HANDEL VAN AMSTERDAM: OOK EEN VROUWENZAAK

Geplaatst op 1 januari 2005 door Julie Mosmuller
It is very observable here, more women are found in the shops and bussiness in general than men; they have the conduct of the purse and commerce, and manage it rarely well...
Inleiding
Reizigers die de Republiek aandeden, verbaasden zich vaak over de bedrijvigheid van de Nederlandse vrouw. Sir William Mountague schreef in 1695 in zijn reisjournaal: “"T is very observable here, more women are found in the shops and bussiness in general than men; they have the conduct of the purse and commerce, and manage it rarely well, they are careful and diligent, capable of affairs (besides domestick), having an education suitable, and a genius wholly adapted to it." Als we de verbaasde reizigers moeten geloven waren de Nederlandse vrouwen het mooiste, brutaalste, dominantste van heel Europa en boenden en schuurden zij bovendien de vloeren elke dag met zand.

Reisverhalen zeggen echter meer over de reiziger dan over het land dat hij bezoekt. Zijn blik wordt gekleurd door de vooroordelen en conventies die het beeld bepalen van het land dat hij bezoekt. De dingen die hij aan zijn journaal toevertrouwt, zijn de dingen die hém opvallen, interesseren of vreemd voorkomen. Bovendien zal de verleiding te overdrijven vaak moeilijk te weerstaan zijn geweest. Als Sir William Mountague vertelt dat de Nederlandse vrouwen meer in zaken zaten dan de mannen is dat dus niet zonder meer aan te nemen.

Toch zal er een kern van waarheid inzitten. De Republiek was een handelende en zeevarende natie. In vergelijking met andere landen werd er veel gehandeld en waren veel mannen op zee. In de afwezigheid van hun echtgenoten namen veel vrouwen de zaken waar en logischerwijs zou de omvang van de handel er voor moeten zorgen dat meer vrouwen bij de handel betrokken waren dan elders. Hoewel vrouwen ook in andere landen handel dreven, is het dus voor te stellen dat reizigers in de Republiek hun ogen uitkeken naar al die vrouwelijke bedrijvigheid.

Het is echter moeilijk na te gaan hoeveel vrouwen er in de Republiek handelden en of dat daadwerkelijk een groter aantal is dan in bijvoorbeeld Engeland of Duitsland. Kwantitatieve gegevens ontbreken veelal omdat het vroegmoderne bronmateriaal te schaars is. Voor de Engelse en Duitse situatie zijn er een aantal artikelen geschreven, maar voor Nederland blijft het onderzoek naar vrouwen en handel in de vroegmoderne tijd beperkt tot een enkele scriptie.

Het mag dan moeilijk zijn onderzoek te doen naar vroegmoderne vrouwen in handel, onmogelijk is het niet. Belastingkohieren kunnen bijvoorbeeld de nodige informatie opleveren. In 1742 werden in Holland de kohieren voor de Personele Quotisatie opgesteld. Belastingbetalers werden met hun beroep en inkomen opgetekend, maar ook het aantal dienstboden en rijtuigen en paarden dat ze bezaten bleef niet onvermeld.

Op basis van het Personele Quotisatie-kohier van de stad Amsterdam zal in dit artikel getracht worden een sociaal-economisch beeld te schetsen van de Amsterdamse koopvrouw in de achttiende eeuw. Centraal zal de vraag staan of de koopvrouw zelf handelde of dat een boekhouder of een (nog minderjarige) zoon in haar naam de zaken leidde. Daarnaast zal gekeken worden naar de sociale achtergrond van de koopvrouwen van Amsterdam en naar de handel zelf. De sociale kwestie zal behandeld worden aan de hand van deelvragen als tot welke geloofsgemeenschap behoorde de koopvrouw, was ze ongetrouwd, getrouwd of weduwe en trouwde ze een koopman. De economische kwestie zal behandeld worden aan de hand van deelvragen als in welke goederen handelde de koopvrouw, met welke streken handelde ze en was ze succesvol.

De onderzoeksvraag en de deelvragen hebben betrekking op vrouwen die op grotere schaal in de groothandel actief waren. Om te garanderen dat de onderzoeksgroep juist deze vrouwen bevat en geen vrouwen die een winkeltje hadden en daarnaast in het klein handelden, is een onderste inkomensgrens van 4000 gulden per jaar gesteld. De Personele Quotisatie kent ook de beroepscategorie "winkelierster" en hun inkomens zijn in Amsterdam zelden hoger dan 1500 gulden per jaar.

In hoofdstuk een zal een overzicht gegeven worden van de internationale en nationale historiografie over vroegmoderne vrouwenarbeid in het algemeen en vroegmoderne vrouwen in handel in het bijzonder. Hoofdstuk twee zal de onderzoeksmethode behandelen en hoofdstuk drie de onderzoeksresultaten. Hoofdstuk vier vormt de conclusie.

{mospagebreak}
Hoofdstuk 1:
De werkende vrouw in de literatuur- een overzicht


2.1 Vrouwenarbeid in internationaal perspectief
Alice Clark zette met de publicatie van haar boek "Working life of women in the 17th century" (1919) tijdens de eerste feministische golf het onderzoek naar vrouwengeschiedenis op de kaart. Ze beschrijft de economische positie van de vrouw in de zeventiende eeuw aan de hand van de verschillende economische sectoren, maar geeft tegelijkertijd een sterk ideologisch geladen oordeel over hoe economische veranderingen de positie van de vrouw aantastten. Clark koos voor de zeventiende eeuw, omdat volgens haar in deze eeuw in Engeland de "capitalistic industry" de plaats innam van de "family industry" en deze ontwikkeling als gevolg had dat de vrouw haar respectabele positie in het economische leven verloor (Later werd de periodisering van de ontwikkeling van de westerse moderne economie herzien. Kapitalisme bestaat volgens tegenwoordige opvattingen al sinds de late Middeleeuwen, terwijl de industrialisatie pas eind achttiende, begin negentiende eeuw opkwam). In de matriarchaal ideologische visie van Clark werd het pre-industriële paradijs zo gevolgd door de postindustriële zondeval.

In de "family industry" en ook in de daaraan voorafgaande "domestic industry" was het gezin de locus van productie bij uitstek. Man, vrouw en zo nodig kinderen werkten samen om hun gezin in stand te houden. Het werk van de vrouw was zichtbaar even essentieel als dat van haar echtgenoot en zo werd het ook gewaardeerd. De opkomst van de "capitalistic industry" echter zorgde ervoor dat het gezin haar productieve functie verloor en slechts een consumptieve eenheid werd. Voorheen (semi-) zelfstandige ambachtslieden en kleine boeren werden loonarbeiders in de fabrieken van de kapitalisten. Het onbetaalde werk van de vrouw werd niet meer als productief gezien en daalde snel in aanzien. Omdat de meeste gezinnen geen toegang meer hadden tot een stukje land en de lonen van de mannen te laag waren om een gezin te onderhouden, moesten ook de vrouwen en kinderen in loondienst van het kapitalisme.

Dit betekende volgens Clark niet alleen een verslechtering van de positie van de vrouw, maar ook een verslechtering van de raciale gezondheid. Sterk beïnvloed door het matriarchale denken van Olive Schreiner, was Clark van mening dat een ras slechts gezond en vitaal kon blijven bij gratie van de biologische en morele superioriteit van haar moeders. Moeders konden echter slechts moreel superieur blijven als ze economisch productief waren en binnen het gezin hun morele helende krachten konden laten werken. Het kapitalisme beroofde de huisvrouwen van hun productiviteit en de fabrieksvrouwen van een sterke thuisbasis om hun moraliteit op hun gezinsleden over te brengen.

De discussie rond dit vraagstuk heeft de historiografie over vrouwenarbeid in de vroegmoderne tijd nooit echt losgelaten. Pas in de jaren zeventig, tijdens de tweede feministische golf, waren er vernieuwende geluiden te horen. Olwen Hufton bijvoorbeeld introduceerde de betekenis van de levenscyclus als belangrijke factor in het economisch functioneren van vrouwen. De economische functie van de vrouw hing volgens Hufton ten nauwste samen met haar levensfase. Joan Scott en Louise Tilly zagen de gezinseconomie als bepalend voor het werk dat vrouwen verrichtten. Ze herdoopten de drie stadia in de westerse economische ontwikkeling in "family economy", "family wage economy" en "family consumer economy".

