geschiedenis.nl

Peter Stuyvesant (1610-1672)

door Dirk Tang

07/08/2005 -

Afgelopen week werd met de grootst mogelijke zorg een brief uit 1626 vanuit Den Haag naar Amerika gebracht...

In 1626 berichtte koopman Pieter Schagen aan zijn bazen van de West-Indische Compagnie dat het eiland Manhattan voor zestig gulden van de indianen was gekocht.
Deze brief is onlangs verhuisd naar New York in het kader van een tentoonstelling over vierhonderd jaar relaties Nederland en Amerika. Deze expositie gaat in 2009 van start. Dirk Tang kijkt alvast terug op het leven van de bekendste en laatste gouverneur van Nieuw Nederland.


De laatste gouverneur
Peter Stuyvesant was de laatste Nederlandse gouverneur van de kolonie Nieuw Nederland. Wellicht is hij ook de bekendste geweest. Vanaf 1624, toen de Nederlanders zich in het gebied vestigden, werd de kolonie geleid door een directeur-generaal die ook wel gouverneur werd genoemd.
 
De kamer Amsterdam van de WIC benoemde de gouverneur. Hij vertegenwoordigde de WIC ter plaatse en stond aan het hoofd van het ambtelijke en militaire apparaat. De gouverneur werd bijgestaan door een Raad samengesteld uit inwoners van de kolonie, die kandidaten voordroegen waaruit de gouverneur een keuze maakte.
 
Op verschillende momenten in de geschiedenis van Nieuw Nederland ontstonden er conflicten tussen de vaak autoritair handelende gouverneurs en de door hen gekozen vertegenwoordigers uit de bevolking.

Wie was Peter Stuyvesant? Veel mensen kennen de naam Peter Stuyvesant. Toch is er betrekkelijk weinig over hem bekend en bestaat er geen deugdelijke biografie. Hij werd naar alle waarschijnlijkheid als Petrus (sommige bronnen noemen hem Pieter) in 1610 geboren in het Friese plaatsje Stellingwerf als zoon van dominee: Balthazar Johannes Stuyvesant.
 
Er zijn echter ook berichten dat hij in 1592, 1602,1611 of in 1612 werd geboren in Peperga. Zijn moeder overleed op jeugdige leeftijd en vader Stuyvesant hertrouwde kort daarna. De familie Stuyvesant behoorde tot de betere kringen in Friesland. Een oom, Hendrick Janszoon Stuyvesant, bezat landerijen in Friesland en had een deel van zijn kapitaal ingelegd in het schip ‘De Witte Ruiter’. In 1664 was deze oom kapitein op het schip geworden toen het met een lading zout aankwam in Amsterdam.
 
In het voetspoor van zijn vader studeerde hij letteren en filosofie aan de Universiteit van Franeker. Zijn studie moest hij echter voortijdig afbreken vanwege ‘een affaire’ met een meisje.  Via een relatie van zijn vader vond Peter Stuyvesant een baan bij de West Indische Compagnie in Amsterdam. Daar viel hij in positieve zin op door zijn ijver.
 
In 1635 werd hij benoemd tot laadmeester of supercargo op het eiland Fernando de Noranha, bij de kust van Brazilië. Na een kort verblijf in Amsterdam vertrok hij in 1638 naar het eiland Curaçao dat in 1634 door de WIC in bezit was genomen. Op dit warme en dorre eiland werkte hij ook weer als ladingmeester. Hij had er niet veel te doen en vermaakte zich, samen met een vriend, door het schrijven van kromme rijmversjes.
 
Het eiland diende vanwege zijn natuurlijke haven aanvankelijk vooral als uitvalbasis voor de kaperschepen van de Compagnie. Toen er vrede werd gesloten met Spanje en Portugal nam het belang van het eiland af. Na verloop van tijd veranderde dat echter. De groeiende stroom tot slaven gemaakte Afrikanen die via Curaçao door de WIC werden verhandeld was daar mede debet aan.
 
