TRIOMF VAN HET HISTORISME

Geplaatst op 1 januari 2005 door Julie Mosmuller
Ranke formuleerde het historisme als legitimatie van de eigen historische methode en gaf de geschiedenis een eigen identiteit. Maar het historisme raakte in een crisis.
Inleiding
De geschiedenis heeft geen rust gekend sinds zij in de negentiende eeuw een onafhankelijke wetenschap werd. Positivisten verweten de historicus dat zijn methodes tekortschoten en dat een historisch verhaal geen wetenschap was. Ranke formuleerde het historisme als legitimatie van de eigen historische methode en gaf de geschiedenis een eigen identiteit. Maar het historisme raakte in een crisis. Na de Tweede Wereldoorlog bracht de smet van politiek quiëtisme in de Nazi-tijd het historisme zelfs in diskrediet. Historici moesten voor een degelijke methodiek maar bij de sociale wetenschappen lenen. Met name economisch en sociaal historici gaven hier gehoor aan, maar het overgrote deel van hun vakgenoten bleef trouw aan de eigen methode, wetenschappelijk of niet.

Frank Ankersmit raakte na zijn studies geschiedenis en filosofie geboeid door deze discrepantie tussen historische praktijk en wetenschapsfilosofische theorie. Zijn proefschrift "Narrative Logic" (1981) is een verdediging van de wetenschappelijkheid van de historische kennis. Met behulp van het narrativisme blies hij het historisme nieuw leven in en gaf hij de geschiedenis weer een eigen onbetwistbare identiteit.

Voor Ankersmit staan de historische tekst en de historische werkelijkheid los van elkaar. Historisch onderzoek gaat over het verleden, maar de synthese van de bevindingen van het onderzoek, de tekst, heeft met dat verleden niets van doen. Ze is slechts een voorstel om het verleden op een bepaalde manier te bekijken. Aangezien elk voorstel uniek (want nooit identiek) en niet-referentieel (want geen band met het verleden) is, verklaart elke historische tekst zichzelf. De historische werkwijze beschikt dus over voldoende verklaringswaarde en er is geen enkele reden methodiek te lenen bij de sociale wetenschappen.

In 1985 vertrok Ankersmit met een beurs voor een studiereis van een half jaar naar de Verenigde Staten. Hij wisselde van gedachten met Amerikaanse wetenschapsfilosofische denkers en geleidelijk aan nam zijn denken een andere wending. De laatste modernistische principes werden over boord gezet en de weg naar het postmodernisme lag open. Het narrativistische idee dat het historische verhaal een ordening geeft aan het verleden kreeg een radicale wending. Ankersmit stelde namelijk dat de narratio niet tracht het verleden af te beelden, maar door representatie de plaats van de werkelijkheid in wil nemen. Net als een schilderij van Braque tracht het historische verhaal niet de werkelijkheid uit te beelden, maar wil het in plaats van de werkelijkheid komen te staan.

In deze biografie zal het denken van Ankersmit gevolgd worden van zijn moderne naar zijn postmoderne fase. Tevens zal gekeken worden naar in hoeverre Ankersmit er in slaagt de geschiedenis een eigen gerechtvaardigde methode te geven. In het eerste hoofdstuk zal Ankersmits moderne narrativisme en historisme bekeken worden en in het tweede hoofdstuk zijn postmoderne representatisme en esthetisme. Hoofdstuk drie vormt de conclusie.

Hoofdstuk 1- De moderne fase

Na een paar jaar wis- en natuurkunde gestudeerd te hebben, begon Frank Ankersmit eind jaren zestig met de studie geschiedenis. (Dit hoofdstuk berust op een synthese van: Ch. Lorenz, "Het masker zonder gezicht. F.R. Ankersmits filosofie van de geschiedschrijving" Tijdschrift voor Geschiedenis 97 (1984) 169-194, F.R. Ankersmit, "Een moderne verdediging van het historisme. Geschiedenis en identiteit" Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 96 (1981) 453-474 en Ch. Lorenz, De constructie van het verleden. Een inleiding in de theorie van de geschiedenis (5e druk; Amsterdam 1998) 107-115,) In 1973 studeerde hij af en ging hij filosofie studeren. In 1981 promoveerde hij bij Professor Mooij en bij Professor Kossmann op een proefschrift in de filosofie, over de geschiedtheorie, "Narrative Logic. A semantic analysis of the historian"s language". Professor Mooij was hoogleraar in de analytische filosofie en later ook in de algemene literatuurwetenschap. In de tijd dat Ankersmit bij hem promoveerde, schreef hij veel over de metafoor, een thema dat bij Ankersmit terug te vinden is. Professor Kossmann was hoogleraar in de geschiedenis na de Middeleeuwen, met een bijzondere belangstelling voor politieke theorie. Hij schreef ook over het historisme en Huizenga; invloeden die duidelijk in het werk van Ankersmit te zien zijn.

De modern narrativistische filosofie die Ankersmit uiteenzette ter verdediging van het historisme is origineel, gedurfd en goed doordacht en uitgewerkt. Het leverde Ankersmit internationaal erkenning en succes op en hij wordt in een adem genoemd met bekende geschiedfilosofen als Hayden White, Louis Mink, Arthur Danto en Jacques Derrida.