Ondanks deze nieuwe impulsen speuren belangrijke vrouwenhistorici als Merry Wiesner en Martha Howell nog steeds naar het verlies van economische mogelijkheden voor vrouwen. Een verschil met Clark is dat zij een veel breder scala aan oorzaken aanhalen om de teloorgang van het paradijs te verklaren. De matriarchale "racial health-ideologie" is echter slechts vervangen door een verontwaardigd feminisme dat driftig speurt naar een masculiene samenzwering.

Toch is er ook kritiek op de idee dat het voor vrouwen beter vertoeven was in de vroegmoderne tijd dan in latere tijden. Maxine Berg stelt dat deze stelling pas houdbaar is wanneer er betrouwbare informatie voorhanden is over de economische positie en de status van de vrouw in de pre-industriële samenleving. Judith Bennett laat op basis van uitgebreid bronnenonderzoek zien dat het leven van de vrouw in de Middeleeuwen verre van idyllisch was. Ze benadrukt de patriarchale beperkingen die vrouwen in allerlei aspecten van het maatschappelijk leven opgelegd waren. Ook Erickson heeft kritiek op Clark. Ze prijst de onvergankelijke waarde van "Working life" als overzicht van de zeventiende eeuwse werkende vrouw in Engeland, maar heeft de nodige kritiek op haar verkondiging van de heilstaat voor vrouwen in de tijd voordat het corrumperende kapitalisme zijn intrede deed. Clark is volgens haar veel te enthousiast in het veronderstellen van een gelijkwaardige man-vrouw relatie in pre-industriële tijden. Bovendien vraagt ze zich af of industrialisatie vrouwen niet ook nieuwe mogelijkheden bood om het huis uit te komen.

2.2 Vrouwenarbeid in Nederlands perspectief
In Nederland is de aandacht voor vrouwengeschiedenis pas laat op gang gekomen. De eerste feministische golf leverde in Nederland geen standaardwerk avant la lettre op. Henriette Moquette en Suzanna von Wolzogen Kuhr schreven impressionistische werken over "de vrouw" in de Republiek, maar zijn niet te vergelijken met een standaardwerk als "Working women in the 17th century" van Alice Clark.

Pas tijdens de tweede feministische golf van de jaren zeventig kwam er aan de universiteiten historische belangstelling voor de vrouw. Maar de aandacht ging vooral uit naar de negentiende en de twintigste eeuw en voor de vroegmoderne tijd slechts naar "kopstukken" als Belle van Zuylen of Anna Maria Schuurman. Tot op heden zijn slechts enkele artikelen en scripties verschenen die zich met vroegmoderne vrouwenarbeid in het algemeen bezighouden. In deze verkennende stukken proberen de auteurs een beeld te schetsen van de vrouwelijke arbeidsmarkt. Vanaf de jaren negentig verschijnen er volledige werken over de wat beter gedocumenteerde beroepen als vroedvrouw, uitdraagster en prostituee en wijdt Els Kloek in haar dissertatie een hoofdstuk aan vrouwen in de Leidse textielnijverheid. In "Overleven na de dood" schrijft Ariadne Schmidt over weduwen en onder andere hun economische positie in de vroegmoderne tijd. Ook is er onderzoek naar visvrouwen in Utrecht, Scheveningen en Antwerpen gedaan.

Onderzoek dat in de jaren tachtig is verschenen worstelt nog altijd met het aloude Clark-paradigma. Jenneke Quast probeert in haar artikel "Vrouwenarbeid omstreeks 1500 in enkele Nederlandse steden" haar bevindingen te toetsen aan het model van Clark, maar deze lenen zich hier niet voor. Ze beklemtoont dat in de vijftiende en zestiende eeuw vrouwen als onderneemsters, loonarbeidsters en als geschoolde ambachtslieden werkzaam geweest zijn, maar kan niet met zekerheid zeggen dat ze in de zeventiende eeuw uit de zelfstandige beroepen verdwenen.

Martha Howell bewijst op veel stelliger wijze eer aan Clarks" model. Volgens haar zijn vrouwen in de loop van de zestiende eeuw de toegang tot werk met status verloren. In de gezinseconomie waarin kapitaal en arbeid verenigd waren in het huishouden als werkplek en inkomen het gedeelde bezit van het gezin als de productie-eenheid was, had de vrouw makkelijk toegang tot haar eigen grondstoffen en kon ze de distributie van haar producten controleren. Met de komst van de marktgerichte productie en specialisatie kwam er een einde aan dit systeem en verloor de vrouw de mogelijkheden om werk met status uit te oefenen.

Thera Wijsenbeek wil juist niets met Clark te maken hebben. Volgens haar is de vraag welke invloed de industrialisatie had op de positie van de werkende vrouw voor Nederland in de achttiende eeuw niet relevant. De Industriële Revolutie zou in Nederland immers pas laat in de negentiende eeuw haar intrede doen. Wijsenbeek ziet in de achttiende eeuw de positie van de vrouw in sommige sectoren af- en in sommige sectoren toenemen. De afname wordt volgens haar veroorzaakt door een mentaliteitsverandering: door de grotere afstand tussen familie en bedrijf is het niet meer noodzakelijk het bedrijf in de familie te houden en komt het steeds minder voor dat weduwen de leiding in het bedrijf op zich nemen. Net als Labouvie en Barth-Scalmani ziet Wijsenbeek wel een scheiding tussen woon- en werkplek maar benadrukt ze dat dit geen economische maar een culturele achtergrond heeft.

2.3 Vrouwen en handel in internationaal perspectief
De internationale literatuur over vroegmoderne vrouwen in (groot)handel beperkt zich tot enkele hoofdstukken in overzichtswerken en een aantal artikelen die op basis van bronnenonderzoek de aanwezigheid van handelende vrouwen in een bepaalde stad of regio
schetsen. Opvallend is dat vrijwel alle auteurs concluderen dat het in de loop van de tijdsspanne die ze onderzochten steeds slechter gesteld was met de mogelijkheden om als vrouw te handelen. Ze wijten dit aan verschillende oorzaken en ook verschilt de periode waarin ze de verslechtering bespeuren.

Gunda Barth-Scalmani stelt naar aanleiding van haar onderzoek naar de Salzburgse vrouw in de wereld van de handel in het einde van de achttiende eeuw, dat vrouwen alleen als weduwe zelfstandig koopvrouw waren. Ongetrouwde dochters van succesvolle kooplieden hadden een passieve functie in het familiebedrijf: ze moesten trouwen met een bekwaam koopman om het bedrijf en de familie veilig te stellen. Ze werden opgeleid om leiding te geven aan een groot huishouden en leerden daarom ook boekhouden. Het huwelijk van een echtpaar in een familiebedrijf was gelijkwaardig: de koopman zorgde voor het bedrijf en zijn vrouw voor de familie. Deze vrouwen waren volgens Barth-Scalmani dan ook goed in staat om na de dood van hun de leiding over het bedrijf op zich te nemen.

In 1810 kwam er echter een nieuw wetssysteem in Oostenrijk dat de normen en waarden van de burgercultuur tot wet maakte. De man was de kostwinnaar en de taak van de vrouw was thuiszitten. Alles wat een vrouw bezat of verdiende, werd nu zonder uitzondering bezit van haar man. De status van het werk dat ze deed verminderde en ongeacht of ze het huishouden deed of buitenshuis werkte, de vrouw werd de mindere van haar man.

Eva Labouvie deed onderzoek naar vrouwen die in de achttiende eeuw in het Saargebied in de groothandel actief waren. Ook zij vond veel weduwen als zelfstandige handelsvrouwen en ook zij merkte een verandering op, zij het dertig jaar eerder. Hoewel de wetgeving in het Saargebied niet veranderde, was ook hier een verandering in opvattingen over sekse en gender de oorzaak dat weduwen de leiding van het familiebedrijf in deze tijd liever aan een zaakwaarnemer overlieten. Maar het waren niet alleen ideeën over het zwakke karakter van het vrouwelijk geslacht die vrouwen uit leidinggevende posities verdreven, ook de opkomende industrialisatie had dit tot gevolg. Technische innovatie en het ingewikkelder worden van het verkeersnet zorgden ervoor dat een opleiding onontbeerlijk was om in de handel actief te zijn. Aangezien scholing op dit gebied niet gepast was voor een vrouw en ook de praktijkervaring van de echtgenotes van handelaren afnam, omdat een vrouw uit de hogere klassen haar handen niet meer uit de mouwen behoorde te steken, zou een weduwe na het overlijden van haar man niet in staat zijn het bedrijf zelf over te nemen.

