STADSPALEIZEN EN BUITENHUIZEN

Geplaatst op 1 januari 2005 door Koen Spee
Iedereen die wel eens op het Lange Voorhout in Den Haag of bij het Canal Grande in Venetië is geweest, kan zich waarschijnlijk vinden in de uitspraken van De Riemer en Chateaubriand.
Inleiding
"Wanneer je over het Canal Grande vaart, tussen twee rijen palazzi door, die allemaal het stempel dragen van de eeuw waarin ze zijn gebouwd, allemaal een andere bouwstijl vertegenwoordigen, wanneer je je over het grote en het kleine plein verplaatst, kijkend naar de basiliek met haar koepels, naar het Dogenpaleis, de Procuratie Nuove, de Zecca, de Klokkentoren, het belfort van San Marco, de zuil met de leeuw, dat alles tegen een achtergrond met zeilen en masten van schepen, met bewegingen van mensen en gondels, met het azuur van hemel en zee, dan hebben de grillen van een droom of van een oriëntaalse fantasie niets vreemds meer" François René de Chateaubriand, Memoires d"outre tombe. “... dat het Voorhout rondom met zeer schoone en aanzienlijke woonhuizen bezet is, waaronder verscheide gevonden werden, die voorpaleizen in andere landen niet behoeven wijken. " Jacob de Riemer, Beschrijvinge van s Gravenhage.

Iedereen die wel eens op het Lange Voorhout in Den Haag of bij het Canal Grande in Venetië is geweest, kan zich waarschijnlijk vinden in de uitspraken van De Riemer en Chateaubriand. Het is niet zo vreemd dat deze twee heren hun waardering uitspraken over de gebouwen die zij zagen. De bewoners van de panden hadden er namelijk alles aan gedaan om de buitenwereld te imponeren. Zeer belangrijk hierbij was het meegaan met de mode. Een aantal van de gebouwen die Chateaubriand en De Riemer (en wij nu soms ook nog) konden bewonderen, waren het gevolg van pogingen van de rijke elite om aan de mode van de 18e eeuw te voldoen. Naast het bouwen van nieuwe panden, konden reeds bestaande door een verbouwing een nieuw uiterlijk of interieur krijgen veranderd. Deze bouw/ verbouwdrift vond bovendien niet alleen in de stad plaats, maar ook op de buitenhuizen van de elite.

Ik zal in dit essay een vergelijking gaan maken tussen de, in de achttiende eeuw gebouwde of verbouwde, stadspaleizen en buitenhuizen van deze twee staten. In de Republiek zijn verschillende steden aanwezig die ik hiervoor zou kunnen gebruiken. Ik heb uiteindelijk gekozen voor Den Haag. Deze stad was, als regeringscentrum, een van de belangrijkste steden van de Republiek geworden, en als gevolg daarvan waren er machtige mensen aanwezig, die hun macht maar al te graag wilden tonen. De vraagstelling die ik ga hanteren, zal als volgt zijn: in hoeverre zijn de ontwikkelingen die Venetiaanse palazzi en villas doormaakten in de achttiende eeuw vergelijkbaar met de ontwikkelingen van de Haagse stadspaleizen en buitenhuizen.

Omdat een vergelijking tussen alle achttiende eeuwse stadspaleizen en buitenhuizen van de twee steden ondoenlijk is, heb ik besloten me te beperken tot acht gebouwen: vier buitenhuizen en vier stadspaleizen. Ik heb geprobeerd families te selecteren, die zowel een stadspaleis als een buitenhuis bezaten. Bij Den Haag heb ik gekozen voor een stadspaleis en een buitenhuis van de adellijke families Van Wassenaer Obdam en Van Wassenaer Duivenvoorde. Voor de familie Van Wassenaer Obdam paleis Kneuterdijk (en kasteel Zuidwijk), en voor de familie Van Wassenaer-Duivenvoorde kasteel Duivenvoorde en het huis op de hoek van de Lange Voorhout en de Kneuterdijk. Bij Venetië behandel ik de villa van de familie Manin bij Passariano en het palazzo van de familie Rezzonico (allebei machtige families in de 18e eeuw). Ik hoop aan de hand van al deze gebouwen tot een passend antwoord op mijn vraagstelling te komen.

s Gravenhage, stadspaleizen aan het Lange Voorhout en Kneuterdijk
Het Lange Voorhout (ligt ten noorden van de Hofvijver en komt in het westen uit op de Kneuterdijk) was oorspronkelijk het open terrein vóór het Haagse bos en was bezit van de graaf van Holland. Lange tijd zorgden de graven er voor, door bebouwing zo veel mogelijk tegen te houden, dat het gebied een parkachtig of landelijk karakter behield. De Kneuterdijk werd in de Middeleeuwen gebruikt als toernooiveld. Tijdens de Tachtigjarige oorlogTachtigjarige oorlog was Den Haag de regeringszetel geworden van de Republiek. Naast het stadhouderlijk hof waren er veel andere belangrijke mensen in de stad aanwezig, zoals regenten en edelen. Het Lange Voorhout (en aanliggende straten, bijvoorbeeld Kneuterdijk en Korte Voorhout) was een geliefde plek voor de elite om zich te vestigen. Bovendien was het dé plek om te flaneren. Keizer Karel VKarel V (onder andere ook graaf van Holland) had al eerder (in 1536) het middengedeelte van het Lange Voorhout met linden laten beplanten, om de sfeer beter te maken.

In het begin van de zeventiende eeuw was de Lange Voorhout nog steeds niet helemaal bebouwd. Aan de zuidzijde lagen tuinen in plaats van huizen. Maar Den Haag wilde nu als regeringsstad werken aan haar imago en het Lange Voorhout moest verfraaid worden. Dit betekende dat de tuinen moesten wijken voor een aaneengesloten, rechtgetrokken huizenrij. Om de aanblik van de straat deftiger te laten overkomen, werden er voor de huizen palen met ijzeren kettingen geplaatst. Zo werd er een scheiding aangebracht tussen het private en publieke gedeelte van de laan. De straat werd geplaveid en in het middengedeelte kwam een schelpenpad. De percelen van de huizen waren in vergelijking met die in andere Hollandse steden tamelijk groot en breed, waardoor de huizen er extra imposant uitzagen. De vroege zeventiende eeuwse huizen werden gebouwd in de stijl van de Hollandse of Maniëristische Renaissance (en de meeste bezaten daardoor een bepaald soort trapgevel). Na 1645 kwam, in navolging van het stadhouderlijk hof de Hollands Classicistische stijl steeds meer in zwang. Constantijn Huygens en Johan MauritsMaurits van Nassau Siegen waren de eerste supporters van deze bouwstijl, en zij zorgden er voor dat de belangrijkste uitdragers hiervan, de architecten Jacob van Campen en Pieter Post in dienst werden gesteld van het hof. De architectuur van deze stijl was sober en ingetogen. Een aantal huizen aan het Lange Voorhout en de Kneuterdijk werden in deze stijl gebouwd of verbouwd. De in deze stijl opgetrokken gebouwen hadden geen trapgevel meer, maar een gevel die er veel moderner uitzag. In het interieur werden classicistische cassettenplafonds aangelegd. In veel woonhuizen liepen de kamers, zonder gang, in elkaar over. In Den Haag werd bovendien volgend uit het Franse model van chambre antichambre garderobe kabinet (een model waarbij men naar aanzien/ rang in een kamer steeds dichter bij de privé-vertrekken van de koning werd ontvangen), het gebruik van kabinetten (kleine kamertjes, die in elkaar overlopen) in steeds grotere mate overgenomen.

