UITBREIDING VAN DE EUROPESE UNIE: KANDIDAATLAND POLEN

Geplaatst op 1 januari 2005
Door de twee grootste en machtigste landen van West-Europa, Duitsland en Frankrijk, economisch te verbinden, zou de kans op oorlog aanzienlijk afnemen.
Inleiding
Na de Tweede Wereldoorlog werd er door de West-Europese landen gezocht naar een vorm van samenwerking die een nieuwe oorlog zou kunnen voorkomen. Omdat politieke samenwerking in de praktijk niet mogelijk bleek te zijn, werd gekozen voor economische. Door de twee grootste en machtigste landen van West-Europa, Duitsland en Frankrijk, economisch te verbinden, zou de kans op oorlog aanzienlijk afnemen. Bijkomend voordeel van deze samenwerking was, dat Europa hierdoor in aanmerking kwam voor Marshallhulp van de Verenigde Staten, bedoeld om het grote tekort aan grondstoffen, machines en levensmiddelen aan te vullen en de handel te stimuleren. Een belangrijke eis van de Amerikanen was echter een gecoördineerd plan van aanpak van de Europese landen die hulp wensten te ontvangen.

België, Nederland en Luxemburg hadden al tijdens de Tweede Wereldoorlog een verdrag gesloten dat na de oorlog moest gaan leiden tot de afschaffing van de invoerrechten en andere douanerechten. Op 1 januari 1948 trad dit verdrag in werking waardoor de Benelux tot stand kwam. De economische samenwerking op Europees niveau kreeg in 1951 vorm met de integratie van de kolen- en staalindustrieën van de Benelux-landen, Frankrijk, West-Duitsland en Italië: de EGKS. De regeringen droegen hun beslissingsbevoegdheid over productie en prijzen op het gebied van kolen en staal over aan een supranationaal orgaan: de Hoge Autoriteit. In 1957 tekenden deze zes landen ("de Zes") in Rome twee verdragen, die leidden tot de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). De EEG had tot doel een gemeenschappelijke markt tot stand te brengen, waarin vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal tussen de lidstaten zou zijn. De onderlinge douanerechten van de lidstaten moesten worden afgeschaft en er zou een gemeenschappelijk douanetarief komen voor landen buiten de EEG. Euratom kreeg de taak te werken aan de ontwikkeling en toepassing van kernenergie.

Tot 1967 hadden de EEG, EGKS en Euratom een eigen bestuur. Vanaf 1967 kwamen de drie instellingen onder één bestuur. De volgende instituties werden opgericht:
- één Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de instellingen,
- een Raad van Ministers, die de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid had,
- het Europees Parlement, samengesteld uit leden van de nationale parlementen,
- een Europees Hof van Justitie, dat geschillen tussen de EGKS-landen moest oplossen.

Binnen de EG leefde de gedachte dat samenwerking op economisch gebied verstevigd moest worden met monetaire en politieke samenwerking. Eind jaren zeventig werd het Economische Monetaire Stelsel (EMS) ingevoerd, dat ervoor moest zorgen dat de wisselkoersen tussen de Europese munten niet teveel zouden schommelen. Daarnaast kwam de Europese Politieke Samenwerking (EPS) tot stand. De EPS hield in dat de EG-regeringen in ieder geval twee keer per jaar bijeenkwamen, waarbij geprobeerd werd het buitenlands beleid van de lidstaten op elkaar af te stemmen. In 1973 traden Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken toe tot de EG. In 1981 kwam Griekenland er bij en in 1986 werd de EG uitgebreid met Spanje en Portugal.

Begin jaren tachtig kwam er een ernstige stagnatie in het Europese integratieproces. Door de slechte economische situatie richtten de landen zich meer op hun binnenlandse problemen dan op voortzetting van de Europese samenwerking. De integratie was toe aan een nieuwe impuls en kreeg die ook in 1987 met de ondertekening van de Europese Akte, waarin de afspraken waren vastgelegd die de totstandkoming van de interne markt moesten versnellen. Binnen deze interne markt zouden de grenzen tussen de EG-landen komen te vervallen, zodat vrij verkeer van personen, kapitaal, producten en diensten vanaf het einde van 1992 mogelijk zou worden. Een belangrijke verdragswijziging kwam tot stand in december 1991 in Maastricht met het Verdrag betreffende de Europese Unie, ook wel het Verdrag van Maastricht genoemd. De kern van dit verdrag was de oprichting van de Europese Unie. De EU omvat: - alle verdragsbepalingen van de EG zoals die vastgelegd werden in de Verdragen van Rome en de Europese Akte.
- het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) en samenwerking op het gebied van binnenlandse zaken en justitie.
Dit verdrag trad op 1 november 1993 in werking en sindsdien spreekt men van de Europese Unie in plaats van de Europese Gemeenschap.