Via het eiland werden in de periode 1640 tot 1795 naar schatting negentigduizend Afrikanen verhandeld. Voor slechts een klein gedeelte van dit aantal was Curaçao het eindstation. Zij moesten werken in de pakhuizen van de Compagnie of op de paar plantages die het eiland telde. De meeste slaven werden echter zodra ze waren hersteld van de ellendige overtocht doorverkocht naar andere bestemmingen in het Caribische gebied. 
 
In 1643 werd Stuyvesant tot (tijdelijk) directeur van het eiland benoemd. In die hoedanigheid kreeg hij van de WIC opdracht om Sint Maarten op de Spanjaarden te veroveren. Met hulp van driehonderd soldaten vertrok de jonge directeur in de hoop op een snelle overwinning naar dat eiland. Het werd een mislukking en de overblijvende leden van de expeditie waren na een maand weer terug op hun uitgangspositie.
 
Ze waren smadelijk door de Spanjaarden verslagen en Stuyvesant verloor bij het gevecht zijn rechterbeen toen een Spaanse kogel het been beneden de knie verbrijzelde. Door de scheepschirurgijn moest het worden geamputeerd. Een operatie die slechts weinig patiënten in die tijd konden overleven. Stuyvesant was één van die weinigen.
 
Hij liet zich na de operatie een houten beenprothese met zilverbeslag aanmeten. In zijn verslag van de expeditie aan de bestuurders in Amsterdam klaagde hij over de moraal van zijn troepen die hij laf en lui vond.
 
De Directeuren van de WIC droegen hem op in Nederland te herstellen van zijn verwondingen en in 1644 verliet hij Curaçao. In het huis van zijn zuster Anna en haar echtgenoot kwam hij weer op krachten. Hij ontmoette er ook de zuster van zijn zwager: Judith Bayard. Er ontstond een romance en op 13 augustus 1645 traden zij te Breda in het huwelijk.
 
Ondanks de vele negatieve berichten die in de loop van de tijd over Stuyvesant werden verspreid heeft niemand hem ooit heeft beschuldigd van ontrouw aan Judith. Zij zou zich bezig gaan houden met de opvoeding van hun twee zoons: Balthasar Lazarus 1647 en Nicolaes Willem 1648, die beiden in Nieuw Amsterdam geboren zouden worden.
 
{mospagebreak}Opstand in Nieuw Nederland
Inmiddels waren aan de andere kant van de Atlantische Oceaan de inwoners van Nieuw Nederland in opstand gekomen tegen hun directeur-generaal (ook wel gouverneur genoemd). Het regende verzoeken bij de Directeuren van de Compagnie om Willem Kieft vanwege zijn autoritaire wanbeleid uit zijn functie te ontheffen. Toen ook leden van de door hemzelf benoemde Raad zich tegen hem keerden waren de Directeuren in Amsterdam bereid iets te ondernemen en benoemden ze een nieuwe directeur-generaal.
 
Stuyvesant wist de Directeuren echter te bewegen de benoeming ongedaan te maken. Dat deed hij door een nota te maken waarin hij zijn plannen voor een gunstige economische ontwikkeling van de kolonie uiteenzette. Kort gezegd kwam het er op neer dat hij van de kolonie een soort vrijhaven wilde maken. Hij pleitte er voor dat hij zelf de plannen zou kunnen uitvoeren. Zoals gewoonlijk konden de Directeuren niet snel tot een besluit komen en het duurde tot 1646 voordat zij instemden met de benoeming van Stuyvesant maar van het vrijhavenplan kon geen sprake zijn. De compagnie behield het handelsmonopolie.
 
Op weg naar faam
Peter Stuyvesant maakte een ongelukkige start in zijn nieuwe functie. In zijn rang van directeur-generaal van Nieuw Nederland, Curaçao, Bonaire en Aruba was hij de machtigste passagier van het gezelschap ambtenaren, handelaren en soldaten dat zich rond kerstmis 1646 inscheepte.
 