Aan het eind van de zeventiende en in de achttiende eeuw deed een nieuwe stijl haar intrede in Den Haag. Het Lange Voorhout werd toen bewoond door een grote hoeveelheid diplomaten, regenten en edelen. Deze elite gaf meer geld uit aan het tonen van haar status dan hun collegas in andere steden van de Republiek deden. Net als in de zeventiende eeuw (en eerdere eeuwen) probeerden zij hun macht te laten zien door het bouwen van indrukwekkende paleizen. Zowel een schitterende binnen als buitenkant moest hieraan bijdragen. Ook bij de nieuwe stijl was het hof van de stadhouder weer de trendsetter. De elite van Den Haag volgde. De nieuwe stijl kwam over vanuit Frankrijk en had in de Republiek Daniël Marot als belangrijkste architect. Marot (1661 1752) was een Franse kunstenaar, die zich na de herroeping van het edict van Nantes in Den Haag vestigde. Marot hield zich onder andere bezig met het aanleggen en inrichten van een groot aantal tuinen en gebouwen in Den Haag. Maar hij was ook in andere delen van de republiek werkzaam. Hij werkte bijvoorbeeld aan paleis Het Loo (uitbreiding en inrichting). De nieuwe stijl (de stijl van Marot) wordt de Hollandse Lodewijk XIVLodewijk XIV stijl genoemd. In deze stijl hadden stadspaleizen een door zijvleugels omsloten cour, een imposante ingang en een gevel die met klassieke elementen was opgedeeld (bijvoorbeeld kroonlijsten). Het stadspaleis had een symmetrische indeling (en was ingedeeld in velden). De belangrijkste verdieping, de bel étage, lag boven straatniveau. Er was een kelder onder gebouwd zodat de bel étage werd beschermd tegen vocht en inkijk vanaf de straat. Op deze etage bevonden zich de representatieve kamers en appartementen. Het trappenhuis en de vestibule waren op de begane grond. In tegenstelling tot de Franse Lodewijk XIV stijl waren de huizen van Marot voorzien van een gang (met de kamers symmetrisch aan weerzijden van die gang), en was er meestal geen plaats om een "cour aan te leggen. Een van de gebouwen die door Marot in deze stijl werd ontworpen, was het Paleis Kneuterdijk van de Van Wassenaers Obdam. Kenmerkend voor veel 18e eeuwse gebouwen in en rond Den Haag waren de schuiframen. Door dit soort ramen viel meer licht naar binnen dan door de 17e eeuwse kruiskozijnen (een soort glas in lood). Ze bestonden uit een groter aaneengesloten stuk glas. Dit was mogelijk geworden door verbeteringen in de techniek van het glasblazen. Vanaf 1735 raakte de Lodewijk XIV stijl langzaam uit de mode. Rond 1750 had de rococo haar plaats ingenomen en bleef populair tot ongeveer 1770. In de republiek kwam de rococo vooral tot uiting in het interieur. Dat werd drukker en protseriger dan ooit (veel bladgoud bijvoorbeeld). De buitenkant bleef redelijk sober. Ik zal me nu gaan richten op een van de paleizen, die in het begin van de 18e eeuw in de Lodewijk XIV stijl werd gebouwd; Paleis Kneuterdijk.

Paleis Kneuterdijk
Het paleis Kneuterdijk werd in 1716 voor graaf Johan Hendrik van Wassenaer Obdam gebouwd. Op het terrein waar in de 18e eeuw het paleis zou verrijzen stonden in eerdere jaren verschillende huizen. In ieder geval vanaf 1385 moet er bebouwing zijn geweest op het betreffende gebied. Rond 1500 stonden er een aantal huizen met trapgevels en een torentje. Uit een verkoopakte van 1604 blijkt dat er vanaf het Noordeinde tot het Lange Voorhout één huis stond dat in drie gedeelten was opgesplitst. In een van die gedeelten woonde de heer van Obdam. Hij was het eerste lid van het geslacht Van Wassenaer Obdam dat zich op de Kneuterdijk gevestigd had. Hij was in 1574 geboren en heette Jacob van Duivenvoorde, heer van Obdam. Doordat hij in 1615 de heerlijkheid Zuidwijk onder Wassenaar kocht, ging hij zich voortaan Van Wassenaer Obdam noemen. Zijn zus Emilie van Wassenaer Obdam kocht in 1650 een aangrenzend pand, dat op de hoek van de Heulstraat lag. In 1666 had de zoon van Jacob van Wassenaer Obdam, ook Jacob van Wassenaer Obdam geheten, de panden van zijn vader en zijn tante via vererving in bezit gekregen. Zijn zoon Johan Hendrik wist uiteindelijk de drie huizen op de hoek van de Kneuterdijk en het Lange Voorhout te verenigen.

Johan Hendrik was in 1683 geboren. Hij bekleedde een aantal aanzienlijke betrekkingen, zoals opperjagermeester en groothoutvester van Holland, en grootzegelbewaarder. Via zijn moeder was hij ook heer van Twickel (in Delden) geworden. Dit alles zorgde er voor dat hij een van de machtigste en rijkste personen was die op dat moment op het Lange Voorhout en de Kneuterdijk gevonden konden worden. Hij woonde naast een grote hoeveelheid diplomaten uit andere landen bij wie uiterlijk vertoon tot onderdeel van hun beroep behoorde. Behalve dat hij meedraaide in deze kringen kon hij het als een van de hoogste edelen van de republiek niet over zijn kant laten gaan dat er anderen waren die op hogere voet leefden dan hij. Hij deed daarom zijn best om zoveel mogelijk met de mode mee te gaan. Dit betekende dat hij van alles verzamelde (hij had bijvoorbeeld een tekeningenverzameling), een naturalia kabinet en een schilderijencollectie bezat (met schilderijen die geheel aan de smaak van de tijd voldeden, zoals Breughels, Rernbrandts en een Paulus Potter). Daarnaast was hij een van de drie personen in de buurt die zich een koets met een zesspan kon veroorloven. Echter een van de belangrijkste zaken (als het al niet de belangrijkste is) waar je zijn status aan kon aflezen, was het paleis dat hij door de beste architect van zijn tijd had laten ontwerpen.

