ENGELSE MONARCHEN

Geplaatst op 8 januari 2004
A successful ruler was like a gardener training an apple tree: he might prune and cut back, select and encourage, but he could work only with what was already there.
“A successful ruler was like a gardener training an apple tree: he might prune and cut back, select and encourage, but he could work only with what was already there."

De samenleving in de Middeleeuwen werd sterk bepaald door onderlinge relatiepatronen tussen mensen. Verschillende patronen speelden in grotere of in kleinere mate een rol: (bloed)verwantschap, de relatie tot de heer en de (dorps)gemeenschap. Omdat de heersers niet de middelen hadden om direct individuen te besturen, waren de verschillende sociale relaties belangrijk om de bevolking te bereiken. Deze groepen vormden de benodigde basis van waaruit de koning kon regeren. In dit onderzoek wordt bekeken in hoeverre de rol van de Engelse koning zoals W.L. Warren in "The governance of Norman and Angevin England, 1086-1272" schetst in bovengenoemd citaat, overeenkomt met het beeld dat de kroniek van Battle Abbey hiervan geeft. Om de rol van de koning in Engeland volgens Warren duidelijk te maken, worden eerst de verschillende sociale relaties nader bekeken. Deze relaties vormen namelijk de bestaande structuur van de "appelboom", die de koning als tuinman kan bijsnoeien of bevorderen.

De Engelse "kin" is nooit zo hecht en belangrijk geweest als groepen (bloed)verwanten in Ierland of Wales ("clans"). Dit kwam doordat de koningen Engeland opnieuw ingedeeld hadden in graafschappen; de nieuwe indeling zorgde ervoor dat de oude indeling in stamgebieden langzaam vervaagde. Zowel in de wet als in Angelsaksische literatuur verdrong de trouw aan de heer en de koning de trouw aan de "kin". De "kins" en hun privileges werden niet beschermd door de wet, maar bleven ondanks dat belangrijke taken vervullen, zoals het verzorgen van zieken en ouderen. De andere taken die de "kin" vroeger had gehad, zoals financiële bijstand bij het betalen van boetes in rechtzaken, werden steeds meer overgenomen door de heer.

De relatie tot de heer, "lordship", raakte alle lagen van de bevolking. “Lord is a word which a Christian will use of his God, any subject of his king, a clergyman of his bishop, a monk of his abbot and a wife of her husband." Baronnen en graven zijn heer, maar hebben zelf ook een heer boven zich, de koning. Warren vermeldt dat de koning niet simpelweg koning is, maar "lord king" (dominus rex), de hoogste heer op aarde. Boven de koning stond echter nog één spirituele heer: God. Er was geen essentieel verschil tussen het koningschap en de heer: “Kingship and lordship were akin. Kingship was an exalted lordship which had no superior under God; lordship was a kind of petty kingship".

Omdat de "staat" aan een individu niet voldoende bescherming kon bieden, was het zich onderwerpen aan een beschermheer vaak de enige oplossing. De heer zorgde voor stabiliteit in de samenleving en reguleerde de verdeling van de rijkdom onder de bevolking. In de Middeleeuwen was er een "gift-economy"; de heer probeerde zijn macht en aanzien te vergroten door land of andere gunsten weg te schenken aan anderen. De ontvanger van een gift had vervolgens bij de heer een schuld en de heer kon een beroep op hem doen als tegenprestatie. De grootste gift die een man kon krijgen was land inclusief boeren om het land te bewerken, een "estate". De ontvanger van een "estate" kon geen gift teruggeven met gelijke waarde, en bleef daardoor eeuwig schuld houden ten opzichte van de gever; hij werd zijn vazal. Na 1066 werden landerijen niet langer in bezit gegeven bij schenkingen, maar de ontvanger mocht het land besturen voor de heer (vruchtgebruik); het land werd als "feodum" gegeven, als leen.

In Engeland had ieder graafschap tenminste één stad met een speciale functie, de "borough". Een borough was de stad waar de sheriff en de bisschop van het graafschap zetelden en het was tevens een handelscentrum. De sheriff was een belangrijk koninklijk bestuurder die onafhankelijk van familie- en regiobanden opereerde. De verschillende dorpen werden echter veelal door de landheren gecreëerd, omdat het enige dat mensen in een bepaald gebied verbond, de gezamenlijke afhankelijkheid van de heer was.

Er was geen algemene theorie over het koningschap in wetten vastgelegd in de elfde eeuw. Door met name de geestelijkheid is het beeld van de koning overgeleverd. Bij traditionele heersers kwam de autoriteit om te regeren door verwantschap met een eeuwenoud koninklijk ras, in de elfde eeuw gaf Goddelijke genade de Christelijke koning het recht om te regeren. De geestelijkheid zocht niet alleen naar een koning die hen kon beschermen tegen de aristocratie, maar ook een koning die ze kon sturen en controleren. De kroning van een koning was belangrijk, omdat de kroning duidelijk maakte wie de rechtmatige koning was. Er waren altijd meerdere erfgenamen die aanspraak maakten op de troon, want er was nog geen systeem van erfelijke opvolging. Als een koning eenmaal gekroond en gezalfd was, was het bijna onmogelijk om hem af te zetten.