1.1 Narratief idealisme
Ankersmits filosofische bouwwerk begint bij het maken van een onderscheid tussen geschiedvorsing en geschiedschrijving. Het historisch onderzoek probeert te achterhalen hoe de historische werkelijkheid werkelijk in elkaar zat, maar het historische verhaal probeert de onderzoeksresultaten een verhalende samenhang te geven zodat er een totaalbeeld ontstaat. De singuliere uitspraken waaruit het verhaal bestaat zijn niet narratief, het verhaal in zijn geheel wel Geschiedschrijving is narratief; geschiedvorsing is niet-narratief.

Verder zijn er drie thesen waarmee Ankersmit de geschiedschrijving een narratief fundament geeft. De eerste these is dat het historische verhaal, de narratio, niet gezien mag worden als een afbeelding van het verleden. De tweede these is dat voor een goed inzicht in de narratio er behoefte is aan een nieuwe logische identiteit, de "narratieve substantie". Deze narratieve substantie is een manier om het verleden te bezien. De derde these is dat de narratio een fundamenteel metaforisch karakter heeft.

Met de eerste these zet Ankersmit zich af tegen het "narratieve realisme" dat de verhouding tussen de historische werkelijkheid en een historisch verhaal ziet als de verhouding tussen een landschap en een schilderij van dat landschap. Er is volgens Ankersmit een structurele kloof tussen het verleden en de narratio. De narratio vertelt het verleden door middel van entiteiten die geen deel uitmaken van het verleden zelf en die ook niet verwijzen naar werkelijke historische verschijnselen. Zo"n entiteit is bijvoorbeeld de "Renaissance". Dit is slechts een linguïstische constructie die een samenhang geeft aan de historische werkelijkheid, die zij zelf niet kende. Onderdelen van de singuliere uitspraken waaruit deze entiteit bestaat, verwijzen wel naar die werkelijkheid. Ankersmit verwerpt dan ook de opvatting dat een narratio beoordeeld zou kunnen worden met het waarheids-criterium. Slechts geschiedvorsing heeft met dit criterium te maken. De afwijzing van een "narratief realisme" leidt Ankersmit zodoende naar een "narratief idealisme".

Een entiteit als de "Renaissance" noemt Ankersmit een "narratieve substantie". Volgens zijn tweede these stelt een "narratieve substantie" een gezichtspunt voor van waaruit naar het verleden gekeken kan worden. Ze figureert zodoende als een zoeklicht; bepaalde delen van het verleden worden belicht, anderen blijven onderbelicht. Soms hebben "narratieve substanties" een naam, zoals "de Renaissance", "de crisis van de zeventiende eeuw", "het fascisme"of "de uitbuitende klassen", maar vaak zijn ze naamloos. Geen twee "narratieve substanties" zijn hetzelfde. Elke narratio die verhaalt over het fascisme vertelt een ander verhaal, is een andere "narratieve substantie", van een ander fascisme. Elke "narratieve substantie" wordt slechts gedefinieerd door een complete opsomming van alle uitspraken die ze bevat. Elke "narratieve substantie" is uniek en uitzonderlijk en verwijst alleen naar zichzelf (ze is immers niet te herleiden op de feiten).

Dat een "narratieve substantie" alleen naar zichzelf verwijst, dat ze met andere woorden zelf-referentieel is, heeft radicale consequenties voor haar verklaringswaarde. De samenhangen die de unieke "narratieve substantie" "Renaissance" legt, verwijzen niet naar de werkelijkheid, maar naar de "narratieve substantie" zelf. Ze zijn immers door haar zelf geconstrueerd. Het is zodoende onmogelijk om fouten te maken; "narratieve substanties" zijn in zichzelf gefundeerd.

Zoals gezegd is de "narratieve substantie" een voorstel om het verleden op een bepaalde manier te bekijken. Deze "gezichtspunt-functie" van het historisch verhaal leidt naar Ankersmits derde these dat de narratio een fundamenteel metaforisch karakter heeft. Zowel de metafoor als het historische verhaal beschrijven niet alleen de wereld maar definiëren tegelijkertijd een gezichtspunt. Hier ligt het verschil tussen letterlijke en metaforische uitspraken en hierin ligt de surplus-betekenis van metaforische uitspraken. De uitspraak "Hitler is een wolf" bijvoorbeeld. Het is wel degelijk een descriptieve uitspraak, maar daarnaast is het een uitnodiging Hitler op een bepaalde manier te zien. Een "narratieve substantie" bestaat uit descriptieve uitspraken, maar is als geheel niet te reduceren tot deze uitspraken.

Ankersmit pakt ook het probleem van de objectiviteit van de historische kennis aan. Hij doet dit met behulp van het begrip "reikwijdte". Hieronder worden al die standen van zaken verstaan die door uitspraken van de narratio beschreven worden. Als alle uitspraken van een narratio verklaren wat binnen zijn reikwijdte valt, omdat alle uitspraken van de narratio bepalen wat binnen die reikwijdte valt, zijn alle uitspraken van elke narratio juist. De mate van objectiviteit van een narratio valt dan alleen te bepalen door narratio"s die over een aanverwant onderwerp gaan te vergelijken. De narratio die een maximalisatie van surplus-betekenis boven de descriptieve betekenis bewerkstelligt, is volgens Ankersmit de meest objectieve narratio. Een standpunt moet dus meer laten zien dan wat vanuit andere standpunten reeds zichtbaar is. De reikwijdte van een narratio moet zo groot mogelijke worden door de "conventionele component" zo klein mogelijk te maken en zo veel mogelijk invalshoeken te combineren. Met andere woorden: het meest onwaarschijnlijke en originele verhaal is het meest objectief.