Daniel Rabuzzi schetst voor Stralsund voor het midden van de negentiende eeuw een soortgelijke ontwikkeling, maar legt de oorzaak niet bij een economische of culturele omwenteling. Volgens hem is het een politieke kwestie dat vrouwen rond 1850 uit de groothandel verdwijnen. In de achttiende en begin negentiende eeuw was gemiddeld 11% van de kooplieden in de Duitse stad Stralsund een weduwe of een ongetrouwde vrouw. Rond 1850 nam hun aantal snel af en werd de handelende vrouw een unicum. Rabuzzi verwerpt Clarks" idee dat dit het gevolg zou zijn van de industrialisatie en als gevolg daarvan de scheiding van woon- en werkruimte. De handelshuizen van Stralsund bleven volgens hem een familieaangelegenheid en de vrouwen des huizes waren nog altijd sterk betrokken bij de handel van hun echtgenoten.

Als verklaring wijst Rabuzzi op de veranderende politieke situatie in Duitsland in de negentiende eeuw. Stralsund behoorde vanaf 1815 tot de politieke invloedssfeer van Pruisen en verloor haar autonomie. Werden handelszaken voorheen informeel en onderling geregeld, onder het Pruisische bewind werd vanuit het hof in Berlijn geregeerd. Handelsprivileges konden alleen door politieke invloed verkregen worden en dit ontbrak de koopvrouwen. Bovendien was het hof slechts geïnteresseerd in de militaire suprematie van Pruisen. Vrouwen konden hier aan bijdragen door al hun aandacht te richten op de opvoeding van hun zonen tot goede militairen en een actieve rol in de publieke sfeer vooral te verzaken.

Rabuzzi zet zich met deze verklaring af tegen de ideeën van Alice Clark. Een scheiding tussen woon- en werkplaats als gevolg van de industrialisatie is hij in zijn onderzoek niet tegen gekomen en aangezien dit het fundament is onder Clarks betoog, ziet hij zich genoodzaakt een andere, wel passende verklaring te zoeken. Het verband dat Clark legt tussen industrialisatie en een verslechtering van de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt uit zich voor de hoogste standen van de maatschappij anders dan voor de onderste. In de hoogste standen brengt het kapitalisme namelijk geen verpaupering maar rijkdom.

Groothandelaren hadden veel investeringskapitaal nodig en een hoog opleidingsniveau (ze moesten immers kunnen schrijven, rekenen en meerdere talen kunnen spreken) en behoorden zodoende tot de hoogste klassen. Het waren kapitalisten die de nieuwe economie domineerden en ervan profiteerden. Deze nieuwe rijkdom zorgde er volgens Clark voor dat de vrouwen uit de hoogste gelederen van de samenleving konden rusten in ledigheid en zich toe legden op decoratieve bezigheden. Terwijl deze vrouwen voorheen als compagnons voor hun echtgenoten waren of zelfs hun eigen handel dreven, zorgde de vergrote welvaart ervoor dat de koopmannen hun echtgenotes en hun inzet en geld niet meer nodig hadden. Deze welvaartsstijging betekent ook dat ongetrouwde vrouwen en weduwen uit de hoogste kringen niet hoefden te werken om in hun levensonderhoud te voorzien en dat van hen een huiselijk leven verwacht werd.

De verklaring die Barth-Scalmani en Labouvie aandragen heeft wel veel weg van de door Clark geschetste ontwikkeling. Zij vinden alledrie dat huis en werk gescheiden worden en dat vrouwen uit hun gewaardeerde economische positie gedreven worden om veilig opgeborgen in de privé-sfeer van hun huizen een nietsnuttig bestaan te leiden. Barth-Scalmani en Labouvie plaatsen deze ontwikkeling echter in het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw en associëren haar zodoende voor het Duitse gebied met de opkomst van de burgercultuur en de veranderende ideeën over sekse en gender die deze met zich mee brengt. Clark plaatst "de verdringing van de vrouw" in de zeventiende eeuw en associeert haar voor Engeland met de opkomst van het kapitalisme.

Hoewel interessant zijn deze historiografische vragen wellicht beter te beantwoorden wanneer het onderzoek naar vrouwen in (groot)handel in het bijzonder en de economische positie van de vrouw uit de rijkere klassen verder gevorderd is. Om uit te maken of een economische, politieke of mentaliteitsverandering de vrouw uit de sfeer van de handel en de economische activiteit verdreef is veel breder opgezet onderzoek nodig dan de enkele artikelen die tot nu verschenen zijn. Het onderzoek zou zich moeten richten op de economische positie van de welvarende vrouw over groot tijdsbestek en de resultaten zouden in de economische, politieke en culturele situatie ingepast moeten worden.

2.4 Vrouwen en handel in Nederlands perspectief
Over vrouwen en (groot)handel in Nederland is nagenoeg niets bekend en moeten we genoegen nemen met een enkele scriptie, enkele losse opmerkingen in algemeen sociaal-economisch historisch onderzoek, de internationale literatuur en de reisverhalen van tijdgenoten. Moquette schrijft dat de vrouw in de groothandel geen of een zeer kleine plaats innam. Weduwen namen de zaak van hun man over, maar meestal namen ze niet persoonlijk de leiding op zich. Maar: “Onmogelijk was het natuurlijk niet, dat de ondernemende geest, die in de 17e en 18e eeuw onze kooplui kenmerkte, ook op hun vrouwen was overgeslagen." Wolzogen Kuhr rept in het hoofdstuk "De vrouw in beroep en bedrijf" met geen woord van koopvrouwen. Van Deursen schrijft dat vrouwen bij lange afwezigheid van hun man of als weduwe als zelfstandig zakenvrouw de leiding in het bedrijf hadden. Kloek wijst op de grote moeilijkheden om de omvang van het door vrouwen verrichte werk te bepalen of zelfs formelere vragen te beantwoorden als wat vrouwen- en wat mannenwerk was en of voor vrouwen en mannen dezelfde scholingscriteria en lonen bestonden.

Uit de internationale literatuur over vrouwen in handel zoals in de vorige paragraaf behandeld blijkt dat vrouwen zeker actief waren in de groothandel. Zelfstandige koopvrouwen waren meestal weduwe maar soms ook ongetrouwd, terwijl getrouwde vrouwen nauw bij de handel van hun echtgenoten betrokken waren. Wanneer hier precies een einde aan kwam en waarom, daar zijn de meningen over verdeeld.

Hoewel het zo vanzelfsprekend lijkt dat ook vrouwen handelden en ze sporadisch in de bronnen opduiken, is het erg moeilijk een algemeen beeld van de Hollandse koopvrouwstand te krijgen.(Enkele "bekendere" koopvrouwen waren Maria Jacoba Daemen (1658-1733), Cornelia de Clerq-van Eeghen (1729-1801), Cornelia Cornilje-van Eeghen (1695-1749) en Susanna Block-van Eeghen (1678-1764) van het handelshuis van Eeghen, Clementia van Vondel (sterft 1641) en natuurlijk Johanna Borski). Het feit dat er wel wetten bestonden die rekening hielden met vrouwen die handel dreven, duidt er toch op dat een koopvrouw geen uitzondering kan zijn geweest. Vanaf het moment dat een vrouw getrouwd was, was het voor haar niet meer mogelijk grotere transacties aan te gaan; ze was handelingsonbekwaam. Aangezien dit voor de handel een grote handicap was, kon een vrouw die uitdrukkelijk of stilzwijgend toestemming van haar man had om te handelen, als "openbare koopvrouw" aangemerkt worden. Alleen als haar man uitdrukkelijk aangaf dat hij wilde dat zijn vrouw weer handelingsonbekwaam werd, kon dit voorrecht van haar afgenomen worden. Deze bepaling gold in verscheidene steden, waaronder ook Amsterdam, vanaf de dertiende eeuw. Ongetrouwde vrouwen en weduwen waren zonder meer handelingsbekwaam.

Nadat in het volgende hoofdstuk de onderzoeksmethode nader toegelicht is, zal in hoofdstuk vier getracht worden een beeld te schetsen van de Amsterdamse koopvrouwstand. De gestelde vragen zijn concreet en van sociaal-economische aard. In het stadium waarin het onderzoek naar vroegmoderne vrouwenarbeid in Nederland in het algemeen en naar vroegmoderne koopvrouwen in Nederland in het bijzonder verkeert, is het zaak zoveel mogelijk informatie te vergaren en te inventariseren. Theoretiseren en het behandelen van historiografische vragen zijn zaken voor later.