De vier schepen die de kleine vloot vormden vertrokken van de rede van Texel met bestemming Nieuw Amsterdam. Eenmaal op zee gaf Stuyvesant de schipper van de Groote Gerrit echter opdracht om naar Curaçao te varen. Ondanks de protesten van zijn medepassagiers, die hun armzalige verblijf aan boord van het schip onnodig verlengd zagen, zette hij zijn zin door. Het schip bleef nog drie weken te Curaçao en vertrok daarna eindelijk naar de nieuwe standplaats van de directeur-generaal.
Op 11 mei 1647 liet de Groote Gerrit het anker vallen in de haven van Nieuw Amsterdam. Stuyvesant werd door de vertrekkende Willem Kieft, verwelkomd met kanonschoten en een erewacht.
 
In functie
Kort nadat hij het bestuur van de kolonie op zich had genomen liet hij merken dat hij een man was om rekening mee te houden. Kieft, die nu weer een ‘gewone burger’ was diende een aanklacht in tegen twee leden van de Raad die hem het leven zo zuur had gemaakt. Stuyvesant werd gedwongen een keuze te maken. Hij koos ervoor om het gezag en het aanzien van zijn voorganger te beschermen. Impliciet deed hij dat dus ook voor zichzelf.
 
In juli opende hij een rechtszaak tegen de aanklagers. Hij vervulde in het proces zowel de rol van aanklager als die van rechter. De gehele zaak was dan ook snel afgedaan. De klagers werden respectievelijk tot de doodstraf en tot eeuwige verbanning veroordeeld. Na enig aandringen van voorname burgers uit de kolonie was hij in tweede termijn bereid om de strafmaat te verlagen tot tijdelijke verbanningen en geldboetes.
 
Zo maakten de bewoners kennis met zijn eigenzinnige karakter. Tijdgenoten beschreven hem als een eigenwijze, zelfzuchtige en arrogante man met weinig culturele verfijning. Het waren eigenschappen die, zo bleek al snel, zijn functioneren bleven beïnvloeden.
Hij vervaardigde een verbod uit op de verkoop van alcohol aan Indianen en hij verbood tevens de verkoop van alcohol ‘s avonds na negenen. Om de inkomsten in de kolonie te vergroten hief hij accijns (belasting) op wijn en andere alcoholische dranken.
 
Alle voor de handel bestemde bontvellen moesten worden gestempeld om daarmee smokkel tegen te kunnen gaan en bovendien werd er dertig cent belasting geheven op ieder bontvel dat werd verhandeld.
 
Stuyvesant probeerde met straffe hand de religieuze vrijheid in de kolonie te beperken en de inwoners te verplichten de Gereformeerde Kerk te bezoeken. Hij vervolgde Luthersen, Baptisten, Joden en Quakers zonder genade totdat de publieke opinie in de kolonie en de Directeuren in Amsterdam hem dwongen een gematigder houding aan te nemen.
 
Hij trachtte om een betere economische samenwerking tot stand te brengen tussen de Caribische eilanden en Nieuw Nederland. Nieuw Nederland zou de eilanden van voedsel kunnen gaan voorzien in ruil voor de aanvoer van paarden zout en slaven. Het plan liep echter op en mislukking uit omdat de eilanden meer winst konden maken door binnen de eigen regio te handelen.
 
Geen echte democraat
Aanvankelijk dacht Stuyvesant de steun van de bevolking te verwerven. Hij breidde de bestaande adviesraad die uit zes vertegenwoordigers bestond uit tot negen personen. Zodra deze was geïnstalleerd liet de nieuwe Raad merken dat de directeur-generaal niet almachtig was. De leden wilden de bevoegdheden van de Raad verder uitbreiden.
 
De bestuurders in Amsterdam stemden in met het voorstel, maar Stuyvesant wist het zo te manipuleren dat de voorgestelde veranderingen maar beperkt effect kregen. Over zijn stijl van leiding geven schreef een directeur van de WIC: “ Onze grote Moskouse Hertog gaat gewoon door als altijd. Het is net een wolf die naarmate hij ouder wordt steeds meer de neiging heeft om te bijten”.
 