Het meest concrete resultaat van de onderhandelingen in Maastricht vormde het plan tot oprichting, uiterlijk in 1999, van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Die oprichting zou in drie fasen plaatsvinden:
- in de eerste fase stemden de lidstaten hun economische beleid op elkaar af;
- in de tweede fase tweede ging de EU zich (vanaf 1 januari 1994) ook bezighouden met de afstemming van het begrotingsbeleid van de lidstaten. Daarvoor werd het Europees Monetair Instituut opgericht als voorloper van de Europese Centrale Bank (ECB), die als onafhankelijke bank het monetair beleid bepaalt;
- in de derde fase, die op 1 januari 1999 is ingegaan, zou er een koppeling van de wisselkoersen, komen, evenals de ingebruikname van de girale euro en de introductie van de eurobankbiljetten en -munten. In 2002 is de euro als fysieke munt in de lidstaten in gebruik genomen.

In 1995 breidde de EU zich uit met Finland, Oostenrijk en Zweden, waarmee het aantal lidstaten op vijftien is gekomen. Nog eens twaalf andere landen hebben het lidmaatschap van de EU aangevraagd. Over één van de belangrijkste landen die lidmaatschap hebben aangevraagd, te weten Polen, gaat dit werk. Uitbreiding zonder Polen, met haar 38,8 miljoen inwoners een grote afzetmarkt, lijkt niet mogelijk, ook met het oog op de toekomstige Europese geopolitieke orde.

De hoofdvraag die beantwoord gaat worden is:
Wat zijn de verwachtingen van de lidstaten van de Europese Unie ten opzichte van de toetreding van Polen, en wat verwacht Polen zelf van haar toetreding tot de Europese Unie?

Het beantwoorden van deze vraag is onderverdeeld in drie deelvragen, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar de eerste twee hiervan. De deelvragen die gesteld worden zijn:
- Wat zijn de redenen dat Polen lidmaatschap van de Europese Unie aanvraagt?
- Hoe groot of hoe klein is het draagvlak voor toetreding in Polen?
- kiesstelsel
- sociaal-economische omstandigheden
- invloed van regio"s
(Hoe groot is de kans dat het Poolse referendum een nee-stem zal opleveren?)
- Welke problemen zijn er te verwachten in de toekomst als Polen toetreedt? dit
Wat zijn de redenen dat Polen lidmaatschap van de Europese Unie aanvraagt?
Eén van de belangrijkste redenen dat Polen lidmaatschap van de EU aanvraagt, is dat zij als EU-lid hoopt aanspraak te kunnen maken op hulpfondsen die verstrekt worden in het kader van het Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB). Hier ligt echter tegelijkertijd een groot probleem. De Poolse landbouw zal namelijk ingrijpend moeten worden hervormd en gesaneerd voordat zij daadwerkelijk aanspraak kan gaan maken op hulpfondsen.

{mospagebreak}
Vanaf 1989 begon Polen via de zogenaamde "shock-therapy" aan haar lange weg naar een markteconomie. De zloty kreeg een vaste koers ten opzichte van de dollar, en de handel werd meer op het Westen gericht. Na een zware crisis, die gepaard ging met veel werkloosheid, een laag BNP, een hoge inflatie en een zeer lage levensstandaard, begon het beter te gaan met Polen in de jaren "90. Er bleven echter wel minimumprijzen voor landbouwproducten bestaan en de importheffingen werden verder verhoogd om de boeren te beschermen. Dit zijn nu belangrijke struikelblokken in de onderhandelingen met de Europese Unie over toetreding. De ingezette privatisering verloopt tot op heden erg moeizaam. De boeren hebben niet genoeg kapitaal om veel grond van de staat te kopen, en de staatsgrond ligt bovendien in het noorden en westen van het land, terwijl de geprivatiseerde bedrijven in het centrum en het zuiden liggen. Boeren voelen er weinig voor om land aan te kopen dat honderden kilometers van hun huis verwijderd ligt. Bovendien verloopt de privatisering veel te langzaam: als er op deze snelheid wordt geprivatiseerd, “duurt het nog ruim 30 jaar voordat de privatisering van staatsbedrijven is voltooid." Ook de modernisering van basisinfrastructuur als wegen, waterleidingen en telecommunicatie is nog niet voltooid.