Dit betekent dat ik de Clark-discussie links zal laten liggen. Niet alleen is inpassen van het Nederlandse onderzoek in de theorievorming rond vrouwenarbeid voor een latere generatie vrouwenhistorici, ook is het onderzoek naar vrouwenarbeid mijns inziens beter af zonder het Clark-paradigma. Dit paradigma kan alleen bewezen worden door gedegen bronnenonderzoek naar de rol van de vrouw op de arbeidsmarkt over een lange periode. Onderzoeksresultaten van voor, tijdens en na de grote economische omwentelingen die Europa uiteindelijk haar moderne economie brachten, moeten met elkaar te vergelijken zijn en bovendien in te passen zijn in de lokale economische ontwikkeling. Na deze krachttour zou een comparatief eindonderzoek vast kunnen stellen of het kapitalisme inderdaad een nietsnuttig huismusje maakte van de voorheen in vrijheid en aanzien werkende vrouw.

Het is echter zeer de vraag of de bronnen een compleet beeld van de werkende vrouw vrijgeven. De identiteit van een man werd bepaald door zijn beroep, maar de identiteit van een vrouw door haar vader (bij een ongetrouwde vrouw) of echtgenoot (bij een getrouwde vrouw of weduwe). Dat de identiteit van een vrouw haar beroep niet prijs gaf, betekent niet dat vrouwen niet werkten. Meestal was het noodzakelijk om in het onderhoud van het gezin te voorzien en werkten ook de kinderen. Veel getrouwde vrouwen hadden geen eigen beroep, maar waren nauw betrokken bij het werk van hun echtgenoot. Als hij het brood bakte, verkocht zij het en hield zij de boekhouding bij. Een weduwe werd wel vaak met een beroepsidentiteit aangeduid. Ze nam vaak de zaak van haar overleden echtgenoot over (de gilden maakten voor weduwen een uitzondering op het verbod van vrouwelijke meesters), maar in hoeverre zij zelf het beroep uitoefende of een boekhouder of meesterknecht in dienst namen, is slechts bij uitzondering te achterhalen. Dit betekent niet dat het onmogelijk is om vrouwenarbeid in de vroegmoderne tijd te onderzoeken; het betekent slechts dat de reikwijdte van resultaat beperkt zal blijven en onze kennis altijd gaten zal vertonen. Laten we anachronistische en ideologische geïnspireerde schema"s vergeten en ons richten op inventarisatie.
{mospagebreak}
Hoofdstuk 3:
De onderzoeksmethode

3.1 De Personele Quotisatie (PQ)
Belastingkohieren zijn een goede bron om een begin te maken met de inventarisatie van vrouwenarbeid. Zoals gezegd is het moeilijk een vrouw in de bronnen te vinden die aangeduid wordt met haar beroep, maar in belastingkohieren wordt doorgaans bij elke aangeslagene, ook bij de vrouwen, het beroep vermeld. Beroep bepaalt immers onder andere de hoogte van belastingaanslag. Helaas zijn bruikbare belastingkohieren niet in overvloed overgeleverd en hebben ze ook altijd hun mindere kanten (zie hiervoor de 5e alinea van deze paragraaf).

Voor de achttiende eeuw zijn de kohieren van de PQ van 1742 geschikt. De PQ werd in 1742 ingesteld om de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-11748) te bekostigen. Om de lang verwaarloosde defensie van de Republiek op orde te krijgen, werd een lening van drie miljoen gulden opgenomen. De aflossing en de rente op deze lening waren te hoog om uit de bestaande belastingen te betalen en er werd een nieuwe belasting ingesteld, de PQ.

Het was een van de eerste inkomensbelastingen. Voorheen kende men slechts vermogensbelastingen (over onroerende goederen) die wel de heel kleine vermogens belastten, maar de grote geldinkomens buiten schot lieten. De PQ belastte elk huishouden met een jaarlijks inkomen van boven 600,-. In de kohieren werd het hoofd van het huishouden vermeld, met adres, beroep, huur (in het geval van een eigen huis de huurwaarde van het huis en in het geval van een huurhuis de betaalde huur), het aantal dienstboden, buitenplaatsen, rij- of vaartuigen en paarden dat de aangeslagene bezat. Vreemdelingen en de salarissen van predikanten, professoren, krijgshoofden en ambachtsgezellen waren vrijgesteld van taxatie.

Op basis van deze informatie werden door plaatselijke functionarissen opschrijvingslijsten opgesteld met voor elke aangeslagene een voorgesteld taxatiebedrag. Deze lijsten werden naar regeringscommissarissen gestuurd en aan de hand van deze lijsten en informatie uit andere belastingkohieren stelden zij de definitieve minuutkohieren van de PQ op. Deze werden teruggestuurd naar de steden en de plaatselijke ontvangers konden beginnen met het innen van de PQ. Deze ontvangers maakten zelf ook weer kohieren van de officiële stukken en voor Amsterdam zijn het deze "onofficiële" kohieren (die overigens dezelfde informatie bevatten als de officiële originelen, alleen aangevuld met taxatiecorrecties ter plekke) die bewaard gebleven zijn. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de bronnenuitgave van W.F.H. Oldewelt.

De PQ is een mooie bron, maar kent een aantal nadelen. Ten eerste werden de inkomens meestal te laag ingeschat om geschillen bij het innen te voorkomen. Ten tweede brengt de PQ slechts het rijkere deel van de bevolking in kaart, omdat de belasting een inkomensgrens van 600,- heeft. In Amsterdam was dit 23% van de totale bevolking. Ten derde maakt het weglaten van de boven vermelde beroepsgroepen het beeld incompleet. Deze laatste twee nadelen zijn voor het inventariseren van de koopvrouwen van Amsterdam geen bezwaar. Als minimum jaarinkomen heb ik de door mij onderzochte groep immers 4000,- gegeven en alleen onder vreemdelingen zou zich een koopvrouw kunnen bevinden. Een specifiek nadeel bij het gebruik van de PQ voor het onderzoek naar vrouwenarbeid is dat slechts de hoofden van de huishoudens getaxeerd werden. We vinden zo alleen ongetrouwde vrouwen of weduwen. Getrouwde vrouwen kunnen best gehandeld hebben maar blijven achter hun man verscholen.

Op basis van het gebruikte bronnenmateriaal moet de onderzoeksvraag dus bijgesteld worden en de vergaarde informatie kan slechts betrekking hebben op die vrouwen die handelden én hoofd van een huishouden waren. Omdat de ongetrouwde vrouwen in de onderzoekspopulatie veruit in de minderheid zijn (slechts 9,4%), zullen de resultaten van het onderzoek hoofdzakelijk betrekking hebben op de weduwe-koopvrouwen van Amsterdam in het midden van de achttiende eeuw. Het probleem van de met een beroep aangeduide weduwe is al eerder besproken (zie blz. 16). Omdat dit probleem door het gebruik van de PQ geaccentueerd wordt, zal een van de hoofdvragen zijn of de weduwen daadwerkelijk zelf koopvrouw waren of dat er een koopman in de vorm van een boekhouder of een zoon aan te pas kwam? Voor een overzicht van de in de PQ als koopvrouw met een inkomen hoger dan 4000 gulden per jaar aangeduide vrouwen met de uit de PQ verkregen informatie, zie bijlage I.

3.2 Aanvullende bronnen in het Gemeente Archief Amsterdam (GAA)
Hoewel de PQ bijzonder gedetailleerd is voor een belastingkohier is de informatie niet toereikend om de onderzoeksvraag bevredigend te beantwoorden. Aanvullende informatie uit andere bronnen is dus onontbeerlijk. Voor 15 van de 32 koopvrouwen uit de onderzoeksgroep is een traject door de verschillende archieven van het GAA gevolgd, op zoek naar gegevens over de sociale en economische positie van de koopvrouwen van Amsterdam (Van deze 15 vrouwen waren 13 weduwe en 2 ongetrouwd. In onderzoeksresultaten betrekking hebbend op gehuwde vrouwen wordt dan een onderzoekspopulatie van 13 gehanteerd en in resultaten betrekking hebbend op ongehuwde en gehuwde vrouwen een populatie van 15). Begonnen is bij het notarieel archief (NA), vervolgens zijn de klappers op de doop-, ondertrouw- en begraafregisters (DTB), op de poorterboeken (PB), en de archieven van de weeskamer (WA), van de verpondingsregisters (VA), de familiearchieven (FA) en het koopmansboekenarchief (KBA) doorgenomen (NA: archiefnummer 5075, DTB: klappers raadpleegbaar in de onderste studiezaal van het GAA, PB: idem, WA: archiefnummer 5004, VA: via de ordinaris kwijtscheldingen op microfiche raadpleegbaar in de onderste studiezaal van het GAA, FA: toegangsnummer verschilt per archief, KBA: archiefnummer 5060). Naast deze ongedrukte bronnen zijn ook "Vier eeuwen Herengracht" (Amsterdam 1976), "De vroedschap van Amsterdam" van J. Elias en de Cd-rom-catalogus van Amstelodamum doorzocht op de 32 vrouwennamen.