In 1716 liet Johan Hendrik alle panden slopen en kon hij op het vrijgekomen terrein een nieuw gebouw oprichten. Gedurende zijn leven heeft hij zijn bezittingen voortdurend uitgebreid. Zodra hij de kans kreeg kocht hij aangrenzende huizen en percelen op. Op deze manier wist hij zon beetje het gehele blok te verwerven, waarop hij, voordat met de bouw van het paleis werd begonnen, onder andere twee koetshuizen liet bouwen. Marot was voor deze opdracht speciaal in Den Haag komen wonen. Op het moment dat hij het ontwerp maakte had Johan Hendrik nog niet alle percelen op de hoek van de Kneuterdijk en het Lange Voorhout in bezit. Om toch een beetje de indruk te krijgen van een cour dat door twee zijvleugels omgeven was, liet hij het pand de hoek volgen. De façade zou uit zeven traveeën (vakken) worden opgebouwd en geheel met natuursteen worden bekleed. Johan Hendrik wist echter nog voordat de bouw was begonnen het laatste perceel (het perceel op de hoek) te bemachtigen, waardoor de façade negen traveeën breed kon worden. Nu werden alleen de buitenste traveeën en het middenstuk versierd met natuursteen. Deze delen kregen ook een extra decoratie op de kroonlijst. Boven het middengedeelte werd een achthoekige koepel geplaatst (in het eerdere ontwerp was de koepel rond).

Via de brede trap voor de ingang, kon men het paleis betreden en kwam men uit in de hal. Aan de trap en de hoogte van de ramen kan men zien dat de bel étage zich, geheel volgens de normen van de stijl, boven het straatniveau bevond. Vanuit de hal was de doorgang naar de ontvangstzaal aan de rechterkant. Men ging zo in feite de hoek om in de richting van de tuin, waar een grote feestzaal was gebouwd. Door een groot aantal verbouwingen in de afgelopen eeuwen is het interieur van Paleis Kneuterdijk totaal veranderd. We kunnen echter wel een beetje een indruk krijgen hoe het er uitgezien moet hebben, doordat de inrichting volgens de stijl van Marot wel in een aantal andere Haagse paleizen bewaard is gebleven. De plafonds in de kamers waren met (tamelijk eenvoudig) stucwerk gedecoreerd. Boven deuren en schoorstenen waren schilderstukken aangebracht (de zogenaamde schoorsteen en bovendeurstukken, die overigens ook al in de 17e eeuw populair waren). Op deze schilderstukken waren taferelen van spelende kinderen, bloemstukken of vogels afgebeeld. Sommige wanden waren met goudleer, tapijten of stof bekleed. De modernste en meest luxueuze manier om wanden te bekleden was het aanbrengen van geschilderde behangsels. Het favoriete onderwerp voor de behangsels was een fantasielandschap (het liefst Italiaans). Verder werd de en français geschilderde variant op de schilderstukken van de spelende kinderen begin 18e eeuw doorgevoerd, wat inhield dat de schildering niet meer in grijstinten, maar in één kleur werd uitgevoerd. Het thema van de spelende kinderen werd dus ook gebruikt bij de geschilderde behangsels. Het interieur moet er met dergelijke versieringen inderdaad luxe hebben uitgezien, en zal zeker hebben bijgedragen aan de status van Johan Hendrik van Wassenaer Obdam. Deze stierf ongehuwd in 1745. De erfenis ging over op zijn broer Unico Wilhelm. In 1816 verkocht diens kleindochter het paleis aan koning Willem I, die het als woonplaats voor de kroonprins aanwees. De kroonprins, de latere koning Willem II was degene die een aantal radicale verbouwingen uitvoerde. Momenteel is het paleis niet meer van het koningshuis, maar wordt het gebruikt door de Raad van State.

Het Van Wassenaer Duivenvoorde huis aan het Lange Voorhout
Recht tegenover Paleis Kneuterdijk, op de hoek van het Lange Voorhout en de Kneuterdijk, staat het huis dat een andere tak van de Van Wassenaers (de tak Van Wassenaer Duivenvoorde) liet bouwen. Bij de bespreking van kasteel Duivenvoorde zal ik ingaan op deze tak van de familie. Voorlopig zal ik het er bij laten om te vermelden dat het huis in opdracht van Johan van Wassenaer (een van de rijkste bewoners van Den Haag in het begin van de 17e eeuw) in 1624 werd voltooid, en dat zijn achterkleinzoon Arent van Wassenaer het in 1719 liet verbouwen. De architect van het oorspronkelijke pand was Hendrick de Keyser. Het werd gebouwd in de stijl van de Hollandse (Maniëristische) Renaissance. Kenmerkend voor deze stijl waren de bakstenen gevels, de natuurstenen banden en de ontlastingsbogen boven de ramen. Het gebouw heeft glas in loodramen en op het dak staan typische dakkapellen en schoorstenen.

In het begin van de 18e eeuw vond er een grote verbouwing plaats, om het gebouw aan de mode aan te passen. Oorspronkelijk was de gevel aan het Lange Voorhout drie vensterassen breed, maar dit werd uitgebreid naar acht vensterassen. Dit betekende dat het huis een stuk groter werd. De glas in loodramen werden vervangen door schuiframen en de ouderwetse strokendeur werd vervangen door een paneeldeur. De renaissance schoorstenen en dakkapellen verdwenen van het dak en er kwamen nieuwe, eenvoudige in Marotstijl uitgevoerde dakkapellen voor in de plaats. De natuurstenen banden en de ontlastingsbogen boven de ramen bleven gehandhaafd op de oude gevels. Ze kwamen echter niet terug op het nieuwe gedeelte van de gevel aan het Lange Voorhout. Het gevolg was dat de nieuwe gevel er veel strakker en soberder uitzag. Op deze gevel is vrijwel geen decoratie aanwezig. Een van de weinige elementen die de soberheid wat doorbreken zijn de twee erkertjes. Gedurende de 17e eeuw was het aanbrengen van erkertjes steeds meer in de mode geraakt in Den Haag. Omdat het vrijwel nergens anders in de Republiek is terug te vinden, zijn de erkers misschien wel een typisch Haags verschijnsel. De bedoeling van de erkers was dat de bewoners een mooi plekje hadden van waaruit ze naar de flanerende mensen op straat konden loeren. Doordat er op een reeds bestaand huis werd doorgebouwd, kon er geen sprake van zijn dat het huis een cour met zijvleugels kon krijgen. In het gedeelte van het huis dat aan het Lange Voorhout lag, bevond de bel étage zich wel boven straatniveau (maar dat was in 1624 ook al). De nieuwe stijl van Marot manifesteerde zich dus vooral in het uiterlijk van de gevels.

