LEOPOLD VON RANKE

Geplaatst op 1 januari 2005
Von Ranke is binnen de historiografische traditie met name bekend geworden als de grondlegger van de kritische (objectieve) geschiedschrijving en als de meester van de bronnenkritiek.
Inleiding
“Ik wil U den geschiedschrijver noemen, in wien ik de onpartijdigheid, die ik heb aangeprezen, in hoogere mate dan bij iemand anders opmerk en vereer: Leopold Ranke. Het is bekend welk kerkgenootschap, welke staatspartij hij toegedaan is. Als burger heeft hij zijn voorkeur nooit ontveinsd. Hij is de vriend van een krachtige monarchie; hij is een streng Protestant, en hij gevoelt meer sympathie voor de drijfveeren, die het geslacht der 16e en der 17e eeuw bewogen, dan voor die waarnaar wij handelen. Maar leest zijn talrijke werken, en gij zult erkennen, dat zijn welgevestigde overtuiging hem nooit belet zich met liefde te verplaatsen in andere maatschappelijke toestanden, onder andere kerkbegrippen. […] Het universeele van Shakespeare bezit hij in hoogere mate dan eenig ander geschiedschrijver. Zijn historische blik is zoo verziende, dat hij ons herinnert aan de intuïtie van groote dichters." “En is de indruk, dien Ranke"s geschriften bij ons achterlaten, een onzedelijke, een verslappende? Ik geloof niet, dat iemand, die ze kent, dit beweren zal. Zij spreken tot het gemoed, zoowel als het verstand. Zij boezemen eerbied in voor het goede en groote, onder welken vorm het zich vertoont. Maar tevens stemmen zij ons tot een nederig bewustzijn van de onvolmaaktheid van al het menschelijke, tot de erkenning van het gebrekkige in ons eigen gelooven en handelen, en tot een billijke waardeering van hetgeen onze tegenpartij voor waarheid houdt en als plicht betracht. Mij dunkt, dat is het hoogste wat men voor het leven van de geschiedenis wenschen kan, dat zij aan haar beoefenaars zulk een gematigd en verdraagzaam oordeelen, zulk een billijk erkennen van al wat goed is eigen maakt."

De Nederlandse Von Ranke Robert FruinRobert Fruin prijst in bovenstaande citaten één van de belangrijkste kwaliteiten die aan Leopold von Ranke toegeschreven wordt als historiograaf en historicus: zijn onpartijdigheid. Von Ranke is binnen de historiografische traditie met name bekend geworden als de grondlegger van de kritische (objectieve) geschiedschrijving en als de meester van de bronnenkritiek. Omdat Von Ranke een belangrijke rol gespeeld heeft bij de professionalisering van de geschiedenis en de totstandkoming van de discipline geschiedenis in haar huidige vorm, zal deze biografie dieper ingaan op (de invloed van) de persoon Leopold von Ranke en zijn werken.

Deze biografie bestaat uit drie delen: het eerste deel geeft een korte weergave van het leven en de hoofdwerken van Von Ranke, het tweede deel bespreekt de belangrijkste "innovaties" die Von Ranke introduceerde en het laatste deel geeft een korte schets van het debat over het belang dat gehecht moet worden aan Von Rankes uitgangspunten (het Rankeaanse paradigma). dit artikel
Kort overzicht van het leven en de hoofdwerken van Leopold von Ranke
Leopold von Ranke, hij werd in 1865 in de adelstand verheven en mocht toen "Von" voor zijn naam zetten, werd op 21 december 1795 geboren in Wiehe in de Duitse provincie Kursachsen als de zoon van een advocaat, een beroep dat al een lange traditie kende in de familie. Zijn familie leverde bovendien al generaties lang Lutherse geestelijken, wat verklaart dat Von Ranke een streng protestant was. Hij ging, na de basisschool, naar het Donndorf-seminarie en studeerde daarna theologie, filosofie en klassieke talen aan de universiteiten van Halle en Leipzig. Zijn proefschrift schreef hij over ThucydidesThucydides. In 1818 werd Von Ranke leraar klassieke talen in Frankfurt an der Oder en zes jaar later publiceerde hij zijn eerste grote werk, "Geschichten der lateinischen und germanischen Völker von 1494 bis 1514". Het voorwoord van dit werk bevatte zijn opdracht voor (aanstaande) historici: het zo objectief mogelijk beschrijven van het verleden wie es eigentlich gewesen. Het boek was ingedeeld in twee delen. In het eerste deel geeft Von Ranke eerst een kort overzicht van de periode vóór 1495 om daarna de gebeurtenissen rondom en na de inval van de Franse koning Karel VIII in Italië uitgebreid te beschrijven. Deel één eindigt met het ontstaan van het rijk van Karel VKarel V. Von Ranke geeft in het boek veel aandacht aan de 15e en 16e eeuw omdat hier volgens hem de wortels lagen van veel Europese conflicten. In het tweede deel, "Zur Kritik neuerer Geschichtsschreiber", gaf Von Ranke kritisch commentaar bij de bronnen die hij gebruikt had in het eerste deel van het boek.