Het GAA heeft een omvangrijk notarieel archief dat helaas maar zeer gebrekkig geïnventariseerd is. Er bestaat een kaartindex met daarin uittreksels van een deel van de duizenden akten die het NA van Amsterdam telt. Deze index is toegankelijk op achternaam, maar helaas is de reputatie van de index dubieus. De kaartindex zou onvolledig zijn, de uittreksels zouden vol staan met spelfouten en verschrijvingen en, nog erger, incorrecte samenvattingen van de akten geven. Maar, een incorrecte toegang is beter dan überhaupt geen bron en gelukkig is er een aparte kaartindex van veel betrouwbaarder kwaliteit voor de periode 1700-1710.

Elke koopvrouw uit de onderzoeksgroep is zowel op haar meisjesnaam als op haar trouwnaam in de kaartindex van het NA voor de periode 1700-1780 nagezocht. Dit leverde onder andere huwelijks-contracten, testamenten, boedelinventarissen, procuraties, bevrachtingcontracten en wisselprotesten op. De procuraties, bevrachtingcontracten en wisselprotesten geven informatie prijs die antwoord geeft op het economische deel van de onderzoeksvraag. Uit de huwelijkscontracten en de testamenten kan vaak achterhaald worden wat de sociale achtergronden van de koopvrouwen waren en ook weer hoe hun handel eruit zag. Om de centrale vraag naar het al dan niet zelfstandig handelen van de weduwe-koopvrouw te beantwoorden is het achterhalen van het testament of de boedelinventaris cruciaal. Als de nalatenschap bijvoorbeeld comptoir-meubilair of -gereedschap bevat, kan dat er op duiden dat de koopvrouw zelf handelde.

De kaartindex op het NA van de jaren 1700-1710 is niet alleen op achternaam, maar ook op beroepsgroep toegankelijk. Ook de koopvrouw vormt een aparte beroepsgroep. De koopvrouwen uit de PQ komen niet voor in de fiches met akten van koopvrouwen, maar deze fiches vormen wel een interessante bron voor verder onderzoek. Dat in de fiches van 1700-1710 geen weduwe-koopvrouwen uit de PQ terug te vinden zijn, duidt er waarschijnlijk op dat de vrouwen, zo ze in deze periode nog geen weduwe waren (84,6%, tegenover 15,4% onbekend), geen openbaar koopvrouw waren voor of tijdens hun huwelijk. Het is echter onwaarschijnlijk dat ze, zo ze met een koopman getrouwd waren (weer 84,6% tegenover 15,4% onbekend) en zo ze na de dood van hun echtgenoot in eigen persoon de leiding over de handel overnamen (46,6% tegenover 20% niet en 33,3% onbekend), tijdens hun huwelijk hun echtgenoot niet bijstonden in de handel. Het overgrote deel van de weduwe-koopvrouwen was dus waarschijnlijk geen zelfstandig koopvrouw voor of tijdens hun huwelijk, maar stond hun echtgenoten wel bij in hun handel.

De PQ geeft alleen de namen van de overleden echtgenoten van de weduwen. Soms is deze naam voldoende om in het NA akten te vinden en staat in deze akten wel de meisjesnaam van de weduwe vermeld. Vaak genoeg is dit niet het geval en moet een andere bron aangeboord worden om de meisjesnaam en dan wellicht via de kaartindex op het NA aanvullende notariële akten te vinden. De DTB lenen zich hier goed voor en geven tegelijkertijd informatie over doop, ondertrouw- en begraafdatum. De doopregisters geven ook informatie over de ouders van de latere koopvrouw en over haar eventuele kinderen. De ondertrouwregisters bevatten behalve de ondertrouwdatum ook het beroep van de aanstaande echtgenoot en de herkomst van de echtgenoot en echtgenote. In de begraafregisters staat opgetekend waar en wanneer iemand begraven is en of de weeskamer ingeschakeld is voor het uitvoeren van het testament. De DTB vermelden ook altijd de kerk waarin gedoopt, getrouwd of begraven werd zodat de geloofsgemeenschap van de koopvrouw ook bekend is.

Als ook via de meisjesnaam geen boedelinventaris of testament in het NA te vinden is, kan nog gezocht worden in het archief van de verpondingregisters, van de weeskamer of in de familiearchieven. De verpondingregisters komen alleen in aanmerking als de koopvrouw het huis waarin zij woonde ook daadwerkelijk bezat. Omdat het kohier van de PQ ook de wijk- en verpondingnummers vermeldt van de huizen waarin de getaxeerden woonden, kan in het VA onder deze nummers opgezocht worden wanneer het huis verkocht werd. In de akte van overdracht staat opgetekend waar in het notarieel archief de testamenten of boedelbescheiden van de vroegere eigenaars zich bevinden. Het archief van de weeskamer komt alleen in aanmerking wanneer in de begrafenisakte staat aangegeven dat het beheer over het testament aan de weeskamer is overgelaten. De welgestelden uit de achttiende eeuwse samenleving sloten de weeskamer evenwel meestal uit. Ook de familiearchieven kunnen een testament of boedelinventaris opleveren. Slechts vier vrouwen uit de onderzoekspopulatie behoorden echter tot een familie die in de familiearchieven opgenomen is. De stukken uit deze archieven zijn meestal kopieën van een notariële akte als een testament of een boedelscheiding.

De poorterboeken van de stad Amsterdam zijn op jaar en op beroep geklapperd en ook de koopvrouwen vormen een aparte beroepsgroep. Net als bij de fiches van het NA leverde dit geen resultaat op, maar is de klapper aan te bevelen voor verder onderzoek. De poorterboeken registreerden nieuw aangekomen burgers, maar niet iedere nieuw aangekomen burger werd geregistreerd. Vrouwen van buiten Amsterdam die een Amsterdamse man trouwden, werden bijvoorbeeld niet geregistreerd. Omdat geen van de vrouwen uit de onderzoekspopulatie voor hun trouwdatum in de poortersboekjes geregistreerd staat, kan gesteld worden dat ofwel geen van de vrouwen voor hun huwelijk naar Amsterdam verhuisden ofwel dat de vrouwen die dit wel deden geen zelfstandig koopvrouw waren voor hun huwelijk. Aangezien slechts een klein deel van de onderzoekspopulatie van oorsprong van buiten de stad Amsterdam kwam en van dit kleine deel het overgrote deel naar Amsterdam kwam om bij hun Amsterdamse man te komen wonen, is de laatste aanname de meest waarschijnlijke.

Het koopmansboekenarchief is een archief waarin toevallig overgeleverde koopmansboeken verspreid over de vroegmoderne en de moderne periode zijn opgenomen. Wederom komt geen van de vrouwen uit de onderzoekspopulatie in dit archief voor. Opvallend is dat maar liefst 21 koopmansboeken uit de eerste helft van de achttiende eeuw op naam van Maria Jacoba Daemen staan. M. van den Boogaard wijdde haar scriptie "Maria Jacoba Daemen, 1658-1733. Koopvrouw te Amsterdam" (1979) aan deze ongetrouwde zouthandelaarster. Ook hier is een aanbeveling voor verder onderzoek op zijn plaats. Volgens Van den Bogaard bevatten de andere koopmansboeken op naam van een vrouw niet veel wetenswaardigs, maar de boeken op naam van mannen kunnen informatie opleveren over de handelscontacten die ze onderhielden en het aantal vrouwen dat zich onder hen bevond.

Ondanks dat veel wegen zijn bewandeld om informatie over de weduwe-koopvrouwen boven water te krijgen, is in één vijfde van de gevallen niet meer te achterhalen dan wat de PQ vermelt of wat de bronnen in het GAA over de overleden echtgenoten vertellen. Als de indices op het NA geen resultaat opleveren, in het DTB geen meisjesnaam, geboorte- of sterfdatum gevonden kunnen worden, het verpondingnummer op een andere naam staat en er geen familiearchief bestaat, dan houdt het op. De enige conclusie hier aan te verbinden is dat er ergens in de papiermolen van de duizenden meters archief die het GAA herbergt een fout is gemaakt. Misschien was het de achttiende eeuwse belastingpachter of een klerk op het gemeentehuis of de misschien wel de notaris. Misschien de archiefmedewerker die nauwgezet akte voor akte op fiche zette en een moment zijn concentratie verloor.