In Polen is een relatief hoog percentage van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw, terwijl deze sector slechts 6% van het BBP oplevert. De meeste boerenbedrijven zijn kleinschalig, veel boeren bezitten maar één of twee hectare grond. Van de twee miljoen Poolse boerenbedrijven was in 1998 maar 44% groter dan 5 ha en maar 8,5% groter dan 15 ha. In heel Polen zijn maar negen landbouwbedrijven met een oppervlakte van meer dan vijftig hectare. De meeste boerenbedrijven kunnen niet concurreren met de grotere bedrijven uit hun eigen land en de lidstaten van de EU en produceren daarnaast vaak grotendeels voor eigen gebruik. Daardoor kunnen ze in de toekomst waarschijnlijk geen aanspraak maken op inkomenssteun van de Europese Unie. Het saneren van de landbouw is problematisch: er is niet genoeg werkgelegenheid in de industrie en de dienstensector om de arbeidskrachten uit de landbouwsector die vrijkomen bij een grootschalige sanering op te nemen.

Om kandidaatlanden tegemoet te komen bij het aanpassen aan de door de EU gestelde criteria om toe te mogen treden, geeft de Europese Unie steun aan kandidaatlanden, "pre-accession support". Deze steun kan worden onderverdeeld in drie hoofdprogramma"s: Phare, Ispa en Sapard. Phare is bedoeld om te helpen bij het opzetten van overheidsinstanties die de EU-regels gaan uitvoeren. Ispa is gericht op hulp bij het voldoen aan de door de EU gestelde milieumaatregelen en de bouw van grote infrastructurele werken. Sapard tenslotte richt zich specifiek op de problemen van het platteland en de landbouw. Polen ontving in de periode 2000-2002 jaarlijks €398 miljoen aan Phare-gelden, €168,6 miljoen aan Sapard-gelden (berekend in € van 1999) en tussen €312 en €385 miljoen aan Ispa-gelden. Het Sapard-geld wordt ingezet om het sterke punt van de Poolse landbouw, de goede klimatologische omstandigheden, te benadrukken, en de zwakke punten, onder andere het lage opleidingsniveau, slechte verkaveling, zwakke infrastructuur en slechte toegang tot kapitaal, verder te ontwikkelen. Ondersteuning via deze programma"s vindt altijd plaats op basis van "co-financiering": de overheid van het kandidaat-land moet ook een deel van de investeringen voor zijn rekening nemen.

Met toetreding komt een andere doelstelling ook dichterbij voor Polen: de invoering van de Euro. De Poolse minister van financiën, Grzegorz Kolodko, heeft aangegeven dat Polen de Euro al in 2006 wil invoeren. Volgens het Verdrag van Maastricht mogen landen die de Euro willen invoeren een begrotingstekort hebben van 3% van het BNP; Polen zit op dit moment op 3,9%, maar kent wel een lage inflatie. Dit is voor Kolodko reden genoeg voor optimisme. In het rapport van de Economische en Monetaire Commissie van het Europese Parlement uit 2000 wordt de invoering van de Euro in de huidige kandidaatslanden echter sceptischer ontvangen; er wordt op gewezen, dat er voor deze landen geen weg terug zal zijn uit het EMU-stelsel (geen opt-out). De kandidaatslanden zullen vertegenwoordigd zijn in de Algemene Raad van de ECB, maar hoeven geen externe reserves over te dragen en hoeven geen aandeel in het kapitaal van de ECB te storten.

Mogelijke toekenning van hulpfondsen en invoering van de Euro zijn echter zeker niet de enige drijfveren om lidmaatschap aan te vragen: het gaat Polen ook om gelijkwaardigheid en erkenning. De toetreding van Polen wordt door pro-Europese tijdschriften waaronder "Unia & Polska" gezien als een "vlucht uit de periferie": “Polen is de afgelopen zestig jaar ingeklemd geweest tusen naziterreur en communistische terreur. De EU is onze kans om toe te treden tot de beschaving." Renée Postma benadrukt de unieke kans voor Polen: “Tussen het einde van de achttiende eeuw en het einde van de Eerste Wereldoorlog bestond het land Polen domweg niet: Warschau was Russisch, Kraków/Krakau Habsburgs en Wroclaw/Breslau Duits. Polen is na de Tweede Wereldoorlog tweehonderd kilometer naar het westen verhuisd. Alles en iedereen kwam van zijn plaats maar Polen bleef in de periferie van Europa. […] Politici - althans de meesten van hen - hopen nu eindelijk aansluiting te vinden bij het kloppend hart van Europa." Financiële compensatie van de Poolse boeren biedt hen de mogelijkheid om de ontwikkeling waar de andere lidstaten veertig jaar over gedaan hebben, in tien jaar door te maken. Een van de problemen waar de Poolse regering zich op dit moment echter voor gesteld ziet, is hoe toetreding tot de EU te verkopen aan de boeren.