Het interieur werd op hetzelfde moment als de gevel aangepast. Waarschijnlijk was het vernieuwde interieur van dit pand vergelijkbaar met de interieurs die ik bij Paleis Kneuterdijk heb beschreven. De Lange Voorhoutzijde van het gebouw werd als hoofdgebouw gebruikt, terwijl het gedeelte aan de Kneuterdijk, waar de ingang zich bevond, als voorhuis diende. De kamers lagen aan een gang, maar men kon ook via tussendeuren van de ene naar de ander kamer gaan (ook bij andere grote huizen aan het Lange Voorhout was er zon indeling). Men kon zo het personeel ontwijken dat door de gangen liep. Op de begane grond lagen representatieve zalen, die het mooist werden ingericht (de volgende beschrijving van hoe het huis was ingedeeld geldt in het algemeen voor de grote 18e eeuwse huizen in Den Haag). Aan de muren hingen spiegels en kaarsenarmen. In de kamertjes naast de grote zalen stonden vitrinekasten met daarin de porseleinverzameling en/ of het zilveren serviesgoed. Op de eerste, en eventuele hogere verdiepingen, waren luxe slaapkamers (ook voor de gasten) met daarin stoelen en soms speeltafels. Aan de muren hingen schilderijen (onder andere met familieportretten). Verder waren er op deze verdiepingen kabinetten (waar men zich met zijn hobbys kon bezighouden), privé zitkamers, bibliotheken en studeerkamers. Op zolder sliepen de dienstmeiden en werd rommel opgeslagen. De knechten sliepen in het onderhuis, waar zich ook de keuken bevond. In de kelder of het souterrain werd het koperen en tinnen huisraad bewaard en waren de voorraadkamers. In de 18e eeuw ging men streven naar meer comfort. Men legde steeds vaker Turkse vloertapijten op de grond, in plaats van de rieten matten die men in de 17e eeuw gebruikte. Vanaf de jaren 1720 kregen steeds meer huizen (in een aantal kamers) losse kachels. Goedzittende meubels als de fauteuil en canapé deden hun intrede in de tweede helft van de 18e eeuw. Helaas is momenteel in geen enkele van de panden aan het Lange Voorhout en de Kneuterdijk de originele inboedel nog aanwezig. We hebben nu een beetje inzicht gekregen in wat er aan de stadspaleizen van Den Haag veranderde, maar wat gebeurde er aan de buitenhuizen van de Haagse elite?
 
Buitenhuizen van 's-Gravenhage
De buitenplaatsen rond Den Haag werden het liefst in een vruchtbare en gezonde omgeving gebouwd, met in de buurt een waterweg, die vers water kon leveren voor de tuin en als verkeersader kon dienen. De meeste buitenplaatsen liggen dicht bij elkaar, op zandruggen in de oude binnenduinen. Veel van de buitenhuizen kwamen voort uit boerderijtjes, die zich al in de Middeleeuwen op die zandruggen bevonden. In de 17e eeuw was het de mode geworden om een buitenplaats (of hofstede zoals ze het zelf noemden) te bezitten. Net als bij de stadspaleizen het geval was, ging het er bij het bezitten van een buitenplaats om, je status te tonen. In de 18e eeuw nam de hoeveelheid buitenplaatsen sterk toe, omdat het erbij hoorde (wilde je meetellen) een zomerresidentie buiten de stad te bezitten. In de tweede helft van de 18e eeuw was de bloeitijd van de buitenhuizen voorbij en raakten er veel in verval.

Het leven op de buitenplaats begon in juni en eindigde in september. De elite van Den Haag trok zich terug uit de stad om te kunnen genieten van het platteland in de zomer. Men hield zich voornamelijk bezig met het afleggen van bezoeken aan elkaar. Op de mooiste plekken van de landgoederen bevonden zich tuinhuisjes, waar gasten ontvangen werden om thee te drinken. De jacht vooral op trekvogels (zoals vinken), was zeer populair. Daarnaast was er natuurlijk de tuin, waar men kon wandelen. Om er achter te komen hoe de 18e eeuwse tuinen er uitzagen, moeten we ons wederom tot Daniël Marot wenden. Deze kunstenaar/ architect hield zich niet alleen bezig met het ontwerpen van nieuwe stadspaleizen, maar stond ook bekend om zijn tuinen. De voor ons bekendste tuinen waar hij aan heeft gewerkt, zijn de tuinen van paleis Het Loo. Net als bij zijn gebouwen, paste hij ook bij zijn tuinen de Lodewijk XIV stijl toe. De tot zijn komst, gangbare tuinen hadden een strak patroon van hoofd en zijassen, met een rechte vakindeling. Hij zorgde dat de vormen sierlijker werden. Rechthoekige en vierkante vakken werden onregelmatiger van omtrek. Vaak kregen ze een halfronde afsluiting aan één zijde. Er werd een weidser karakter verkregen door de perspectiefwerking te accentueren. Waterpartijen (zoals fonteinen en vijvers) zorgden voor een speels element. Verder werden de tuinen veel uitvoeriger versierd met beelden en vazen (en dergelijke) dan in de periode daarvoor. Bij deze tuinen moesten natuur en kunst een harmonisch geheel vormen. De symmetrie (die ook al bij de eerdere tuinen aanwezig was) werd, net als het gebruik van assen (die de tuinen vanuit het huis doorsneden) behouden.

Een van de buitenhuizen waar Marot een nieuwe tuin voor ontwierp was (het inmiddels afgebroken) kasteel Zuidwijk. Dit kasteel was eigendom van Johan Hendrik van Wassenaer Obdam, dezelfde die Paleis Kneuterdijk had laten bouwen. Er moet rond 1400 op die plaats al een kasteel hebben gestaan, dat echter door inwoners van Leiden werd verwoest. Het is daarna meteen weer opgebouwd en bestond uit een, door een gracht omgeven, kasteel met twee grote torens (een poorttoren en een woontoren). Tussen 1700 en 1730 zou Johan Hendrik het kasteel hebben laten verbouwen. Omdat er weinig veranderingen te zien zijn op prenten van vóór en na deze verbouwing, heeft deze zich misschien beperkt tot het interieur. De tuinen zijn in ieder geval wel veranderd in die periode. In 1712 stonden er in de siertuin sierheesters, snoeipalmen en bomen, die een speels patroon vormden. Er was een doolhof en er bevond zich een sterrebos (een bos dat doorsneden werd door elkaar kruisende lanen, zodat er een stervorm was) waar jacht werd bedreven. Nog voor 1735 moet de tuin zijn veranderd. Marot ontwierp de tuinen in de Hollandse Lodewijk XIV stijl. Er werden nieuwe vijvers, parterres en lanen aangelegd. De vormen werden sierlijker en nog speelser. Verder werd de tuin versierd met vazen en beelden (meestal met mythologische themas ) en kwamen er grotten, een theater en een speelhuis.

In de loop van de 18e eeuw raakte deze tuinstijl zijn populariteit kwijt. Men had genoeg van het ordelijke, regelmatige en symmetrische en wilde het oorspronkelijke van de natuur laten terugkeren. Alles werd in een los patroon gerangschikt en de kunst mocht de natuur niet meer overheersen. Deze zogenaamde landschapsstijl bleef, ondanks een aantal nieuwe stijlideeën tot in de 20e eeuw in gebruik.
Voor de buitenhuizen die de Haagse elite in de 18e eeuw lieten aanleggen of verbouwen, diende (net als bij de stadspaleizen) het stadhouderlijk hof (in dit geval dus de buitenhuizen van de stadhouders) als voorbeeld. Naast nieuwe buitenhuizen werden vaak bestaande boerderijen of kastelen omgebouwd tot buitenhuis. Dit gebeurde ook met kasteel Duivenvoorde.