1.2 Historism revisisted
Dat een "narratieve substantie" precies bepaald wordt door alle uitspraken die ze bevat, is de narrativistische these die Ankersmit gebruikt om het historisme nieuw leven in te blazen. Een logisch gevolg van deze these is namelijk dat de identiteit van een "narratieve substantie" bepaald wordt door de uitspraken waar ze uit bestaat. En aangezien een "narratieve substantie" de geschiedenis van een bepaald deel van het verleden geeft, betekent dit dat geschiedenissen bepaald worden door de identiteit van historische substanties.

Volgens Ankersmit is de belangrijkste stelling van het historisme juist dat de historische benadering ons in staat stelt de identiteit van de objecten in de socio-historische werkelijkheid op het spoor te komen. Het wezen der dingen ligt volgens het historisme dus in hun geschiedenis, sterker nog de identiteit en de geschiedenis van socio-historische objecten is gelijk. Vanuit deze basisstelling volgen andere stellingen die ook vaak door het historisme verdedigd worden. Als geschiedenis erop gericht is de identiteit van objecten te achterhalen, dan is een individuele benadering te verkiezen boven een generaliserende. Zodoende zien historisten niets in een sociaal wetenschappelijke benadering. Generalisaties zijn uit den boze, maar toekomstvoorspellingen en speculatieve geschiedsystemen helemaal. Geschiedenis wordt bepaald door individualiteit en de rol van menselijke vrijheid is groot, het gaat dus niet aan voorspellingen over de toekomst te doen.

Maar wat Ankersmit bewijst is dat de geschiedenis en de identiteit van de "narratieve substantie" gelijk zijn, terwijl het historisme de geschiedenis en de identiteit van socio-historische objecten gelijk stelt. Aangezien voor Ankersmit de "narratieve substantie" geen link met de historische werkelijkheid heeft, kunnen deze zaken bepaald niet gelijk gesteld worden. Volgens Ankersmit kan dit wel als er een onderscheid gemaakt wordt tussen "individualiteit" en "identiteit". "Identiteit" heeft betrekking op "narratieve substanties" en "individualiteit" op historische dingen. De individualiteit van een specifiek ding is datgene wat het onderscheidbaar maakt van andere dingen.

Volgens Ankersmit is het onjuist te verlangen dat de geschiedenis van een historisch fenomeen in verband gebracht kan worden met de individualiteit van dat fenomeen. De individualiteit van Napoleon I kan door een enkel zinnetje als "de overwinnaar van Austerlitz" gekarakteriseerd worden. Toch is het slechts een complete biografie die de geschiedenis van Napoleon I weergeeft. De geschiedenis van een historisch fenomeen mag zodoende alleen met de identiteit van een "narratieve substantie" gelijk gesteld worden en het narrativisme geeft zodoende een nieuw fundament aan het historisme. Een tweede argument voor de stelling van Ankersmit is dat een "narratieve substantie" een geschiedenis kan geven van een concept dat helemaal niet in de historische werkelijkheid voorkwam en dus ook geen individualiteit heeft.

1.3 Kritiek
Chris Lorenz heeft het werk van Ankersmit veelvuldig bekritiseerd. Lorenz is van huisuit een socioloog en hij wijst posititvistische modellen dan ook veel minder rigoreus af dan Ankersmit dat doet. Hij formuleert in "De Constructie van het verleden" (1987) een derde weg tussen het positivisme en de hermeneutiek (waaronder het narrativisme). Deze weg vindt hij in de historische praktijk waarin historici veel gebruik maken van het abnormalistische model (datgene verklaren wat niet "normaal" is) en van het vergelijkende model (concurrerende verklaringen worden door het aanhalen van tegenvoorbeelden bevestigd of ontkracht). Volgens Lorenz bevindt de verklarende waarde van de geschiedwetenschap zich dan ook bepaald niet in de narratio.

Om te beoordelen in hoeverre Ankersmit er in geslaagd is het historisme nieuw leven in te blazen zal ik Lorenz" kritiek op Ankersmit betreffende dit punt gebruiken. Die kritiek is drievoudig. Ten eerste ontkent hij dat "narratieve substanties" niet naar de historische werkelijkheid verwijzen. Ten tweede betwijfelt hij dat "narratieve substanties" door alle zinnen van een narratio bepaald worden en ten derde stelt hij dat Ankersmits narrativisme een aantal beperkingen met het klassieke historisme deelt.

Lorenz voert twee redenen aan voor de stelling dat historische begrippen wel degelijk een status bezitten buiten de teksten waarin ze voorkomen. De eerste reden is dat het begrip "fascisme" wel degelijk verwijst naar een verschijnsel in de historische werkelijkheid. Dat dit verschijnsel niet meer direct waarneembaar is, doet er niet toe. Planeetstanden uit de jaren dertig zijn ook niet meer waarneembaar, maar daarom nog niet fictief.