In de onderhandelingen wordt op dit moment uitgegaan van een steun van 25% van het bedrag dat aan boeren uit de "oude" lidstaten wordt verstrekt. Het is begrijpelijk dat boeren hier ontevreden over zijn, en twijfelen of de Europese Unie wel het walhalla is dat hen beloofd wordt. Wel moet gezegd worden, dat Warschau haar poot behoorlijk stijfhoudt, en bereid is te vechten voor de Poolse belangen. Afgelopen week heeft zij een miljard Euro aan extra toezeggingen losgekregen bij de lidstaten, en zij vecht voor nog eens een miljard. Het is sterk de vraag of dit zal lukken, omdat het eerste miljard, een belofte van de Deense regering, al ver boven het mandaat dat zijn als EU-voorzitter van de andere lidstaten heeft gekregen uitgaat. Belangrijk in de strijd tussen voor- en tegenstanders van toetreding is de positie van de Paus, die gezegd heeft dat de toekomst van Polen binnen de Europese Unie ligt. In zijn toespraak in het Poolse parlement zei hij dat de integratie van Polen met de Europese Unie van het begin af door de Heilige Stoel is gesteund.

{mospagebreak}Hoe groot of hoe klein is het draagvlak voor toetreding in Polen?
Binnen de Poolse samenleving zijn er verschillende beroepsgroepen, waaronder een grote groep ongeschoolde arbeiders en boeren, die tegen toetreding tot de EU zijn. Het boerenprotest tegen de toetreding wordt politiek verwoord door de oppositionele Boerenpartij (PSL). De PSL is in principe wel voorstander van toetreding, maar stelt hieraan strenge eisen, waaronder een overgangsregeling van een aantal jaren voor de Poolse landbouw. Hierdoor blokkeert zij goed bekeken de onderhandelingen met de commissies van de EU. Een aantal andere, in de Sejm (Poolse Tweede Kamer) vertegenwoordigde politieke partijen deelt het wantrouwen jegens de EU. De Verkiezings Actie Solidariteitspartij (AWS), de grootste partij bij de verkiezingen in september 1997, vreest de gevolgen van privatisering, buitenlandse investeringen en herstructurering van onrendabele sectoren van de economie. Een deel van de AWS meent bovendien dat “toetreding een gevaar zal opleveren voor de handhaving van bestaande nationale, christelijke en familiewaarden." De Confederatie voor een onafhankelijk Polen (KPN), een voormalig onderdeel van de AWS, is sterk nationalistisch en pleit voor nauwere samenwerking met de andere Visegrad-landen en de voormalige Sovjetrepublieken tussen de Oostzee en de Zwarte Zee. De EU betekent volgens deze partij slechts uitbuiting. Ook de nationalistische Beweging voor de Wederopbouw van Polen (ROP) is tegen toetreding: zij is tegen de overdracht van nationale bevoegdheden aan internationale organisaties en wil buitenlandse investeringen beperken. Ook de oppositiepartijen Zelfverdediging en de Liga van Poolse Gezinnen (LPR) zijn duidelijke anti-EU-partijen. Zij hameren er op, dat EU-campagnechef Slawomir Wiatr in de communistische tijd als geheim agent werkzaam is geweest: “Moet Polen door een voormalig agent Europa binnen worden geloodst?"

Hiertegenover staan twee partijen die zich juist pro-Europees opstellen. De eerste is de post-communistische SLD. Van der Meulen weet niet of het pro-Europese standpunt dat de SLD inneemt gemeend is; hij vermoedt dat de SLD hiermee slechts "haar democratische gezindheid wil tonen en beschuldigingen omtrent oude en nieuwe banden met Moskou wil logenstraffen." De (relatief kleine) Vrijheidsunie (UW) is daarentegen zeker gemeend pro-Europees, en houdt zich als enige partij serieus bezig met de details van de onderhandelingsdossiers van de EU. De aanhang van de UW is echter sterk gedaald.