In 1825 werd Von Ranke als gevolg van het succes van zijn "Geschichten" als assistent-professor aangenomen aan de universiteit van Berlijn. In 1836 werd hij volwaardig professor; hij zou tot zijn pensioen in 1871 lesgeven in Berlijn. Aan de universiteit kon hij vanaf 1833 via seminars (historische Übungen) zijn kritische methode verspreiden. Tijdens de seminars leerden de studenten dat zij door het nauwgezet bestuderen van de bronnen het dichtst bij de waarheid omtrent het verleden konden komen. Op zich was het concept seminar niet nieuw; Johann Christoph Gatterer had reeds rond 1770 geëxperimenteerd met iets soortgelijks aan de universiteit van Göttingen. Von Ranke maakte het seminar echter als eerste een verplicht onderdeel van de studie geschiedenis. Aan de universiteit van Berlijn heeft Von Ranke een hele generatie belangrijke historici, waaronder Georg Waitz, Theodor Mommsen en Jakob BurckhardtBurckhardt, zijn methode meegegeven.

In 1831 werd Von Ranke op uitnodiging van graaf Bernstorff redacteur van het "Historische Politische Zeitschrift", dat aandacht vroeg voor de unieke Duitse "Volksgeist" en opriep tot (gematigd) conservatisme. Bernstorff wilde dat Von Ranke redacteur werd van het "Zeitschrift", omdat Von Ranke loyaal was aan PruisenPruisen, het vertrouwen had van het ministerie van buitenlandse zaken en omdat hij een historicus was die bekend stond om zijn literaire kwaliteiten. Ranke voelde zich zeer gevleid en ontwierp een opzet voor het tijdschrift. Volgens hem zou het tijdschrift vier onderdelen moeten bevatten: ten eerste zou er aandacht besteed moeten worden aan de Franse Revolutie en de uitwerking ervan in Europa. Er moest ruim aandacht worden gegeven aan de situatie in Pruisen en de andere Duitse gebieden. De rest van het tijdschrift moest gevuld worden met de bespreking van politieke pamfletten en historisch-literaire onderwerpen.

Het eerste deel van het tijdschrift verscheen in het voorjaar van 1832. In de periode 1832 – 1836 zouden slechts twee delen worden uitgebracht. Het merendeel van de artikelen werd door Ranke zelf geschreven. Met de artikelen slaagde Von Ranke er niet in de partijen in Pruisen tevreden te stellen. De liberalen vielen over zijn sterke toewijding aan de staat, de conservatieven vonden hem te weinig dogmatisch. Het blad trok geen schrijvers uit de rest van Duitsland en Europa aan, waar hij wel op gehoopt had. In 1836 werd het "Zeitschrift" opgeheven en wijdde Von Ranke zich weer geheel aan geschiedschrijving.

Von Rankes favoriete bronnen waren de "relazioni", de verslagen die Venetiaanse diplomaten vanaf de vijftiende eeuw schreven over de verschillende landen waarheen zij uitgezonden waren. Na het Congres van WenenCongres van Wenen (1815) was Venetië in handen van Oostenrijk gekomen en Oostenrijk opende de lang gesloten gebleven archieven. Von Ranke kreeg in 1828 van Pruisen subsidie om archiefonderzoek te gaan doen in Wenen en Italië. Via Friedrich Gentz kreeg hij toestemming van Metternich Metternich om gebruik te maken van de archieven van Wenen en Venetië. Von Ranke was hiermee één van de eersten die deze archieven bezocht om er onderzoek te doen. Von Ranke heeft zelf achtenveertig diplomatenverslagen opgekocht op antiekmarkten, omdat ze voor hem een schat aan geografische, sociale, economische, maar vooral politieke informatie bevatten. De resultaten van zijn archiefonderzoek heeft hij in "Fürsten und Völker von Südeuropa im 16. und 17. Jahrhundert" weergegeven.