De tweede reden is dat de verrekijkermetafoor die Ankersmit ontwikkelde om aan te tonen dat er in de geschiedwetenschap geen behoefte is aan projectieregels tussen de werkelijkheid en de narratio. De sociaal-wetenschappelijke projectieregels geven net zo min automatisch helderheid in een narratio als optische wetten dat in het geval van een verrekijker doen. Linguïstische regels zijn noodzakelijk voor de helderheid van de narratio. Twee andere conclusies die hieruit volgen zijn dat sociaal-wetenschappelijke projectieregels noodzakelijk zijn voor de narratio en dat het historisch verhaal een projectie is van iets reëels. Ankersmit moffelt deze conclusies volgens Lorenz veel te makkelijk weg. De eerste conclusie wuift hij weg door te stellen dat een historisch verhaal natuurlijk prima geschreven kan worden zonder dat men ooit van sociaal-wetenschappelijke projectieregels gehoord heeft. Hij gaat zo voorbij aan de vraag of een historisch verhaal zonder dergelijke projectieregels objectief te noemen valt. De tweede conclusie ontkracht hij door te stellen dat in de geschiedschrijving het projectiemedium (het verhaal) en de projectie (het verleden) samenvallen terwijl bij de verrekijker een onderscheid gemaakt kan worden tussen de lenzen en het beeld dat je erdoor ziet. Lorenz vindt dat de verrekijker-metafoor op deze manier al haar geldigheid verliest.

Dat "narratieve substanties" geconstitueerd worden door alle zinnen die ze bevatten, druist volgens Lorenz recht in tegen het enige wat deze "wazige notie" concretiseert, namelijk de gelijkstelling van "narratieve substantie" en beeld. Een verhaal kan je immers gedeeltelijk lezen zonder dat het beeld dat het verhaal oproept waarneembare veranderingen ondergaat.

Aangezien Ankersmit het nieuwe historisme fundeerde door de "narratieve substantie" en de identiteit van de geschiedenis gelijk te stellen door te beweren dat de "narratieve substantie" uniek was en dat er geen correspondentie was tussen de "narratieve substantie" en de historische werkelijkheid, heeft Lorenz het nieuwe historisme met deze argumenten onderuit gehaald. Hij valt het narrativisme echter nog op een derde punt aan.

Lorenz verwijt het historisme en ook Ankersmits narrativisme een "dieptestructuur" van fundamentele afkeer ten opzichte van de sociale wetenschappen. Dit is ontstaan doordat het historisme ontstond als antipode van het natuurwetenschappelijke positivisme waar de sociale wetenschappen mee aan de haal gingen. Het historisme heeft zodoende een onberedeneerde afkeer van sociaal-wetenschappelijke objecten en van de generaliserende benadering van de sociale wetenschappen. Deze afkeer is met name in de filosofie van de geschiedwetenschap bewaard gebleven en wordt door Ankersmits narrativisme nogmaals bevestigd doordat hij de sociaal-wetenschappelijke methode niet onderzoekt maar alleen bestrijdt.

Alleen wanneer datgene wat "echt" gebeurd is verklaard wordt door haar beschrijving is volgens Lorenz Ankersmits oplossing bevredigend dat de "narratieve substantie" zichzelf verklaard. Dat Ankersmit echter uitdrukkelijk stelt dat de "narratieve substantie" alleen zichzelf verklaard maakt een "positieve beoordeling onmogelijk".

Het eerste argument van Lorenz, dat "narratieve substanties" wel degelijk verwijzen naar de historische werkelijkheid, berust op een foute interpretatie van Ankersmits filosofie. Ankersmit stelt dat "narratieve substanties" als zodanig niet naar de historische werkelijkheid verwijzen, het zijn linguistische eenheden. Maar elementen uit de singuliere uitspraken waaruit "narratieve substanties" opgebouwd zijn, verwijzen wel degelijk naar die werkelijkheid.

Het tweede argument van Lorenz is dat "narratieve substanties" niet bepaald zouden worden door alle uitspraken waar ze uit bestaan omdat een tekst gedeeltelijk gelezen kan worden zonder dat dit waarneembaar een verschil in inhoud maakt. Dit is een naïeve empirische veronderstelling die ervan uitgaat dat slechts wat wij waarnemen waarheid is. Daarnaast is het ook zeer wel mogelijk om een tekst te bedenken waarbij het wel uitmaakt wat er gelezen wordt en wat niet.

Het historisme van Ankersmit is op deze manier van de kritiek van Lorenz gered en Ankersmits poging om de geschiedwetenschap een legitieme autonome werkwijze te geven is dan ook geslaagd, of hij nu wel of niet de sociaal-wetenschappelijke methode had moeten onderzoeken.

Hoofdstuk 2- De postmoderne fase

Nadat Ankersmit zijn proefschrift verdedigd had, legde hij zich toe op het schrijven van een geschiedtheoretisch handboek, "Denken over geschiedenis. Een overzicht van moderne geschiedfilosofische opvattingen" (1983). Tot zijn reis naar de VS in 1985 bleef het een tijdje stil rond de Groningse geschiedfilosoof. Nadat hij aldaar met verscheidene invloedrijke historische denkers waaronder Arthur Danto gesproken had, kwamen de publicaties weer op gang. Hij schreef nu ook voor internationaal gerenommeerde tijdschriften als "History and Theory". Later zou hij in de redactie van dit tijdschrift komen.