Kasteel Duivenvoorde
In 1226 werd Philips van Wassenaer door zijn broer beleend met Duivenvoorde. Zijn zoon ontleende aan het huis de naam van Duvenvoirde. De Van Duivenvoordes wisten hun macht en bezit gestaag uit te breiden. In 1483 werd Jan II van Duivenvoorde, als eerste van zijn tak, hoogheemraad van Rijnland. Vanaf dat moment hebben de Van Duivenvoordes een belangrijke rol gespeeld in dit waterschap. Een broer van deze Jan splitste zich af in de tak Obdam (waar later dus de bouwheer van Paleis Kneuterdijk uit voortgekomen is). In 1598 gingen de Van Duivenvoordes zich ook weer Van Wassenaer noemen, omdat de oudste tak van de familie was uitgestorven. De eerder genoemde Johan van Wassenaer Duivenvoorde (die het stadspaleis op de hoek van het Lange Voorhout en de Kneuterdijk in 1624 liet bouwen) was degene die het kasteel voor het eerst ingrijpend liet verbouwen (in 163l). De daaropvolgende grote verbouwing vond plaats in 1717, onder Arent IX, die ook verantwoordelijk was voor de verbouwing van het pand aan het Lange Voorhout/ Kneuterdijk. Arent IX (1669 1721) bezette een aantal belangrijke functies binnen de Republiek. Hij stond zeer in de gunst bij de stadhouder koning, en van 1715 tot 1716 mocht hij als gezant van de Republiek naar het Engelse hof. Gezien zijn importantie is het niet vreemd dat hij zijn status wilde tonen via de gebouwen die hij bezat en deze dus liet aanpassen aan de heersende mode.

Kasteel Duivenvoorde bestond rond 1400 uit een (uit baksteen opgetrokken) donjon, met aan weerskanten twee bijgebouwen. Dit geheel werd omgeven door een gracht. In 1624 was het huis dat Johan van Wassenaer Duivenvoorde in het centrum van Den Haag had laten bouwen gereed. Vanaf dat moment zou kasteel Duivenvoorde, dat tot die tijd het gehele jaar door bewoond was, een zomerresidentie worden. Bovendien zag Johan dat zijn huis in de stad veel gerieflijker en moderner was en daarom besloot hij dat het kasteel ook maar verbouwd moest worden. De verbouwing werd in 1631 voltooid. Duivenvoorde was een deftig kasteel geworden, dat een grote gelijkenis vertoonde met het pand aan het Lange Voorhout. Het was aangepast aan de stijl van de Hollandse Renaissance. Op de daken stonden hetzelfde soort schoorstenen en dakkapellen als bij het stadspaleis. Het had hetzelfde type ramen, met daarboven de ontlastingsbogen, een zelfde dakrand/ goot, en een zelfde strokendeur en ingangspartij. Om het kasteel beter bewoonbaar te maken werd de donjon gesloopt en kwam er een nieuw middengebouw voor in de plaats, dat hoger bleef dan de noordvleugel en de vernieuwde zuidvleugel (die uit drie verschillende delen bestond). Toen het kasteel eenmaal verbouwd was, verkreeg het ook de hulde waar Johan van Wassenaer Duivenvoorde zo op gehoopt had.

Rond 1700 was de smaak helaas weer veranderd en oogstte het kasteel geen succes meer met zijn uiterlijk. Dit betekende voor de nieuwe heer van Duivenvoorde, Arent IX, dat het weer tijd was voor een nieuwe verbouwing. Om toch nog een beetje het karakter van zijn stamslot te bewaren wilde hij niet helemaal toegeven aan de mode. Het was namelijk gebruikelijk om een door een gracht omringd paleis te hebben, met een voorhof waarvan aan weerszijden bijgebouwen geplaatst waren. Het kasteel moest dit maal een volledig symmetrisch aanzien krijgen. De drie verschillende delen van de zuidvleugel moesten tot één enkele hoogte worden gebracht, zodat deze gelijk was met de noordvleugel. Ook moest er net zon dak komen als al op de noordvleugel en het middengedeelte aanwezig was. Omdat de ramen van de zuidvleugel even hoog moesten worden (voor de symmetrie) als die in de noordvleugel, liepen de nieuwe ramen niet meer gelijk met de verdiepingen (de verdiepingen van de zuidvleugel hadden namelijk een andere hoogte dan de verdiepingen in de noordvleugel). De noordvleugel was al strak en regelmatig en daar hoefde dus weinig aan veranderd te worden. Vooral de twee andere delen (zuidvleugel en middenpaviljoen) moesten het ontgelden. Doordat de symmetrie tegen alle prijs doorgevoerd moest worden, ontstonden er grote ongelijkheden en conflicten tussen de gevel en het inwendige deel (constructief was het vaak gevaarlijk of niet verstandig). Aan de achterkant van het gebouw werden op de beide zijvleugels erkers aangebracht. De kruisvensters moesten net als in het stadspaleis wijken voor schuiframen. De strokendeur werd vervangen door een paneeldeur. Bij het kasteel werden de dakkapellen en de schoorstenen echter niet vervangen.

In het interieur werd ook flink verbouwd. Het meeste werk werd verricht in de noordvleugel. De grote benedenzaal werd in Lodewijk XIV stijl betimmerd en er kwamen familieportretten aan de muur te hangen. Het ontwerp voor deze zaal is vermoedelijk van de hand van Daniël Marot. Een aantal andere kamers kregen ook een nieuwe (eenvoudige) betimmering, vaak omdat er nieuwe kamers (kabinetten) werden gecreëerd. In de salons bekleedde nu stucwerk de plafonds. In de andere vertrekken bleven de balkenzolderingen. Over eerdere versieringen van de plafonds werd een grijsgroene kleur verf aangebracht. Er kan dus wel gesteld worden dat het interieur bescheiden en eenvoudig was. Dit is zeker het geval bij een vergelijking met de luxe van het stadspaleis.

De interesse van Arent IX voor tuinen heeft er waarschijnlijk toe bijgedragen dat hij deze volledig liet vernieuwen en uitbreiden. De simpele schaakbordvorm van de tuinen moest plaats maken voor de aanleg van een tuin volgens een assenpatroon. De hoofdas werd gevormd door een lijn die haaks op de voorgevel stond en ook aan de achterkant van het kasteel doorliep. Een aantal andere assen stonden weer haaks op deze as. De assen doorsneden de symmetrisch aangelegde tuinen, boomgaarden en vijvers. Sommige van de dwarsassen werden voorgesteld door lanen of paden. De tuinen waren allemaal in Lodewijk XIV stijl uitgevoerd. In de 19e eeuw hebben ze helaas plaats moeten maken voor een in de landschapsstijl uitgevoerde tuin.