Von Ranke besteedde in zijn werk tevens veel aandacht aan de literaire kant van geschiedwerken; net zoals Thucydides wilde hij een realistische weergave van de historische gebeurtenissen combineren met een toegankelijke, mooie stijl, om zo een breed lezerspubliek te kunnen bereiken. Von Ranke schreef in 1831 zijn beroemdste werk "Die römischen Päpste in den letzten vier Jahrhunderten", waarin hij het pausdom karakteriseerde als een wereldwijde monarchie en een biografisch overzicht van de pausen gaf. Ook de inspiratie voor dit werk kreeg Von Ranke door het bestuderen van "relazioni".

De brede Europese context van Von Ranke, die duidelijk terugkomt in de hoofdthemas van zijn werken, onderscheidde het werk van Von Ranke van de overwegend nationalistische werken van zijn negentiende-eeuwse tijdgenoten. Toch werd Von Ranke Duits patriottisme verweten; in "Die grossen Mächte" uit 1833 trok hij enkele grote lijnen door de afgelopen anderhalve eeuw. De interactie tussen de evoluerende nationaliteiten en de ontwikkeling van het statensysteem stonden in "Die grossen Mächte" centraal. Von Ranke wees met nadruk op de morele kracht van naties en nationaliteitsbesef. Hij wilde echter niet dat één natie alle andere zou overheersen: "Hij vergeleek de statengemeenschap met een gesprek dat juist dan genoegen verschaft als niet één persoon de boventoon voert of allen hetzelfde zeggen, maar waar iedereen de kans krijgt zich op zijn eigen wijze te roeren. Daardoor ontstaat de ware harmonie als eenheid in verscheidenheid." Per saldo kende Ranke de meeste waarde toe aan de innerlijke, morele kracht van naties, maar hij gaf toe dat die kracht zich bij uitstek zou manifesteren in de machtsrelaties tussen staten. Niettemin kan opgemerkt worden, dat Pruisen (en later de Duitse staat) bij Von Ranke toch in hoger aanzien stonden dan de andere natiestaten. Hiermee week hij af van één van zijn eigen uitgangspunten, het als gelijkwaardig beschouwen van alle periodes.

De belangstelling van Von Ranke ging voornamelijk uit naar de periode tussen de opkomst van Luther Luther en de dood van Frederik de Grote. Zijn laatste werk, de fel bekritiseerde "Weltgeschichte", die hij na zijn pensioen begon te schrijven en waarin hij merkwaardig genoeg uitsluitend over Europa schreef, heeft hij niet af kunnen maken. Von Ranke stierf op 23 mei 1886. De complete werken van Von Ranke zijn tussen 1868 en 1890 in 54 delen verschenen in verschillende talen.


De "innovaties" van Von Ranke
Wat "de erfenis van Von Ranke" inhoudt, wat de toegevoegde waarde van de methode van Von Ranke is, blijft moeilijk te definiëren. Het kritisch benaderen van bronnen, de nadruk op het gebruik van originele bronnen en zijn manier van doceren en schrijven van geschiedenis waren op zich niet nieuw. Thucydides had er al voor gepleit teksten van autoriteiten kritisch te benaderen, de humanisten en later de Mauristen legden al nadruk op het gebruik van originele bronnen en de fundamenten van Von Rankes aanpak werden reeds in de achttiende eeuw door Hamann en Herder Herder gelegd. Wat was er dan nieuw en baanbrekend aan Von Rankes bijdragen?

