JUST WAR DOCTRINE

Geplaatst op 1 januari 2005
Deze doctrine wordt in de militaire ethiek steeds belangrijker en de vraag of een oorlog gerechtvaardigd is, is nog altijd actueel.
Inleiding
“Kan een humanitaire interventie waarin het militaire instrument wordt ingezet in de praktijk voldoen aan de eisen die volgens de just war doctrine gesteld worden aan een rechtvaardige oorlog?"

Met behulp van deze probleemstelling wordt in dit werk gekeken naar de achtergronden en de toepassing van het begrip Just War. Deze doctrine wordt in de militaire ethiek steeds belangrijker en de vraag of een oorlog gerechtvaardigd is, is nog altijd actueel. Allereerst wordt gekeken in hoeverre de definitie van een rechtvaardige oorlog veranderd is in de loop van de geschiedenis. Het gaat hier nadrukkelijk om een overzicht in vogelvlucht, een overzicht dat verre van compleet is of probeert te zijn. Hierna wordt de huidige definitie van een rechtvaardige oorlog gegeven. De humanitaire interventie in Somalië wordt vervolgens getoetst aan de principes van de just war doctrine. Tenslotte wordt de overkoepelende vraag beantwoord in de conclusie.

Achtergronden en oorsprong van de term

De term rechtvaardige oorlog komt oorspronkelijk van Aristoteles. Hij doelde met deze term op oorlogen van Hellenen tegen niet-Hellenen (barbaren). Een oorlog was rechtvaardig wanneer deze werd uitgeroepen ter zelfverdediging, om land te verwerven of om barbaren tot slaaf te maken. Cicero definieerde oorlogen als rechtvaardig wanneer zij dienden tot het terugkrijgen van verloren zaken (rebus repetilis), eigenlijk een streven naar status quo ante bellum (voor de oorlog) dus, waarbij bellum verwijst naar een eerder conflict.

In het Romeinse Rijk waren de Christenen en de Joden aanvankelijk vrijgesteld van militaire dienst; dit sloot aan bij de sterk pacifistische aard van het vroege Christendom. Constantijn, de keizer die het Christendom tot voorkeursgodsdienst maakte, zwakte dit pacifisme af. ook gelovigen moesten in dienst en het kruis werd symbool van zijn legers. Kerkvader Augustinus legitimeerde defensieve oorlogen en definieerde als eerste ook voorwaarden voor een rechtvaardige offensieve oorlog: deze oorlogen moeten gevochten worden voor een rechtvaardige zaak, met een rechtvaardige intentie en moeten door een autoriteit worden gevoerd en uitgevaardigd. De tegenstander moest aanwijsbaar een reden gegeven hebben tot het verklaren van de oorlog: "Apart from the direct command of God, an injustice or wrong caused by the enemy is the only sufficient justification of war." Augustinus zag oorlog als een manier om de (natuurlijke) orde te herstellen en uiteindelijk vrede te krijgen. Isodorus van Sevilla vatte de voorwaarden van Augustinus samen in zijn definitie van een rechtvaardige oorlog: "iustum bellum est quod ex preadictis geritur de rebus repetitis aut propulsandorum hostium causa". In de elfde eeuw werd aan de doctrine van de rechtvaardige oorlog toegevoegd dat oorlog, naast ter verdediging, eveneens gerechtvaardig was ter verdediging van de Christelijke kerk. Er bestaat echter een duidelijk verschil tussen een heilige oorlog en een rechtvaardige oorlog: een heilige oorlog heeft een religieus doel en wordt gelegitimeerd door een religieuze autoriteit, een rechtvaardige oorlog heeft in principe een wereldlijk doel (bijvoorbeeld verdediging van territorium).

Thomas van Aquino benadrukte de voorwaarde van Augustinus dat een oorlog moest worden uitgeroepen door een autoriteit en voegde hier aan toe dat de oorlog er op gericht moet zijn het algemene belang van de bevolking te dienen. Hij verzette zich sterk tegen deelname van geestelijken aan de strijd, en beriep zich op de Bijbel: "Een soldaat in actieve dienst laat zich niet in met zaken van het burgerleven." Geestelijken mochten gelovigen zelfs niet aanmoedigen tot het voeren van oorlog. Thomas van Aquino maakte voor het eerst een onderscheid tussen ius naturale en ius gentium, natuurwetten en wetten die door mensen zijn gemaakt. lus gentium werd ook wel gelijkgesteld aan ius inter gentes, wetten tussen volkeren. In de periode tussen Thomas van Aquino en Hugo de Groot (Grotius) werd een belangrijk element toegevoegd aan de gerechtvaardigde redenen tot oorlogvoering: "recuperatio", het terugveroveren op de vijand van op onrechtvaardige manier verkregen goederen. Grotius wees er op, dat niet voor elk vergrijp naar de wapens gegrepen moest worden: misstappen moesten waar mogelijk vergeven worden uit naastenliefde: “Even if the justice of a war is assured, it is more right and pious, especially for Christians, to surrender one"s rights" Het was gebruikelijk dat de winnaar van een veldslag of een oorlog zelf mocht beslissen wat er met de overwonnenen gebeurde. Grotius pleitte voor de redelijke behandeling van de overwonnen vijand. Hij sprak zich uit tegen huurlegers, omdat deze per definitie geen rechtvaardige oorlog konden voeren; zij kozen slechts de kant van het geld.