In 1990 verscheen een bundel met de belangrijkste artikelen die hij tot dan toe geschreven had, "De navel van de geschiedenis. Over interpretatie, representatie en historische realiteit". De stroom aan publicaties bleef groter worden en in 1992 werd Ankersmit benoemd tot professor in de intellectuele geschiedenis en de historische theorie aan de universiteit van Groningen. In 1994 verscheen "History and tropoly. The rise and fall of metaphor" en in 1996 de eerste twee delen uit de serie "Exploraties" over de geschiedtheorie en de cultuurfilosofie en esthetica. Het derde deel over politieke filosofie volgde in 1997. In datzelfde jaar verscheen "Aesthetic politics. Political philosophy beyond fact and value", ook over politieke filosofie.

Het lijkt erop dat Ankersmits interessen verschoven zijn van de geschiedfilosofie naar de politieke filosofie. Ankersmit: "Ik heb vier geschiedtheoretische boeken geschreven en dat vind ik voorlopig wel genoeg. Ik wil terug naar mijn oude liefde, de politieke filosofie." Bovendien vindt Ankersmit het debat in de geschiedtheorie weinig bevredigend: "Er is nauwelijks sprake van een echt debat." Maar van twee op komst zijnde boeken gaat er al weer een over de historische ervaring.

Nadat Ankersmit in 1985 terugkwam van zijn reis naar de VS en weer ging publiceren, was er een verandering in opvattingen te bemerken. Chris Lorenz heeft het zelfs over Ankersmits moderne fase (tot 1985) en zijn postmoderne fase (van 1985 tot ongeveer 1995). Hoewel Ankersmit zelf schrijft: "Ik heb geen standpunten [en] zie niet de noodzaak om ze in te nemen…" en hoewel Ankersmit altijd vast bleef houden aan de standpunten uit "Narrative Logic", zijn er toch enkele lijnen te benoemen waarlangs Ankersmits denken zich heeft ontwikkeld. Een van die lijnen is een steeds verdere radicalisering en "bekering" tot het postmodernisme. In dit opzicht is er zeker sprake van een breuk en ik sluit mij dan ook aan bij Lorenz" "periodisering" van Ankersmits denken, zoals al bleek uit de hoofdstukindeling.

2.1 Representatie
Het uitgangspunt van de veranderde opvattingen van Ankersmit is de constatering dat er tegenwoordig een enorme overproductie aan historische werken is. Door deze overproductie is het haast onmogelijk geworden over een bepaald onderwerp volledig ingelezen te zijn. Discussies over een historisch onderwerp zullen over de "interpretatie" ervan gaan en het onderwerp "zelf" zal in deze discussies er niet meer toe doen. Met andere woorden "[…] we no longer have any texts, any past, but just interpretations of them".

De traditionele modernistische geschiedschrijving weet zich hier geen raad mee. De modernistische historicus is altijd op zoek naar de historische werkelijkheid die schuilgaat achter de bronnen en het bewijsmateriaal dat hij verzameld heeft. Er zijn twee verschillende invullingen aan dit werkelijkheidsstreven van de modernen. Ten eerste de wetenschapsfilosofische invulling. Men gaat er vanuit dat de historische werkelijkheid uit historische fenomenen bestaat die "beschreven" en "verklaard" moeten worden. Ten tweede de hermeneutische invulling. Het verleden wordt gezien als een zinvol geheel en het is de taak van de historicus om de "betekenis" van historische fenomenen te "interpreteren". Het interpreteren van de betekenis van het verleden kan op een "realistische" en op een "idealistische" manier gebeuren. De realist is van mening dat datgene wat hij schrijft over de betekenis van het verleden een "afspiegeling" van die betekenis is. De idealist is van mening dat datgene wat hij schrijft over de betekenis van het verleden een beeld geeft van die betekenis. Maar als het verleden niet bestaat buiten zijn interpretatie, de tekst, gaat het niet meer aan de historische werkelijkheid te willen verklaren, beschrijven of interpreteren en staat de dichotomie "realisme-idealisme" op losse schroeven. Een historische tekst verwijst naar een historische tekst en de historische werkelijkheid komt hier niet aan te pas.

Ankersmit komt om deze reden met het voorstel om de oude modernistische ideeën te laten voor wat ze zijn en geschiedschrijving voortaan te analyseren in termen van "representatie". Dit vocabulaire is niet slechts in staat de details uit het verleden te verklaren, maar ook de manier op waarop deze details geïntegreerd zijn in het historisch verhaal in zijn geheel. Het is niet noodzakelijk voor representatie dat het verleden een betekenis heeft en toch heeft de historische tekst als representatie wel een betekenis. Deze betekenis geeft zij doordat ze een perspectief biedt waarin de wereld weergegeven kan worden. We worden gedwongen de wereld door andermans ogen te bekijken, net zoals bij een roman of bij een schilderij. De esthetica is dan ook de filosofie van de representatie.

N. Goodman stelt in zijn "Languages of art" (1985) dat denotatie de kern is van representatie. Representatie is met andere woorden het weergeven van de essentie van het gerepresenteerde. Ankersmit stelt dat dit niet overtuigend is omdat bij Madame Tussaud niet slechts een persoonsbeschrijving van Napoleon staat. De bedoeling van een representatie is immers Napoleon te tonen zoals hij er bij leven uitzag. Een wassen beeld wordt als een dummy gebruikt om alle eigenschappen uit te beelden die aan Napoleon toegeschreven worden. Als de dummy verwijst naar Napoleon dan is het dus niet denotatie dat de essentie is van representatie.