Tijdens de vergaderingen van de Raad was het zijn gewoonte om zo nu en dan luid met zijn houten been op de grond te stampen wanneer hij het niet met de gang van zaken eens was. Na een paar vergaderingen had hij er genoeg van en ontbond hij de Raad van Negen. Het duurde tien jaar voordat er weer een nieuwe werd geïnstalleerd (1653-1663)
 
Conflicten genoeg
Tot verbijstering van Stuyvesant keerden de twee ex-leden van de Raad die hij eerder had verbannen, met instemming van de Compagnie, weer terug in de kolonie. Ze brachten hem een bevel om zich in Amsterdam te komen verantwoorden. Hij stuurde echter een vertegenwoordiger en bleef in de kolonie.
 
 
Titelpagina van "Beschryvinge Van Nieuw-Nederlant, (Ghelijck het tegenwoordigh in Staet is)" Dit is een van de eerste boeken over Nieuw-Nederland. Het werd in 1655 geschreven door Adriaan van der Donck die in het gebied woonde en werkte.
 
Kort daarna ontstond er een conflict over een stuk grond dat Adriaen van der Donck had gekocht van de compagnie en dat later de naam Jonkers zou krijgen. Van der Donck was een tegenstander van formaat. Hij was jurist en secretaris van de Raad en goed in staat zich tegen Stuyvesant te weren. Dat deed hij onder meer door het schrijven van een vernietigend rapport over de toestand in de kolonie.
 
 
 
Hij voelde zich gedwongen de kolonie te verlaten. Zijn “Vertoogh van Nieu Nederland” maakte in de Republiek een diepe indruk. Het hielp echter niet om het probleem van de autoritaire gouverneur op te lossen en Van der Donck keerde teleurgesteld naar de kolonie terug.
In 1654 kon Stuyvesant een klein succes boeken. De bewindhebbers van de WIC gaven na lang aandringen het plaatsje aan de Hudson stadsrechten. Het officiële stadswapen droeg als spreuk: ‘Amstelodamensis in Novo Belgio’.
 
In hetzelfde jaar vertrok hij voor een officieel bezoek aan Curaçao. Op dat eiland was de slavenhandel tot bloei gekomen, iets waar de directeur-generaal niet veel mee van doen had. In Nieuw Nederland was niet veel interesse in slaven. Men achtte ze niet geschikt om op het land te werken en daarbij komt dat de aankoop van een slaaf de mogelijkheden van veel inwoners te boven ging.
 
Nadat de eerste groep Afrikanen in 1625 was gearriveerd, duurde het nog tot 1655 voordat er weer een groep kwam. Van de slaven die in 1625 waren gearriveerd waren de meeste in 1644 vrijgelaten. Aanvankelijk lukte het niet de slaven die in 1655 arriveerde te verkopen. Dat gebeurde pas nadat de prijzen waren verlaagd. Om voortijdige export naar Nieuw Engeland te voorkomen hief Stuyvesant een belasting van 10 procent in het geval ze toch werden doorverkocht.
 
{mospagebreak}
Na terugkeer uit Curaçao bezat de gouverneur nog altijd een tomeloze energie. Hij rekende af met langlopende grensconflicten met de Engelsen in het noorden en de Zweden in het zuiden. Hij ging daarbij uitgekookt te werk. Omdat de Engelsen te sterk waren om militair te worden aangepakt sloot hij met de kolonisten van Connecticut een verdrag.
 
Een totaal andere aanpak bedacht hij voor de Zweden aan de Delaware-rivier in het zuiden. Die hadden zich daar ongeveer in de periode dat hij aantrad als directeur-generaal gevestigd. Nadat hij toestemming had gekregen van de WIC vertrok hij in 1655 met zeshonderd soldaten in zeven schepen naar de Zweedse vestiging.
 
De Zweden konden aan zoveel machtsvertoon geen weerstand bieden en gaven zich dadelijk over. Nieuw Zweden, zoals de kolonie was genoemd, werd Nederlands gebied. Het probleem daarbij was echter dat Stuyvesant zoveel geld had moeten lenen om de militaire operatie uit te voeren dat hij het niet kon terugbetalen.
 