Venetië, de ontwikkeling van de palazzi
In Venetië zijn door de gehele stad palazzi te vinden. Al dan niet versierd van buiten, zijn ze vaak luxe ingericht. De mooiste palazzi bevinden zich aan het Canal Grande, het water dat zich in een omgekeerde s vorm door de stad een weg naar de zee baant. Aan beide kanten van het kanaal lieten de rijkste families huizen/ paleizen bouwen. Het Canal Grande was een van de drukste verkeersaders van de stad, wat betekende dat er veel mensen aan de palazzi voorbijgingen. Kooplieden staken veel geld in hun paleizen, zodat de voorbijgangers (of dat nu stadgenoten of buitenlanders waren) overdonderd konden worden door de macht die van de façades afstraalde: macht van de eigenaar en macht van de Serenissima. Het is niet zomaar dat het Canal Grande in het verleden zoveel lof heeft ontvangen. Het is echter niet alleen de macht die een indruk heeft achtergelaten. Zowel de indruk als de macht werden onder andere veroorzaakt door de eigenaardige Venetiaanse architectuur/ stijl.

Rond 1200 werden de Venetianen zich er van bewust dat de enige bedreiging voor hun stad over de zee zou komen en dat het hun, op dat moment, oppermachtige vloot was die voor de verdediging moest zorgen. Verdedigingswerken waren daarom niet nodig. Men kon een ander soort bouwstijl gaan toepassen. De open architectuur die zo ontstond is terug te vinden in het gebruik van ramen, loggias, porficussen en pleinen, en is kenmerkend voor Venetiaanse architectuur. Dit betekende dat stijlen, zoals gotiek, renaissance en barok, een eigen Venetiaanse variant kregen. De palazzi die in deze stijlen werden gebouwd zijn ook het bekendst en maakten dus waarschijnlijk de meeste indruk. Hoe zit het dan met de gebouwen die in de 18e eeuw, de eeuw van stilstand of zelfs achteruitgang, werden opgericht?

In de 18e eeuw was de bloeiperiode van Venetië al lang achter de rug. De regerende klasse voelde misschien dat er een crisis op de loer lag, want het is opvallend dat er in deze eeuw zeer weinig nieuwe palazzi werden gebouwd. De economische crisis trof de bouwsector het hardst . Niet alleen stak de elite het geld liever in haar bezittingen op het vasteland, ook waren veel oude en rijke geslachten aan het uitsterven, waardoor de verarmde adel een steeds groter percentage van de edelen uitmaakte. Daarnaast werden veel bestaande, grote gebouwen opgedeeld in appartementen. Dat was comfortabeler om in te wonen en deed het beter op de markt (door de slechte staat van de markt was het moeilijk om van een groot huis af te komen). De mensen gingen bouwen op een manier die meer toegespitst was op de vraag naar functionaliteit. Nieuwe gebouwen moesten praktisch zijn. De hang naar kunst en versieringen hadden het wooncomfort te lang in de weg gestaan. Verder was er in Venetië eigenlijk geen grond meer beschikbaar om nog iets nieuws op te bouwen (alles was al volgebouwd). De mooie Venetiaanse stijl die een harmonische samenhang tussen interieur en façade voorstond, moest wijken voor een rationele indeling van een palazzo of huis. Er waren echter nog wel een paar oplevingen. Meestal waren deze nog geworteld in de barok, maar soms waren er al elementen zichtbaar van het meer rationalistische neoclassicisme. Ik zal nu twee van deze oplevingen behandelen.

Palazzo Rezzonico
Het palazzo Rezzonico is een van de mooiste barokke gebouwen van Venetië. Halverwege de 17e eeuw gaf procurator Filippo Bon de beroemdste Venetiaanse Barokarchitect Baldassare Longhena de opdracht om een palazzo voor hem te bouwen. Toen Longhena in 1682 overleed was aan de kant van de façade alleen de begane grond pas af. Door geldproblemen moesten de erfgenamen van Filippo Bon het onvoltooide palazzo verkopen. Het werd in 1751 gekocht door de familie Rezzonico. Deze familie was oorspronkelijk afkomstig uit Lombardije, maar was in 1687 in het Venetiaanse patriciaat opgenomen (na betaling van een aanzienlijk bedrag). In 1758 werd Carlo Rezzonico tot paus (Clemens XIII) gekozen. Deze wees vervolgens nog twee van zijn familieleden aan als kardinaal. De familie stierf uit in 1810.

Het palazzo was in 1758 af. De architect die het voltooide was Giorgio Massari, een van de belangrijkste Venetiaanse architecten van de 18e eeuw. Massari was niet echt meer een barokarchitect, maar volgde anderzijds ook de stroming van de verlichting niet. Hij schipperde een beetje tussen deze twee stromingen in en greep ook terug op 16e eeuwse elementen. Het paleis voerde hij, op een kleine wijziging in de façade na, uit zoals Longhena het ontworpen had. De façade van een Venetiaans palazzo, bestond traditioneel uit drie verdiepingen, waarvan de onderste meestal in rustica (grote blokken natuursteen) was uitgevoerd. De 2e en 3e verdieping van palazzo Rezzonico zijn barok, wat onder andere te herkennen is aan de in en uitspringende elementen (de ramen liggen diep naar binnen terwijl de pilasters een stuk verder uit de gevel komen) en de decoraties. De barok blijkt nog tot halverwege de 18e eeuw te zijn toegepast. Als er een andere stijl was geweest die meer indruk op mensen zou hebben gemaakt, hadden de Rezzonicos de gevel vast in die stijl laten vervaardigen. De barok moet dus nog kracht hebben bezeten. Hier moet wel bij gezegd worden dat het palazzo een enorm gebouw is (ook vergeleken met andere palazzi). Dat straalt natuurlijk ook al macht uit. Misschien komt het door het vleugje Venetiaanse stijlinvloed dat het palazzo, ondanks haar afmetingen, niet lomp overkomt (door de uitvoering in spierwitte steen, de halfronde glazen patronen boven de ramen, en de apart gevormde raampjes direct onder de gootrand).

Massari voegde aan het originele ontwerp van het interieur een grote balzaal toe. De familie Rezzonico kreeg veel complimenten voor deze zaal. Het is een zaal van twee verdiepingen hoog, die door de illusionistische schilderingen op de muren nog groter lijkt. Het plafond is beschilderd met een fresco van Giovanni Battista Crossato, die na Tiepolo de meest begaafde schilder (van dat moment) van Venetië geweest moet zijn. Tiepolo heeft overigens in andere vertrekken een aantal schilderingen aangebracht. Deze schilderingen waren verheerlijkingen van de familie Rezzonico. Op andere schilderingen hebben mythische themas. De kapel (onontbeerlijk in het huis van een paus) was versierd met verguld stucwerk tegen een witte achtergrond . Ook andere vertrekken hebben gestucte plafonds (een aantal in rococostijl). Van een aantal kamers in het huis zijn de muren met stof bekleed. Het oorspronkelijke meubilair is niet meer in het palazzo aanwezig. Doordat momenteel het museum van de Venetiaanse 18e eeuw in het gebouw gevestigd is, kunnen we wel een indruk krijgen van wat voor meubilair er geweest moet zijn. Aan de muren hingen schilderijen en spiegels. Fauteuils, kastjes en andere meubels stonden langs de wanden. Boven de schoorstenen en verscheidene deuren zijn schilderstukken aangebracht. In de grotere vertrekken hangen glazen kroonluchters aan het plafond.
Ondanks de barokke façade was het interieur blijkbaar niet enkel in die stijl uitgevoerd. De meeste kamers zijn in de drukke rococostijl, maar er zijn ook zeer sobere kamers die classicistisch aandoen.