De eis dat representatie altijd de aanwezigheid van non-referentiële dummies vereist, brengt Ankersmit bij Arthur Danto. Kunst en dus representatie zijn volgens Danto een substituut voor de werkelijkheid. Het gerepresenteerde kan nooit de representatie vervangen. Er bestaat volgens hem een symmetrie tussen de representatie en het gerepresenteerde; de representatie is een symbool voor de werkelijkheid maar de werkelijkheid is ook een symbool voor de representatie. Zolang we onderdeel van de werkelijkheid zijn, kunnen we namelijk geen inhoud geven aan het concept van de werkelijkheid. Representatie zet ons tegenover de werkelijkheid zodat wij ons bewust worden van die werkelijkheid.

Om uit te leggen waarom het juist de representatie is die ons bewust maakt van de werkelijkheid, haalt Ankersmit de narratieve substantie uit "Narrative Logic" aan. De narratieve substantie van een historisch verhaal is zoals eerder gesteld een verzameling uitspraken die samen de in het historisch verhaal voorgestelde representatie van het verleden belichamen. De narratieve substantie voegt niets toe aan wat de afzonderlijke uitspraken over het verleden uitdrukken, maar is evenmin onmisbaar als we over historische representatie willen praten. Hieruit volgt dat de narratieve substantie gelijk is aan de non-referentiële dummy. Hij stelt de historicus in staat de historische werkelijkheid in een vreemd medium (het narrativistische universum) te tonen.

Ankersmit introduceert nu een tweede logische dummy, "het concept van de werkelijkheid". Representatie is volgens Danto aanleiding tot een concept van de werkelijkheid. Dit concept is een dummy, omdat de werkelijkheid feitelijk een overbodig begrip is. Zij kan immers ook gedefinieerd worden door datgene waar onze uitspraken geldig voor zijn. Het concept van de werkelijkheid is nu de dummy waaraan een ieder en ook iedere representatie invulling aan geeft.

Ware uitspraken nu die historici doen over het verleden zitten ingeklemd tussen deze twee dummies. Ze zijn immers waar ten opzichte van de werkelijkheid (tweede dummy; de uitspraken waar de substantie uit bestaat, beschrijven immers de historische werkelijkheid) en ten opzichte van de narratieve substantie waar zij deel van uitmaken (de eerste dummy; elke narratieve substantie is namelijk zelf-referentieel, zie paragraaf 1.1). Als we dan stellen dat narratieve substanties de representaties van de historische werkelijkheid zijn, kunnen we ook stellen dat bij representatie twee logische dummies tegenover elkaar staan en dat representatie slechts zo waarheidsgetrouw mogelijk is. Representatie zet de werkelijkheid op afstand en Danto"s stelling is bewezen.

De vraag hoe de historische representatie naar de historische werkelijkheid verwijst, wordt door de twee logische dummies ook overbodig gemaakt. De narratieve substantie en het concept van de werkelijkheid halen de bestaansgrond onder het idealisme en het realisme vandaan. Idealisme steunt immers op de gedachte dat een historisch verhaal een beeld, een narratieve substantie, geeft dat naar de historische werkelijkheid verwijst en de narratieve substantie is slechts een dummy om uitspraken aangaande het verleden aan op te hangen. Realisme heeft zijn basis immers in de opvatting dat de historische werkelijkheid gespiegeld wordt in historische uitspraken en de historische werkelijkheid die gespiegeld wordt is slechts een dummy om uitspraken aangaande die werkelijkheid aan op te hangen. Het vocabulaire van de representatie stelde Ankersmit zodoende in staat de discussie tussen realisme en idealisme als zinloos te bestempelen. Zonder problemen kan hij nu ook zijn ideeën verder ontwikkelen over de narratieve substantie die de historische representatie is van een verleden dat we alleen kennen in andere narratieve substanties en representaties.

2.2 Esthetica
Zoals gezegd is de esthetica de filosofie van de representatie. Een van de belangrijkste vraagstukken in de hedendaagse esthetica is de vraag wat een kunstwerk tot een kunstwerk maakt. Het feit dat Andy Warhol een Brillo-doosje in een museum zette, heeft deze discussie aangewakkerd. Wat is immers het verschil tussen het Brillo-doosje dat in het museum staat en kunst genoemd wordt en het Brillo-doosje dat in de winkel staat en een gebruiksobject genoemd wordt? Het antwoord op deze vraag heeft volgens Ankersmit ook zijn implicaties voor de historische representatie.

Danto stelt dat het idee van het esthetische object niet meer in het kunstwerk zelf ligt. Het esthetische object behoort de kijker toe, het ontstaat slechts in de manier waarop de toeschouwer naar het kunstwerk kijkt. Het kunstwerk zelf blijft nu inhoudsloos achter en alle aandacht vestigt zich op de vorm, op de materiele aspecten van het kunstwerk. We kijken niet langer door het representatieve medium van de kunst heen, maar we zien alleen nog maar het medium.