De voornaamste schuldeiser, de stad Amsterdam, kreeg daardoor tenslotte een deel van Delaware- vallei in eigendom. De stad stuurde dadelijk meer dan 150 kolonisten om het nieuwe bezit in cultuur te brengen.

Oorlog met de Indianen
Toen hij van zijn expeditie naar Delaware terugkeerde in Nieuw Amsterdam werd hij geconfronteerd met een hevig conflict met de plaatselijke Indianen. De directe aanleiding voor het conflict werd veroorzaakt door een Nederlandse boer die een Indiaanse vrouw betrapte toen ze perziken stal uit zijn boomgaard.
 
De boer schoot de vrouw dood en de familie van de vrouw eiste vervolgens genoegdoening. Stuyvesant slaagde er aanvankelijk in de zaak te sussen, maar dat was niet van lange duur.
 
In 1658 brak de zogenoemde Perziken - oorlog uit. Verschillende Indiaanse stammen vochten zij aan zij tegen de kolonisten. De oorlog zou, met enige onderbrekingen, vijf jaren duren en na en korte periode van vrede worden gevolgd door nieuwe gevechten.
 
Het einde van de kolonie
Onder het bewind van Stuyvesant maakte de kolonie een gestage groei door. De bevolking nam toe tot ongeveer negenduizend personen. Er was intensief handelsverkeer met de Republiek en met Amsterdam in het bijzonder. De druk van de omringende Engelse kolonies op Nieuw Nederland nam echter toe.
 
Steeds vaker drongen Engelse kolonisten al of niet gewapend door in Nederlands gebied. Een complicerende factor daarbij was dat er een nieuwe oorlog uitbrak tussen de twee moederlanden aan de Noordzee. In augustus 1664 verschenen vier Engelse oorlogsschepen op de rede van Nieuw Amsterdam. De vloot stond onder commando van Richard Nicolls die met vierhonderdvijftig soldaten was gekomen om de kolonie voor de Engelse kroon op te eisen.
 
Stuyvesant, de oude militair, riep de bevolking op de invasiemacht te bevechten. Daar was echter weinig animo voor. Toen de Engelsen aanboden de kolonie tegen gunstige voorwaarden over te nemen van de bewoners verdween voor de gouverneur iedere mogelijkheid tot militair verzet. Er restte hem niets ander dan de kolonie aan de Engelsen over te dragen.
 
Na de overdracht werd hij door de Amsterdamse bestuurders opgeroepen om zich te komen verantwoorden. De bestuurders wilden Stuyvesant graag als zondebok gebruiken en verantwoordelijk maken voor het verlies van hun bezit. De directeur-generaal had echter nog niets van zijn vechtlust verloren en zich terdege voorbereid op zijn juridische verdediging.
 
Spoedig bleek dat hij kon aantonen dat de bestuurders systematisch en jarenlang hadden nagelaten de kolonie in staat van verdediging te brengen. Er was geen enkele grond om dat Stuyvesant aan te rekenen. Hij kon dan ook zonder problemen uit de Republiek vertrekken en zich voor goed te vestigen op zijn ‘bouwerij’ (boerderij) in de inmiddels tot New York omgedoopte kolonie.
 
 
Hij had de bouwerij die was gelegen tussen de huidige 5th Street en 17th Street en die liep van de East River tot aan 4th Avenue, in 1651 gekocht. Er werkten verschillende arbeiders en een veertigtal slaven. Daar sleet hij de laatste jaren van zijn leven samen met zijn vrouw en gehuwde zonen.
 
Toen hij in 1672 stierf (sommige bronnen noemen 1682) werd hij begraven in de kapel bij zijn huis. Het oorspronkelijke gebouw brandde in de achttiende eeuw af en werd in 1799 vervangen door de huidige kerk. Nieuw Nederland’s beroemdste directeur-generaal ligt er nog altijd begraven.
 
 
 



Meer artikelen van deze auteur: Dirk Tang

Meer artikelen over dit onderwerp:
Stuyvesant  Nieuw Amsterdam  New York  WIC  West Indisch Compagnie  Manhatten