Von Ranke is er in geslaagd de door historici, die zich bezig hielden met het bestuderen van reeds afgeronde tijdvakken, gebruikte methoden nieuw leven in te blazen; hij formuleerde daarmee als het ware de moderne geschiedwetenschap. De reden dat Von Ranke"s invloed zo groot kon worden, was dat zijn aanpak duidelijk geformuleerd werd met behulp van vier hoofdprincipes, die losgekoppeld konden worden van de context waarin Von Ranke ze oorspronkelijk opgesteld had. Ten eerste legde Von Ranke grote nadruk op (het streven naar) objectiviteit: de historicus moet er altijd naar streven, historische gebeurtenissen of personen zo objectief mogelijk te beschrijven en als het ware één te worden met het onderwerp. Hij moet proberen zich zo volledig mogelijk in te leven in de tijd waarin de situatie speelde. Een belangrijk onderdeel van zijn kritische methode was gebaseerd op de filologische methode op de historische bronnen. Ten tweede stelde Von Ranke feiten (Fakten) boven een concept: feiten en objectiviteit waren onlosmakelijk verbonden; met behulp van uit bronnenmateriaal gedestilleerde feiten kon objectieve geschiedenis geschreven worden. Bovendien was voor Von Ranke iedere historische gebeurtenis uniek. De Duitse historisten uitten sterke kritiek op de Franse "philosophes", die het verleden te zeer normatief benaderden. De "philosophes" zagen het verleden als een voorperiode van het heden en beschouwden dus niet alle perioden in de geschiedenis als gelijkwaardig. Von Ranke stelde hier tegenover: "Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott"; God houdt van iedere periode evenveel. De taak van historici is dan ook niet te oordelen, maar te beschrijven, op basis van uniciteit. De historicus moet achter de waarde van een tijdvak zien te komen door Verstehen (invoelen) en dit overbrengen aan zijn publiek. Tenslotte stond voor Von Ranke de (staats)politiek centraal: nationale staten waren volgens Von Ranke Gedanken Gottes; de gevoerde politiek van nationale staten gaf aan, welke richting de inwoners op wilden. Nationale staten waren de verpersoonlijking van de wil van het volk, een levend organisme.

De filosofische en theologische uitgangspunten van Von Ranke botsten echter regelmatig met deze principes; Von Ranke is er nooit volledig in geslaagd deze twee niveau"s op elkaar af te stemmen. De tegenstrijdigheden binnen de theorie van Von Ranke konden ontstaan doordat hij zich niet bezig hield met het formuleren van concrete theoretische uitgangspunten: “Ranke was an ad hoc theorist. […] the internal connection between the different levels of history he worked with cannot be found in any logical coherence, which he did not even attempt, but in a temporal coherence, which he could not avoid". Omdat Von Ranke iedere historische gebeurtenis bovendien als uniek beschouwde, koos hij per geval opnieuw welke van zijn principes het beste zouden zijn voor dat specifieke geval. Robert Fruin heeft dit bij het prijzen van de onpartijdigheid van Von Ranke kennelijk niet ingezien.

Von Ranke heeft als eerste het historische seminar tot verplicht onderdeel van de studie geschiedenis gemaakt, om studenten de methodische basisregels van het vak bij te kunnen brengen. Studenten moesten in de seminars leren archiefonderzoek te doen; het gebruik van met name bronnen uit staatsarchieven, nadat deze door de historicus op echtheid en betrouwbaarheid waren getest, leidde er volgens Von Ranke namelijk toe, dat de feiten in een geschiedverhaal objectief konden worden weergegeven. “Met klem werden de studenten erop gewezen dat de historische waarheid niet zozeer in de verhalende bronnen met hun onvermijdelijke subjectieve vertekening lag verscholen, als wel in archiefstukken als rekeningen, oorkonden en verslagboeken. […] De geschiedschrijver was geen romanschrijver en mocht zich derhalve niet door zijn verbeelding laten meeslepen." Toch realiseerde Von Ranke zich wel degelijk dat een droge opsomming van feiten hem geen lezers zou verschaffen; het "aankleden" van de feiten was daarom niet in strijd met zijn onpartijdigheidideaal. Een goed geschreven, makkelijk lopende tekst met beschrijvende elementen zal meer gelezen worden dan een opsomming van onderzoeksresultaten; mensen willen zich in kunnen leven, ze willen meegevoerd worden. Hoewel de algemene trend van verruiming van de historische interesse bij het lezende publiek in de negentiende eeuw natuurlijk meehielp, moet het grootste deel van het succes van de werken van Von Ranke worden toegeschreven aan de combinatie van zijn kritische methode met zijn literaire kwaliteiten.

De studenten die Von Ranke via zijn seminars opleidde verspreidden zijn methode tot ver buiten Duitsland. Langzaam ontstond er, doordat de leerlingen van Von Ranke zelf ook hoogleraarsposten gingen bekleden, een historiografische traditie ("paradigma"), waarbinnen bepaalde uitgangspunten van Von Ranke geradicaliseerd en vereenvoudigd werden.