In de postmodernistische geschiedschrijving van Ginzburg, Le Roy Ladurie en Zemon Davis valt volgens Ankersmit hetzelfde principe te ontwaren. Net als de naturalistische schilderkunst nodigde het historische verhaal van de modernistische historicus de lezer uit door het medium van het verhaal heen te kijken naar het verleden. Maar naturalistische kunst wordt door moderne kunst vervangen en zo ook in de geschiedschrijving. De micro-storie van Ginzburg bezitten zelf een werkelijkheid, het zijn onbewerkte verhalen over schijnbaar irrelevante gebeurtenissen, die de aandacht "zelf" vasthouden en niet verwijzen "naar" een werkelijkheid.

Ankersmit stelt dat hij op deze manier nog eens aantoont hoezeer de recente ontwikkelingen in de kunst en de geschiedwetenschap parallel lopen en hoezeer de geschiedschrijving deel uitmaakt van de hedendaagse cultuur. De tekortkomingen van de moderne geschiedfilosofie kunnen volgens hem grotendeels verklaard worden door het gebrek aan aandacht voor het culturele belang van de geschiedenis.

2.3 Historisme?
Omdat de filosofie van de representatie een breuk met modernistische geschiedschrijving vormt, is Ankersmits invulling aan het historisme (immers een modernistische geschiedtheorie) ook veranderd. "Zo ben ik niet langer de historist die ik was toen ik indertijd het vierde opstel ("Een moderne verdediging van het historisme", JM) op papier zette", schrijft hij in 1990. De standpunten uit "Narrative Logic" werden nog steeds gehuldigd, maar ze werden niet meer ingezet om het historisme in haar moderne vorm te verdedigen.

Dit heeft met name te maken met het loslaten van het begrip "essentialisme". Modernisten en historisten in het bijzonder waren zijn altijd op zoek de essentie van het verleden te achterhalen. Ze wilden immers de geschiedenis en dus de identiteit, de essentie, van historische objecten achterhalen (zie paragraaf 1.2). Omdat de postmodernist aanneemt dat bewijsmateriaal niet naar het verleden, maar naar andere representaties van het verleden verwijst, is de essentie van het verleden nooit te bereiken.

Dit anti-essentialisme leidt Ankersmit wederom tot een aanprijzing van de postmoderne geschiedschrijving van de micro-storie. Als geschiedschrijving los staat van de essentie van het verleden, als de historische context haar betekenis verloren heeft, kan de taak van de tegenwoordige geschiedschrijving het beste opgevat worden als het zoeken naar het patroon dat we vanuit onze eigen tijd in het bewijsmateriaal kunnen ontwaren. "Evidence does not send us back to the past, but gives rise to the question what an historian here and now can or cannot do with it". In de micro-storie wordt gebroken met het essentialisme. Het gaat niet langer om integratie, synthese en totaliteit maar om kleine, niet-representatieve, merkwaardigheden die aan de maalstroom van de geschiedenis ontsnapt zijn.

Ditzelfde anti-essentialisme geeft het verschil tussen narrativisme en historisme weer. De historist wil samenhang aan het verleden geven door de essentie van het verleden, "het historische idee", in zijn tekst te weerspiegelen. De narrativist ziet geen samenhang, essentie, in het verleden zelf en geeft er zelf samenhang aan door een samenhangende tekst te schrijven.

Maar tegelijkertijd geeft Ankersmit ook de overeenkomsten tussen het historisme en het narrativisme aan. Het historisme was namelijk in de negentiende eeuw een reactie op de substantiële geschiedschrijving uit de Verlichting. Substantieel, omdat men er van uitging dat historische objecten substanties waren die in de loop van de duizenden jaren van de geschiedenis hun eigenheid bewaarden. Het historisme brak hiermee door te wijzen op de discontinuïteit van het verleden, op de eigenheid van elke periode en zodoende stelden historisten dat een historisch object door de eeuwen heen niet substantieel hetzelfde bleef. Het narrativisme is een radicalisering van dit standpunt omdat het stelt dat coherentie in het verleden niet langer bepaald wordt door het historische object maar door de historische tekst.

Dezelfde micro-storie die het anti-essentialisme in de geschiedschrijving belichaamden, haalt Ankersmit ook aan om het historisme als narrativisme nieuwe waarde te geven. Micro-storie leiden volgens hem tot een aandacht voor "ervaring" in plaats van "taal". De aandacht voor de gewone mensen in het verleden verschuift de aandacht voor talige bronnen naar bronnen die verslag doen van het gewone leven van communicatie en ervaring (de gewone mensen waren immers niet gewoon geschreven bronnen na te laten). Bovendien lijken de micro-storie niet meer geïnteresseerd in het geven van coherentie door taal. Ze willen ons een idee geven van hoe het eigenlijk was om in een bepaalde periode in het verleden te leven, het gaat niet om de coherentie van het verleden, maar om de "ervaring" ervan.
Deze "historische ervaring" is het hoofdthema van het werk van Ankersmit in de tweede helft van de jaren negentig geworden en het is via deze historische ervaring dat hij zich toch historist betuigt, zij het een compleet andere dan in de vroege jaren tachtig. Het is namelijk altijd het doel van het historisme geweest het bekende heden te laten voor wat het is en de vreemde, onbekendheid van het verleden ten volste te ervaren. Ze wilde dit bewerkstelligen door een beeld te schetsen van "the feel of the past". Ankersmits conclusie kan dan ook zijn: "Historicism is and will be our fate, whether we like it or not. And we had better try to like it, for as long as we stubbornly resist historicism, we will neither be capable of understanding the nature and the rationality of history, nor the many metamorphoses that historical writing had gone through during the last two centuries".