Uit een in 1998 verricht onderzoek bleek, dat bij een referendum over toetreding 64% van de bevolking vóór zou stemmen, en maar 9% tegen. 60% van de bevolking bleek tegelijkertijd niet of nauwelijks geïnteresseerd te zijn in de Europese Unie. In 1999 bleek, dat nog maar ruim 50% van de bevolking vóór was en dat inmiddels 26% tegen was. Desondanks meent Aleks Szczerbiak dat de grootste bedreigingen bij een eventueel referendum apathie en een lage opkomst zijn. In zijn artikel heeft hij ook een sociaal-economische onderverdeling gemaakt, die als bijlage bij dit hoofdstuk is gevoegd.

De Polen twijfelen of zij wel net zoveel zullen profiteren van het lidmaatschap als de huidige lidstaten. Bovendien zijn ze bang voor het effect van toetreding op de economie en de levensstandaard. Van de mensen die hebben aangegeven, vóór te gaan stemmen, is het grootste deel wat Szczerbiak "Euroneutral" noemt: ze zijn tevreden met toetreding, maar niet enthousiast. En hier ligt het gevaar, want deze mensen kunnen van essentieel belang zijn bij een eventueel referendum. Nu is het natuurlijk zo, dat te verwachten was dat de steun voor toetreding zou dalen op het moment dat de toetredingsonderhandelingen daadwerkelijk begonnen. Op dat moment werd duidelijk, dat Polen concessies zou moeten doen, in de vorm van economische en sociale hervormingen. Hierdoor bestaat er een kans, dat de toetreding tot de Europese Unie in de gedachten van de bevolking gelijkgesteld gaat worden met moeilijke, ingrijpende hervormingen, hetgeen de steun verder zou kunnen doen dalen. Een bijkomend probleem is echter, dat politieke partijen het debat over toetreding geïdeologiseerd hebben. Naast een scherpe vóór-tegen deling, wordt het vóór-kamp verdeeld in "duiven" en "haviken", dat wil zeggen een groep die bereid is concessies te doen aan Brussel en een groep die een harde lijn aanhoudt.

Interessant in het artikel van Szczerbiak is de sociaal-economische onderverdeling die hij maakt wat betreft de vóór- en tegenstanders van toetreding. Volgens zijn tabel uit 1999, is het grootste percentage vóórstemmers de groep tussen de 18 en 24 jaar, woonachtig in een stad met 21.000 tot 100.000 inwoners, die een hogere opleiding heeft genoten. De beroepsgroepen die toetreding tot de EU steunen zijn met name managers, zakenlieden en studenten: groepen met een wekelijks inkomen van meer dan 800 zloty"s. Opvallend is ook, dat het hoogste percentage vóór te vinden is bij het gedeelte van de bevolking dat nooit naar de kerk gaat. Het hoogste percentage tegenstemmers komt uit de bevolkingsgroep van 35 tot 44 jaar, woonachtig in kleine dorpen, die slechts de basisschool heeft afgerond. De tegenstemmers zijn met name de boeren (58%), gepensioneerden en werknemers op hoge posities, hetzij in het ambtenarenapparaat, hetzij in het bedrijfsleven. De grootste groep tegenstanders van toetreding verdient 399 zloty"s of minder per week en bezoekt verschillende keren per jaar de kerk.


{mospagebreak}Welke problemen zijn er te verwachten in de toekomst als Polen toetreedt?
De huidige lidstaten wijzen op een aantal (mogelijke) problemen rond de toetreding van de kandidaatlanden. Allereerst is er binnen verschillende kandidaatlanden, waaronder Polen, nog steeds sprake van corruptie, ook in overheidsinstellingen. Overheidsinstellingen werken bovendien behoorlijk inefficiënt. Hoewel Polen al een aantal wetten heeft aangenomen om deze problemen te beperken, zal het zeker nog enkele jaren duren, voordat deze problemen als opgelost beschouwd mogen worden.

Ten tweede wordt gewezen op het probleem van de grensbewaking. Als Polen toetreedt, komt de buitengrens van de EU bij Polen te liggen. Men verwacht dat de Poolse grensbewaking niet in staat zal zijn de stoom illegale immigranten die Europa probeert binnen te dringen tegen te houden. De controles langs de binnengrenzen tussen de "oude" en de nieuwe lidstaten zullen pas worden opgeheven als de EU-lidstaten het er unaniem over eens zijn dat de controles aan de buitengrens in orde zijn. Dit is bij eerdere toetredingen ook gebeurd: tussen de toetreding van Griekenland en de opheffing van de controles langs de binnengrenzen zat acht jaar.