Het Rankeaanse paradigma
Naast de aandacht voor de groeiende militaire en politieke macht van Duitsland vanaf 1871 werd in heel Europa ook naar de Duitse geschiedschrijving gekeken, omdat deze sterk voorliep op de rest van Europa. Dat Duitsland voorliep kwam volgens velen door de historisch-filologische methode en de historische seminars, twee ontwikkelingen die terug te voeren zijn op Von Ranke. Deze methoden werden dan ook in veel landen overgenomen.

In Duitsland zelf worden Waitz, Von Sybel, Droysen en Von Treitschke wel als erfgenamen van Von Ranke beschouwd, omdat ook zij een belangrijke bijdrage leverden tot de verwetenschappelijking van de geschiedenis. Waitz heeft in zijn werken de diepgaande bronnenkritiek en interpretatie van zijn leermeester Von Ranke overgenomen en ook hij organiseerde seminars, maar miste het vermogen om van zijn onderzoeksresultaten een pakkende synthese te maken. Vanaf 1875 werd hij directeur van de "Monumenta Germaniae Historica". Von Sybel speelde een grote rol in de verspreiding en organisatie van het seminariesysteem in Duitsland en was de oprichter van het "Historische Zeitschrift" in 1859. Von Sybel voelde zich meer politicus dan professor, wat duidelijk politiek engagement in zijn werken tot gevolg had. Droysen, Von Treitschke en Von Sybel waren alledrie vertegenwoordigers van de Pruisische Historische School, waarbinnen vooral de Duitse eenwording en de rol van Pruisen hierin centraal stonden. Hier ligt een belangrijk verschil met Von Ranke, die een scheiding tussen politiek en geschiedschrijving bepleitte.

Aan het eind van de negentiende eeuw, na het ontstaan van de Duitse eenheid, gebruikten met name Max Lenz en Erich Marcks de inzichten van Von Ranke om het "Primat der Aussenpolitik" in het Duitsland van Bismarck te legitimeren. Democratisering van de binnenlandse politiek werd als een gevaar voor (de macht van) de staat gezien. In tegenstelling tot de oorspronkelijke ideeën van Von Ranke, waarin hij de innerlijke, morele kracht van naties had benadrukt, waren volgens Lenz en Marcks alleen machtsfactoren belangrijk in de relaties tussen staten. De rol van de staat en het staatssysteem werd hierdoor bij Lenz en Marcks groter dan Von Ranke bedoeld had; Von Ranke zag juist de natie als een blijvend element in de geschiedenis. Ludwig Dehio en andere critici van Lenz en Marcks hebben na de Tweede Wereldoorlog deze eerste generatie Neorankeanen hierop aangevallen, omdat zij het niet eens waren met de vertekening van Von Rankes theorie die plaatsgevonden had. Er was echter al rond 1900 kritiek ontstaan op de Neorankeanen, omdat de geschiedenis volgens deze critici haar aandachtspunten moest verbreden onder invloed van politieke en maatschappelijke veranderingen, waaronder de industrialisatie, de sociale kwestie, de opkomst van de arbeidersbeweging en de groei van de democratie. De belangrijkste voorstander van deze verbreding van de aandachtsgebieden van geschiedenis was Karl Lamprecht.

Lamprecht wilde een bijdrage leveren aan de verwetenschappelijking van geschiedenis, en formuleerde een nieuwe wetenschappelijke methode, die de oude (neo)-Rankeaanse historiografie zou moeten vervangen. De ware geschiedschrijving zocht volgens Lamprecht "naar verklaringen voor collectieve verschijnselen, duidde de noodzakelijke causale verbanden tussen deze verschijnselen aan en poogde uiteindelijk de wetten van het historisch proces bloot te leggen"; iets waaraan de individualistische, op uniekheid van historische gebeurtenissen gebaseerde, methode van Von Ranke volgens Lamprecht niet kon voldoen. Lamprecht wilde de collectieve mentaliteit ("Seelenleben") van volkeren bestuderen. Dit was niet gemakkelijk, omdat het "Seelenleben" niet statisch was, maar zich progressief ontwikkelde in de tijd. Lamprecht beschreef deze ontwikkeling in zijn goedverkopende werk "Deutsche Geschichte", dat uit negentien delen bestond.

