NEDERLANDS HUMANITAIRE INTERVENTIONISME

Geplaatst op 1 januari 2005 door Jerrol Renfurm
De val van de Berlijnse muur luidde het einde in van de Koude Oorlog. In de jaren daarna heerste er in het Westen een sfeer van internationaal politiek optimisme. De jaren negentig werden ook wel het humanitaire decennium genoemd, doordat er tal van humanitaire interventies in de wereld werden ondernomen. Dit kwam tot stand door het wegvallen van de invloed van Sovjet-Unie en omdat Rusland zich achter het westen schaarde. De toename van de westerse humanitaire aspiraties trof ook de Nederlandse regering. Nederland was in die jaren een land dat zich vaak als eerste opwierp voor interventies en relatief veel troepen leverde aan veiligheidsmissies van de Verenigde Naties.
Inleiding
De val van de Berlijnse muur luidde het einde in van de Koude Oorlog. In de jaren daarna heerste er in het Westen een sfeer van internationaal politiek optimisme. De jaren negentig werden ook wel het humanitaire decennium genoemd, doordat er tal van humanitaire interventies in de wereld werden ondernomen. Dit kwam tot stand door het wegvallen van de invloed van Sovjet-Unie en omdat Rusland zich achter het westen schaarde. De toename van de westerse humanitaire aspiraties trof ook de Nederlandse regering. Nederland was in die jaren een land dat zich vaak als eerste opwierp voor interventies en relatief veel troepen leverde aan veiligheidsmissies van de Verenigde Naties.

In dit essay vragen we ons af waarom Nederland in de jaren negentig met zoveel gretigheid meedeed aan vredesoperaties. Verder word bekeken of er sprake is van een humanitaire traditie in Nederland. De gretigheid mee te doen aan vredesoperaties alsmede de humanitaire traditie in Nederland zullen in dit essay getoetst worden aan de hand van drie stromingen van Baylis en Smith. In hun Globalization of World Politics, presenteren zij drie stromingen voor het onderzoek naar internationale betrekkingen. Deze zijn respectievelijk het machtsrealisme, de theorie van het wereldsysteem en het liberaal internationalisme. Vervolgens wordt aan de hand van de drie stromingen gezocht naar een verklaring voor het in de jaren negentig gevoerde beleid.

Humanitaire traditie en gretigheid
Zoals hierboven al vermeld werd de Nederlandse regering in de jaren negentig gegrepen door optimisme en humanitair idealisme. Dit was niet echt een breuk in de Nederlandse buitenlandse politiek. Nederland had in het verleden meerdere malen meegedaan aan VN vredesoperaties, zoals de UNIFIL-operatie in Zuid-Libanon. Na het verlies van Nieuw-Guinea in 1963 was Nederland bereid troepen te leveren aan VN-operaties. Nederland behoorde toen tot een van de landen die de meeste blauwhelmen ter beschikking van de VN hield. Het concept van de mensenrechten was in de jaren zeventig en tachtig een steeds belangrijker rol gaan spelen in de buitenlandse politiek. De bereidheid troepen te leveren voor veiligheidsoperaties en daar ook actief aan deel te nemen in het verleden wijst op de aanwezigheid van een humanitaire traditie in Nederland. Dat deze traditie nog geen halve eeuw bestaat, neemt niet de bereidheid en inzet weg van de Nederlandse buitenlandse politiek zich in te zetten voor vrede en bevordering voor de mensenrechten. Het bestaan van de humanitaire traditie wijst op de bereidheid en welwillendheid van Nederland steun te geven aan vredesoperaties.

Dat Nederland met zoveel gretigheid meedeed aan veiligheidsoperaties in de jaren negentig, is toe te schrijven aan het vergroten van de Nederlandse invloed en prestige. Dergelijke toezeggingen waren voornamelijk afkomstig van Buitenlandse Zaken, dat hiervoor de pleitbezorger was. De bijdragen van Nederland aan de VN verhoogden de Nederlandse status zowel binnen de VN als de NAVO, aldus Buitenlandse Zaken. Dit concept speelde zeker mee in de jaren negentig. Nederland was een van de eerste landen die troepen leverde aan VN vredesoperaties in Cambodja in 1991 en deze met succes afrondde. Mede door het wegvallen van de Sovjetdreiging kon Nederland haar troepen inzetten voor nieuwe humanitaire taken. Het Nederlandse humanitaire ingrijpen werd in hetzelfde jaar op de proef gesteld door het uitbreken van oorlog tussen Servië en Kroatië in het voormalige Joegoslavië. Het was buitenlandse zaken die hier gretig op in ging en wilde interveniëren. Deze humanitaire interventie zou een debacle worden voor de Nederlandse blauwhelmen, daar zij niet in staat bleken de safe area srebrenica te verdedigen tegen de aanval van Serviërs die in de meerderheid waren. Desalniettemin bleef Nederland grote bijdragen leveren aan vredesmissies als IFOR en SFOR. Nederland bleef bereid te investeren in de paraatheid van de Nederlandse strijdkrachten teneinde ze in te kunnen zetten voor vredesoperaties.