Ontwikkeling van de Venetiaanse villa's
In de 15e eeuw had de Venetiaanse stadsstructuur haar karakteristieke vorm gekregen. Nadat de stadsontwikkeling was voltooid (dat wil zeggen: nadat er op de eilandjes die Venetië vormen nauwelijks nog vrije ruimte was om op grotere schaal te bouwen) kreeg de Venetiaanse elite een steeds grotere belangstelling voor de nabijgelegen eilanden Giudecca en Murano. Op deze eilanden konden de kooplieden huizen met tuinen aanleggen, iets wat in de stad (op binnentuinen na) vrijwel uitgesloten was. Tuinen waren op dat moment nog een vrij onbekend verschijnsel. De Venetianen, die er via hun handelscontacten (met name de Arabieren en Fransen) intussen wel mee in aanraking waren gekomen, vonden tuinen bijzonder interessant.

Nadat de Venetiaanse adel op de eilanden in de omgeving haar eerste villas met tuin had gebouwd, werden er pogingen ondernomen om op het net veroverde terraferma villas te stichten. Deze villas werden meestal net buiten de muren van de steden neergezet en zijn door uitbreidingen daarvan bijna allemaal verdwenen. In de loop van de 15e en 16e eeuw gingen Venetianen in grotere getale en verder landinwaarts villas stichten. Omdat de edelen doorkregen wat voor voordelen er uit de landbouw te halen waren, drongen ze aan bij de Serenissima om meer grond geschikt te maken voor landbouw. Dit verzoek werd vervolgens ingewilligd en er werden grote gebieden gekanaliseerd en drooggelegd. Bovendien zorgde Venetië voor orde en veiligheid in de door haar veroverde gebieden. Dit had invloed op de architectuur, want grote verdedigingswerken waren niet nodig. De vormgeving was daarom open en luchtig (dit manifesteerde zich in het aanleggen van bogen, loggias en vensters).

Na de nederlaag tegen de liga van Cambrai wist Venetië het grootste deel van het gebied dat ze had verloren toch weer terug te krijgen. Door de verslechtering van de handel en het voornemen om voortaan de vrede te bewaren, investeerden veel kooplieden hun geld het liefst in grondgebied op het terraferma. Vanaf dat moment startte Venetië een campagne om in het gehele veroverde gebied een gemeenschappelijke architectuurtaal door te voeren, om van het gebied een homogeen geheel te maken. Ook bij de stijl van de villas werd gezocht naar de ideale vorm, waarbij schoonheid en nut perfect samen moesten gaan. Men leek die vorm gevonden te hebben in de ontwerpen van Andrea Palladio

Bij Palladios villas is er volledige harmonie tussen de vestigingsplaats, de behoeften van de opdrachtgever, en de stilistische en esthetische eisen. Palladio ging verder dan de regels die voor de Renaissance golden en was hierdoor een Maniërist. Hij gebruikte originele vormen, vaak gebaseerd op verschillende stijlen uit het verleden. Zijn vormen, stijl en ideeën zouden van grote invloed zijn op de latere villabouw. In de 17e eeuw bleef hij het grote voorbeeld, maar ook de overdreven pracht en praal van de barok en de rococo (in de eeuw daarna) deden hun intrede in de Venetiaanse architectuur. Bij de bouw van nieuwe villas keerden traditionele bouwtypen terug, maar de aankleding werd zeer overdreven met allerlei versieringen. De hoofdzaal, die twee verdiepingen in beslag nam, trok de meeste aandacht. Wanden en plafonds werden versierd met schilderingen. Zowel de beeldhouwkunst als de frescoschilderkunst ondervonden een bloeiperiode. Uit de frescos die in de villas werden aangebracht kwamen de ambities en levenscultuur van de eigenaren naar voren. In de 18e eeuw hadden de frescos geen allegorische onderwerpen meer, maar hadden ze vrolijke en arcadische themas. Rococo stucwerk werd gebruikt om strenge kamers wat op te vrolijken.

Men ging naar het platteland om tot rust te komen en te genieten van het buitenleven. Venetië in de zomer was een minder prettige verblijfplaats, door de stank van de kanalen en de drukte van de stad. Op het platteland kon men zich met heel andere zaken bezig houden dan in de stad (men kon gaan jagen, door de tuinen wandelen, etc.), het moest een ander soort vermaak bieden. Men legde aparte, verrassende tuinen aan waarin men gasten kon ontvangen en vermaken. In de 19e eeuw werd de villa naast een plaats om tot rust te komen, meer een bedrijf (ambachtelijk of agrarisch).

De tuinen werden aangelegd naar de heersende smaak van pracht en praal. Velden en akkers werden omgevormd tot indrukwekkende plantsoenen en door de gehele tuin kon men tegen vijvers, beeldengroepen en labyrinthen aanlopen. Bij de Venetiaanse villacultuur waren de tuinen misschien wel belangrijker dan de villas zelf. Het kwam voor dat het ontwerp van een complex de villa ondergeschikt werd gemaakt aan de benodigdheden van de tuin. In de 18e eeuw moesten de door assen (in de vorm van lanen of trappen) verdeelde tuinen meer aansluiten op de natuur. Men richtte zich op het creëren van onvoorziene effecten en verrassende perspectieven, door bijvoorbeeld doorkijkjes, pilaren, labyrinthen en bronnen. Aan het einde van de 18e eeuw werden steeds vaker de romantische Engelse tuinen aangelegd. Men wilde terug naar de wanorde van de natuur.

De villa Manin
De villa Manin van Passariano ligt in de buurt van Udine, in de streek Friuli. De familie Manin was een oud en rijk geslacht, maar oorspronkelijk niet Venetiaans. In de 14e eeuw hadden ze Venetië zo goed geholpen in een oorlog tegen Aquila, dat de Grote Raad unaniem besloot om Nicolò Manin Venetiaans burgerschap toe te kennen. In de 15e eeuw was een andere Manin verantwoordelijk voor de herovering van Udine op de Hongaren en de verovering van Istrië. Gedurende de 16e eeuw schoten leden van de familie de Serenissima met geld (voor huurlingen) te hulp. In 1651 werd Ludovico I Manin opgenomen in het Venetiaans patriciaat wegens zijn financiële steun tijdens de oorlog om Kreta. Deze Ludovico was een beroemd kunstpatroon. Hij liet in Venetië een kerk bouwen en in Passariano verrees op zijn bevel de villa Manin. Ludovico liet ook vastleggen dat al zijn mannelijke nakomelingen Ludovico genoemd moesten worden. Het beroemdste lid van deze familie was Ludovico Manin, de laatste doge van Venetië en nazaat van Ludovico I.