Als hulpmiddel bij het doorzoeken van de archieven is allereerst de Amstelodamum-catalogus gebruikt. Alle artikelen die ooit in het jaarboek of in het maandblad zijn verschenen zijn op allerlei trefwoorden toegankelijk gemaakt. De achternamen van de weduwe-koopvrouwen leverden soms een verwijzing naar een artikel op waarin weer verwezen werd naar een archiefstuk dat die persoon betrof. Het persoonsregister van "De vroedschap van Amsterdam" is op dezelfde manier doorgenomen. Het "Herengrachtboek" bleek een ware goudmijn voor de 8 van de 32 koopvrouwen die op de Herengracht woonden. Via het verpondingnummer van het bewoonde huis is het huidige straatnummer te vinden en het boek geeft voor elk straatnummer een eenvoudige familiebeschrijving van alle bewoners en vermeldt bovendien godsdienst en beroep.

In het volgende hoofdstuk zullen de resultaten die deze zoekgang langs de archieven van het GAA opleverde in combinatie met de informatie uit de kohieren van de PQ behandeld worden om vervolgens antwoorden te geven op de onderzoeksvraag en de deelvragen.
{mospagebreak}
Hoofdstuk 4:
De onderzoeksresultaten

4.1 Resultaten uit de PQ
De PQ telde in 1742 1129 kooplieden, waarvan 1067 (94,5%) koopmannen en 62 (5,5%) koopvrouwen. We mogen aannemen dat dit bijna de gehele koopliedenbevolking van Amsterdam is, omdat slechts 1,6% zich in de laagste inkomensklasse bevindt, tegenover bijvoorbeeld 45,3% van de winkeliers in koffie. Afgezien van het feit dat getrouwde vrouwen niet in de PQ opgenomen zijn, was dus 5,5% van alle Amsterdamse kooplieden vrouw. Uit de kaartindex van het NA en uit de poorterboeken blijkt echter dat er waarschijnlijk weinig vrouwen waren die tijdens hun huwelijk openbaar koopvrouw waren. Bovendien was er in de achttiende eeuw een groot vrouwenoverschot in de Republiek en was de levensverwachting van vrouwen hoger dan die van mannen. Ongetrouwde vrouwen en weduwen zullen een groot deel van de vrouwelijke bevolking uitgemaakt hebben. Er kan dus met redelijkheid aangenomen dat een percentage rondom de 5,5% gehandhaafd zal worden. Dit percentage zegt echter niets over de betrokkenheid van getrouwde vrouwen bij de handel van hun echtgenoten.

In totaal telde de PQ 13745 huishoudens waarvan 11581 (85,3%) geleid door mannen en 2164 (14,7%) geleid door vrouwen. Hoewel in het algemeen dus 14,7% van de huishoudens werd bestierd door een vrouw, stond in de koopliedengroep slechts 5,5% van de huishoudens onder leiding van een vrouw. Bovendien was 2,9% van de vrouwen in de handel actief tegenover 9,2% van de mannen, een verschil van 6,3%. Koopvrouwen lijken een kleine, uitzonderlijke groep in de Amsterdamse samenleving van de achttiende eeuw.

Kijken we naar de rijkere gelederen van de samenleving, dan verschijnt een iets gelijker beeld. De PQ slaat 494 kooplieden aan in inkomensklassen van 4000 gulden of hoger waarvan 463 (93,7%, tegenover 94,5% van alle kooplieden) door een man en 32 (6,5%, de onderzoekspopulatie, tegenover 5,5% van alle kooplieden) door een vrouw geleid. 4% van alle mannen en 1,5% van alle vrouwen verdienen als kooplui meer dan 4000 gulden, een verschil van 2,5 % tegenover de 6,5% van de totale koopliedenstand. Als we kijken naar de percentages koopmannen en koopvrouwen van de totale koopliedengroep die een inkomen boven de 4000 gulden per jaar hebben, wordt het relatieve belang van de koopvrouw duidelijker. 51,6% van alle koopvrouwen tegenover 43,4% van alle koopmannen hoort bij het rijkere deel van de bevolking.

Onder de 102 allerrijkste huishoudens van Amsterdam (16000 gulden p.j. of hoger) zijn de verschillen nog verder afgevlakt. Er vallen 24 kooplieden onder, 20 mannen (83%, tegenover 94,5 en 93,7 eerder) en 4 vrouwen (17%, tegenover 5,5% en 6,5% eerder). Een koopvrouw maakt zelfs evenveel kans als een koopman om in de rijkste regionen van de samenleving te belanden. 0,17% van de Amsterdamse mannen is zo gefortuneerd en 0,18% van de Amsterdamse vrouwen. Van de Amsterdamse koopmannen behoort 1,9% bij de top terwijl van de koopvrouwen 6,5% een topinkomen heeft.

In eerste instantie lijken de Amsterdamse koopvrouwen een zeer kleine minderheid in de Amsterdamse samenleving te vormen. Bij nadere analyse blijkt echter dat hoe rijker het milieu is, des te meer kans er is een koopvrouw tegen te komen. De Amsterdamse koopman bevindt zich met een groot overwicht in de inkomensklassen van 600 tot 4000 gulden op jaarbasis, maar in de klassen van 4000 gulden en hoger moet hij steeds meer plaats maken voor zijn vrouwelijke tegenhanger. De Amsterdamse koopvrouw neemt voor de lagere klassen genoegen met een verhouding van een op twintig maar bezet in de hoogste regionen van Amsterdam een op de vijf plaatsen.

De verleiding is groot om nu te concluderen dat de Amsterdamse koopvrouw succesvoller was dan haar mannelijk collega"s. Ongeveer 38,5% van de Amsterdamse koopvrouwen had kort voor 1742 hun man verloren (tegenover 30,8% voor de jaren veertig van de achttiende eeuw en 30,8% onbekend). Het is waarschijnlijker dat de weduwe een succesvolle handelsonderneming geërfd had en deze continueerde, dan dat de weduwe, nog in het zwart gekleed, de firma tot bloei bracht. Over de vrouwen die al langer weduwe waren (het gemiddelde was 6 jaar weduwe voor 1742) kunnen geen uitspraken gedaan worden. Misschien hadden ze veel geërfd en het vermogen in stand weten te houden, misschien hadden ze weinig geërfd en het vermogen in de handel groot gemaakt.

De PQ geeft nog meer informatie over de welstand van de inwoners van Amsterdam. Het aantal dienstboden, buitenplaatsen, vaar- en rijtuigen en paarden wordt vermeld en geeft voor de onderzoekspopulatie de volgende tabel:

Ook vermeldt dat PQ het vermogensniveau van de aangeslagenen volgens het systeem van de 200e penning. Er zijn vier niveaus: kapitalisten met een vermogen hoger dan 2000 gulden, halve kapitalisten met een vermogen hoger dan 1000 gulden maar lager dan 2000, kwart kapitalisten met een vermogen kleiner dan 1000 gulden en onvermogenden. Alle vrouwen uit de onderzoekspopulatie met uitzondering van drie zijn kapitalisten.

4.2 Resultaten uit het GAA: sociale achtergronden
Op basis van de verschillende geraadpleegde archieven kunnen verschillende vragen over de sociale achtergrond van de Amsterdamse koopvrouw behandeld worden. Deze resultaten zijn gebaseerd op de gegevens van 15 van de 32 koopvrouwen. Van deze 15 vrouwen waren er 2 ongetrouwd en 13 weduwe. De percentages over koopvrouwen in het algemeen hebben dus betrekking op een groep van 15 en de percentages over weduwe-koopvrouwen op een groep van 13.

Aangezien de onderzoekspopulatie een inkomen boven de 4000 gulden per jaar heeft en bijna zonder uitzondering een vermogen boven de 2000 gulden, spreekt het voor zich dat ze tot de bovenlaag van de bevolking behoorden. Toch behoorden ze niet tot de regentenstand. Slechts 5 van de 32 vrouwen uit de onderzoekspopulatie worden genoemd in "De vroedschap van Amsterdam" en slechts 3 van deze vrouwen hadden banden met regentenfamilies. 84,6% van de weduwe-koopvrouwen was met een koopman getrouwd geweest (tegenover 15,4% onbekend), hoewel van 53,8% onbekend is wat het beroep van hun zonen was, had van de 46,2% bekend ook 46,2% een of meerdere zonen die koopman waren. Van 40% was de vader koopman (tegenover 60% onbekend). Alle drie de ongetrouwde koopvrouwen uit de onderzoekspopulatie handelen in compagnie met hun broers, die dus ook kooplieden waren. Duidelijk is dat de kooplieden van Amsterdam een eigen gemeenschap hadden waarin het beroep overging van vader op zoon en bij hoge uitzondering op dochter en van overleden echtgenoot op weduwe.