Conclusie
Het geschiedtheoretische werk van Frank Ankersmit kent een radicaliserende trend van een modernistisch, narratief en idealistisch historisme naar een postmodernistisch, esthetisch en representatief historisme. Ankersmit is echter altijd achter zijn proefschrift "Narrative Logic" blijven staan. De standpunten die hij na zijn promotie heeft ingenomen zijn altijd te herleiden op de narratieve filosofie die hij in dit proefschrift uiteenzette.

Ondanks het feit dat Ankersmits standpunten nooit overtuigend weerlegd zijn, bestaat er bij historici en ook bij modernistische geschiedtheoretici een weerwil om zich aan een narratieve filosofie als die van Ankersmit te binden. Modernistische geschiedtheoretici als Chris Lorenz zijn niet bereid de afstand tussen de historische werkelijkheid en de geschiedschrijving zo groot te laten zijn als Ankersmit hem laat zijn. Zij houden bovendien vast aan de geschiedschrijving als een wetenschapsfilosofische problematiek en weigeren het historisch verhaal als een kunstwerk te zien en de geschiedschrijving als een esthetische problematiek.

Historici weten zich over het algemeen al geen raad met geschiedtheorie, laat staan met Ankersmits abstracte theorieën. Een historicus die zijn dagen in het archief doorbrengt op zoek naar sporen van het verleden zal Ankersmits filosofie van de representatie fronsend of hoofdschuddend ter zijde leggen. In de dagelijkse werkelijkheid van het historisch onderzoek is geen plaats voor idealisme, relativisme of representatisme. Men zoekt het verleden en dat is al moeilijk genoeg.

Ankersmits filosofie gaat echter niet over "geschiedvorsing", maar over "geschiedbeoefening". Hoewel deze filosofie voor de doorsnee historicus zonder filosofische voorkennis een aanslag is op zijn uithoudingsvermogen, snijdt zij onderwerpen aan die van vitaal belang zijn, ook in de praktijk van de geschiedschrijving. De historicus kan niet zo maar voorbij gaan aan zaken als de incongruentie tussen taal en werkelijkheid. Het historische verhaal vereist stilistische kenmerken en een logische redenatie wil het leesbaar zijn. De feiten die de historicus wil presenteren zijn zo onderhevig aan de dwang van het verhaal. Deze dwang van het verhaal en de historische werkelijkheid kunnen onmogelijk gelijkgesteld worden. Dit is een essentieel probleem voor de geschiedwetenschap omdat het verleden alleen getoond kan worden door middel van (meestal tekstuele) representatie.

Ankersmits ideeën over een dergelijke problematiek zijn vaak radicaal en lijken ver van de historische praktijk af te liggen. Dit schrikt misschien af, maar het is juist een voordeel. Het geschiedtheoretische debat kent niet veel deelnemers en radicale uitspraken zouden de opschudding en discussie moeten veroorzaken die hard nodig zijn. Dat dit zelfs dan vaak niet gebeurt, is voor Ankersmit een reden om de geschiedfilosofie steeds meer de rug toe te keren. Ankersmit: "Het [is] net of je een steen in een sloot gooit. Een luide plons. Men kijkt nog even naar de kringen op het oppervlak en wacht rustig af tot ook die verdwenen zijn."

Als historici hun ogen voor de problemen van hun vak blijven sluiten en de geschiedtheorie blijven schuwen, dan zal de geschiedtheorie in deze situatie blijven en een langzame dood sterven. Afdoende oplossingen voor de problemen van de geschiedwetenschap zullen niet gevonden worden en de geschiedenis zal het zorgenkindje blijven van de wetenschapsfilosofie.

Bibliografie

• Ankersmit, F.R., "Antwoord aan Lorenz", Tijdschrift voor geschiedenis 97 (1984) 555-561,
• Ankersmit, F.R., De navel van de geschiedenis. Over interpretatie, representatie en historische realiteit (Groningen 1990)
• Ankersmit, F.R., "Een moderne verdediging van het historisme. Geschiedenis en identiteit", Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 96 (1981) 453-473,
• Ankersmit, F.R., "Historicism. An attempt at synthesis", History and theory 34 (1995) 143-161,
• Ankersmit, F.R., "Historiography and postmodernism", History and theory 28 (1989) 137-153,
• Ankersmit, F.R., Narrative Logic. A semantic analysis of the historian"s language (Groningen 1981),
• Bakker, M. en Terpstra, F., "Een steen in de sloot. Interview met Frank Ankersmit", Skript 16 (1994) 67-74,
• Lorenz, Ch., De constructie van het verleden. Een inleiding in de theorie van de geschiedenis (5e druk; Amsterdam 1998),
• Lorenz, Ch., "Het masker zonder gezicht. F.R. Ankersmits filosofie van de geschiedschrijving", Tijdschrift voor geschiedenis 97 (1984) 169-194,
• Lorenz, Ch., "Over het waardeprobleem in de geschiedwetenschap", Kennis en methode 14 (1990) 129-161,
• Tollebeek, J., De toga van Fruin. Denken over geschiedenis in Nederland sinds 1860 (2e druk; Amsterdam 1996).

Bericht geplaatst in: artikel