Een derde probleem dat samenhangt met de toetreding van de kandidaatlanden is de vraag of de EU nog wel bestuurbaar zal zijn met 25 lidstaten. De "big bang" zal voor problemen zorgen in de structuur, de werkbaarheid en het stemsysteem binnen de EU. Om de problemen die door de grote uitbreiding ontstaan te onderzoeken is in het verlengde van de Europese Raad van Laken in december 2001 de Europese Conventie opgericht, een commissie die bestaat uit ruim honderd parlementariërs en andere EU-vertegenwoordigers, onder leiding van voormalig Frans president Valéry Giscard d"Estaing (vice-voorzitters zijn Giuliano Amato en Jean-Luc Dehaene). In het voorjaar van 2003 zal de Europese Conventie haar aanbevelingen doen aan de Europese Raad. Ook de voedselveiligheid in Poolse slachthuizen baart de EU-lidstaten grote zorgen: er is op dit terrein de afgelopen jaren weinig vooruitgang geboekt.

Tenslotte vormen Europese (industrie-) milieunormen een groot probleem voor Polen. Omdat 97% van de opgewekte stroom afkomstig is uit energiecentrales die kolengestookt zijn, is er teveel milieuverontreiniging. De kerncentrales vormen bovendien een probleem, door een gebrek aan onderhoud. Als er nieuwe, geavanceerde centrales gebouwd worden, zullen er onherroepelijk werknemers ontslagen moeten worden, omdat deze centrales met minder mensen draaiend te houden zijn. Waarschijnlijk zal er een overgangstermijn vastgesteld moeten worden waarbinnen de kandidaatlanden moeten gaan voldoen aan de Europese normen.

{mospagebreak}Conclusie
De hoofdvraag die beantwoord wordt in dit werkstuk is: Wat zijn de verwachtingen van de lidstaten van de Europese Unie ten opzichte van de toetreding van Polen, en wat verwacht Polen zelf van haar toetreding tot de Europese Unie?

Polen verwacht door haar toetreding hulpfondsen te kunnen gaan aanspreken, met name op landbouwgebied. Hierbij dient direct opgemerkt te worden dat het nog niet zeker is dat Polen inderdaad geld uit de hulpfondsen zal ontvangen, omdat zij daarvoor aan strenge regels moet voldoen, die een verdere (pijnlijke) herstructurering en sanering van de landbouw vereisen. Door toetreding wil Polen een stap zetten richting de invoering van de Euro. Op dit moment voldoet Polen (nog) niet aan de door het Verdrag van Maastricht gestelde eisen met betrekking tot het begrotingstekort en de staatsschuld, maar toetreding tot de EU is zeker een stap in de richting van invoering van de Euro.Tenslotte wil Polen weg uit de periferie, en toetreden tot het kloppende hart van Europa. Deze drijfveer wordt met name door politici keer op keer benadrukt. Bij de bevolking lijkt dit minder te spelen.

De lidstaten van de EU zien in Polen zeker een toekomstig lid. Polen is een grote afzetmarkt, en een handelspartner van veel van de lidstaten. Ook het (ideologische) verbinden van Oost en West wordt als argument gebruikt. De netto-betalers aan de EU, waaronder Nederland, vrezen echter wel, dat de inkomenssubsidies aan Poolse boeren te veel geld gaan kosten. Zij stellen daarom strenge voorwaarden aan de verstrekking van hulpfondsen, en willen slechts een deel van de oorspronkelijke inkomenssteun die de boeren uit de "oude" lidstaten kregen betalen. Andere discussiepunten zijn corruptie, grensbewaking, milieunormen, voedselveiligheid en de structuur van de EU. De structuur van de EU zal aanzienlijk gewijzigd moeten worden, als er twaalf nieuwe lidstaten bijkomen. Hoe de EU er instituuts- en structuurmatig precies uit moet gaan zien, wordt op dit moment onderzocht door de Europese Conventie.

Uitbreiding zonder Polen, met haar 38,8 miljoen inwoners een grote afzetmarkt, lijkt niet mogelijk, ook met het oog op de toekomstige Europese geopolitieke orde. Polen is bovendien, ondanks de vele problemen, op de goede weg, en werkt hard om aan de eisen van de EU te (gaan) voldoen.
Bericht geplaatst in: artikel