Deze koopliedengemeenschap was wel verdeeld in verschillende geloofsstromingen. Van de nagezochte koopvrouwen waren er 2 doopsgezind (13,3%), 7 hervormd (46,7%) en 1 luthers (6,7%), tegenover 33,3% onbekend. Aan het eind van de achttiende eeuw was in heel Amsterdam 16% luthers, 22% katholiek en 50% hervormd. 38,5% van de koopvrouwen was pas net weduwe. Gemiddeld waren de vrouwen 6 jaar weduwe voordat ze in de kohieren van de PQ opgenomen werden (voor 30,8% onbekend). Voor 61,5% kan met zekerheid gezegd worden dat ze niet hertrouwden, voor de overige 38,5% is het onbekend. Door het grote vrouwenoverschot is het echter niet waarschijnlijk dat de koopvrouwen op leeftijd een nieuwe echtgenoot vonden. 69,2% van de weduwen had toen haar man stierf meerdere kinderen (tegenover 30,8% onbekend) waaronder bijna altijd enkele nog economisch van haar afhankelijke (ongetrouwde dochters of nog niet volwassen zonen). Zoals al eerder vermeld bleef slechts 9,4% van de 32 koopvrouwen uit de onderzoekspopulatie ongehuwd.

4.3 Resultaten uit het GAA: economische achtergronden
Ook vragen over de economische achtergrond van de koopvrouwen en hun handel kunnen op basis van de nader geraadpleegde archieven van het GAA beantwoord worden. Ook de meest prangende vraag, of de weduwen zelf handelden, kan beantwoord worden. Met een slag om de arm kan gesteld worden dat minstens 8 van de 15 koopvrouwen (53,3%) zelf handelde (tegenover 2 die niet zelf handelden (13,3%) en 5 (33,3%) onbekend). Soms is dit makkelijk vast te stellen, zoals bij Sara Petronella de Jong, weduwe Meijnard Troijen. De koopman Jacob Bicker Raye hield een dagboek bij en schreef op 5 maart 1763: “is mevrouw Trooijen overleden. Haar edele war een seer brave koopvrouw, die een seer groot comptoor van seer swaare negotie selfs als man dirigeerde." Vaker is het lastiger de dagelijkse gang van zaken uit de vele officiële akten te halen. Maria Jacoba van Uggelen bijvoorbeeld handelde volgens de PQ in compagnie met haar broers Pieter en Paulus. Zolang die broers leven zijn er notariële akten te vinden die betrekking hebben op de handel die ze dreven, maar in deze akten wordt met geen woord van Maria"s betrokkenheid gerept. Toch laten Pieter en Paulus die net als Maria ongehuwd blijven allebei hun hele hebben en houden aan hun zus na. Uit haar eigen testament blijkt dat ze "comptoirstukken" bezat en dit is dan eindelijk toch een indicatie dat ook Maria bij de handel betrokken was.

Dat de koopmannen inderdaad de handel aan hun vrouwen overlieten als ze afwezig waren, blijkt uit een akte van de koopman Meijnard Troijen uit 1719 waarin hij zijn vrouw in zijn afwezigheid alle bevoegdheid geeft om in zijn plaats te handelen. Een ander blijk van vertrouwen laat Hendrik Bronckhorst, zoon van de weduwe Bronckhorst, zien. Hij sluit in 1753 een compagnieschap in handel met zijn broer. Een van de voorwaarden van Hendrik is dat bij zijn overlijden zijn vrouw zijn plaats in kan nemen. Beide akten illustreren het vertrouwen dat de koopman in de handelsbekwaamheid van zijn vrouw had. Omdat een vrouw geen beroepsopleiding kon krijgen, moeten de echtgenoten van de koopmannen hun expertise wel in de dagelijkse praktijk opgedaan hebben door hun mannen bij te staan in het handel drijven.

Opvallend is dat bij drie kwart van de koopvrouwen die de handel in eigen persoon voortzetten, het karakter van de handel veranderde. In tabel 4.4 worden de verschillende handelsactiviteiten van de koopvrouwen die zelf handelden weergegeven. De echtgenoten van de koopvrouwen en ook hun zonen handelden voornamelijk in goederen en geldhandel maakte slechts een klein deel van hun bezigheden uit. Voor de weduwen geldt het tegenovergestelde: het grotere deel (72,2%) van hun handelstransacties betrof leningen, aandelen en obligaties. Zo leende Susanna Clement, weduwe Johannes Baelde, 10000 gulden aan Jan Elias Huydecoper, bezat Maria van Uggelen 3000 pond aan aandelen in de Engelse bank en bezat Maria Bosch, weduwe David van Halmael, voor 4000 gulden aan obligaties op Silezie. Ook bezitten de koopvrouwen aandelen in de WIC, in een Engelse handelsmaatschappij en in de Engelse bank. De goederenhandel van de koopvrouwen bestond uit het handelen in Oost-Indische waren, het bezitten en laten uitbaten van suikerplantages in Suriname en de Antillen en het handelen in zijde (27,8%).

Het is moeilijk hier een verklaring voor te geven. Ten eerste is het de vraag of de gegevens die uit de bronnen gedestilleerd zijn een accuraat beeld van de werkelijke handel van de Amsterdamse koopvrouw uit het midden van de achttiende eeuw geven. De kaartindex op het notarieel archief van Amsterdam is immers van een twijfelachtige kwaliteit, zodat het heel goed kan dat akten aangaande de handelsactiviteiten van de koopvrouwen uit mijn onderzoekspopulatie niet geïndexeerd zijn. Dit kan een vertekend beeld geven, temeer daar de groep koopvrouwen waarvan de handelsactiviteiten zoals in de PQ vermeld daadwerkelijk nagetrokken zijn, klein in omvang is. Hier moet wel bij opgemerkt worden dat de kaartindex consequent aanzienlijk minder fiches voor de handelsactiviteiten van de koopvrouw dan voor de activiteiten van haar overleden man opleverde.

Bovendien komt Daniel Rabuzzi op basis van zijn onderzoek naar koopvrouwen in Stralsund tot een vergelijkbaar beeld van de koopvrouw van de achttiende eeuw. Ook zijn resultaten wijzen erop dat vrouwen een minder risicovollle manier van handelen hadden. Vrouwen waren voorzichtiger met hun beleggingen en hoewel hun winsten hierdoor niet zo explosief konden toenemen als bij hun mannelijke collega"s, waren ze uiteindelijk succesvoller. Rabuzzi vond dat 15% van de koopmannen na verloop van tijd failliet ging, terwijl slechts 6% van de koopvrouwen haar handel ten onder zag gaan. Van den Boogaard vindt dichter bij huis vergelijkbare resultaten. De Amsterdamse ongetrouwde koopvrouw Maria Jacoba Daemen handelde veel in zout, maar haar uitgaven over het jaar 1702 laten zien dat Maria 27304 gulden in leningen stak en 8102 gulden in zout investeerde. Voor het jaar 1732 is dat 16006 tegen over 3240 gulden. Ook een relatief bekend en actief zouthandelaarster als Daemen investeerde dus een groter deel van haar geld in leningen dan in zout.

Gesteund door vergelijkbaar onderzoek kunnen we met de nodige voorzichtigheid ervan uitgaan dat het beeld van de 15 nagezochte koopvrouwen dat de onderzoeksresultaten opleveren, representatief is voor de Amsterdamse groothandelaarster halverwege de achttiende eeuw. De tweede vraag is dan hoe te interpreteren dat de handelsactiviteiten van de koopvrouw zich meer op de geldhandel dan op de goederenhandel concentreerden. Hoewel 3 van de 8 investeringen in aandelen van een handelsmaatschappij als de WIC of de Engelse Oost Indische Compagnie was, hoort geldhandel meer thuis bij de passieve wijze van investeren van renteniers dan bij de actieve wijze van kooplieden. De rentenier belegt zijn geld in obligaties of aandelen waardoor het geld voor langere tijd vastgezet wordt zonder dat de investeerder invloed op de winstgevendheid van zijn belegging uit kan oefenen. De koopman belegt zijn geld in schepen en scheepsladingen en probeert zijn belegging winstgevend te maken door zijn waar op het juiste moment op de juiste plaats te verkopen. Toch noemt de PQ ook de koopvrouwen die schijnbaar meer in geld- dan in goederenhandel thuis zijn, "koopvrouw" en niet "rentenierster", terwijl er toch 1018 renteniersters getaxeerd werden.