Naar aanleiding van dit werk ontstond een belangrijk geschiedtheoretisch debat (de Lamprechtstrijd" of "Methodenstrijd) dat van 1891 tot 1899 duurde. Lamprecht werd door zijn critici, waaronder grote namen als Georg von Below en Friedrich Meinecke, vooral verweten dat hij in zijn onderzoek niet nauwkeurig genoeg te werk gegaan was; "in zijn ijver om wetmatigheden in het historisch proces te vinden, had hij niets anders gedaan dan dat proces vereenvoudigd. Onbeschroomd had hij abstracte schemas opgesteld, zonder rekening te houden met de rijkdom en de gevarieerdheid van het verleden." Vooral buiten Duitsland kon Lamprecht in het debat (en nog ruim daarna) rekenen op steun; binnen Duitsland kreeg Lamprecht echter nauwelijks bijval en medestanders van Lamprecht kregen zelden een hoogleraarspositie
Conclusie
Leopold Von Ranke (1795-1886) heeft een belangrijke bijdrage geleverd tot de professionalisering en verwetenschappelijking van de geschiedenis. Vooral zijn kritische methode, gebaseerd op strenge bronnenkritiek en onpartijdigheid van de historicus, en de nieuwe onderwijsvorm die hij in 1833 introduceerde, het historische seminar, hebben invloed gehad. Nadat Von Ranke in 1825 als gevolg van het succes van zijn "Geschichten" als assistent-professor aangenomen was aan de universiteit van Berlijn, gebruikte hij de seminars ("historische Übungen") om zijn kritische methode bekendheid te geven onder zijn studenten. Von Ranke maakte het historische seminar als eerste een verplicht onderdeel van de studie geschiedenis. Met behulp van zijn seminars heeft Von Ranke een hele generatie belangrijke historici, waaronder Georg Waitz, Theodor Mommsen en Jakob Burckhardt, zijn methode meegegeven.

Hoewel Von Ranke sterk de nadruk legde op realistische weergave van historische feiten, realiseerde hij zich wel degelijk dat een droge opsomming van feiten hem geen lezers zou verschaffen. Een schrijfstijl waardoor de lezer als het ware de beschreven periode of gebeurtenis ingetrokken wordt, zal meer gelezen worden dan een analytische opsomming van onderzoeksresultaten; mensen willen zich in kunnen leven, ze willen meegevoerd worden. Von Ranke pleitte dan ook voor een prettig leesbare, mooie vorm, die echter wel moest dienen tot het verbinden van de feiten.

Na het overlijden van Von Ranke zijn voor- en tegenstanders, navolgers en critici van zijn methode, verwikkeld geraakt in een geschiedtheoretisch debat, dat de Methodenstrijd genoemd wordt. Tegenover de individualistische methode van Von Ranke zette Lamprecht zijn zoektocht naar verklaringen voor collectieve verschijnselen en de ontwikkeling van de collectieve mentaliteit. Historici in Duitsland en daarbuiten werden geprikkeld tot stellingname in het debat.

Hoewel met name de verdere ontwikkeling van het vak geschiedenis in de twintigste eeuw geleid heeft tot andere eisen aan geschiedenis dan de eisen die in de tijd van Von Ranke gesteld werden, worden de methode en uitgangspunten van Von Ranke vandaag de dag, ruim honderd jaar na het overlijden van Von Ranke, nog steeds door verschillende prominente historici (waaronder Andreas Hillgruber, Klaus Hildebrand en Paul Kennedy) gebruikt in hun werk. Vooral in Duitsland wordt er daarom wel gesproken van (het ontstaan van) een nieuwe Ranke-renaissance.

Literatuurlijst
- Boia, Lucian, Great historians of the modern age. An international dictionary (New York e.a. 1991)
- Bouwhuys, M. ten, Analecta uit Leopold von Rankes historische werken (Amsterdam 1908).
- Boyd, Kelly (ed.), Encyclopedia of historians & historical writing (Londen e.a. 1999) vol.2
- M.C. Brands, e.a. (ed.), De veiligheid van Europa. Aspecten van het Europese statenstelsel. (Rijswijk 1991)
- Breisach, E., Historiography. Ancient, medieval, modern (Chicago 1994)
- Iggers, G.G., Historiography in the twentieth century. From scientific objectivity to the postmodern challenge (Hanover, New England 1997)
- Iggers, G.G., en Powell, J.M. (ed.), Leopold von Ranke and the shaping of the historical discipline (New York 1990)
- Krieger, Leonard, Ranke: The meaning of history (Chicago 1977)
- Laue, Theodore H. von, Leopold Ranke: the formative years (Princeton 1950)
- Tollebeek, J., De erfenis van Ranke (Leuven 1992)
Bericht geplaatst in: artikel