zonder zich te realiseren welke specifieke (lees historische) factoren zijn succes bepaalden. Deze dandy"s hebben altijd de meerderheid gevormd binnen het dandyisme, en daarom heeft het clichébeeld van de dandy altijd de boventoon gevoerd. De dandy als een man die zijn leven enkel in dienst stelt van zijn uiterlijk "so that as others dress to live, he lives to dress."

Couperus als dandy
Wanneer we terugkeren naar Louis Couperus kunnen we na deze beschouwing een aantal zinnige opmerkingen maken over de dandyistische eigenschappen van Louis Couperus, en over de vraag in hoeverre deze de bovengenoemde essentie van het dandyisme raken. De kleding en het uiterlijk van Couperus zijn in het voorafgaande al genoeg aan de orde gekomen. Couperus werd vanwege zijn kleding door zijn omgeving - die het clichébeeld van de dandy hanteerde - getypeerd als dandy. Dat uiterlijke kenmerk heeft zoals eerder vermeld historisch gezien nooit tot de essentie van het dandyisme behoord. De vraag is dus in feite of Couperus er alleen als dandy uitzag of ook de hierboven beschreven dandy-rol vervulde.

Couperus bezat in ieder geval de dandy-eigenschap om zoveel mogelijk onduidelijkheid te zaaien over zichzelf en dat maakt een oordeel over zijn dandyisme er niet makkelijker op. Couperus heeft zijn doel bereikt de contouren van zijn persoonlijkheid in het vage te laten, "want eigenlijk, lieve vrienden, ben ik zoo weinig al ik mij voordoe en kent ge mij niet, trots alle mijne auto-indiscreties." In ieder geval heeft hij zelf nimmer gezegd een dandy te zijn. Het citaat met de vestknoopjes moet op z"n minst ironisch worden opgevat. Dat Couperus zijn gedachtegoed over het dandyisme nimmer expliciet heeft uitgesproken is voor de Belgische taalwetenschapper Luc Dirikx alleen al doorslaggevend om hem voor eens en voor altijd van de typering dandy te verlossen: ´Nee, Louis Couperus was geen dandy".

De dandy heeft een vaste omgeving nodig om zijn distinctie ervan te kunnen verduidelijken, want een onopgemerkt sociaal superieur figuur kan weinig openlijke reflexie geven op zijn omgeving, laat staan daarvoor erkenning krijgen. Louis Couperus reisde veel – hij verbleef lange tijd in Indië - en ontnam zich daarmee de mogelijkheid, zo hij dit gewild zou hebben, om binnen de Nederlandse burgerlijke elite een gerespecteerde rol te verkrijgen. Het spelen van de dandy-rol sluit reizen uit, omdat dit de dandy zou "losrukken uit de voor hem levensnoodzakelijke biotoop op sociaal vlak." Dit gold in hoge mate voor Brummel, en in mindere mate voor Wilde. In het dandyisme van het fin de siècle is de sociale biotoop van de dandy het openbare podium van de burgerlijke samenleving. Brummel richtte zijn spitsvondigheid tegen de starre Regency-society, Wilde tegen de dynamische laat-Victoriaanse burgerlijke samenleving, en Couperus zou de burgerlijke Nederlandse samenleving een spiegel voor kunnen houden in zijn dandy-rol.

Een búrgerlijke samenleving, want in het Nederland van rond 1900 speelde de adel geen enkele rol meer. Sinds 1848 was de adelstand afgeschaft en had een titel geen enkele politieke meerwaarde meer, hoewel enkele vermogende burgers uit prestigieuze overwegingen nog wel eens een poging waagden om in de adelstand te worden opgenomen. Louis Couperus heeft er met zijn optreden nimmer blijk van gegeven de Haagse aristocratie door openlijke spot van binnenuit te willen dwingen tot zelfreflectie. Maar ook in de burgerlijke samenleving lijkt Couperus de dandy rol niet te hebben willen vervullen. Hij was wel te zien op de promenades en in de chique salons, net als de allereerste dandy"s op West End rond 1800. Maar hij was er niet om op te vallen, om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Hij kwam er om waar te nemen.

Luc Dirikx wijst zeer resoluut van de hand dat het openbaar optreden van Couperus dandyistisch zou zijn geweest. Couperus schijnt zich helemaal niet gemakkelijk te hebben gevoeld in gezelschappen waar Wilde en Brummel zouden hebben geschitterd. Couperus was geen lid van de belangrijkste Haagse club, de "Sociëteit De Witte", en toen hij geconfronteerd werd met het salonjargon van een vrouw die spitsvondige opmerkingen à la Oscar Wilde maakte reageerde hij verbijsterd: “Het is allervermoeiendst. Het is om gek te worden. Het is onuitstaanbaar.". In zijn laatste levensjaar riep Couperus eens een hondje toe: "Hondje, hondje, kom eens bij Louis Couperus". Deze anekdote is een van de weinige overgeleverde momenten van Couperus" openbaar getoonde ironie, die dan ook nog tegen zichzelf gericht is. De beroemdste citaten van Louis Couperus komen uit zijn werk, en zijn niet opgetekend in situaties waarin Couperus zelf het woord nam. Couperus was een schrijver, geen spreker. Er zijn van hem weinig anekdotes bekend, weinig snerende zinssnedes of quotes. Zijn conversatie lijkt zelfs weinig bijzonder te zijn geweest. Couperus was geen salontijger die gevreesd werd om zijn opmerkingen.

Couperu
Bericht geplaatst in: artikel