Vanaf de negentiende eeuw hebben (natie-) staten steeds intensiever gezocht naar een arbitragemogelijkheid, een overkoepelend orgaan dat door diplomatie oorlogen kon vermijden. Na de Eerste Wereldoorlog werd de Volkerenbond opgericht om dit soort conflicten uit te bannen. De Volkerenbond bleek echter doodgeboren en kon de Tweede Wereldoorlog niet voorkomen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de methode van oorlogsvoering sterk van belang: door de opkomst van massavernietigingswapens leek het concept van de rechtvaardige oorlog niet langer te handhaven. Door het opnemen van de voorwaarde van proportionaliteit bleef het begrip rechtvaardige oorlog echter overeind.

De huidige definitie van een rechtvaardige oorlog valt uiteen in twee delen, ius ad bellum (omstandigheden waaronder een staat mag besluiten tot oorlog over te gaan) en ius in bello (de manier waarop de oorlog gevoerd moet worden). Onder ius ad bellum worden de volgende criteria onderscheiden: een oorlog mag alleen door een legitieme autoriteit worden uitgeroepen (een staat), alle andere manieren van conflictbeslechting moeten zijn aangewend en moeten hebben gefaald, de zaak waarvoor gevochten wordt en de intentie moeten rechtvaardig zijn, de reactie moet in politieke zin proportioneel zijn en er moet tenslotte een grote waarschijnlijkheid van succes aanwezig zijn. De ius in bello voegen hier aan toe, dat aan non-combattanten immuniteit verleend moet worden, dat een aantal gebouwen (waaronder ziekenhuizen en kerken) geen doel mogen zijn, dat er in militaire zin proportioneel gebruik van geweld wordt gemaakt en dat bepaalde wapens (waaronder chemische wapens) niet ingezet mogen worden. "Tenslotte is het van belang te constateren, dat het mogelijk is, dat alle partijen in een conflict een onrechtvaardige oorlog voeren: "It is possible that both sides may be unjust ( ) if your enemy is evil, it does not follow that you are good."
 
De humanitaire interventie in Somalië
De Verenigde Naties besloten in 1992 tot een vredeshandhavingsoperatie in Somalië, United Nations Operation in Somalia (UNOSOM l), om toezicht te houden op het vredesverdrag dat door twee van de strijdende warlords, Aidid en Mahdi, getekend was. De schrijnende hongersnood in het land, veroorzaakt door de burgeroorlog en de droogte, kon niet verholpen worden doordat de interveniënten de gewapende bendes die distributie van de hulpgoederen tegenhielden, niet konden verdrijven. In december 1992 stuurden de Verenigde Staten, onder druk gezet door de media, dertigduizend soldaten naar Somalië, om onder de naam Operation Restore Hope de gewapende bendes aan te pakken en de hulpverlening op gang te brengen. De operatie werd gezien als vrijwel risicovrij en de militaire staf was er van overtuigd dat het een korte interventie zou worden. De Verenigde Naties gaven de Verenigde Staten toestemming om de operatie uit te voeren onder hoofdstuk VII van het Handvest. Er werd wel op gewezen dat het ging om een unieke situatie, omdat China en India wilden voorkomen dat met deze interventie een precedent werd geschapen. De ontwapening van de strijdende partijen mislukte, maar de gevolgen hiervan werden pas zichtbaar in mei 1993, als UNOSOM II de operatie overneemt van de Amerikanen. De Amerikaanse en Pakistaanse contingenten binnen UNOSOM II werden aangevallen door de troepen van Aidid, waarna een klopjacht op Aidid begon. Deze mislukte en nadat er televisiebeelden werden uitgezonden van Amerikaanse soldaten die door de straten van Mogadishu werden gesleept werd in maart 1995 besloten tot terugtrekking van UNOSOM II. De Somalische bevolking werd aan haar lot overgelaten.