De drie stromingen in de internationale politiek
Dat Nederland met veel gretigheid meedeed aan vredesoperaties zal aan de hand van de drie stromingen van Baylis en Smith nader onderzocht worden. De eerste stroming, het machtsrealisme, gaat uit van de kracht van de eigen staat. Deze kracht rust met name op een sterk leger en de paraatheid ervan. Machtsrealisten denken niet in een internationaal rechtssysteem, maar in een soort internationale anarchie waarbinnen een staat volledig op zichzelf is aangewezen. Deze visie voorziet geen verbetering voor de toekomst en richt zich volledig op het heden en op het eventueel verbeteren van de positie van de eigen staat. De gretigheid van Nederland mee te doen aan vredesoperaties in de jaren negentig zou heel goed verklaard kunnen worden vanuit dit standpunt. Door steeds als eerste land troepen te leveren, ten behoeve van de vrede, ging men ervan uit dat de positie van Nederland in de wereld zou toenemen. De status van Nederland in Europa zou worden verhoogd. Ook binnen de VN zou de positie van Nederland toenemen, omdat men ervan uit ging, dat door de vredesoperaties de invloed en prestige van Nederland gunstig beïnvloed zou worden. Men zou kunnen stellen dat Nederland de vredesoperaties uit eigen belang ondernam om meer invloed in de wereld te krijgen, aldus vanuit de machtsrealistische visie op de internationale politiek.

De theorie van het wereldsysteem gaat uit van het feit dat de wereld is onderverdeeld in kernlanden ( rijke landen), een ( arme) periferie en eventueel een semi-periferie. De kernlanden buiten de periferie uit in dit systeem en een kernstaat domineert de andere landen die tot de kern behoren. Nederland behoort in deze theorie tot de kernlanden. Ook voor dit perspectief geldt dat bepaalde elementen uit de buitenlandse humanitaire interventie politiek van Nederland in de jaren negentig, goed thuisgebracht kunnen worden. Men zou volgens deze visie kunnen stellen, dat Nederland zich toen bevond in de strijd om zijn positie als kernland. Om deze positie te behouden profileerde Nederland zich als humanitaire interventie macht. Met het grootste aantal blauwhelmen binnen de VN, probeerde Nederland zijn status als kernland te behouden.

Het verleidelijkst blijft het om de Nederlandse gretigheid voor vredesoperaties in de jaren negentig te verklaren vanuit de stroming die liberaal internationalisme heet. Deze streeft naar internationale vrijhandel, naar conflictbemiddeling, naar moralisme en naar een machtsbalans door middel van overleg tussen staten. De liberale democratie wordt gezien als ideale staatsvorm en mensenrechten en internationaal recht staan hoog in het vaandel van aanhangers van deze stroming.

De buitenlandse politiek van de jaren negentig lijkt een weg in geslagen te zijn die uitgaat van deze laatste visie. Nederland wilde graag een krachtige rol spelen op internationaal niveau en binnen het kader van de VN. De bescherming van de mensenrechten werd nagestreefd door het zenden van Nederlandse blauwhelmen naar gebieden waar deze ook diende te worden beschermd. Daar valt voor te zeggen dat Nederland ook naar een rol als conflictbemiddelaar zocht. Nederland handelde volgens het internationale recht met mandaten van de VN en respecteerde het internationale recht. Het moralisme werd in de buitenlandse politiek nagestreefd en men hield zich aan de internationale machtsbalans.

Conclusie
Nederland heeft in de jaren negentig een beleid ontworpen dat zou uitmonden in een beleid dat wel goed past binnen het liberaal internationalisme. Nog steeds vervult Nederland graag een actieve rol binnen organisaties als de EU, de VN en de NAVO. Daarnaast voert Nederland een actief mensenrechten beleid dat al lang niet meer gebonden is en ook veel minder in het teken staat van de strijd om ideologische invloedssferen. De rol als conflictbemiddelaar laat Nederland zich tevens graag aanmeten. Dat Nederland gretig aan vredesoperaties meedeed is te verklaren uit moralisme, bescherming van de mensenrechten en de paraatheid troepen te sturen naar brandhaarden tot doel te bemiddelen en het overleg tussen staten aan te moedigen. Al deze punten wijzen op de aanwezigheid van een humanitaire traditie in Nederland.  
 
Gebruikte Literatuur
D. Hellema, Neutraliteit en vrijhandel. De geschiedenis van de Nederlandse buitenlandse betrekkingen.( Utrecht 2001)

J. Baylis en S. Smith, The Globalization of World Politics. An Introduction to International
Relations. (Oxford 1999)
Bericht geplaatst in: artikel