Men kan zich ook afvragen of dit verschil in handelsactiviteiten tussen de koopvrouw en de koopman niet te maken heeft met deskundigheid. Juist omdat de goederenhandel een actievere begeleiding van de belegger vereist dan de geldhandel is ook een grotere deskundigheid noodzakelijk. Marktkennis, maar ook de kunst van het boekhouden zijn een vereiste voor de actieve koopman. Omdat vrouwen zoals gezegd geen handelsopleiding kregen, maar het vak afkeken van hun echtgenoten, is hun daadwerkelijke deskundigheid afhankelijk van de mate waarin ze betrokken waren bij het vak van hun man. Dat koopvrouwen na de dood van hun man overgingen op de veiliger manier van beleggen van obligaties, leningen en aandelen, wijst er dan op dat de handelsdeskundigheid van de vrouwen niet het niveau had van hun overleden mannen en dat een koopmanshuwelijk geen volwaardig compagnonschap was.
  
{mospagebreak}
Conclusie
 
De vraag of Amsterdam rond het midden van de achttiende eeuw behalve een actieve en welvarende koopmanstand, ook een vrouwelijke tegenhanger hiervan kende, wordt aanvankelijk positief beantwoord. De eerste onderzoeksresultaten wijzen hierop, maar ook algemene veronderstellingen over Amsterdam in de achttiende eeuw en vrouwenarbeid in het algemeen lijken het beeld van een actieve groothandelaarster prijs te geven. Amsterdam kende een omvangrijke handel, de Amsterdamse mannen waren veel op zee of op handelsreis en dat vrouwen hun echtgenoten bijstonden in hun economische activiteiten lijkt ook een veelvoorkomend verschijnsel. Bovendien geeft de PQ een koopvrouwenpopulatie van 62, waarvan 32 met een inkomen van hoger dan 4000 gulden.

Hoewel de koopvrouw slechts 5,5% van de totale beroepsgroep uitmaakte, blijkt dat hoe hoger de inkomensklasse, hoe groter de kans een koopvrouw tegen te komen. Ook nadere onderzoeksresultaten duiden op een actieve koopvrouwenstand. Meer dan de helft van de alleenstaande of weduwekoopvrouwen lijkt zelf te handelen en het heft niet uit handen gegeven te hebben aan een zaakwaarnemer of zoon. Als het karakter van de handel nader bekeken wordt, verandert het beeld. Niet langer lijkt de koopvrouw het equivalent van de koopman te zijn. Haar handel concentreert zich op de passieve geldhandel, terwijl zijn handel zich concentreert op de actieve goederenhandel. Geldhandel ontbreekt niet bij de koopman, maar het neemt een kleinere, ondersteunende positie in, terwijl bij de koopvrouw de sporadische goederenhandel een ondersteunende rol voor de geldhandel gespeeld lijkt te hebben.

Uit deze inventarisatie van vrouwen in groothandel blijkt dat vrouwen uit koopmansfamilies als weduwe en bij uitzondering als ongetrouwde vrouw in compagnie met haar broers actief waren in de handel. Omdat deze handel bestond uit passieve investeringen met een laag risicogehalte, doen de koopvrouwen uit de PQ eerder aan renteniers dan aan koopmannen denken. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat voor actieve goederenhandel een grotere handelsdeskundigheid vereist was. Marktinzicht en vaardigheid in boekhouden zijn de minste verzekering tegen het risico van het verliezen van grote sommen geld. Aangezien voor vrouwen het onderricht in deze vaardigheden minder toegankelijk was dan voor mannen ligt hierin wellicht de verklaring voor het verschil in de handel van de koopman en de koopvrouw.

En, zoals Leonie van Nierop haar artikel over de Amsterdamse vrouw in de PQ afsluit: “Aan de lezer worde het overgelaten de beschouwingen wel of niet ook op andere aangeslagenen dan deze van toepassing te verklaren."
{mospagebreak}
Archivalia
Te vinden in het Gemeente Archief Amsterdam


• Notarieel archief (5075, op basis van kaartindex):
Aangaande Maria Bosch, weduwe David van Halmael:
6123, 18-3-1720, notaris Pieter Schabaelje,
9394, 27-3-1742, notaris Mathijs Maten de Jonge,
Aangaande Susanna Clement, weduwe Johannes Baelde:
7172, 25-5-1723, notaris W.J. van Midlum,
7174, 8-8-1721, idem,
7999, 7-11-1721, notaris Philippe de Marolles,
8010, 10-5-1724, idem,
8048, 12-10-1734, idem,
Aangaande Anna van Cralingen, weduwe Harm Verwit:
10483, 5-8-1757, notaris Daniel van den Brink,
10504, 3-7-1759, idem,
10803, 3-5-1763, notaris Salomon Dorper,
11431, 20-8-1763, notaris Philippe de Marolles,
Aangaande Sara Petronella de Jong, weduwe Meijnard Trooijen:
4239, 1-5-1719, notaris Van der Groe,
6158, 5-3-1726, notaris Pieter Schabaelje,
8993, 17-7-1750, notaris H. de Wolff,
9002, 3-11-1752, idem,
10433, 16-12-1750, notaris Daniel van den Brink,
10530, 7-10-1762, idem,
Aangaande Maria Palm, weduwe Jan van Vollenhoven:
9411, 9-6-1746, notaris Mathijs Maten de Jonge,
8699, 6-5-1733, notaris Adrian Baars,
Aangaande Johanna Maria Slagregen, weduwe Abraham Verhamme:
10346, 15-2-1743, notaris Daniel van den Brink,
10364, 17-11-1744, idem,
10502, 10-5-1759, idem,
Aangaande Maria Jacoba van Uggelen:
9141, 6-12-1738, notaris Jan Ardinois,
9167, 7-3-1743, idem,
9186, 20-5-1746, idem,
10521, 4-7-1761, notaris Daniel van den Brink,
14129, 8-5-1762, notaris Paulus Huntum,
14168, 5-3-1776, idem,
15598, 6-3-1776, notaris A. Mijlius,
Aangaande Weduwe Jan Bronkhorst:
9229, 29-8-1753, notaris Jan Ardinois,
10760, x-6-1755, notaris Salomon Dorper,
10772, 9-2-1785, notaris idem,
12327, 29-5-1751, notaris Cornelis van Homrigh,
16414, 30-9-1774, notaris Jan Harmsen,
16427, 28-12-1797, idem,
Aangaande Weduwe Gillis Clermont:
10474, 10-8-1756, notaris Daniel van den Brink,
8612, 20-10-1725, notaris Adrian Baars,
8613, 12-12-1725, idem,
10750, 6-4-1753, notaris Salomon Dorper,
• Archief van de weeskamer (5004),
• Archief van kwijtscheldingen,
• Familiearchieven:
Archief van de familie Vogel en aanverwante families (332):
290, 291: notariele akten aangaande Maria Bosch, weduwe David van Halmael,
303, 304: notariele akten aangaande Johanna Maria Slagregen, weduwe Abraham Verhamme,
Archief van de familie de Bruine en aanverwante families (1050):
3 en 4: genealogie van de familie Maillart (aangaande de weduwe David Maillarts),
• Archief van de koopmansboeken (5060),
• Klappers op de doop-, ondertrouw- en begraafboeken,
• Klappers op de poorterboeken.
{mospagebreak}
Bibliografie

• Barbour, V., Capitalism in Amsterdam in the seventeenth century (Baltimore 1950),
• Barth-Scalmani, G., "Salzburger Handelsfrauen, Frätschlerinnen, Fragnerinnen: Frauen in der Welt des Handels am Ende des 18. Jahrhunderts", L"homme 6 (1995) 23-45,
• Bennet, J., ""History that stands still": women"s work in the european past (a review essay)", Feminist studies 14-2 (1988) 269-283,
• Berg, M., "Women"s work, mechanisation and the early phases of industrialisation in England", in: P. Joyce ed., The historical meanings of work (Cambridge 1987) 64-98,
• Boogaard, M. van den, Johanna Maria Daemen, 1658-1733, koopvrouw te Amsterdam (scriptie aan de UvA, 1979)
• Clark, A,., Working life of women in the seventeenth century (Londen en New York 1992, 3e editie),
• Dekker, R., "Revolutionaire en contrarevolutionaire vrouwen in Nederland, 1780-1800", Tijdschrift voor Geschiedenis 102 (1989) 545-563,
• Deu
Bericht geplaatst in: artikel