Voldeed de humanitaire interventie in Somalië aan de eisen die gesteld worden aan een rechtvaardige oorlog? Om deze vraag te beantwoorden, moeten de verschillende elementen van een rechtvaardige oorlog worden getoetst. Deze elementen vallen uiteen in de bovengenoemde ius ad bellum en ius ad bello. Allereerst wordt gesteld, dat een rechtvaardige oorlog alleen mag worden uitgevaardigd door een legitieme autoriteit. Met een legitieme autoriteit wordt over het algemeen een staat bedoeld. Aangezien UNOSOM I en II door de Veiligheidsraad opgezette operaties waren en ook UNITAF door de Veiligheidsraad goedgekeurd werd en de Veiligheidsraad en de Verenigde Naties afspiegelingen zijn van soevereine staten, is aan de eerste eis voor een rechtvaardige oorlog voldaan. Er was bovendien sprake van een rechtvaardige zaak: het oplossen van hongersnood en het bestrijden van burgeroorlog. Over de intentie kan discussie ontstaan: naast de humanitaire factor, speelde bij de Verenigde Staten ook mee, dat men de aandacht af wilde leiden van het slechte verloop van de operatie in Bosnië en daarnaast wilde Bush zijn New World Order meer inhoud geven. Politiek gezien stonden de operaties in proportie tot het onrecht, en voor de operatie werd succes waarschijnlijk geacht. Het is de vraag of gesteld kan worden dat interventie (op de manier waarop dit gebeurde) het laatste redmiddel was, Sahnoun, de speciale vertegenwoordiger van de VN, was bezig de krijgsheren voor zich te winnen, paar zijn pogingen strandden doordat hij werd ingehaald door de Verenigde Staten.

De grootste problemen ontstaan echter wanneer gekeken wordt naar de ius in bello. Hoewel de acties van UNITAF werden uitgevoerd door een legitieme autoriteit en er in principe immuniteit verleend werd aan non-combattanten was er sprake van disproportionaliteit in militaire zin: bij de luchtaanvallen op doelen van Aidid was sprake van een hoge mate van collateral damage: er werden burgers gedood bij de aanvallen. De klopjacht op Aidid droeg bovendien niet bij aan het humanitaire karakter van de missie. Bij nadere bestudering blijkt de humanitaire interventie in Somalië de diepere, achterliggende oorzaken van de problemen niet te hebben aangepakt: "the USA was not prepared to pay the price of nation building." Dit wil echter niet zeggen, dat de interventie een complete mislukking is geweest. Op de korte termijn werden er wel degelijk mensenlevens gered; het hadden er echter veel meer kunnen zijn, want het grootste deel van de noodlijdende bevolking had geen honger, maar was ziek. De grote konden niet worden opgelost. Op de langere termijn is de interventie toch duidelijk een mislukking te noemen: de strijdende partijen zijn niet ontwapend en er is geen alternatief systeem opgezet dat de krijgsheren kan vervangen. Hoewel de hoeveelheid slachtoffers aan de kant van de intervenienten relatief klein was, werd toch besloten de troepen terug te trekken

Conclusie

De Just War doctrine geeft een richtlijn met criteria waaraan een partij in een conflict zich moet houden om rechtvaardigheid te kunnen claimen. In de praktijk blijkt het vrijwel niet mogelijk om aan al deze criteria te voldoen; het grootste probleem doet zich mijns inziens voor bij de ius in bello. Omdat oorlog, ondanks de snelle technologische vooruitgang, nog steeds door mensen wordt gevoerd is het bijna onmogelijk aan al deze criteria te voldoen. Door verschillende onvoorspelbare factoren tijdens een oorlog en een gevecht, frictie, kan bijvoorbeeld proportionaliteit uit het oog verloren worden. Toch is het niet zo, dat het concept "just war hiermee onbruikbaar is geworden, door voortdurende aanscherping van de criteria door lessons learned uit conflicten, worden (leiders van) staten gedwongen een actie van tevoren te overdenken en de verschillende mogelijkheden af te wegen. Hoe moeilijker het is voor een partij, een just war te claimen, hoe meer deze geneigd is, andere alternatieven te overwegen, zoals de inzet van niet-militaire pressiemiddelen. Wellicht kunnen de humanitaire interventies uit het laatste decennium bijdragen aan het verscherpen van de just war criteria
 
Literatuurlijst
Fischer, David, The ethics of intervention., in: Survival (vol.36 nr. 1 lente 1994) 51 59

Lackey, Douglas P., The ethics of war and peace. (Englewood Cliffs, New Jersey 1989)

Russell, Frederick H., The just war in the Middle Ages. (Cambridge 1975)

Tooke, Joan D., The just war in Auinas and Grotius. (Londen 1965)

Wheeler, Nicholas J., Saving strangers: humanitarian intervention in international society. (Oxford 2000) 172 207

Bericht geplaatst in: artikel