De bouw van de villa duurde meer dan een eeuw. Net als bij Palazzo Rezzonico ontwierp de Barokarchitect Longhena het gebouw. Waarschijnlijk heeft ook bij de bouw van dit complex de dood van Longhena voor vertraging gezorgd. Een verschil met Palazzo Rezzonico is dat de stijl van deze villa wel werd aangepast. In de 18e eeuw werd de villa opnieuw vormgegeven in de rococostijl. Deze verbouwing werd uitgevoerd door Giovanni Ziborghi. De tuinen en fonteinen werden door hem aangelegd en bovendien ontwierp hij de decoraties zelf (hierdoor werden de porticussen, loggia"s en opslagplaatsen op een elegantere manier gebouwd). Wanneer we het complex van bovenaf zouden bekijken heeft het ongeveer dezelfde vorm als het Sint Pietersplein in Rome. Voor het hoofdgebouw ligt een grote open plaats die aan beide kanten wordt geflankeerd door porticussen. Nadat de hoofdas is doorsneden door een kanaal en een straat, liggen in het verlengde van de porticussen (dus aan weerszijden van de hoofdas) twee gebogen vleugels. Ondanks de rococostijl waarin alles is uitgevoerd kunnen we aan de vorm zien dat het oorspronkelijke ontwerp/ het grondplan gebaseerd is op dezelfde, barokke vormen van de Sint Pieter. Met Longhena als architect hadden we natuurlijk wel een barok ontwerp kunnen verwachten. De uitvoering van de rococostijl is zeer streng en sober. Door slechts een paar decoraties (zoals de poortgebouwen, de gebogen vormen, en de beelden) kunnen we nog zeggen dat we hier te maken hebben met de rococo. Door de soberheid lijkt het echter al verdacht veel in de richting te gaan van het neoclassicisme.

Het interieur is wel duidelijk in rococostijl ontworpen. In het centrale gedeelte van het huis bevindt zich de grote salon. Deze is drie verdiepingen hoog. Op de eerste verdieping bevindt zich een balustrade, waar tijdens feesten de muzikanten speelden. Zowel de muren als het plafond zijn versierd met stucwerk. Tegen een aantal wanden bevinden zich illusionistische schilder en reliëfstukken. Bij een aantal deuren zijn bovendeurstukken (schilderstukken) aangebracht. Op de plafonds van de benedenverdieping zijn frescos aangebracht door Ludovico Dorigny.

De tuinen van de villa Manin waren oorspronkelijk naar Frans model aangelegd. Ze waren niet geometrisch ontworpen, en opgedeeld volgens een evenwichtige symmetrie. Maar hadden een volkomen vrije opmaak van elkaar opvolgende en kruisende paden, boomgaarden, weilanden, beelden en watertjes. In 1863 werden de tuinen totaal veranderd.

Conclusie
De stadspaleizen en buitenhuizen die ik in het voorgaande stuk heb bekeken zijn allemaal ongeveer in dezelfde tijd verbouwd of gebouwd en waren in het bezit van hoogadellijke families. Op de vraag in hoeverre de ontwikkelingen van de Venetiaanse palazzi en villas in de 18e eeuw overeenkomen met de ontwikkelingen van de Haagse stadspaleizen en buitenhuizen, ben ik tot een genuanceerd antwoord gekomen. Het moet in drie delen opgesplitst worden.

In grove lijnen zijn er zeker overeenkomsten aanwezig. Zowel in de Republiek als in Venetië was er een elite die vanaf de 15e/16e eeuw meer en meer buitenplaatsen ging aanleggen en gebruiken. Rondom de steden groeide de hoeveelheid buitenplaatsen enorm. De elites maakten op dezelfde manier gebruik van hun landgoederen. Het waren zomerresidenties, waar men naartoe ging om de stad te ontvluchten en te genieten van het buitenleven. Men kon zich daar met andere dingen vermaken dan in de stad dagen, wandelen) en tot rust komen. De buitenhuizen hadden ook een sociale functie: er werden kennissen of andere gasten ontvangen. Daarnaast werden de buitenhuizen en daarbij horende tuinen (in Venetië wat radicaler dan in Den Haag) gebruikt om de status van de eigenaar weer te geven. De buitenhuizen werden gebouwd of aangepast aan de heersende mode. Hetzelfde was in nog grotere mate het geval met de stadspaleizen. Deze werden luxer ingericht dan de buitenhuizen, waarschijnlijk omdat de concurrentie hier dichterbij was.

Een gebied waar de ontwikkelingen juist helemaal niet parallel liepen in de 18e eeuw, was de stijl waarin men hun huizen bouwden. Vanuit het Maniërisme ontwikkelden de modes op een verschillende manier. In Venetië kwam na Palladio de drukke Barok opzetten. Terwijl in Den Haag in de 17e eeuw het Hollands Classicisme volgde. Na dit Hollands Classicisme nam de Haagse elite de Lodewijk XIV stijl over en maakte daar ook een variant op (de Marotstijl of Hollandse Lodewijk XIV stijl). Terwijl in Venetië een drukke stijl gehanteerd werd, hadden men in Den Haag juist een strengere stijl gevolgd. En dit gebeurde precies in de periode die ik onder de loep heb genomen. Pas rond 1750 kwam bij beide steden weer dezelfde stijl in de mode: de rococo (die in beide steden, kijkend naar villa Manin en het Lange Voorhout, tamelijk streng was). Ook de tuinen gingen weer meer dezelfde stijl volgen (met het motto: terug naar de natuur). Een overeenkomst die toch nog vermeld moet worden is dat beide steden varianten op de hoofdstijlen ontwikkelen (bijvoorbeeld de typische Venetiaanse Gotiek en Hollandse Renaissance).

Dan, op een nog ander niveau, zien we dat er ondanks de stijlverschillen in de behandelde periode, toch overeenkomsten zijn in hoe men zijn huizen indeelde, inrichtte of bouwde. In beide steden hadden de huizen grote ontvangstruimtes. De muren konden zowel in Venetië als in Den Haag bekleed zijn met stof. Er werden spiegels en schilderijen aan de muren gehangen (eventueel met afbeeldingen van de familie). Boven de schoorstenen en deuren zaten soms schilderstukken (de bovendeurstukken). Verscheidene plafonds werden gedecoreerd met stucwerk. Verder was vanaf de 2e helft van de 18e eeuw bij de elites hetzelfde meubilair (van de Fransen overgenomen fauteuils, etc.) in de vertrekken te vinden. Dit kan te maken hebben gehad met een zowel in Venetië als in Den Haag aanwezige trend om meer comfort te creëren.
Bericht geplaatst in: artikel