In de Middeleeuwen was er behoefte aan een overkoepelende leider met een hoge mate van autoriteit. Hiervoor kwamen de paus en de koning in aanmerking, omdat zij allebei door God gezonden waren. Pausen en koningen moesten er voor zorgen dat lokale heren de wetten toepasten en pas ingrijpen als lokale heren dit verzaakten. Actief beleid van een koning of paus werd niet gewaardeerd en in de twaalfde eeuw ontstonden de eerste ideeën om de macht van de paus en koning in te perken. Warren wijst op het belang van de koning: “The kingdom of England was made by kings. It was put together by military power, and it held together by the acceptance of one ruler". Toch was de koning geen alleenheerser, hij had de hulp en steun van de machtige heren nodig: “It could not have succeeded in holding the realm together without enlisting the co-operation of great lords".

In de kroniek van Battle Abbey wordt een gerechtelijk proces beschreven waarin de koning als rechter optreedt. Hilary, de bisschop van Chichester, klaagt Walter de Luci, de abt van Battle, aan, omdat deze niet het vereiste respect ten opzichte van de bisschop heeft getoond.

Richard de Luci houdt een startpleidooi, waarin hij een korte samenvatting geeft van het probleem. Hierna houdt de abt zelf een pleidooi, waarin hij de koning wijst op de privileges die de abdij van Battle van Willem de Veroveraar gekregen heeft en die door de koning bevestigd zijn. De bisschop is hierna aan de beurt. Hij wijst de koning erop, dat een bisschop niet afgezet kan worden en dat een wereldlijk leider geen kerkelijke privileges mag verstrekken. De privileges die verstrekt zijn aan de abdij van Battle zijn dus ongeldig. De koning wordt boos en voelt zich beledigd, ook na excuses van de bisschop. Hier blijkt dat de koning gevoelig is voor aanvallen op zijn persoonlijke macht.

Hierna vertelt de bisschop dat de abt in eerste instantie de tradities volgde en goede wil toonde. Op een gegeven moment komt de abt echter niet meer zelf naar de synode, maar stuurt vervangers. Als de bisschop van Londen sterft, wordt de abt afgunstig en trots, en hij verzaakt compleet zijn verplichtingen ten opzichte van de bisschop. De abt geeft als reden op dat hij niet hoeft te gehoorzamen aan de bisschop volgens de privileges. De bisschop zet de abt uit zijn ambt en excommuniceert hem zelfs, wanneer hij meerdere keren weigert om de ruzie op te lossen en niet komt bij een bijeenkomst met koning Stephen. De bisschop zegt dat er in de handvesten van de abdij van Battle dingen staan die gericht zijn tegen de kerken van Chichester en Canterbury. Nadat de abt deze moest schrappen, heeft hij nog verscheidene keren de bisschop geprovoceerd.

De abt laat het handvest van de abdij van Battle voorlezen, waaruit blijkt dat hij gelijk heeft: “the church of Battle should be wholly free of subjection to the bishop of Chichester. Nor might the abbot be summoned to synod, although he might for some reason go there voluntarily" De abt en de bisschop hadden elkaar misgelopen bij koning Stephen, waardoor de bisschop van deze privileges nog niet op de hoogte was. De aartsbisschop wil de bisschop in bescherming nemen, en vraagt de koning om het intern te mogen oplossen.

De koning weigert dit, hij wil in overleg met zijn edelen de bisschop veroordelen. De koning is op verschillende manieren betrokken bij het proces; hij moet uiteindelijk een eindbeslissing nemen om het geschil op te lossen en het bewijs van de abt, het handvest van Battle, is door een koning onderschreven. De uitspraak is uiteindelijk een compromis; hij overlegt met zijn getrouwen alvorens een uitspraak te doen . De aartsbisschop heeft ook invloed, doordat hij de bisschop met de koning en de abt verzoend. Een consensus wordt bereikt: de bisschop moet openlijke excuses aanbieden aan de abt van Battle. Op aandringen van de aartsbisschop wordt de bisschop door de koning niet gestraft en vergeven. De bisschop en de abt leggen de ruzie onder toeziend oog van de koning bij.

De rol van de koning zoals die beschreven wordt door Warren is in dit betoog getoetst aan de rol van de koning in de kroniek van Battle Abbey. In de kroniek is de koning rechter in het proces tussen de bisschop van Chichester en de abt van Battle. Hoewel hij rechter is, moet hij wel met zijn edelen overleggen om tot een consensus te komen. Het beeld dat Warren geeft van de koning komt hiermee overeen; de koning was de hoogste heerser, maar kon niet zonder steun van zijn groten regeren. Bovendien was hij voor het regeren afhankelijk van reeds bestaande sociale patronen (bloedverwantschap, dorpsgemeenschap en leenheerschap).

Bericht geplaatst in: artikel